Skip to main content

Full text of "Vijfentwintig Jaar Vlaamse Beweging"

See other formats


Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



H.J. Elias 



bron 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging. De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen 

1969-1972 (4 dln) 



Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/elia002vijfDl_01/colofon.htm 



O 2008 dbnl / erven H.J. Elias 



7 

[Eerste deel] 

Woord vooraf 

Wij geloven dat, bij de presentatie van dit boek aan het Vlaams publiek, een woord 
van uitleg over het doel en de opzet ervan ten zeerste wenselijk is en wel om alle 
misverstand te voorkomen. Eerst en vooral: dit is geen voortzetting van onze studie 
over de Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte (1780-1914). Deze indruk zou 
kunnen gewekt worden, omdat het nieuwe boek kronologisch aansluit bij het 
voorgaande en ook aangezien het onderwerp, voor de oppervlakkige lezer althans, 
niet zeer scherp gescheiden ligt. Waar nochtans in onze Geschiedenis, zoals trouwens 
de titel vrij duidelijk aangeeft, de ontwikkeling van de gedachte op het voorplan staat 
en het politiek en kultureel verloop van de Beweging slechts dient als kader of 
achtergrond, pogen we daarentegen in het onderhavige boek het leven weer te geven 
van de Vlaamse Beweging, dit sociologisch verschijnsel dat wij in al zijn aspekten 
beschouwen als één geheel. Het brengt zowel de geschiedenis van de taalstrijd als 
die van de bewustwording van ons volk tot eigen nationaliteit, met de weerslag die 
dit fenomeen met zich brengt op elk gebied van geestelijke en materiële aktiviteit. 

Dit is een eerste onderscheid dat wij wensen te beklemtonen. Er is nog een tweede. 
Reeds voor het vierde deel van onze Geschiedenis kon de vraag gesteld worden: in 
hoever is dit alles reeds werkelijk historie? Had onze eigen generatie nog niet in 
grote mate deze strijd van de oudere, onder haar leiding of tegen haar in, voortgezet? 
Met veel meer recht kunnen wij ons dit hier afvragen. Nog leven enkele, vrij zeldzame 
personen, die vóór 1914 een aktieve rol in de Vlaamse Beweging hebben gespeeld. 
Talrijker zijn reeds zij die een belangrijk aandeel hadden in het aktivisme en in de 
frontbeweging. Steeds maar groter wordt dan de schaar van de medespelers naarmate 
het verhaal vanaf 1918 vordert. Wij zijn er dan ook vooraf vast van overtuigd dat 
meer dan één lezer verwonderd zal opkijken en zich hier en daar, bij de lektuur van 
dit boek, afvragen of hij het niet anders beleefde en 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



8 



zag dan een schrijver die poogt te ontleden, wederop te bouwen en te vertellen. 

Bij dit verhaal dienden wij rekening te houden met op zijn minst drie verschillende 
kategorieën van lezers. Een voorbeeld in de kronologische volgorde zal dit duidelijk 
maken. Voor de generatie die na 1930 tot politiek bewustzijn kwam, was de eerste 
wereldoorlog reeds geen persoonlijke wederwaardigheid meer. Ze stond wel schouder 
aan schouder met wie 1914-1918 beleefde, met wie zeer moeizaam na 1918 uit het 
slop kwam van de naoorlogse ontreddering, maar ze was nog slechts half gebonden 
aan deze traditie. Nieuwe ideeën baanden zich een weg. Een jongere generatie wilde 
de fakkel overnemen; het 'bonzenstelsel' was in de Vlaamse Beweging niet zo stevig 
gevestigd als in het traditioneel partijwezen! Wij zullen dit zeer duidelijk weervinden 
in de evolutie van de opvattingen tussen 1929 en 1936. Maar vandaag de dag, in 
1969, is ook deze tweede generatie grotendeels op de achtergrond geraakt, al hebben 
de internationale gebeurtenissen hier in belangrijke mate toe bijgedragen. Er staat 
weer een nieuwe generatie op die niet eens meer begrijpt wat er in Vlaanderen 
gebeurde tussen 1930 en 1940. Voor wie nu veertig wordt, zijn de jaren vóór 1940, 
is de tweede wereldoorlog zelf geen eigen ervaring meer, is de kennis van de 
toestanden en verhoudingen in deze tijdspanne reeds bepaald door de mensen en de 
gebeurtenissen van na 1944. Wij hebben getracht de diversiteit van dit lezerspubliek 
te ondervangen door nergens uit te gaan van het standpunt alsof de lezer nog iets 
wist over de gebeurtenissen waarover wij een relaas brengen. 

Makkelijk was het niet bij dit verhaal van de gebeurtenissen en vooral bij de 
waardering van de gevolgde politiek in de verschillende partijen, de nodige sereniteit 
te bewaren. Dragen trouwens niet alle historische werken, zodra de historicus overgaat 
van de dode kroniek naar de levende geschiedenis, zeer sterk de stempel van de 
persoonlijke opvattingen van de geschiedschrijver in de interpretatie en samenhang 
van de gebeurtenissen die hij wil verhalen? Dit geldt onvermijdelijk en in een nog 
hogere mate voor onderwerpen uit de hedendaagse geschiedenis. Wij hebben gestreefd 
naar objektiviteit, maar zijn er ons van bewust dat wij deze onmogelijk konden 
bereiken' 1 '. Geboren in 1902, behoren wij tot de uitstervende generatie die nog een 
stuk van het aktivis- 



(1) Vgol. c. FOHLEN. La France de l'entre-deux-guerres (1917-1939). Parijs, 1966, préface. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



9 



me beleefde. Onze jeugd werd sterk getekend door de repressie ervan. Er is meer. 
Wij zijn niet alleen toeschouwer geweest van de ontwikkeling der Vlaamse Beweging 
in de jaren 1914-1939. Wij stonden, vanaf 1929, zelf aktief in het politieke leven. 
Wij hebben partij gekozen en ons daarbij volop in de strijd geworpen. Ofschoon wij, 
bij de uitwerking van deze geschiedenis der Vlaamse Beweging, in ruime mate nog 
andere tijdgenoten ondervroegen, konden wij ons eigen getuigenis over bepaalde 
gebeurtenissen niet uitschakelen. Ten einde dit bewust subjektieve element te 
onderstrepen, schakelden wij, waar dit nodig en onafwendbaar bleek, over van de 
wij- naar de ik-vorm of duidden in de voetnoten onze eigen initialen aan als bron 
van onze gegevens. Wij hebben getracht dit onaangename ik-verschijnsel tot een 
minimum te herleiden: de lezer zal opmerken dat deze metode tot gevolg had dat wij 
onze eigen naam herhaaldelijk vermelden alsof het ging om een vreemdeling... 

Een laatste opmerking nog. In ons oordeel over de personaliteiten die een rol 
gespeeld hebben in de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging, hebben wij ons 
vrijwillig en zeer bewust beperkt tot de overledenen. Wij wensen met ons verhaal 
buiten het gewoel van de eigen tijd te blijven voor zover het personen betreft die, 
vriend of vijand, heden nog een taak vervullen of dit zouden kunnen. Bij het nazien 
van het persoonsnamenregister zal ieder lezer voor zichzelf wel uitmaken wie aldus 
nog overblijft uit een periode die nu dertig jaar achter ons ligt. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



10 



Algemene bibliografie' 1 * 

Algemene geschiedenis der Nederlanden. Dl. XII, 1914-1945 (1958). 
Atlas des élections beiges, 1919-1954, 2 dln. (1958), door R. DE SMET, R. 
EVALENKO en W. FRAEYS. 

M. BASSE. De Vlaamsche Beweging van 1908 tot 1930, 2 dln. (1933). 

F. BAUDHUIN. Histoire économique de la Belgique, 1914-1939, 2 dln. (1944) 

M. CLAEYS-VAN HAEGENDOREN. Vijfentwintig jaar socialisme. Evolutie van de 

verhouding van de Belgische Werkliedenpartij tot de parlementaire democratie 

in België van 1914 tot 1940 (1967). 

Geschiedenis van Vlaanderen. Dl. VII (1949). 

C. HÖJER. Le régime parlementaire beige de 1918 a 1940. Uppsala, 1946. 
F. VAN KALKEN. Entre deux guerres. Esquisse de la vie politique en Belgique 
de 1918 a 1940 (1944). 

TH. LUYKX. Politieke geschiedenis van België van 1 789 tot heden ( 1 964). Nieuwe 
uitgave, 1968. 

J.K. MILLER. Belgian Foreign Policy between two wars, 1919-1940. New York, 
1951. 

R. VAN OVERSTRAETEN. Albert I - Leopold III. Vingt ans de politique militaire 
beige, 1919-1940. Z.j. (1948). 

L. PICARD. Geschiedenis van de Vlaamse en Groot-Nederlandse Beweging. Dl. 
II (1959). 

O. DE RAEYMAEKER. België's internationaal beleid, 1919-1939 (1945). 

S.H. SCHOLL. 1 50 jaar katholieke arbeidersbeweging in België, 1789-1939. Dl. 

III. De katholieke arbeidersbeweging, 1914-1939 (1966). 

A. SIMON. Le parti catholique beige, 1830-1945 (1958). 

Vlaanderen door de eeuwen heen (2e uitg. 1932, 3e uitg. 1951-1952). 

A.W. WILLEMSEN. Het Vlaams nationalisme 1914-1940. Groningen, 1958. 

Nieuwe uitgave, 1969. 

P. VAN ZUYLEN. Les mains libres. Politique extérieure de la Belgique 1914-1940 
(1950). 



(1) Deze lijst omvat alleen de werken die de periode 1914-1939 in haarr geheel behandelen of 
die een speciaal tema van de Belgische geschiedenis over dezelfde periode tot onderwerp 
hebben. Voor verdere bibliografie verwijzen wij naar de Algemene Geschiedenis der 
Nederlanden en naar de werken van Basse, Luykx en Willemsen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



11 



Lijst van afkortingen 

A.K.V.S. 
A.V.H.V. 
A.V.V. / V.V.K. 
F.N.C. /N.S.B. 
K.B. 

K.V.H.V. 

N.S.B. 

S.K.V.H. 

V.O.S. 
V.T.B. 
V.V.K.S. 
V.V.P.O.B. 



Algemeen Katoliek Vlaams 
Studentenverbond 

Algemeen Vlaams 
Hoogstudentenverbond 

Alles voor Vlaanderen - Vlaanderen voor 
Kristus 

Fédération nationale des anciens 
combattants - Nationale Strijdersbond 

Koninklijk Besluit 

Katoliek Vlaams Hoogstudentenverbond 
Zie F.N.C. 

Sekretariaat der Katolieke Vlaamse 
Hoogstudenten 

Verbond der Vlaamse Oud-Strijders 

Vlaamse Toeristenbond 

Vlaams Verbond der Katolieke Scouts 

Verbond van het Vlaams Personeel der 
Openbare Besturen. 

Het persoonsnamenregister verschijnt 
samen met het laatste deel van het werk. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



12 



De eerste wereldoorlog heeft zeer diepe sporen nagelaten in de ontwikkelingsgang 
van de Vlaamse Beweging. De schijnbare eenheid in opvattingen en doelstellingen, 
die nog enkele jaren vóór 1 9 1 4 tot uiting gekomen was in het manifest De Vlamingen 
onder de nieuwe regeering (1910), werd verbroken. Onder invloed van het aktivisme 
en de frontbeweging wees een nationalistische vleugel de formulering af van een 
programma van Vlaamse eisen, om de eis vooruit te stellen van politieke 
struktuurhervormingen. Deze tegenstelling in de opvattingen, reeds latent in de 
Beweging vóór 1914, en vanaf de oorsprong besloten in het wezen zelf ervan, werd 
door de oorlog zeer sterk geaktiveerd. Deze bekentenis tot een nationalistische 
oplossing heeft daarbij zonder twijfel de niet-nationalistische vleugel jarenlang vóór 
zich uit naar meer radikalisme gedreven. De geschiedenis van de Vlaamse Beweging 
in de eerste wereldoorlog vormt de noodzakelijke inleiding tot die van de jaren 
1919-1939. Zij valt daarbij als vanzelfsprekend uiteen in drie tema's: aktivisme, 
frontbeweging en passivisme. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



13 



Hoofdstuk 1 1 Het aktivisme 

1. De reaktie op de Duitse inval 

Toen het Duitse leger op 4 augustus 1914 onze oostelijke grens overschreed, vond 
het in België een regering die vast besloten was tegenstand te bieden en een 
eensgezind volk dat geschaard stond rondom zijn Koning, symbool van dit verzet. 
Op dezelfde morgen, voor de gezamenlijke vergadering van Kamer en Senaat, 
verklaarde Albert I geen partijen meer te kennen: 'slechts één partij, die van het 
vaderland'. In een oproep echter, de volgende dag gericht tot het volk, riep hij de 

(1) BIBLIOGRAFIE. Er bestaat geen wetenschappelijke geschiedenis van het aktivisme. Vgl. in 
dit verband F. PETRI. Zur Flamenpolitik des I. Weltkrieges. Ungelöste Fragen und Aufgaben, 
'mDauer und Wandel der Geschichte. Festschrift für Kurt von Raumer (1966), 513-536 
(hierover P.H. NELDE in Wetenschappelijke Tijdingen, 1968, 107-114). De voornaamste 
gedrukte bronnen zijn Les Archives du Conseil de Flandre (Raad van Vlaanderen) publiées 
par la Ligue nationale pour l'Unité beige, z.j. (De Nederlandse, verkorte uitgave is te 
gebruiken voor sommige Nederlandse teksten). Zeer kritisch te gebruiken. - th. heyse. 
L'occupation allemande en Flandre. Index documentaire. Brochure nr. 2. Le procés de 
Vactivisme (overdruk uit Le Flambeau, nov. 1919); baron VON DER LANCKEN. Mémoires, 5e 
uitg., Parijs 1932 (uit het Duits: Meine dreissig Dienstjabre); RUDIGER (= A. Wullus). Un 
livre noir de la trahison activiste, z.j. (1920); Id. Flamenpolitik. Suprème espoir allemand 
de domination en Belgique. D'après les documents de la 'Section Politique ' du Gouvernement 
général, du Grand Quartier allemand et de la IVème Armee allemande, z.j. (1921); Id. 
Mémoire au Roi sur les dangers de la réhabilitation de Vactivisme (1926); Activisten (uitg. 
Julius Vuylstekefonds, 1919). Vgl. verder K. ANGERMILLE. De lotgevallen van een activist. 
Van Antwerpen naar Antwerpen 1914-1919 (1931); M. cordemans. Dr. A. Van de Perre's 
oorlogsjaren 1914-1918, z.j. (1963); J.L.M. EGGEN VAN TERLAN. Bijdrage tot de geschiedenis 
van de Vlaamsche Beweging gedurende den oorlog (1931); A.L. FAINGNAERT. Verraad of 
zelfverdediging? Bijdrage tot de geschiedenis van den strijd voor de zelfstandigheid van 
Vlaanderen tijdens den oorlog van 1914-1918 (1933 - partijdig, maar zeer waardevol. De 
brochure Verraad of zelfverdediging (1930) mag verwaarloosd worden); L. VON KÖHLER. 
Die Staatsverwaltung der bezetzten Geblete Belgiens. New Haven, 1927; L. MOYERSOEN. 
Prosper Poullet en de politiek van zijn tijd (1946 - over de regering en het aktivisme); bob 
DRIESSEN TER MEULEN (= R.P. Oszwald). Die Jïdmische Bewegung wdhrend des Krieges, in 
Der Belfried, m, juli, aug. en okt. 1918; Id. Die deutsche Flamenpolitik und das Gutachten 
von Prof. Bredt vom Parlementarischen Untersuchungsausschuss in Historische Zeitschrift, 
Band 136 (jaar 1927) - Vertaling in het weekblad Vlaanderen, 28 jan. 1928; H. PIRENNE. La 
Belgique et la guerre mondiale, z.j. (1928); J. PIRENNE et M. VAUTHIER. La législation et 
Vadministration allemandes en Belgique (1925); M. VAN DE VELDE. Geschiedenis van de 
Jong Vlaamsche Beweging 1914-1918 van bewijsstukken voorzien, 's Gravenhage, 1941. Het 
woord 'aktivist' werd voor het eerst gebruikt einde november 1915. Het eerste gebruik ervan 
zou teruggaan op een artikel van A. Jacob in De Vlaamsche Stem, 4 nov. 1915. Wij vonden 
het evenwel reeds in een ingezonden stuk van Leo Van Puyvelde, 2 nov., aan de Nieuwe 
Rotterdamsche Courant. Zie ANGERMILLE, o.c, 68. Het woord werd beschouwd als een 
Zweeds import. J. DESTRÉE. Wallons etFlamands, p. 136 (aangeh. S.T. RIJDER (= R. Verhulst) 
La Flandre opprimée, Tielt, z.j. (1928), 38) schrijft het volgende: 'Activisme et activistes 
sont des termes qui existaient déja avant la guerre. C'est la conception, originaire dAllemagne, 
appliquée par après en Suède et en Flandre, qu'il ne faut pas seulement enregistrer, surtout 
quand il s'agit du réveil du sentiment national, les évolutions politiques, mais encore les 
accélérer, en utilisant toutes les occasions d'exciter 1'opinion publique et rendre plus élastique 
(actuel) le cours des évènements.' Wij kregen te laat kennis van de tweede uitgave van 
WILLEMSEN en van het antwoord van F. PETRI aan P.H. NELDE (Wetenschappelijke Tijdingen 
xxvii (1968), 325-328 om de gegevens ervan nog in onze uiteenzetting te verwerken. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



Vlamingen op en de Walen: 'Vlamingen, gedenkt den Guldensporenslag. Walen, 
gedenkt de Zeshonderd Franchimontezen!'. 

De oproep tot de Vlamingen was een greep naar het hart van het vlaamsbewuste 
Vlaanderen en het werd door de flaminganten als dusdanig nooit vergeten. Op weinige 
uitzonderingen na stond hun streven, door hun vijanden zo graag voorgesteld en 
uitgescholden als een werktuig van het pangermanisme, aan de zijde van de Koning 
en waren de flaminganten diep workkig tegen Duitsland dat hun vertrouwen zo diep 
beschaamde en ze nu in de armen van Frankrijk dreef. Op 8 aug. verscheen voor de 
laatste maal het weekblad van de katolieke oud-hoogstudenten, het gezagvolle Hooger 
Leven. De redaktie bevestigde dat uit de verwoestingen van deze oorlog twee zaken 
zouden duidelijk blijken: ten eerste dat wij Vlaamse Belgen zijn en ons bloed veil 
hebben voor 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



14 



ons land; ten tweede dat wij geen pangermanisten zijn: geen enkel Vlaamse hoofdman 
kon onder die omstandigheden de verdediging van Duitsland op zich nemen. 
Omstreeks dezelfde tijd verscheen een oproep van het A.K.v.s. (Algemeen Katoliek 
Vlaams Studentenverbond) tot zijn leden: het was een oproep tot de strijd en om tot 
waarheid te maken 'mijn leven voor Vlaanderen en Vlaanderen voor God, O mocht 
ik dat winnende sneven'. Het 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



15 



was een wekroep uitsluitend ingegeven door Vlaamse motieven' 2 '. Voor het orgaan 
van het A.K.V.S. De Student, was tegen 15 aug. over België en de oorlog een artikel 
klaar dat echter niet meer kon verschijnen. Men vond er het argument in terug van 
Hooger Leven: van de legende van het pangermanisme der Vlaamse Beweging zal 
na de oorlog niets meer overblijven; vele vooroordelen zullen weggevallen zijn en 
onze eisen zullen beter begrepen worden. Aug. Borms, reeds een bekende naam in 
de Vlaamse wereld, schreef in dezelfde geest een artikel in de Vlaamsche Gazet van 
Brussel (14 aug.: De Vlamingen in den strijd): de Vlaming toont aan zijn Waalse 
broeder hoe uit de liefde tot Vlaanderen een 'diepe gehechtheid aan 't Belgisch 
vaderland' gegroeid is. Daarbij zullen de Vlamingen, als beloning voor hun 
heldenmoed, de regeerders horen zeggen: dit volk verdient zijn volle recht en als 
eerste beloning schenken wij het de Vlaamse hogeschool' 3 '. De vurige germanofiel 
Omer Wattez (= Joost) schreef in het Handelsblad dat het geen tijd was om over 
taal- en kultuurstrijd te handelen; Alf. Sevens riep in zijn De Witte Kaproen de 
flaminganten op om al te vergeten wat de Belgen mocht scheiden; René De Clercq 
schreef Belgisch-vaderlandse gedichten; Cyriel Verschaeve reageerde bitter anti-Duits 
en zijn boezemvriend Robr. De Smet verkeerde in januari 1915 nog in dezelfde 
stemming' 4 '. De antimilitaristische meetingisten in Antwerpen, die op 2 aug. juist het 
eerste nummer hadden uitgegeven van een nieuw weekblad De Vrijheid, verzonden 
op 5 aug. een circulaire om de eendracht onder alle Belgische burgers te prediken 
en te verklaren dat, voor de duur van de oorlog, ook alle taalgeschillen tot zwijgen 
dienden gebracht' 5 '. 

Wat voorafgaat was zonder twijfel de algemene sfeer onder de flaminganten en 
wij mogen derhalve Leo Picard en zijn groepje geestesgenoten te Gent als een 
uitzondering beschouwen. Die waren duitsgezind en wensten een Duitse overwinning. 
Nog maanden later zal L. Picard, in De Vlaamsche Post, het als een vergissing 
beschouwen dat zovele Vlamingen zich in augustus 



(2) M. CORDEMANS. Dr. Aug. Laporta en De Student (1959), 364-365. 

(3) Dit artikel verscheen ook in Het Handelsblad (13 aug.) onder de titel Zij zullen hem niet 
temmen, waarbij de zin over de Vlaamse hogeschool wegviel. A. JACOB. Het Vlaams konflikt 
en het federalistiese beginsel (1920), 62, n. 

(4) D. vansina. Verschaeve getuigt (1955), 268 en 270, n. 1. 

(5) Vgl. tal van teksten in de brochure Aan het Vlaamsche Volk, z. pl. z.j. (juli 1917). Er bestaan 
van deze brochure meerdere uitgaven. Zij zou van de hand zijn van Ir. Mommaerts, volgens 

FAINGNAERT, 19, n. 1. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



16 



1914 gemeld hadden als vrijwilligers en nog geen onderscheid gezien hadden 'tussen 
het Belgische belang en het Vlaamse belang' . Wie aldus dachten waren, in het begin, 
zonder twijfel slechts een handvol jonge mensen, zonder naam nog in de Vlaamse 
strijd 6 '. 

Wij zien echter dat, na enkele weken bezetting, bij de flaminganten in Brussel en 
Antwerpen, vergaderingen worden belegd, samenkomsten plaats hebben waarop 
over de toekomst van de Beweging, over de houding die tijdens de oorlog diende 
aangenomen, besprekingen worden gevoerd. Hoe was men er zo vlug toe gekomen 
aan de mogelijkheid te denken van een voortzetting van de Vlaamse aktie ook tijdens 
de oorlog? Deze vraag staat in nauw verband met het probleem van de oorsprong 
van het aktivisme. 



2. De oorsprong van het aktivisme 

Men heeft later, in verband met de oorzaken en de oorsprong van het aktivisme, zeer 
sterk bij de vlaamsgezinden de nadruk gelegd op de verbreking van de 'godsvrede' 
door de tegenpartij. Een feit is het dat, niettegenstaande de vaderlandse houding van 
de flaminganten, door vele frankofonen in België de anti-Duitse reaktie in grote mate 
opgevat werd als een anti-flamingantische. De teksten liggen hier voor het grijpen 
en er werd later door de aktivistische propaganda gretig gebruik van gemaakt, zowel 
om alle schuld op de rug van de franskiljons en van de Walen te schuiven als om de 
eigen houding te rechtvaardigen' 7 '. Reeds op 16 aug. 1914 voelde de 'Vlaamse 
Volksraad' zich genoodzaakt in een proklamatie de beschuldigingen van 
pangermanisme, waarmede de Vlaamse Beweging belasterd werd, te weerleggen. 
La Métropole van 22 aug. schreef een scherp anti- Vlaams artikel onder de titel 
L'avant-guerre. Le pangermanisme, les égarés. Korte tijd na de val van Antwerpen 
(9 oktober), werd een hatelijk pamflet hierover verspreid, met als besluit: 'de tijd 
van het flamingantisme is uit. Leve het éne, onverdeelbare België'. Met de oorlog, 
in patriottische reaktie tegen een openbare mening die vóór 1914 vrij koud bleef 
tegenover de manifestaties van een onmachtig Belgisch nationalisme, ontstaat thans 
een vaderlandse 



(6) L. PICARD. Geschiedenis, II, 267 en de brochure Vlaanderen 's nood en Vlaanderen 's toekomst. 
Het standpunt van 'De Vlaamsche Post' (1915), 20. 

(7) Voor wat volgt, teksten in Aan het Vlaamsche Volk, verder bij BASSE, ACTIVISTEN en 

FAINGNAERT. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



17 



bezieling, die een uitgesproken anti- Vlaamse inhoud wil geven aan de 
Belgisch-vaderlandse gedachte. Maurice Maeterlinck, in Vlaanderen berucht door 
een zeer misprijzende uitlating over de taal van de flaminganten, verklaarde in een 
meeting, in de Scala te Milaan (verslag Le Figaro, 2 dec. 1914) dat België de Latijnse 
beschaving gered had en in Le Petit Journal (2 1 dec.) schreef een bekend journalist 
Gerard Harry over L 'union morale et verbale des races waarin hij verkondigde dat 
Vlamingen en Walen in de toekomst zouden verbonden worden door het betoverend 
anti-germaans verband van de Franse taal. De klap op de vuurpijl was een artikel 
van R. Colleye, bekend wallingant, over L 'Avenir de la Belgique latine in het Engels 
tijdschrift The Nineteenth Century (aug. 1915) met de konklusie: 'La Belgique de 
demain sera latine ou elle ne sera rien'. (8) 

Het lijdt geen twijfel dat deze en tal van gelijkaardige teksten en uitlatingen die 
door de regering niet werden tegengesproken, voor menig Vlaming de aanleiding 
geweest zijn om ook tijdens de oorlog niet inaktief te blijven en zich voor te bereiden 
om een toekomst af te wenden die, in deze geest gezien door al wat macht had in de 
staat, noodlottig scheen te zullen worden voor de Vlaamse zaak. De aandachtige 
lezer zal evenwel al gemerkt hebben dat een groot deel van deze teksten teruggaan 
tot na de maand november 1914 en wij zullen de gelegenheid hebben vast te stellen 
dat er dan reeds een 'aktivistische geest' begon te ontstaan d.w.z. de paraatheid om 
met de hulp van Duitsland een efficiënter oplossing te zoeken voor de Vlaamse 
Beweging. Een medewerker ywa.De Vlaamsche Stem, Alb. Decoene, schreef op 16 
februari 1915 een waarschuwend artikel: 'persoonlijke ervaringen en onderzoek in 
België hebben mij de overtuiging gegeven dat enkele flaminganten, die ons trouw 
in den kultuurstrijd ter zijde stonden, thans de mening zijn toegedaan dat de Vlaamse 
Beweging door Duitsland zal opgelost worden en het amen en uit zal zijn met den 
toestand van minderwaardigheid waarin het Vlaamse volk sinds 1830 gehouden 
wordt'. Dit was de geest van De Vlaamsche Post van Gent, het dagblad dat op 21 
februari 1 9 1 5 de eerste trompetstoot was van het opkomende aktivisme. De oorsprong 
van dit laatste mag derhalve niet gezocht worden in de anti- Vlaamse reaktie die na 
augustus 1914 een groot gedeelte van de Belgische pers bezielde, al zijn wij ervan 
overtuigd dat 



(8) CORDEMANS. Dr. Van de Perre, o.c, 345-346. BASSE, I, 116 stelt deze tekst een eerste maal 
op 15 juni 1915 in Cri de Londres. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



18 



enkele maanden later de politiek van het Belgische nationalisme, in Le Havre 
vertegenwoordigd door LeXXe Siècle van FernandNeuray, de sterkste voedingsbodem 
is geworden voor de aktivistische agitatie. Het ware even verkeerd - zoals door de 
tegenstanders van het aktivisme werd volgehouden - te beweren dat het aktivisme 
eenvoudig een Duitse machinatie is geweest. De geschiedenis van de Flamenpolitik 
bewijst het tegengestelde. 

3. De Duitse Flamenpolitik en de politiek van von Bissing 

Toen de Duitsers op 4 aug. 1914 de Belgische neutraliteit schonden om, met hun 
opmars doorheen België, Frankrijk een beslissende slag toe te brengen vooraleer 
Rusland volledig zijn krachten kon ontplooien, kenden noch de Duitse generale staf 
noch het ministerie van buitenlandse zaken, het bestaan van een Vlaamse kwestie in 
België. De 'Flamenpolitik' was dan ook in de Duitse plannen niet voorzien en werd 
een volledige improvizatie. Bij de oprichting van het Generaalgoevernement op 23 
aug. was, in het telegram van de Rijkskanselier aan de staatssekretaris voor 
binnenlandse zaken, als enige richtlijn bij de keus van de kandidaten de voorwaarde 
gesteld van een degelijke kennis van de Franse taal. Enkele dagen later - reeds op 2 
september - krijgt echter von Sandt, regeringspresident te Aken die benoemd was 
tot hoofd van het Duitse burgerlijk bestuur, een aanwijzing van de Rijkskanselier 
om 'die kulturelle flamische Bewegung, die ja auch eine Bewegung zugunsten der 
hollandischen Sprache ist, nach Möglichkeit sichtbar zu unterstützen' <9) Dit was de 
inzet van de Flamenpolitik, feitelijk maar een onderdeel van de Belgienpolitik iW> . 
Wie had, tussen 23 aug. en 2 sept. de aandacht 



(9) PETRI, l.c, 529. Wij sluiten in de grote lijnen aan bij Petri. Vgl. verder Archives en de 
publikaties van RUDIGER. 
(10) Vgl. hierover H. GATZKE. Germany 's drive to the West. A study of Germany 's war aims during 
the first world war. Baltimore, 1960; H. LEHMANN. Oesterreich-Ungarns Belgienpolitik im 
ersten Weltkrieg in Historische Zeitschrift. Dl. 192 (1961); F. FISCHER. Griff 'nach der 
Weltmacht. Die Kriegszielpolitik des Kaiserlichen Deutschland, 1914-1918 (1961, derde 
druk 1964. Zeer opmerkelijk maar sterk gekontroverseerd); Id. Weltmacht oder Niedergang. 
Deutschland im ersten Weltkrieg (1965); Id. La Belgique dans les plans allemands de 
réstructuration de l'Europe (1914-1918) in het kollektief werk Sentiment national en 
Allemagne et en Belgique (XlXème-XXème siècles). Centre national d'Etudes des problèmes 
de sociologie et d'économie européennes. Colloque des 25 et 26 avril 1963. Brussel, 1964, 
29-49; K.H. JANSSEN. Macht und Verblendung. Kriegszielpolitik der deutschen Bundesstaaten 
1914-1918 (1963); W. STEGLICH. Die Friedenspolitik der Mittelmachte 1917-1918 (dl. I, 
1964)- Vgl. hierover R. VAN ROOSBROECK in Kuituurleven, aug.-sept. 1965. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



19 



van Rijkskanselier von Bethmann-Hollweg op het vraagstuk gevestigd, en welke 
was de juiste draagwijdte van de instruktie? Op de eerste vraag kunnen wij beslist 
antwoorden dat niet de Vlamingen de Duitse hulp hadden gevraagd. Op dat ogenblik 
was Gent nog niet bezet en wij weten dat in Gent de eerste kern van aktivisten moet 
gezocht worden. Het zijn vermoedelijk een paar Duitse specialisten die dadelijk de 
aandacht van de bevoegde Duitse overheden op het probleem hebben gevestigd. 
Reeds op 26 augustus had R.R Oszwald aan Freiherr von der Goltz, toen pas 
aangesteld als goeverneur-generaal, geschreven om zijn aandacht te vestigen op het 
Vlaamse vraagstuk. Hij zond hem tevens een overdruk van de studie die hij zo pas 
over de Vlaamse Beweging geschreven had in de Preussische Jahrbücher (mei 1914). 
Het kan evengoed Regierungsrat Gerstenhauer geweest zijn: ook deze kende de 
Vlaamse toestanden en schreef erover aan de kanselier begin september. Zowel 
Oszwald als Gerstenhauer zullen later verbonden worden aan het 
Generaalgoevernement te Brussel. De instruktie van 2 september zou echter door 
von Sandt niet in haar juiste draagkracht begrepen zijn en er werd dan voorlopig ook 
geen verder belang aan gehecht. In de opvatting van Rijkskanselier von 
Bethmann-Hollweg moest de Flamenpolitik hem uitweg verlenen naar een oplossing 
die hem toeliet af te zien van een annexatie en toch voorkwam dat België een 
anglo-franse basis zou kunnen worden tegen Duitsland: door de ontvoogding van 
het Vlaamse element diende het nodige pro-Duitse evenwicht in het land tot stand 
te komen. De kanselier was een tegenstander van de militaire partij en van de 
Alldeutschen die de annexatie wilden. Hij was zich bewust van de noodzakelijkheid 
op de een of andere wijze het odium af te wenden dat Duitsland op zich geladen had 
door het 'Unrecht' van de schending der Belgische neutraliteit. Hij stond van in het 
begin op dat standpunt. Het is niet onder de indruk van de nederlaag aan de Marne 
(6-9 sept.) dat hij aldus is gaan denken. Wel is het mogelijk dat deze zware tegenslag 
hem versterkt heeft in zijn opvattingen. Moeilijk is het uit te maken welke de juiste 
bedoelingen waren van de Rijkskanselier, in september 1914. Hij formuleerde toen 
een programma dat hij als gematigd beschouwde maar dat toch hoofdzakelijk de 
bedoeling had de eisen van het Duitse annexionistische front, dat tegenover hem 
stond, van de hand te wijzen. Wat hij toen voorstelde was erg genoeg nochtans: 
annexatie van Verviers en Luik door Pruisen - afstand van een strook grondgebied 
in de provincie Luxemburg - 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



20 



beveiliging van de Duitse belangen in Antwerpen, dit laatste nog tot geen vast 
programma uitgegroeid. België zou voor het overige een vazalstaat van Duitsland 
worden, met zijn militaire havens en zijn kustgebied ter beschikking van Duitsland, 
waarbij Duinkerken, Kales (Calais) en Boulogne aan België werden aangehecht. Er 
zou een grote Europese eenheid tot stand komen met schijnbaar gelijke partners, 
maar in feite zou die onder leiding staan van Duitsland. Dit alles sloot voor de 
Rijkskanselier geen annexatie van België in (11) . In oktober 1914 schreef hij een brief 
aan het Hoofdkwartier, waarin hij zich uitsprak tegen de annexatie van ons land: het 
zou een 'tributaire' staat worden, waarover Duitsland militair en ekonomisch zou 
blijven beschikken, dit met het oog op een onvermijdelijke revanche-oorlog vanwege 
Engeland' 12 '. Op 9 dec. 1914 verklaarde hij in de Rijksdag dat de vijanden van 
Duitsland in het Oosten, noch in het Westen, over invalspoorten tegen het Rijk 
mochten beschikken en bij besprekingen met vertegenwoordigers van rechtse kringen 
verklaarde hij dat dit moest begrepen worden als 'die Einbeziehung Belgiens und 
Polens in den Machtbereich Mitteleuropas' <13) . Bij toepassing van deze politiek gaf 
hij de 16de dec. 1914 aan Freiherr von Bissing - sedert 2 dec. aangesteld als 
generaalgoeverneur - opdracht de Vlaamse aangelegenheden door een speciaal bestuur 
te laten behandelen en de meest verregaande bescherming te verlenen aan de 
Nederlandse taal o.a. door de vernederlandsing van de universiteit van Gent (14) . 

De uitvoering van deze politiek was, zoals gezegd, toevertrouwd aan Freiherr von 
Bissing. Een drietal weken na zijn aanstelling kwam deze laatste rechtstreeks in 
kontakt met het probleem. Dit gebeurde als volgt (15> . Door het 6de Duitse leger te 
Rijsel (Lille) werd, met het oog op het voorkomen van oorlogsdaden door de burgers, 
voeling gezocht met de bevolking en aldus ook in West- Vlaanderen met 
vooraanstaande persoonlijkheden, om te bekomen dat zij de bevolking zouden 
waarschuwen tegen dergelijke ondernemingen en de eventuele gevolgen hiervan. 
Dr. R Dirr stelde hierover rapporten op. Die werden overgemaakt aan de staf van 
het zesde leger en van hieruit doorgezonden 



(11) F. FISCHER in Sentiment national, 35-37. 

(12) Ibid., 38-39. 

(13) F. FISCHER. Weltmacht, 91. 

(14) OSZWALD in Die deutsche Flamenpolitik l.c. Ook FAINGNAERT, 73. 

(15) Voor wat volgt VON DER LANCKEN. Mémoires. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



21 



aan andere instanties o.a. aan het Generaalgoevernement te Brussel en aan de 
Rijksinstanties te Berlijn. In deze verslagen werd ook het Vlaamse vraagstuk onder 
zijn politiek aspekt behandeld. Kort na zijn aankomst te Brussel kreeg von Bissing 
een dergelijk rapport in handen. Dr. Dirr kreeg hierop bevel zich in Brussel te melden 
om deze rapporten nader toe te lichten. Dit onderhoud had plaats op 24 december. 
Dr. Dirr stelde voor om op voorzichtige wijze, maar met een klaar doeleinde, in 
kontakt te treden met Vlaamse voormannen ten einde de Vlaamse Beweging, die 
volledig dood scheen, te doen opleven. Er zou tevens nauwkeurig dienen onderzocht 
in hoever de Duitse en de Vlaamse belangen in de huidige voorwaarden samenliepen. 

Onder deze omstandigheden werd bij het Generaalgoevernement in januari 1915 
een Kommissie voor Vlaamse aangelegenheden in het leven geroepen. Reeds op 13 
febr. werd zij bij een reorganisatie van het bezettingsbestuur, afgeschaft om een 
onderdeel te vormen van de Politische Abteilung waarvan de sektie binnenlands 
bestuur ook de Vlaamse politiek te behandelen kreeg. 

Freiherr von Bissing was belast met de uitwerking van de politiek van de 
Rijkskanselier. Wij hebben erop gewezen dat deze laatste geen annexatie nastreefde. 
Wij staan hier echter voor het onloochenbaar feit dat von Bissing wel partijganger 
was van de annexatie. Er kan hier nauwelijks aan getwijfeld worden. In een 
memorandum van februari 1915 ziet hij als voornaamste opdracht 'die Angliederung 
Belgiens an das Deutsche Reich (in Form einer dauernden Stadthalterschaft) 
vorzubereiten' <16> . In zijn zgn. Politiek Testament {ll) - dat waarschijnlijk teruggaat tot 
de jaarwende 1915-1916- verdedigt hij de opvatting dat het heilige plicht is voor 
Duitsland België in afhankelijkheid te houden. Van nu af aan moet Duitsland de 
vijandig gezinde bevolking aan zijn overheersing doen wennen. Indien het België 
niet met geweld behoudt, zal ook de Vlaamse Beweging onherstelbaar getroffen 
worden. Ik koester daarbij de hoop niet - merkt von Bissing verder op - dat de 
Vlamingen het ons gemakkelijk zullen maken bij de vestiging van deze overheersing. 
Zekere Vlamingen dromen van een volledig zelfstandig koninkrijk Vlaanderen. Men 
moet voorzeker de Vlamingen beschermen, maar men moet 



(16) PETRI, l.c, 520. 

(17) Ibid., 521-522. Vgl. F. PASSELECQ. Testament politique du général von Bissing. Parijs, 1917. 
Het stuk verscheen in het tijdschrift Das grössere Deutschland, 19 mei 1917. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



22 



ook beletten dat zij volledig onafhankelijk zouden worden, want Duitsland moet 
België behouden. De lijn Kales-Bazel als grens is onze enige waarborg tegen 
Frankrijk. Wij moeten in België een militaire diktatuur vestigen, die uitsluitend berust 
op de macht en op de vredeskonferentie dient Duitsland uitsluitend een beroep te 
doen op het recht van verovering. Wat de Vlaamse agitatie betrof, stipte von Bissing 
aan dat zij in deze omstandigheden het Duitse belang diende' 18 '. 

Von Bissing is van dit standpunt niet meer afgeweken en wij kunnen dit alles 
gerust nog als zijn mening beschouwen op de dag van zijn dood (18 april 1917). In 
een brief aan Stresemann (14 jan. 1917) spreekt hij zich ondubbelzinnig uit voor 
annexatie: 'de kust moet onze grens zijn' en de eis tot aanhechting moet gegrond 
worden op het recht van verovering. Enkele weken later, in een memorandum aan 
de Keizer (6 april 1917) verdedigt von Bissing uitvoerig de politiek die hij in België 
heeft gevoerd. Naar aanleiding van de doorvoering der bestuurlijke scheiding, 
bevestigt hij deze ook te zullen doorvoeren indien de Vlamingen in hun taak mochten 
te kort schieten. Hij vestigt er de aandacht op dat bij het sluiten van de vrede, 
Vlaanderen geen ruilobjekt in de politiek mag worden en ook niet aan zijn lot 
overgelaten als het zal bevrijd zijn van de Waalse overheersing. Wallonië mag 
evenmin losgelaten worden. Ook daar zal de Duitse invloed zich laten gelden, terwijl 
men er rekening moet mede houden dat de vele ekonomische banden die thans met 
Wallonië bestaan, ook voor de toekomst dienen behouden te blijven. Vooral is het 
van belang dat Antwerpen bevrijd wordt van Engelse en Franse invloeden om 
uitsluitend in handen te komen van Duitsland. Met het oog op de verzekeringen die 
ik aan de Vlamingen gegeven heb en de beschermingsmaatregelen die ik getroffen 
heb, is het voor Duitsland een ereplicht na de oorlog een beschermende hand over 
deze landen te houden. 

Men zal dadelijk opmerken dat in de brief aan de Keizer de uitdrukkingen veel 
meer algemeen gehouden zijn dan in de brief aan Stresemann. Het paste de 
goeverneurgeneraal niet, in een verslag aan de Keizer over zijn politiek beleid in het 
bezet gebied, 



(18) Over de weerslag in Vlaanderen van dit stuk: zie eggen van terlan, o.c, 127, die beweert 
dit stuk niet gekend te hebben. Vgl. daarentegen angermille, o.c, 112, die het 'een koud 
bad' noemde en DOSFEL. Katholiek Activistisch Verweerschrift (1918), p. 12: 'het ontnuchterde 
geen koel denkend Vlaming'. Eggen leed hier vermoedelijk aan geheugenverlies. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



23 



de politiek van het Rijk vast te leggen zoals het hem wel toegelaten was, in een 
privé-brief, zeer scherp zijn eigen standpunt uiteen te zetten. Met deze uiteenzetting 
van de politiek van von Bissing zijn wij schijnbaar heel ver vooruitgelopen op de 
ontwikkeling van de feiten, tot in het voorjaar van 1917 zelfs. Dit is in werkelijkheid 
niet het geval, omdat er een konstante is in de houding van von Bethmann-Hollweg 
tot bij zijn val en bij von Bissing tot bij zijn dood. Wij zullen deze politiek later in 
haar praktische ontwikkeling volgen. Laten wij er echter nu reeds de klemtoon op 
leggen dat wij hier niet staan voor een geval van 'zweigleisige Politik', d.w.z. voor 
wisseloplossingen al naar gelang de oorlog zeer of minder gunstig zou uitvallen. Het 
zijn wel twee verschillende opvattingen: die van de militaire instanties 
vertegenwoordigd door von Bissing en die van de Rijkskanselier. Een minder gunstige 
afloop van de oorlog zou ongetwijfeld de annexatie als een onmogelijkheid doen 
uitschijnen; een meer gunstige afloop had dan waarschijnlijk beslist over de vormen 
die de Duitse invloed hier zou aangenomen hebben en over de verhoudingen van een 
onafhankelijk België tegenover het Rijk. 

In beide gevallen was het voortbestaan van België als Vlaams-Waalse 
lotsverbondenheid voorzien. Duidelijk is het dat een zelfstandig Vlaanderen, volledig 
los van Wallonië, in dit kader niet paste en wij zullen dan ook zien tot welke 
konflikten dit aanleiding gaf in de aktivistische politiek en hoe ook de politiek van 
de Politische Abteilung hier rechtstreeks door die van de Rijkskanselier werd bepaald. 
Voorlopig stellen wij alleen een kronologische volgorde vast: de inzet van de 
Flamenpolitik, van Duitse zijde, gaat elke aktivistische aktie vooraf. Dit bewijst 
echter nog niet dat het de Duitse politiek was die het aktivisme deed ontstaan: het 
verhaal van het Vlaams ontwaken gedurende de oorlog schijnt ons daarentegen 
overtuigend het tegengestelde te bewijzen. 

4. Eerste manifestaties van het Vlaams aktivisme 

Nog vóór von Bissing einde december 1914 zijn Flamenpolitik inzette, waren er in 
het Vlaamse land kleine kernen aan het werk om de Vlaamse gedachte en de Vlaamse 
Beweging aan te passen aan de nieuwe tijd. Wij dienen hier twee strekkingen te 
onderscheiden: enerzijds zij die van het begin af rekening hielden met een Duitse 
overwinning en hieruit voor Vlaanderen de grootste voordelen wilden halen, 
anderzijds zij die geen Duitse hulp wensten, maar toch spoedig de lijn doortrokken 
van een radika- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



24 



lisme waarvoor reeds aanknopingspunten te vinden zijn vóór de oorlog. Zij kwamen 
daarbij tot de konklusie dat de Vlaamse strijd moest gericht worden op een totale 
oplossing van het vraagstuk nl. op de verovering van een of andere vorm van politieke 
zelfstandigheid. De Belgische regering heeft beide richtingen afgewezen. Van groot 
belang was hier, in de zomer van het jaar 1915, het incident De Clercq-Jacob, dat de 
bestaande tegenstellingen in het Vlaamse kamp deed uitkomen en voor velen de 
scheiding van de geesten en van de wegen bevestigde, doordat de regering en haar 
aanhang niet alleen de eerste richting - het werkelijke aktivisme - doch ook de tweede 
strekking veroordeelde. In feite kwam het uiteindelijk neer op de versmelting van 
beide tendensen in een zelfde aktivistische politiek. Wie stelling koos tegen de 
regering werd naar het aktivisme gedreven. Het verloop van de gebeurtenissen wijst 
erop hoe, met uitzondering van de groep Jong- Vlaanderen van Gent, het maandenlang 
geduurd heeft vóór een aantal flaminganten van een eerlijk gemeend passivisme 
evolueerden naar een aanvankelijk zeer voorzichtig aktivisme dat trouwens bij de 
meesten onder hen nooit een breuk betekend heeft met de Belgische staat. 

Van Gent begon het aktivisme 09 '. De stad werd door de Duitsers op 12 oct. 1914 
bezet. Weinige dagen later reeds had een vergadering plaats van jonge mannen die 
vóór de oorlog behoorden tot de kleine kring van het blad De Bestuurlijke Scheiding. 
Het is niet duidelijk of het initiatief der bijeenkomst uitgegaan is van de predikant 
der Nederlandse Hervormde Kerk te Gent, J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, 
maar een feit is het dat deze dadelijk tot de groep toetrad en dat hij de kring zeer lang 
met zijn sterke persoonlijkheid beheerste. Domela - zoals hij in de omgang werd 
genoemd - was pangermanist. Hij was van natuur een dweper en daarbij ook een 
buitengewoon dynamisch man. In politieke zaken was hij zonder ervaring en is hij 
een zuivere ideoloog gebleven. Van stonden aan was hij ervan overtuigd dat het uur 
gekomen was om Vlaanderen te bevrijden 'van allen 



(19) Onze uiteenzetting steunt in grote mate op het werk van M. van de velde, o.c, over de 

Jong- Vlaamse beweging. Vgl. verder met A. THIRY. Het ontstaan van het activisme te Gent 
in DeVlag, juli 1943, 677-679. Een weergave van de stemming te Gent inde eerste maanden 
na de bezetting vindt men in de brochure Vlaanderen en de Belgische Kwestie. Vlaamsche 
Beschouwingen door een Hollander weergegeven. Den Haag, 1915. De brochure verscheen 
naamloos. De schrijver was Dirk Hoek. Zie de briefin De Vlaamsche Stem, 3 1 mei 1915 
(overgenomen uit Van Onzen Tijd). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



25 



zuidelijken dwang'. De kring van deze jonge mannen was zeer duitsgezind. L. Picard, 
M. Thiry, M. Minnaert, R. Kimpe, J. Van Roy en een paar anderen maakten er deel 
van uit. Reeds op 24 okt. werden de principes voor een verdere aktie vastgelegd: de 
naam België moet verdwijnen; er dient een volledige scheiding tot stand te komen 
tussen Vlaanderen en Wallonië; het onderwijs in Vlaanderen zal van hoog tot laag 
Nederlands zijn; Vlaanderen moet opgenomen worden 'als Zuidnederlandse staat in 
het grootse Germanendom' (waartoe ook Nederland, Skandinavië en Duitsland 
zouden behoren)' 20 '. 

Welke de juiste verhouding van dit nieuwe Vlaanderen tot Duitsland zou zijn, is 
niet zeer duidelijk. In de tekst staat het woord 'aanhechting'. Het is echter duidelijk 
zichtbaar dat aan deze tekst gedokterd is. R. Kimpe, de opsteller van het stuk, beweert 
dat hij oorspronkelijk 'aanleuning' heeft geschreven' 21 '. In de tekst die ter bredere 
ondertekening werd rondgestuurd, wordt inderdaad gesproken van 'een Koninkrijk 
Vlaanderen... dat in staathuishoudkundigen en militairen zin met Duitsland verbonden 
zou zijn'. Het eerste stuk, dat de datum draagt van 30 oktober, droeg de titel 'Aan 
Duitsland, deze de uiting van Jong-Vlaanderens wens'. Het is ondertekend door acht 
personen (waaronder Domela). De handtekening van Leo Picard komt er niet op 
voor. Op de vergadering van 30 oktober werd dan een uitvoeriger stuk opgesteld, de 
zgn. Zeven Punten die voor de volgende maanden de grondslag zouden blijven van 
de groep. 

Bij het tot stand komen van Jong-Vlaanderen en van zijn programma is geen spoor 
te vinden van enige Duitse inmenging. De groep had geen kontakt met de Duitsers 
en pas begin december heeft men op de Kommandantur te Gent een verbindingsman 
gevonden in de persoon van Dr. phil. H.F. Wirth, Nederlander van geboorte, maar 
genaturalizeerd Duitser. Het zou weldra duidelijk worden dat de Duitse instanties 
met dit politieke programma niet gediend waren en het duurde dan ook niet lang of 
Jong-Vlaanderen lag overhoop met de Politische Abteilung en 



(20) Reproduktie bij van de velde, 13-14, waar het stuk gedateerd is op 30 oktober. Verdere 
beginselverklaringen ibid., 19 (27 oktober: De Zeven Punten); 262 (26 dec. 1917) en 267 
(april-juni 1918). 

(21) Aldus zijn verbetering, eigenhandig aangebracht op het eksemplaar van het boek van Van 
de Velde, dat in bezit is van pater A. Dumon van de abdij te Steenbrugge. Van de Velde 
schrijft daarentegen dat Kimpe eerst 'verbinding' schreef en dit later veranderde in 
'aanhechting', o.c, 17. Vgl. ook FAINGNAERT, 100 n. 1. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



26 



zocht, tegen de 'zivilisten', zijn steun bij de militairen - weinig vermoedend dat hier 
geen sprake kon zijn van een 'zelfstandig' Vlaanderen' 22 '. In zijn streven naar dit 
zelfstandige Vlaanderen, in zijn blinde haat tegen België en in zijn heftig verzet tegen 
een herstel van de staat België, onder welke vorm ook, zocht Jong-Vlaanderen zijn 
bondgenoten in het Rijk bij de militaire kliek die eenvoudig de annexatie nastreefde. 

Op 7 dec. 1914 werd, op de vergadering van de groep, door M. Minnaert het 
vraagstuk opgeworpen van sommige uitdrukkingen in de Beginselverklaring die, 
naar zijn oordeel, al te duitsgezind waren. Men werd het er over eens 'toenadering' 
te lezen in plaats van 'aanhechting'. Iedereen ter vergadering - ook L. Picard was 
aanwezig - bleek ermee akkoord te gaan dat in ieder geval elke oplossing, inbegrepen 
de verduitsing, te verkiezen was boven overheersing door België of door Frankrijk. 
Het baart dan ook geen verwondering dat op 1 9 dec. beslist werd een brief te schrijven 
aan de Keizer van Duitsland, waarin de wens werd uitgedrukt in de toekomst de 
Vlamingen onder zijn leiding te zien als 'trouwe grenswachters van het machtig 
Germanendom' <23) . Wat de binnenlandse toestanden betreft, zou Jong-Vlaanderen 
zich reeds in januari 1915 tot de Duitse regering gericht hebben om de 
vernederlandsing te vragen van de Gentse universiteit en de uitvoering van de 
bestuurlijke scheiding als voorbereiding tot de zelfstandigheid van Vlaanderen. 

De aandacht van de groep ging in deze dagen echter vooral naar de uitgave van 
een dagblad. Het eerste nummer van het nieuwe blad, De Vlaamsche Post, waarvan 
L. Picard hoofdredakteur werd, verscheen op 21 febr. 1915 (24> . De bedoeling was zeer 
gematigd te zijn om de openbare mening voor het programma van Jong-Vlaanderen 
ontvankelijk te maken. Daags tevoren was in het socialistisch dagblad Vooruit een 
mededeling verschenen van Gentse flaminganten die verklaarden dat zij niets uit te 
staan hadden met de publikatie van het nieuwe dagblad. Deze ver- 



(22) Zie de uitlegging van deze politiek bij EGGEN VAN TERLAN. Bijdrage, o.c., 73-76. Het boekje 
van Eggen is een sterk pleidooi pro domo. 

(23) Vgl. het telegram aan de Keizer (27 jan.) waarin de wens wordt uitgedrukt 'dat ook Vlaanderen 
in een verbond met het Keizerrijk moge treden met behoud van eigen Vlaamse staatsvorm, 
van eigenaardigheid en van taal'. VAN DE VELDE, 30. 

(24) Niet 22 februari. Het blad was aangekondigd voor zondag 14 februari, doch kon eerst acht 
dagen later verschijnen. De Vlaamsche Stem, 2 maart 1915. Uittreksels uit De Vlaamsche 
Post in ACTIVISTEN, o.c, 68-78. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



27 



klaring was getekend door C. De Bruyne, P. Fredericq, G.D. Minnaert, A. Siffer, R. 
Speleers, Hipp. Meert en Leonard Willems <25) . Het oude flamingantisme distantieerde 
zich duidelijk van de jongeren. Deze laatsten stelden in hun programma-artikel als 
doel voorop erover te zullen waken dat geen duimbreed van het veroverde recht zou 
verloren gaan. Wat ook de afloop van de oorlog mocht zijn, de leus bleef: Vlaanderen 
boven al en in Vlaanderen Vlaams. Daarom zag het blad als zijn taak het Vlaams 
gevoel bij allen steeds wakker te houden. 

Het zou weldra blijken dat het handjevol Jong- Vlamingen, die de leiding in handen 
hadden, op verre na niet eensgezind waren. De groep splitste zich weldra in 
'Domelisten' en 'Picardisten'. Op de groepsvergadering van 1 april werd er door 
verschillende leden over geklaagd dat de opvattingen van de hoofdredakteur niet 
strookten met de principes vastgelegd door de groep. Het ging hier om een artikel 
waarin Picard geschreven had: 'Wij flaminganten spreken niet van een Vlaamse natie 
omdat er in het flamingantisme geen wil tot staats-vormen schuilt. Wij hebben steeds 
de Belgische staatseenheid aanvaard... Het Vlaamse volk door godsdienst, 
ontwikkeling en ekonomische belangen van het Hollandse en door taal en gevoel 
van het Waalse gescheiden vraagt niet naar eigen staat of naar een andere staat. Maar 
in den staat die het regeert of regeren zal, moet het Vlaamse volk zijn hele vrijheid 
opeisen' <26> . De twist sleepte maanden aan tot Leo Picard zijn ontslag nam als 
hoofdredakteur. Begin september 1915 week hij uit naar Nederland. Het was duidelijk 
dat Picard, met zijn scherp intellekt maar zeer onstabiele geest en anarchistisch 
karakter, dat in een groepsvorming geen plaats kon vinden, in zijn opvattingen sedert 
oktober 1914 een hele evolutie had doorgemaakt. Hij was de eerste om dit zelf toe 
te geven <27) . Op een groepsbijeenkomst op 3 aug. 1915 lichtte hij zijn standpunt toe: 
voor hem waren het oktoberprogramma en de brieven aan de Keizer slechts een 
moment in de ontwikkeling van zijn Vlaamsgezindheid. Sedertdien was de evolutie 
bij hem voortgegaan terwijl de anderen op hun oude standpunt waren blijven 



(25) Ook Alf. Sevens verspreidde een schrift tegen het dagblad. Zie de tekst bij A. sevens. 
Activisme, frontisme en Vlaamsche Beweging, z.j. (1931), 14. 

(26) Vlaanderen 's nood en Vlaanderen 's toekomst. Het standpunt van 'De Vlaamsche Post '(1915), 
6. Vgl. ook het antwoord van Picard aan Deswarte, ibid., 47. Deze brochure was een 
bloemlezing van artikelen uit De Vlaamsche Post, meestal van de hand van L. Picard, met 
een inleiding. 

(27) Vgl. Vlaanderen 's nood. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



28 



staan. Het bleek trouwens dat Leo Picard niet alleen stond met zijn bezwaren. Begin 
september 1915 traden Leo Picard, Fr. Primo, A. Remouchamps, J. Van Roy en J. 
Boulangier uit de groep Jong- Vlaanderen. Geen van hen had er de eerste verklaring 
van ondertekend. De redaktie van de Vlaamsche Post werd toevertrouwd aan J.B. 
De Boevé, R. Kimpe en A. Thiry, alle drie ondertekenaars van het eerste manifest' 28 '. 

Jong- Vlaanderen zou nu verder zijn aktiviteit uitbouwen. In juni 1915 bestonden 
er, naast de kerngroep te Gent, zgn. 'tweede groepen' in Gent, Oostende en Lier. 
Men zou nu pogen deze kategorie van 'tweede groepen' uit te breiden, waarbij de 
leiders van deze groepen ook lid zouden worden van de kerngroep in Gent. Pas op 
1 november 1915 had in Gent het eerste landelijk kongres plaats van de 
Jong- Vlaamsche Beweging. 

Tegenover het doordrijvende Gent, staat een voorzichtig tastend Antwerpen, sterker 
verbonden met de vooroorlogse traditie (29) . Pas einde november staken de 
vlaamsgezinden opnieuw de koppen bijeen om de toekomst te bespreken en ook de 
mogelijke aktie tegen de drijverijen van de franskiljons. Er werd voorlopig niets 
ondernomen, maar men had er toch kontakt met Brussel door M. Josson en met Lier 
door R. Kimpe, wat dus ook onrechtstreeks kontakt met Jong- Vlaanderen betekende. 
Omstreeks half januari 1915 ontving Aug. Borms, over Nederland, een brief van een 
lid der Merksemse Groeningerwacht, die hem o.a. het artikel doorstuurde van Gerard 
Harry uit het Petit Journal van 2 1 dec .1914 over L 'union verbale et morale des 
races. Dit was voor Aug. Borms, bekend door zijn aktiviteit in de strijd voor de 
vernederlandsing van Gent en door zijn werking in Frans- Vlaanderen, de aanleiding 
om een artikel te schrijven in Het Handelsblad (23 jan. 1915): Vlamingen waakt! De 
tekst werd ook opgenomen in een ander Vlaams dagblad dat te Antwerpen verscheen: 
Het Vlaamsche Nieuws. Het was een oproep tot de Vlamingen om de pogingen van 
de franskiljons 'te verijdelen en ons volk te waarschuwen'. Enkele weken later trad 
Borms voor de eerste maal op als spreker sedert het begin van de bezetting. Op 8 
april 1915 sprak hij voor de Vlaamse katolieke meisjesstudentenbond 



(28) Over de spoedige ondergang van het blad, zie verder. 

(29) Over de oorsprong van het aktivisme te Antwerpen A. BORMS. Bijdrage tot de geschiedenis 
van het Antwerpsen aktivisme in het verzamelwerk Vóór - 1830 - Na. Een bundel opstellen 
en gedichten. In opdracht van 'Den Dietschen Bond'. Santpoort, z.j. (omstreeks 1930), 
95-100. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



29 



Klimop over De Vlaamse Beweging in verband met de oorlog. Men speurt hier reeds 
een verdere evolutie in de opvattingen van de spreker: onze vijanden - betoogde hij 
- hebben de godsvrede verbroken. Op dit ogenblik wordt over het lot van Europa en 
van ons volk beslist. De strijd moet weerom worden aangebonden 'vooral op de 
grondslag van al wat Vlaanderen opofferde voor het Belgisch vaderland' 00 '. 

Einde mei 1915 poogde de groep Vlamingen die nog steeds samenkwamen om 
de toestand te bespreken, een manifest op te stellen dat aan de Belgische regering 
zou gestuurd worden om van haar gelijkheid en recht voor het Vlaamse volk te 
bekomen. Een kommissie werd daartoe aangesteld onder voorzitterschap van Em. 
Wildiers, doch kon, na maandenlang palaveren, niet tot een eensluidende beslissing 
komen. Intussen was de toestand naar scherpere verhoudingen geëvolueerd. Van 
belang was dat de aktiever denkende groep in juni 1915 in Antwerpen een dagblad 
in handen kreeg: Het Vlaamsche Nieuws. Er was daar een konflikt ontstaan tussen 
de censuur en de Antwerpse bladen die in de grond niet beter wensten dan niet meer 
te verschijnen. Het nieuwe, Vlaamsgezinde, maar neutrale blad Het Vlaamsche Nieuws 
was hierbij niet betrokken. Aug. Borms, die van oordeel was dat het blad niet mocht 
verdwijnen, ging Raf. Verhulst vinden om de mogelijkheden hiertoe te bespreken. 
Verhulst zou trachten een groep Vlamingen te winnen om een beschermkomitee te 
vormen. Op een vergadering hiertoe belegd ten huize van Em. Wildiers, vond Borms 
wel algemene instemming met het hoofdartikel dat door hem en door Verhulst was 
opgesteld, maar alleen A. Van den Brande leende zijn naam. Onder deze 
omstandigheden verscheen het nieuwe Vlaamsche Nieuws op 27 juni, met het 
hoofdartikel Onze Vaderlandsche Strijd voor ons goed recht: 'wij willen voor 
Vlaams-België hetzelfde recht als voor Waals-België, tot baat en roem, tot meerdere 
kracht, bloei en grootheid van het gemeenschappelijk vaderland: België... Wij willen 
noch Fransen, noch Hoogduitsers worden, maar Vlaams zijn'. 

Te Brussel gebeurde nog minder als in Antwerpen, al schijnt hier zeer vroeg een 
scheuring ontstaan te zijn tussen de flaminganten 00 . De stad was bezet op 20 augustus. 
Toen na enkele 



(30) De tekst van deze toespraak verscheen in Antwerpen Boven, III, nrs. 2, 3, 4. Vgl. A. JACOB. 
Het Vlaams Konflikt, o.c., 62-63. De tekst verscheen ook in Dietsche Stemmen, sept.-okt. 
1916. 

(31) Voor wat volgt, hoofdzakelijk Faingnaert. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



30 



dagen de vooraanstaande vlaamsgezinden elkaar weervonden in 't Vlaams Huis op 
de Grote Markt, duurde het niet lang of er ontstond een verschil van mening over de 
aan te nemen houding. Aanleiding tot een eerste meningsverschil schijnt de 
mededeling geweest te zijn van W. Thelen dat o.a. volksvertegenwoordiger Buisset 
zich tot goeverneur von der Goltz zou gericht hebben om te protesteren tegen het 
gebruik van het Nederlands door de Duitsers in de officiële bekendmakingen 02 '. Er 
waren 'radikalen' die de mening toegedaan waren dat de Duitsers moesten voorgelicht 
worden. Dit zou dan ook, langs een omweg, vooral door J. Haller von Ziegesar 
gebeurd zijn. De breuk in het kleine bent flaminganten werd dan, reeds vrij vroeg, 
het gevolg van een optreden van Aug. Vermeylen. Op 16 november 1914 verscheen 
hij in het Vlaams Huis waar hij sedert de bezetting geen voet meer gezet had. Hij 
lokte er een hevige diskussie uit door zijn onvoorwaardelijke eis om zich rondom de 
Koning te scharen en door zijn verdediging van de Belgische idee. Vooral Lod. De 
Raet (f 24 november 1914) werd door hem heftig aangevallen. Het gevolg van dat 
twistgesprek was dat een groep loyalen het Vlaams Huis niet verder meer bezochten 
maar een eigen kring vormden die later het aktivisme heftig bestreed. Hiervoor was 
te Brussel zelf voorlopig weinig gelegenheid: het zal nog maanden duren vóór de 
Brusselse Vlamingen aktief, maar dan nog verborgen, optreden (juni 1915). 

Wij kunnen aldus gerust besluiten dat er, tot juni 1915, buiten de groep van 
Jong- Vlaanderen, in grote mate beperkt tot Gent, nog maar weinig te zien is van een 
aktivistische belijdenis of van een aktivistische werking. Van Duitse inwerking op 
een ontwaken van de Vlaamse Beweging is hier niets te ontdekken. De Vlamingen 
zelf zien wij overal het initiatief nemen: in Gent, Antwerpen en Brussel. Nog sterker 
zal dit blijken uit de lotge- 



(32) Er zijn twee demarches geweest van Buisset, volksvertegenwoordiger voor Charleroi. De 
eerste bij von der Goltz, in nov. 1 9 1 4, de andere bij von Bissing, op 5 mei 1915. Zie driessen 
TER MEULEN, l.c. 5; FAINGNAERT, 28 en 193; ACTIVISTEN, 134. In de Kamerzitting van 17 
maart 1920 antwoordde Buisset op de beschuldigingen van Van Cauwelaert naar aanleiding 
van zijn optreden tijdens de oorlog. Buisset verklaarde samen met de burgemeester van 
Charleroi een demarche gedaan te hebben bij von der Goltz, na zijn aankomst te Brussel 
(zonder nadere gegevens) en dat hij op 5 mei 1915 geschreven had naar von Bissing. Vgl. 
over Buisset L. devliegher en L. SCHEPENS, Front 14-18, blz. 74, n. 142. Zie verder Annales 
Parlementaires, blz. 660-661 (zitting van 17 maart 1920). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



31 



vallen van De Vlaamsche Stem in Nederland. De hoofdoorzaak van dit ontwaken is 
niet ver te zoeken. De anti- Vlaamse campagne die door de francofonen in het teken 
van het anti-Duitse verzet werd gevoerd tegen al wat Vlaamsgezind was, werd hier 
doorslaggevend. Voor wie rekening houdt met de politieke strekking van deze 
franstalige pers en tevens weet over welke invloed zij steeds in België heeft beschikt, 
is het begrijpelijk hoe meer dan een overtuigd Vlaamsgezinde tot de konklusie is 
moeten komen dat spreken voor hem plicht was tegenover zijn volk. 

In deze overtuiging werd hij gesterkt door de houding van de regering en de kennis 
van de wraakroepende wantoestanden die op Vlaams gebied in het leger bestonden. 
Het Vlaamsgezinde element was in de regering uiterst zwak vertegenwoordigd. Alleen 
Al. Van de Vyvere en J. Helleputte konden als Vlaamsgezind beschouwd worden. 
Terwijl door de gecensureerde Belgische pers een politiek van nationale hernieuwing 
kon gepredikt worden waarin de Vlaamsgezindheid als duitsgezindheid werd 
voorgesteld, zweeg deze regering en bemoeilijkte de censuur alle Vlaamse werking, 
ook de meest vaderlandse indien zij tevens Vlaamsgezind was. Geruchten hierover 
drongen door naar Nederland en naar het bezet gebied. De flamingant zou gezwegen 
hebben indien de regering had willen spreken, maar deze laatste verschanste zich in 
stilzwijgen wat - zoals wij verder zullen zien - uitgelegd werd als onwil. 

Velen kwamen aldus, aan het einde van dit eerste oorlogsjaar, tot de konklusie dat 
er moest gesproken worden, dat de strijd moest voorbereid worden voor de toekomst, 
na de vrede. Nadat zij eens tot dit besluit gekomen waren, drong zich echter het 
probleem op van de weg die diende gevolgd en van de doeleinden die men moest 
nastreven. Reeds de meest elementaire vraag gaf hier aanleiding tot diskussie: zou 
men aan de Duitsers vragen de bestaande Belgische taalwetgeving toe te passen? 
Het werd dan voor velen een gewetenskwestie of de strijd nog wel kon weerom 
aangevat worden zonder rekening te houden met de waarschijnlijkheid van een Duitse 
overwinning of ten minste van een vrede door vergelijk. Een tweede vraag was daarbij 
of - zelfs in geval van Duitse nederlaag - de doeleinden van de strijd niet dienden 
verlegd naar een radikaler oplossing. Wie op de eerste vraag bevestigend antwoordde, 
zou terecht komen in het aktivisme. Een positief antwoord op de tweede vraag lag 
in het aktivisme besloten, doch zou niet noodzakelijk erheen leiden. De geschiedenis 
van De Vlaamsche Stem, die wij zo dadelijk 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



32 



zullen behandelen, bewijst dit. Ook de geschiedenis van de frontbeweging zal ons 
aantonen hoe diep dit radikalisme in de geest van de jongeren vastgeankerd lag, 
onbewust eerst, in hun besliste wil om deze strijd - voor hen in de letterlijke zin aan 
het front een strijd op leven en dood - in het teken te stellen van het 'Vlaanderen 
eerst'. 

Van buitengewoon groot belang is dat alles nog niet bij het begin van de zomer 
1 9 1 5 en velen hebben nog een lange weg af te leggen vóór zij in het aktivisme terecht 
komen, d.i. in een politiek die op zijn minst rekende op een vrede door vergelijk om 
met Duitse steun een uiteindelijke en gunstige oplossing aan de Vlaamse Beweging 
te kunnen geven. Wij willen hier slechts een paar voorbeelden aanhalen, omdat het 
gaat om mensen waarvan de naam een klank gehad heeft in de geschiedenis van het 
aktivisme. Er is eerst en vooral Ant. Jacob. In het februarinummer 1915 van het 
tijdschrift De Beweging (van Alb. Verwey) schreef hij een opstel over De Vlaamse 
Beweging en de Belgische zaak waarin hij uitdrukkelijk verklaarde: 'In deze oorlog 
staan ook de Vlamingen op het Belgisch standpunt. De Vlaamse Beweging werd 
steeds gedragen door een rein gevoel van nationale waardigheid. De pangermaanse 
lokstem, die in de laatste weken wordt vernomen, zal bij haar geen gehoor vinden. 
Geen groter bedreiging van ons volksbestaan vermeldt de geschiedenis van onze 
Beweging, dan thans in de Duitse aktie besloten ligt' <33) . De 21ste maart 1915 
verscheen in De Vlaamsche Stem het bekende gedicht van René De Clercq: 

Geen vriendschap, geen vriendschap, 
Geen vriendschap onder den helm! 
Wie met hen hand in hand kan staan 
Is in het hart een schelm! 

In hetzelfde blad, enkele dagen later (26 maart 1915), in zijn Open Brief aan Leo 
Picard rekende Alb. De Swarte tot hen die met hem de zaak van Vlaanderen aan de 
zaak van België verbonden o.a. René De Clercq, Hipp. Meert, R. Speleers en Aug. 
Borms. 

5. De geschiedenis van 'De Vlaamsche Stem ' - Het Bussumer telegram 

Onder druk van de militaire gebeurtenissen (vooral de beschieting van Antwerpen) 
of om de vreemde bezetting te ontvluchten, waren vanaf augustus reeds duizenden 
Belgen, vooral Vlamingen, uitgeweken naar Nederland. Velen keerden na enkele 
maanden 



(33) A. JACOB. De Vlaamsche Stem, z.j. (1920), 38. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



33 



terug, velen zijn er de hele oorlog door gebleven. Een paar officieuze kranten zoals 
Het Belgisch Dagblad enL'Echo Beige werden verondersteld de spreekbuis te zijn 
van deze uitwijkelingen. Een groep vlaamsgezinden kon deze toestand niet aanvaarden 
en wenste een eigen Belgisch, maar Vlaamsgezind orgaan. Aldus verscheen op 1 
febr. 1915 te Amsterdam het dagblad De Vlaamsche Stem met de leuzen: Een volk 
zal niet vergaan! en Eendracht maakt macht 04 '. Hoofdredakteur was Alb. Deswarte, 
de opstelraad was samengesteld uit Cyr. Buysse, René De Clercq, Lod. Dosfel, Jan 
Eggen en André De Ridder. De naam Dosfel viel reeds weg vanaf 27 febr.: Dosfel 
verbleef inderdaad in Vlaanderen, weigerde naar Nederland over te komen en schreef 
geen woord voor het blad <35) . Op 16 april gaf Jan Eggen zijn ontslag als redakteur: 
hij beschikte niet over tijd genoeg om zich aktief met de krant bezig te houden. 

In een programma-artikel verklaarde de redaktie dat het blad het orgaan wilde zijn 
van 'alle bewuste, denkende, strijdende Vlamingen', zonder onderscheid, eendrachtig 
als Vlamingen, eendrachtig als Belgen om te bevestigen dat 'wars van alle vreemde 
inmenging,... de Vlaamsche Beweging is en blijft wat zij immer was: louter nationaal'. 
Enkele dagen later (7 febr.) verscheen een artikel van Frans Van Cauwelaert waarin 
betoogd werd dat ook de vlaamsgezinden moesten spreken: wij mogen de waan zich 
niet doen verbreiden alsof wij zouden zwijgen uit deemoed of uit naberouw over 
vroegere vergissingen. Wij moeten ons aangorden voor de dag van morgen - aldus 
zijn besluit - en weerom aan de arbeid gaan. 

Hoofdredakteur Deswarte stond sterk afwijzend tegenover elke samenwerking 
met de Duitse bezetter, zoals zeer duidelijk bleek uit een polemiek met Leo Picard 
en De Vlaamsche Post: hij veroordeelde niet alleen Picard, Domela en Mare. Minnaert, 
maar ook Stijn Streuvels voor zijn 'jammerlijk' oorlogsdagboek 36 '. Toen het nieuws 
doorkwam dat de Duitsers te Oostende en te Brugge het bevel gegeven hadden alle 
Franse opschriften te verwijderen, werd dit door het blad ten zeerste betreurd: de 
Duitsers bewijzen Vlaanderen een slechte dienst door als bevor- 



(34) Vgl. voor de geschiedenis van het blad A. JACOB. De Vlaamse Stem, o.c. Men vindt hier ook 
een bloemlezing van artikelen geschreven door Jacob. 

(35) A. DE BRUYNE. Lodewijk Dosfel 1881-1925. Kuituurflamingant, aktivist, nationalist (1967), 
146. 

(36) De Vlaamsche Stem, 26 maart 1915. Ook in de brochure Vlaanderen's nood, o.c., 46. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



34 



deraars van de Vlaamse zaak op te treden want dit zal na de oorlog door de 
fransgezinden uitgespeeld worden in hun strijd tegen het Vlaams (9 mei 1915). Deze 
volledige afwijzing van elke Duitse tussenkomst betekende voor Deswarte geen 
passiviteit op het vlak van de binnenlandse politiek of van de Vlaamse propaganda. 
Hij nam hier een zeer vooruitstrevend en radikaal standpunt in. Dit kwam o.a. tot 
uiting in zijn artikel van 23 mei tegen zekere opvattingen van Prof. A.A.H. Struycken. 
Deze had de brochure Vlaanderen en de Belgische Kwestie (vgl. boven n. 1 9) scherp 
afgekeurd wat de opvattingen betrof van zekere Vlamingen die hierin werden 
uiteengezet. Ook Deswarte was er scherp tegen, maar hij vond niettemin het slot 
ervan goed nl. de opmerking dat België niet op de oude unitaristische grondslag 
opnieuw kon opgetrokken worden, maar, zoals de schrijver het formuleerde 'zo dat 
beide zijn delen zich autonoom en in federalistischen zin, weerszijds in evenwicht 
houden', waaraan Deswarte nog de overweging bijvoegde: 'het gebeure inderdaad 
zo - in de naaste toekomst'. 

Zeer duidelijk formuleerde Deswarte dan zijn standpunt in een drietal artikelen: 
Spreken is Plicht - Diagnosis - Het redmiddel (28-30 juni). Vlamingen en Walen - 
aldus de schrijver - hebben de plicht en het recht te vragen wat België hun na de 
oorlog zal geven. Spreken over wat de toekomst hoort te zijn is plicht, want buiten 
deze gedragslijn bestaat alleen maar een politiek van kortzichtigen of een taktiek van 
zwakkelingen (i). De oorzaak van Belgiës zwakte ligt in het unitarisme. Als gevolg 
hiervan kregen wij slechts enkele kreupele taalwetten die niet eens werden toegepast. 
Er mag na de oorlog geen nieuwe kreeftegang meer komen van de Vlaamse Beweging, 
want dan hebben wij beslist nog een eeuw taalstrijd te voeren (li). Tegenover het 
staatsunitarisme stellen wij het volksdualisme. 'De enige hechte grondsteen van 
staatseenheid en staatsvrede is bestuurlijke verscheidenheid, d.i. liberale 
rechtsbedeling aan de gewestelijke organismen' zoals provincies, arrondissementen, 
kantons, gemeenten. Bij de toepassing van dit beginsel op België wil Deswarte daarbij 
het woord bestuurlijke scheiding vermijden omdat het aanleiding tot misverstand 
kan geven. De nieuwe oplossing die men onder ogen moet durven zien is: Waals en 
Vlaams zelfbestuur ('het dubbele zelfbestuur' zoals Deswarte zijn eigen oplossing 
zal noemen). Deze idee dagtekent niet van heden: zie reeds vóór 1914 de Walen en 
ook de Vlamingen' 37 '. 



(37) Vgl. hierover thans J. VANDEPLAS in Wetenschappelijke Tijdingen, 1966, 329-344. Zie ook 
H.J. ELIAS. Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, IV (1965), 215-224. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



35 



In het volgende nummer (1 juli) verscheen de mededeling dat voortaan Ant. Jacob 
zou deel uitmaken van de redaktie op grondslag van zijn februariopstel in De 
Beweging 'die met die der Vlaamse Stem overeenkomt'. De toon van het blad wordt 
nu vinniger en meer polemisch. Van nu af aan verschijnen een reeks dokumenten 
uit de geschiedenis van de Beweging waarin meer de nadruk gelegd wordt op de 
radikalere stromingen' 38 '. Reeds op de 1ste juli verscheen een artikeltje van Jacob 
(niet ondertekend) waarin het aksent gelegd werd op het feit dat spreken niet alleen 
plicht was voor de Vlamingen, maar ook voor de regering' 39 '. Niettegenstaande deze 
radikale richting vond het blad nog een ruime medewerking voor zijn elf-julinummer. 
Wij vinden er bijdragen van o.a. Alb. Deswarte, Jul. Persyn, Frans Van Cauwelaert, 
René De Clercq, André De Ridder, Jul. Hoste jr., A. Jacob, Karei Van den Oever, 
Leonce Ducatillon' 40 ', Dr. Van de Perre, Leo Van Puyvelde, Joh. De Maegt, Leo 
Meert en Phil. De Pillecyn. 

'Vlamingen, gedenkt de Guldensporenslag!'. Voor dit eerste elf-julifeest in de 
uitwijking werden de Vlamingen opgeroepen tot een samenkomst in het Brediusbos 
bij Bussum' 41 '. Zij waren talrijk opgekomen. De verslaggever Mwa.De Vlaamsche Stem 
meldt meer dan duizend aanwezigen; Deswarte schreef later (29 juli) over 'een 
drieduizend mensen'; in het huldetelegram dat aan de Koning werd gezonden, spraken 
de ondertekenaars Deswarte en De Clercq over Nederlanders en Vlamingen 'réunis 
par milliers'. Het plein was versierd met Nederlandse en Vlaamse vlaggen: de 
Belgische driekleur had men blijkbaar vergeten. In het telegram aan de Koning werd 
voor de toekomst gesproken van 'la Flandre autonome dans la Belgique 
indépendante' <42) . De sekretaris van de Koning stuurde namens de Vorst een telegram 
van dank, maar met een dringend beroep op al de Belgen 'opdat zij voor den vijand, 
geen ander doel of bekommernis zouden hebben, dan de vrijmaking van het 
grondgebied'. In het 



(38) Een bloemlezing hiervan in A. JACOB. Het Vlaams Konflikt, o.c. 

(39) Overgenomen in A. JACOB. De Vlaamse Stem, 7-8. 

(40) Het gaat hier om de kristen-demokraat L. Ducatillon. 

(41) Voor wat volgt verwijzen wij naar de publikaties van A. Jacob. Verder R. DE CLERCQ. Havere 
tegen Vlaanderen. Utrecht, 1916 (Overdruk uit Dietsche Stemmen, dec. 1915, jan. en febr. 
1916) en de verzameling van De Vlaamsche Stem. 

(42) Het telegram was in het Frans opgesteld daar de telegraafdiensten alleen Franse en Engelse 
teksten aanvaardden. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



36 



dankwoord hierop van De Vlaamsche Stem werd de hoop uitgedrukt dat iedereen, 
maar vooral onze geliefde Vorst 'zich overtuigen zullen, dat wij geen ander doel 
nastreven dan de broederlijke verstandhouding tussen Walen en Vlamingen, geen 
ander drijfveer ondergaan dan een nobele zucht om Vlaanderens zelfstandigheid in 
het onverdeelbare België', een verklaring die besloten werd met een 'Leve België! 
Leve zijn Koning' (17 juli). 

Het antwoord van de Koning was nochtans voor velen een ontgoocheling. Door 
de radikalen zou het in de nabije toekomst samengevat worden in het lapidaire: Vecht 
en Zwijgt! In De Vlaamsche Stem zelf stond men aan de vooravond van een krisis. 
De aanval ging uit van Frans Van Cauwelaert zelf met, wonder genoeg, Alb. Deswarte 
als bondgenoot. In zijn nummer van 21 juli (nationale feestdag!) publiceerde het blad 
een manifest getekend door Fr. Van Cauwelaert, Arth. Buysse (liberaal 
volksvertegenwoordiger voor Gent), Cyr. Buysse, J. Hoste jr., Alb. Deswarte, Leo 
Van Puyvelde, L. Ducastillon en André De Ridder waarin o.m. bevestigd werd dat 
de Vlaamse Beweging geen afbreuk wilde doen aan de staatkundige eenheid van 
België, dat het doel ervan kon worden bereikt 'zonder dat de staatkundige samenhang 
uit welken ons land is opgebouwd worde ontkracht'. De ondertekenaars spraken de 
hoop uit dat het landsbestuur tot het klaar inzicht zou komen dat aan het Vlaamse 
volk volledig recht moest worden gedaan. 

Door de ondertekening van dit manifest was Alb. Deswarte zonder twijfel in een 
valse positie komen te staan als hoofdredakteur van De Vlaamsche Stem. Hij trad 
dan ook af als dusdanig en met hem ook Cyr. Buysse en André De Ridder. Dit 
gebeurde op 17 augustus, nadat daags tevoren een algemene vergadering van 
aandeelhouders bij eenparigheid van stemmen tot likwidatie besloten had. In een 
artikel, verschenen op 30 juli, had Deswarte verklaard dat aangezien het debat over 
'tweevoudig zelfbestuur' en vernederlandsing van Gent aanleiding bleek te kunnen 
zijn tot ergernis en tweespalt, hij de bespreking van dit dubbele hoe als ontijdig 
beschouwde en derhalve alle diskussie hierover zou staken tot na de bevrijding van 
het grondgebied. 

Terwijl De Vlaamsche Stem weigerde een brief op te nemen over de motivering 
van zijn ontslag, kon Deswarte van de gastvrijheid van het dagblad De Telegraaf 
gebruik maken om zijn standpunt nog eens toe te lichten. Reeds op de vergadering 
van de aandeelhouders op 16 augustus had hij vastgesteld - zo schreef hij - dat er 
een groep was waarvan hij de politiek niet kon volgen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



37 



Dit werd nog duidelijker door een mededeling in het blad waarin gesproken werd 
van een voorwaardelijke loyaliteit als voorwaarde voor het herstel van België. Mijn 
'verknochtheid' aan België is onvoorwaardelijk en ik sta op het standpunt dat België 
in deze strijd het recht heeft om te zeggen: wie niet onvoorwaardelijk met mij is, die 
is tegen mij . Mijn artikels van 28-30 juni waren slechts de uiting van mijn persoonlijke 
mening, niet van de redaktie en drukten mijn trouw uit aan België. Mijn onwrikbaar 
loyalisme wordt verloochend door de huidige redakteuren in hun verklaring dat het 
herstel van de rechten van het Vlaamse volk een voorwaarde is voor het herstel van 
België (43) . 

Het is duidelijk dat deze motivering van zijn stilzwijgen in de toekomst niet 
overtuigend kon werken, nadat hij dit zelf, amper een maand tevoren, een politiek 
van kortzichtigen of zwakkelingen genoemd had. De redaktie van het blad kwam nu 
in handen van De Clercq en Jacob die het konden handhaven met de steun van F.C. 
Gerretson, een overtuigd Groot-Nederlander. De nieuwe redaktie verklaarde de lijn 
door Deswarte vastgelegd in zijn opstellen van 28-30 juni te zullen doortrekken. Het 
vraagstuk van de 'voorwaardelijkheid' van het loyalisme bleek vooralsnog voor 
verschillende uitleggingen vatbaar. In een repliek op de brief van Deswarte (21 
augustus) deed L. Brulez opmerken dat de verklaring van de nieuwe redaktie geen 
voorwaardelijk loyalisme was doch slechts de konstatering van een feit, van een 
voorwaarde van Belgiës bestaan, zoals ook Van Cauwelaert dit formuleerde in zijn 
manifest van 21 juli. De 3de september reageerde Jacob op een opmerking van Alb. 
Verwey die ook een verschuiving had menen te zien tegenover het opstel in De 
Beweging. Hij beweerde dat het artikel Vlaanderen en België. Open brief aan onze 
vrienden in Vlaanderen (dd. 15 aug. in het nr. van 18 aug.) door De Clercq en Jacob, 
geen verschuiving van standpunt was, maar alleen 'een verschuiving van nadruk'. 
In het februariopstel lag de nadruk op de verplichtingen van de Vlamingen tegenover 
België, thans valt het aksent op die van de Belgische leiders tegenover de Vlaamse 
zaak. Professor Jef De Cock, hoogleraar te Leuven en uitgeweken naar Nederland, 
vatte het wel anders op. Hij betuigde zijn geestdriftige instemming met de positie 
ingenomen door het blad dat nu 'werkelijk een Vlaamse stem wordt en het lot van 
Vlaanderen behartigt boven dat van den "Belgischen 



(43) Wij vonden de vertaling van deze tekst in V. BAUTHIÈRE-DELFORGE. La question flamande. 
Les points de vue d'un Wallon. Wetteren, 1922, 12-15. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



38 



Staat'". Ook het antwoord van Van Cauwelaert liet niet op zich wachten: op 27 
augustus verscheen te Scheveningen het eerste nummer van zijn nieuw weekblad 
Vrij België'. De Vlaamsche Stem verloor, met een deel van haar redaktie, ook zijn 
meeste vroegere medewerkers en kon nog slechts op twee bladzijden verschijnen' 44 '. 

Er was dus een scheuring ontstaan in het Vlaamsgezinde kamp in Nederland. Het 
vraagstuk van de Duitse hulp tot oplossing van de Vlaamse Beweging (één van de 
twee kernpunten van het aktivisme, het tweede zijnde de gedachte van de 
zelfstandigheid) heeft hierbij geen rol gespeeld. Het ging om een stap vooruit in de 
ontwikkeling van de doeleinden van de strijd, waar Van Cauwelaert de voet dwars 
zette en de Belgische eenheid als een feitelijk integraal bestanddeel van de Vlaamse 
Beweging vooropstelde. Zo ontstond een scheuring onder flaminganten; het was niet 
de eerste en het zou ook niet de laatste zijn. Thans kwam echter een derde medespeler 
voor het voetlicht: de Belgische regering in Le Havre (45> . 

Minister Pr. Poullet die naar Den Haag overgekomen was om tal van 
administratieve zaken te regelen, nodigde René De Clercq uit tot een onderhoud. Dit 
had plaats op 17 september. De minister stelde er De Clercq voor de keus: aftreden 
als redakteur van De Vlaamsche Stem of zijn ontslag krijgen als ateneumleraar. De 
minister vroeg om een schriftelijk antwoord. De Clercq protesteerde tevergeefs door 
te wijzen op zijn loyaliteit tegenover België: zijn dichtbundel De Zware Kroon was 
juist ter pers en hij zond op 23 sept. de minister een eksemplaar van de drukproeven, 
samen met zijn antwoord: een weigering om af te treden als redakteur van De 
Vlaamsche Stem. 

Het onderhoud met Poullet had plaats op 17 september. Was het artikel van A. 
Jacob Loyauteitsverhouding, van 19 september, niet reeds een principieel antwoord? 
Hij betoogde erin dat de loyauteit niet kon komen van één kant: de opvatting van de 
wederkerigheid in loyauteit tussen onderdaan en vorst was een oude Vlaamse traditie. 
De houding van de volksgezinden zal dan ook bepaald worden door die van de 
Overheid. Dit standpunt bracht 



(44) Mededeling in De Vlaamsche Stem van 14 september dat het terug op vier bladzijden zal 
verschijnen. 

(45) Voor wat volgt R. DE CLERCQ, o.c. Vgl. ook L. MOYERSOEN. Prosper Poullet, o.c. Minister 
Poullet verbleef in Nederland van februari tot juli 1915, terug enkele maanden vanaf september 
1915 en in april-augustus 1916. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



39 



er Jacob toe de brochure van Domela Nieuwenhuis Vlaanderen bevrijd van allen 
zuidelijken dwang (Amsterdam, 1915, 47 blz.) af te wijzen. Domela was volgens 
hem onbevoegd om in naam van welke Vlaamse fraktie ook te spreken. Er bestaat 
een kloof tussen de Nederlander en de Vlamingen die de denkbeelden zouden 
aankleven door hem in deze brochure voorgehouden, omdat de positie van een 
Nederlander hier helemaal verschillend is van die van een Vlaming. Jacob bevestigde 
daarbij ook - tegen Domela - dat hij zich niet kon voorstellen dat een zuiver 
Vlaamsgezinde regering in 1914 anders zou opgetreden zijn dan de verfranste 
Belgische regering van 1914 (artikel van 30 sept). 

Het antwoord van René De Clercq aan minister Poullet was een weigering om 
zich aan de gestelde voorwaarde te onderwerpen (23 sept.). In De Vlaamsche Stem 
ging Ant. Jacob intussen voort het Belgisch standpunt, naar zijn opvatting, te 
verdedigen: 'verscherping van de tegenstellingen tussen Vlaanderen en Wallonië, 
van elkander verwijderen van Noord- en Zuid-België, verloren gaan van de Belgische 
eendracht - het zijn, ook door ons zij dit met nadruk vooropgesteld, verderfelijke 
faktoren. Onze pogingen moeten gericht zijn op een binnenlandse politiek die deze 
negatieve elementen uitschakelt'. Wij moeten de waarde van het Belgisch 
staatsverband verhogen, want het is 'voor ons volk het enig historisch gegevene' (5 
okt). 

In de heftige gemoedsstemming die volgde op zijn onderhoud met minister Poullet, 
schreef René De Clercq het befaamd geworden gedicht Aan die van Havere toen zij 
vergaten dat ook Vlaanderen in België lag met het refrein: 

Heb ik geen recht, ik heb geen land 
Heb ik geen brood, ik heb geen schand 
Vlaanderen, Vlaanderen, met hand en tand 
Sta ik recht voor u, 
Vecht voor u! 

Dit gedicht heeft zeer sterk de opstandige, aktivistisch gerichte gemoederen getroffen. 
Het werd voor het eerst gepubliceerd in De Vlaamsche Stem van 1 8 oktober. Intussen 
was bij K.B. van 5 oktober De Clercq ontslagen als ateneumleraar en werd Jacob bij 
ministerieel besluit geschrapt van de lijst der kandidaten voor een tijdelijke funktie 
in het rijksmiddelbaar onderwijs. Baron Fallon, Belgisch gezant in Den Haag, deelde 
dit op 26 oktober mede aan De Clercq. De Vlaamsche Stem maakte het nieuws bekend 
op 2 november. De 4de nov. verscheen in het blad de fotokopie 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



40 



van de brief met een korte kommentaar van De Clercq, waarin gesproken werd van 
'onze welbeminde Koning, misleid door een fransdolle, vlaamshatende of 
vlaamsverloochenende omgeving' en dat eindigde met de kreet: Leve de Koning! 
De redaktie van De Vlaamsche Stem bleef de koning trouw - wie zou hier niet gedacht 
hebben aan 'den Koning van Hispaniën' uit het Wilhelmus? - en stuurde hem, op 16 
nov. 1915, naar aanleiding van zijn naamdag een telegram om de 'eerbiedige hulde 
en diepgevoelden heilwens' uit naam van het blad te betuigen. Het telegram was dan 
ook getekend door de twee redakteuren, trouw tot aan de bedelstaf: De Clercq en 
Jacob. 

Aldus het verloop van de gebeurtenissen, zoals het aan de hand Mwa.De Vlaamsche 
Stem en het relaas van De Clercq te rekonstrueren valt. Hierbij rijst onmiddellijk de 
vraag: wat is er achter de schermen gebeurd? Voor de flaminganten, die elkaar in 
twee vijandige kampen begonnen te bevechten, was de hoofdvraag daarbij: welke 
rol speelde in dit alles Frans Van Cauwelaert om De Vlaamsche Stem en het 
programma ervan ten gronde te richten? Dat Van Cauwelaert op de hoogte was van 
de inzichten der regering is zeer waarschijnlijk. Op 30 juli, meer dan anderhalve 
maand vóór het onderhoud Poullet-De Clercq, had hij aan laatstgenoemde een brief 
geschreven om hem te waarschuwen tegen 'onvoorzichtige uitlatingen' en hem in 
dit verband tevens gewezen op zijn verantwoordelijkheid als huisvader. Nadat De 
Clercq afgezet was, hebben de tegenstanders van Van Cauwelaert - onvermijdelijk 
- hem ervan beschuldigd de hand in het spel te hebben gehad. René De Clercq heeft 
aan de mogelijkheid hiervan gedacht. Ant. Jacob heeft, naar aanleiding van een artikel 
over de ontheffing verschenen in De Nieuwe Rotterdamsche Courant, zijn twijfel, 
onpersoonlijk, als volgt geformuleerd: de houding van de regering is niet denkbaar 
zonder de ruggesteun van een Vlaamse fraktie en we zullen niet ver van de waarheid 
zijn als we dit stuk beschouwen als het advies van deze laatste' 46 '. Dat Van Cauwelaert 
alle verantwoordelijkheid van zich heeft afgeschud is vanzelfsprekend: broodroof 
was in de politiek wel een gebruikelijk, maar toch nog steeds hatelijk strijdwapen. 
Op grond van de dokumenten die in het debat zijn geworpen kunnen wij geen oordeel 
uitspreken. Wij zijn alleen ertoe in staat om vast te stellen, op grond ervan, dat er 
geen enkel bewijs bestaat om ertoe te besluiten dat Van Cauwelaert schuld heeft 
gehad aan de afzetting 



(46) De Vlaamsche Stem, 4 nov. 1915. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



41 



van De Clercq. Wat dan de voorlichting betreft van de regering te Le Havre zullen 
wij daarenboven dienen rekening te houden met het feit dat ook Van Cauwelaert 
hardnekkige vijanden had (de latere houding van Van Puy velde en van Ducatillon 
bewijzen dit) en dat er toch officiële inlichtingsdiensten - naast de geheime - bestonden 
die druk uitoefenden op de regering in Le Havre. 

6. De langzame groei van het aktivisme in het bezet gebied 

In een zeker opzicht behoren de geschiedenis van De Vlaamsche Stem en het ontslag 
van De Clercq- Jacob niet tot de geschiedenis van het aktivisme. Op geen enkel 
ogenblik inderdaad is hier sprake geweest van een politiek van samenwerking met 
Duitsland, van een oplossing van het Vlaamse vraagstuk met Duitse steun of hulp 
bij de vredesonderhandelingen. In een ander opzicht echter zijn deze gebeurtenissen 
er niet van te scheiden omdat - zoals wij reeds beklemtoonden - hier vrij sterk het 
tweede aspekt van het aktivisme nl. de zelfstandigheidsgedachte op de voorgrond 
treedt. Anderzijds treffen wij ook bij de redakteuren van De Vlaamsche Stem, na de 
afscheiding van Deswarte, een mentaliteit aan die wij als pre-aktivistisch zouden 
kunnen bestempelen: de sterke klemtoon die gelegd wordt op de Vlaamse eisen en 
het absoluut wantrouwen tegenover de Belgische regering. Onder deze 
omstandigheden is het niet te verwonderen dat Ant. Jacob in de eerste dagen van 
december 1915 overkwam naar België waar hij medewerker werd aan Het Vlaamsche 
Nieuws. René De Clercq zal pas in juli 1917 terugkeren. De Vlaamsche Stem was 
toen reeds anderhalfjaar zonder groot gedruis gevallen: het laatste nummer verscheen 
op 1 febr. 1916. 

Tot einde 1915 blijft de aktivistische werking in het bezet gebied nog zeer zwak 
en zijn de posities in Vlaanderen niet duidelijk afgebakend. Pas met de bekendmaking, 
de 31ste dec. 1915, van de beslissing van von Bissing over te gaan tot de 
vernederlandsing van de universiteit in Gent, wordt de scheidingslijn scherp getrokken. 
De enige groep die tot dan toe naar buiten aktief optrad was die van de 
Jong- Vlamingen. Wij hebben gezien hoe de kleine Gentse groep in tweeën brak 
rondom de figuren van Domela en Picard. Nog vóór deze breuk voltrokken was, 
vaardigde de groep Domela in de maand augustus 1915 een oproep uit 'Aan het 
Vlaamsche Volk' waarin de wens werd uitgesproken dat het België van vóór de oorlog 
niet zou hersteld worden. Er moest een vrij en zelfstandig Vlaanderen tot stand 
komen. Het verlangen werd bekendgemaakt een Algemene Vlaamse Raad tot stand 
te zien 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



42 



komen (een Raad van Vlaanderen) waarmede de zegevierende mogendheden over 
het toekomstig statuut van Vlaanderen zouden kunnen onderhandelen. 

Nadat de groep Jong-Vlaanderen zijn meer gematigde leden als hinderlijke ballast 
overboord geworpen had, richtten de overblij venden zich tot von Bissing (18 sept. 
1915) om hem hun programma, de zgn. Zeven Punten te overhandigen. Tegelijkertijd 
overhandigde Domela nog twee persoonlijke, uitvoerige en gezwollen vertoogschriften 
waaruit wij alleen willen onthouden dat Vlaanderen slechts ekonomisch en militair 
een Bond zou vormen met Duitsland maar geen afgevaardigden naar de Rijksdag 
zou zenden. Zowel het herstel van de Belgische staat, ook met bestuurlijke scheiding, 
als een inlijving bij Duitsland met verduitsing, werden van de hand gewezen. In 
oktober 1915 ging Domela op reis naar Berlijn. Hij overhandigde er de 'Zeven Punten' 
aan de Rijkskanselier, de hoogste legerleiding en de Rijksdag. Hij bepleitte er 'bij 
de Hoge regering' de instelling van een Vlaams Vrijkorps en de uitroeping van een 
koninkrijk Vlaanderen met als eerste stap in deze richting de bestuurlijke scheiding; 
de instelling van een Raad van Vlaanderen en de hervatting van de kursussen aan de 
Gentse hogeschool als een Nederlandse universiteit. Domela ontmoette te Berlijn tal 
van personen en het verslag over zijn reis is in dit opzicht niet zonder belang om de 
opvattingen in Berlijnse kringen te leren kennen. Wij onthouden eruit zijn vinnige 
diskussie met de voorzitter van het Alldeutscher Verband die de Vlamingen 
beschouwde als Duitsers. Intussen was Jong-Vlaanderen uitgegroeid over een groot 
gedeelte van het Vlaamse land. Er werd beslist de bestaande kernen te groeperen in 
een 'Middenbond'. Het eerste landelijk congres van Jong-Vlaanderen had plaats in 
Gent, op 1 november 1915. Er bestonden toen kernen of afdelingen in Oostende, 
Gent, Lier, Antwerpen, Brussel, Kortrijk, Roeselare, Geluwe, Deerlijk, Mechelen, 
Ninove, Brugge en Blankenberge die op het kongres vertegenwoordigd waren. Aan 
het programma van de 'Zeven Punten' werden op dit kongres nog drie punten 
toegevoegd: over de sociale wetgeving en het belastingstelsel; over een Vlaamse 
handelsvloot en de uitbouw van een vissersvloot; over de kerkelijke scheiding tussen 
Vlaanderen en Wallonië en het beginsel van de vrijheid aller geloofsbelijdenissen. 
Dit programma werd aan de regering te Berlijn medegedeeld. Het kongres had tot 
eerste voorzitter Eug. Van Oye gekozen, tot tweede Domela, tot sekretarissen R. 
Kimpe en Gust. Vermeersch. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



43 



Omtrent deze tijd is het dat Gust. Vermeersch zijn brochure schreef Een oproep tot 
het Vlaamsche Volk (Brussel, z.j. 62 blz.). Hierin werd het standpunt verdedigd van 
een Vlaamse staat die, indien mogelijk, ook Frans- Vlaanderen zou omvatten. De 
staat België moet in elk geval van de wereldkaart verdwijnen. Voor deze staat 
Vlaanderen stonden drie wegen open: ofwel een tolverbond met de Middeneuropese 
staten; ofwel een zelfde verbond met Nederland, ofwel - wat minder wenselijk geacht 
werd - een geheel onafhankelijke staat. In ieder geval zou Vlaanderen geheel loskomen 
van Wallonië. 

Tussen de aanhangers van Jong- Vlaanderen vinden wij, buiten de reeds genoemden, 
einde 1915 als ondertekenaars van de 'Zeven Punten' o.a. Dr. E. Dumon, Is. Van 
Beugem, A.T.M. Jonckx, Felix Timmermans, F. Van den Weghe, H. Cayman, R. 
Ysabie, Rich. De Cneudt, Joris Fassotte, Jan Eggen, F. Brulez en Urb. Van de Voorde. 
Met Kerstmis 1915 had de partijraad nogmaals een onderhoud met de bezettende 
overheid (het is ons niet bekend met wie) om de stichting van een koninkrijk 
Vlaanderen te bespreken en als onmiddellijke hervormingen: de vernederlandsing 
van de Gentse hogeschool, het invoeren van de bestuurlijke scheiding, de aanwerving 
van uitsluitend Vlaamse ambtenaren en de instelling van een Vlaamse hoofdraad 
met gouwraden. Het zou nochtans niet zo lang meer duren of Jong- Vlaanderen kon 
ondervinden dat de Politische Abteilung niet geneigd was de voorgestelde weg in te 
slaan en scheep te gaan met Jong- Vlaanderen. Op 31 maart 1916 werd de redaktie 
van De Vlaamsche Post door de Politische Abteilung afgezet en door een nieuwe 
vervangen. Na een tamelijk komisch intermezzo waarbij de Jong- Vlamingen een 
beroep deden zowel op de Belgische instanties als op de militaire overheden van het 
Etappengebied waartoe Gent behoorde en waarop dus de goeverneur-generaal von 
Bissing geen rechtstreekse vat had, kwam het tot een akkoord tussen beide partijen 
(5 mei): het blad zou niet meer verschijnen. Jong- Vlaanderen had aldus geen eigen 
orgaan meer om de openbare mening te bewerken. 

Terwijl Jong- Vlaanderen luidruchtig propaganda maakte en vooral de Duitse 
militaire instanties voor zijn standpunt trachtte te winnen, werd te Brussel in alle 
stilte een praktische samenwerking met de bezettende macht tot stand gebracht. Von 
Bissing stond, in zijn Flamenpolitik, nog op het standpunt dat de Belgische 
taalwetgeving de norm aangaf van wat door de Duitsers voor de Vlamingen kon 
worden gedaan. Hij was slechts in zeld- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



44 



zame gevallen verder gegaan, zodat hem in dit opzicht van Vlaamse noch van Waalse 
zijde, enig verwijt kon gemaakt worden. Aldus zijn bericht op 28 mei 1915 aan het 
Auswartige Amt te Berlijn' 47 '. Drie weken na deze brief ontmoetten elkaar te Brussel, 
op 18 juni 1915, voor de eerste maal een Vlaams komitee en Duitse ambtenaars, met 
het oog op een Vlaams-Duitse samenwerking. Dit Vlaams komitee was te Brussel 
tot stand gekomen als een zeer beperkte kring van radikale Vlamingen die geen 
propaganda naar buiten voerden. Zij noemden zich de Vereniging van vrienden van 
de Vlaamse Zaak m . Maakten er o.a. deel van uit J. Lambrichts, J. De Smedt, A. 
Faingnaert, H. Halsband en L. Masfranckx. In oktober werd ook J. Fassotte hierin 
opgenomen. 

Een eerste ontmoeting tussen leden van de Vereniging en Duitse ambtenaars had 
dus plaats op 18 juni. Er werd gesproken over de toepassing van de taalvoorschriften 
in de wet op het lager onderwijs van 1914. De journalist Grosemans stelde met het 
oog op dit vraagstuk een verslag op voor de Politische Abteilung waarvan enkele 
leden de vergadering hadden bijgewoond. De Bezettende Overheid zou kort daarna 
op dit gebied ingrijpen tot interpretatie en tot toepassing van de wet. 

De Vereniging was geen politieke groepering en had geen eigen programma. Bij 
een eerste poging om een werkplan op te stellen werd door Haller von Ziegesar 
(samen met Rittmeister Simons) als het naaste doel van de kring voorgesteld de 
toepassing van de taalwetten en de ontwikkeling van het Vlaamse volk tot kulturele 
zelfstandigheid door middel van zijn eigen taal en tot politieke zelfbestemming. Als 
laatste doel werd de vernederlandsing van Wallonië voorzien door een ononderbroken 
inwijking. Reeds bij een eerste bespreking werd dit laatste punt door de meeste leden 
verworpen en dan ook dadelijk opgegeven. Er schijnt in deze kring nog een tamelijk 
grote diversiteit van opvattingen bestaan te hebben. De bovenvermelde Grosemans 
schreef nog een tweede memorandum aan de Politische Abteilung waarin gewezen 
werd op de nadelen van een volledige annexatie van België door Duitsland, maar 
waarin tevens de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk werd voorgestaan' 49 '. Naar 
aanleiding 



(47) petri, /.c, 515. 

(48) Vgl. FAINGNAERT, 210 en volg. 

(49) Ibid. , 2 1 4 met verwij zing naar de publikatie van dit stuk door Faingnaert in De Noorderklok, 
4aug. 1930. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



45 



hiervan schreef het nieuwe lid Fassotte (die wij begin december 1915 weervinden 
bij de ondertekenaars van het programma van Jong- Vlaanderen) op zijn beurt een 
memorandum waarvan het besluit was dat de beste oplossing voor de toekomst diende 
gezocht in een 'angliedern' van Vlaanderen als bondsstaat bij het Duitse Rijk, waarbij 
de grote trekken van een dergelijk statuut werden aangegeven. In de opvatting van 
Fassotte werden - zoals bij Grosemans - de Walen naar Frankrijk verwezen. 

Een grote kracht naar buiten betekende dit alles nog niet. Een voorbeeld ervan 
wordt ons gegeven door de lotgevallen van de Katolieke Vlaamse Bond te Brussel' 50 '. 
De Gazet van Brussel beschouwde het als een ontwaken van het Vlaams leven in de 
hoofdstad, toen op 8 juli 1915 de Bond in het Vlaams Huis samenkwam om te 
beraadslagen over de toestand. Het woord werd er gevoerd door de voorzitter J. 
Lambrichts <51) die handelde over het verbreken van de godsvrede door de tegenstanders, 
over de behandeling van de Vlaamse soldaten aan het front, over de tekortkomingen 
van het Duits bestuur in de toepassing van de taalwetten. Er werd besloten de Duitse 
overheid attent te maken op de overtreding van de taalwetten. Er waren op de 
vergadering een goed honderdtal leden aanwezig waarvan er één de samenroeping 
van de vergadering betreurde' 52 '. Toen echter de Bond op 15 nov. opnieuw werd 
samengeroepen, alweer om de toestand te bespreken, verzette een deel van de leden 
zich tegen elke verdere werking. De meerderheid besloot aktief te blijven deelnemen 
aan de strijd, maar dit betekende ook het einde van de Bond <53> . Het is ons niet mogelijk 
geweest de juiste betekenis te achterhalen van een stuk dd. 1 7 oktober over de stichting 
te Brussel van een Raad van Groot- Vlaanderen. Deze zou gekozen zijn door 52 
afgevaardigden die een driemanschap aanstelden ermee belast alle maatregelen te 
treffen ten einde Vlaams-België, de Vlaamse dorpen in Wallonië en de omgeving 
van Belle, Hazebroek, St.-Winoksbergen en Duinkerken samen te voegen tot een 
zelfstandig Vlaams staatswezen 'Groot- Vlaanderen'* 54 '. 



(50) Over deze bond vóór 1914: h.j. elias, o.c, 257 en 262. 

(51) Lambrichts was van geboorte Nederlander maar had in 1913 geopteerd voor België, bij 
toepassing van de wet op de nationaliteit voor wat betreft de gebieden afgestaan in het Verdrag 
van 1839. STRAETMANS. Aperqu sur l'activisme, z.pl. z.j. (Rede van 1 okt. 1920), 40. 

(52) De Vlaamsche Stem, 15 juli 1915. 

(53) FAINGNAERT, 253-254. 

(54) De Vlaamsche Stem, 12 dec. 1915. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



46 



Geen grote kracht naar buiten, maar toch wijst hier alles naar een gisting in de geesten, 
naar een intense bekommernis om de Vlaamse toekomst, naar een langzame evolutie 
die steeds verder en verder groeit in aktivistische zin. Het incident De Clercq-Jacob 
heeft hier zonder twijfel sterk aktiverend gewerkt. Tussen de vele blijken van sympatie 
die zij mochten ontvangen, vestigen wij alleen maar de aandacht op een gezamenlijke 
brief van een groep jongere flaminganten uit Antwerpen, waarbij wij de namen vinden 
van Eug. De Bock, Herm. Vos, Osc. De Smedt, R. Victor, Paul Van Ostayen, Osc. 
Jespers, Willem Elsschot, F. Mortier, Rob. Van Roosbroeck en Rob. Van Genechten. 
Het kan niet betwijfeld worden dat de aktivistische propaganda reeds een goed deel 
van de jeugd in haar ban hield (55) . Grote ophef maakte toen in het Vlaamse land, het 
artikel van Aug. Borms, in Het Vlaamsche Nieuws (20 nov.) Van Cauwelaert, wat 
hebt gij met uwe broeders gedaan! Borms weigerde te geloven dat het Van Cauwelaert 
was die De Clercq - Jacob bij de regering had aangeklaagd, maar hij verweet hem 
zijn invloed niet te hebben gebruikt om deze maatregel te beletten. Naar aanleiding 
hiervan getuigd Borms van zijn hartstochtelijke bewondering voor Van Cauwelaert 
vóór de oorlog; hij gaf tevens uiting aan zijn grote ontgoocheling over zijn huidige 
houding: 'de afschuwelijke Belgische partijpolitiek heeft u aan ons ideaal ontstolen' . 
Van Cauwelaert zou van nu af aan steeds meer en meer het mikpunt worden van de 
aktivistische aanvallen. Hij werd in beschuldiging gesteld, terwijl men hem anderzijds 
poogde te kompromitteren door zijn programma voor te stellen als identiek met dat 
van de aktivisten, en erop wees dat hij niets anders kon doen dan de aktivisten in hun 
spoor volgen. Men denke aan het gedicht van René De Clercq over de schaduwen... 

Bij velen onder de ouderen was de strijd nochtans niet uitgevochten: passief of 
aktief en in welke mate? Van een drietal 



(55) In de tak Antwerpen van het Algemeen Nederlands Verbond werd omstreeks deze tijd de 
afstelling De Clercq-Jacob eveneens besproken. Er werd beslist een afwachtende houding 
aan te nemen tot men beter zou voorgelicht zijn over de handelwijze van de Belgische 
regering. F. VAN LAAR. Algemeen Nederlandsch Verbond. Antwerpsche Tak. Bijdrage tot de 
geschiedenis van de Vlaamsche Beweging te Antwerpen. Jaren 1914-1915 Jaarverslag ... 
vergadering van 25 febr. 1916. z.pl.z.j., gedateerd 23 febr. 1916. Het A.N.V., tak Antwerpen, 
had zich op 9 juli 1915 tot Von Bissing gewend om zijn aandacht te vestigen op tal van 
overtredingen van de taalwetten door de Duitse overheid. Ibid. Vgl. ook De Vlaamsche Stem, 
23 sept. 1915. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



47 



vooraanstaanden onder hen kennen wij het standpunt, in de tweede helft van het jaar 
1915 <56) . De aanleiding voor Hypp. Meert om te spreken was een communiqué van 
het Belgische Informatiebureau in Den Haag, in de eerste helft van juli aan de 
Nederlandse pers gezonden, waarin de publikatie aangekondigd werd van een manifest 
van bekende Vlaamse leiders, waarin de ondertekenaars alle taaltwisten op dit 
ogenblik afkeurden, verklaarden niets gemeen te hebben met De Vlaamsche Post en 
andere bladen die alleen maar werktuigen waren in de handen van de Duitsers. Zij 
zouden verder de taktiek van de Duitsers veroordelen telkens als dezen de Vlamingen 
wilden kompromitteren door hun ongevraagde voordelen te schenken en verklaren 
dat na de oorlog de strijd diende voortgezet zonder ooit het zelfbestaan van de 
Belgische nationaliteit uit het oog te verliezen. Hierop reageerde Hypp. Meert in een 
ingezonden stuk aan de Nieuw Courant. Hij beweerde dat van een dergelijk manifest 
in Gent niets bekend was en hij geloofde niet dat men er gebeurlijk de handtekening 
van weldenkende Vlamingen zou voor vinden. Na een opsomming van de 
voortbestaande grieven en van de beledigingen aan het adres van de Vlamingen, 
verklaarde hij beslist geen stilzwijgen te aanvaarden. Over De Vlaamsche Posthebben 
de Gentse voormannen - zo ging hij verder - gezegd wat zij dachten, maar zij weigeren 
verder zelf mede te werken aan de verdachtmaking door onze vijanden van al de 
Vlaamse dagbladen. Wij hebben hier aan de Duitsers geen voordelen of geen gunsten 
gevraagd, maar wij eisen de toepassing van de taalwetten die met de voeten worden 
getreden en wij zullen niet protesteren als de Duitsers de taalwetten toepassen. Wij 
aanvaarden verder wel de Belgische nationaliteit, maar niet onverschillig welke: het 
moet er een zijn waarin wij onze vrije en zelfstandige ontwikkeling gewaarborgd 
zien""'. 

Aldus Hypp. Meert. Voor Adelf. Henderickx was de aanleiding tot spreken een 
in Engeland handig opgevatte vervalsing. Enkele flaminganten fabriceerden er een 
brief waarvan de tekst toegeschreven werd aan Henderickx, maar waarvan de inhoud 
eigenlijk gevormd werd door brieven en verklaringen van de Waalse 
volksvertegenwoordiger Buisset die hier - omgekeerd en in 



(56) Zie ook de merkwaardige artikelen van JOH. DE MAEGT in De Vlaamsche Stem, 8, 10, 1 1 en 
12 aug. 1915 over de argumenten pro en contra voor verdere aktie bij de uitgeweken 
Vlamingen in Nederland. 

(57) De Vlaamsche Stem, 14 nov. 1915. De briefis gedateerd 17 juli 1915. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



48 



flamingantische zin, om de reaktie van de franskiljons te zien - in zijn schoenen 

geschoven werden <58) . De franskiljonse pers (Indépendance Beige enXY 6 Siècle) 
trapte in de val om Henderickx aan te vallen. Hij, die van het geval niets afwist, 
reageerde heftig om de vervalsing aan te tonen. Naar aanleiding hiervan verklaarde 
hij dat zij die hem kenden 'de duizend en ene reden (kenden), die ik heb om alles 
behalve germanofiel te zijn'. Hij maakte daarbij een rekwisitoor op waarin alle 
grieven tegen de Walen en de franskiljons, die de godsvrede verbroken hadden, 
samengevat werden. Velen - verklaarde verder Henderickx - vrezen voor wat na de 
oorlog met de Vlaamse stam zal gebeuren, wanneer zij zien welke plannen nu reeds 
door de franskiljons gesmeed worden. Wij zullen ons met de moed van de wanhoop 
ertegen verzetten. Wij willen niets dan Nederlands in Vlaanderen. Hoe dit bereikt 
moet worden is van bijkomend belang, maar dat een wijziging in de staatsstruktuur 
zal nodig zijn, dat wordt hoe langer, hoe duidelijker voor wie de gevoelens van de 
Walen te onzen opzichte kent. Laten wij eendrachtig blijven' 59 '! 

Van zijn kant schreef Leo Meert een artikel Om de Kern in het Algemeen 
Handelsblad: hij verklaarde dat zijn betere 'ik' rechtstreeks naar de twee volken ging 
'die de Belgische natie uitmaken', dat de toekomst alleen denkbaar was 'in een 
heroverd, geheel vrij en onafhankelijk België'. Maar, de godsvrede werd verbroken 
en nu werden de redakteuren van De Vlaamsche Stem getroffen terwijl zij die op ons 
schelden en ons aanvallen vrij uitgaan. Hij verklaarde het volkomen eens te zijn met 
de drie programma-artikelen van Deswarte: de bestuurlijke scheiding stond reeds 
vóór de oorlog op het programma van de Vlaamse Beweging en was een Vlaamse 
eis geworden. Waarom sprak tot hiertoe de Koning niet? Waarom kocht de regering 
de politieke godsvrede door bij het begin van de oorlog de oppositie in haar schoot 
op te nemen en waarom deed zij niet hetzelfde op Vlaams gebied? Waarom blijven 
de 'franselaars' ongestraft? Ik zoek naar de kern... (60) . M. Rudelsheim op zijn beurt 
reageerde hierop en verklaarde dat 'de meest helderzienden onder de Vlamingen 



(58) Zie de brief van h. BORGINON in De Vlaamsche Stem, 16 dec. 1915. 

(59) De Vlaamsche Stem, 14 nov. 1915. Over de positie door Henderickx ingenomen tijdens de 
oorlog raadplege men - met de nodige voorzichtigheid waar het gaat om processtukken - zijn 
verdediging: Hof van Assises van Antwerpen. 10-14 november 1919. Zaak Adelfons 
Henderickx. St. -Niklaas, z.j. (vermoedelijk 1920). 

(60) Overgenomen in De Vlaamsche Stem, 1 dec. 1915. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



49 



weten wat alleen de redding kan brengen nl. zelfbestuur voor Vlaanderen; zij beseffen 
ook, dat deze opvatting geen afbreuk doet aan hun trouw aan het vorstenhuis en aan 
hun gehechtheid aan het Belgische staatsverband'* 61 '. 

Men voelt in dit alles, zoals reeds gezegd, de gisting in de gedachtenstrijd in 
Vlaanderen, de evolutie naar de zelfstandigheidsgedachte (nog zeer weinig 
omschreven), de onrust vooral over wat de toekomst zal brengen. Om dit laatste te 
begrijpen dient men rekening te houden met een nieuw verschijnsel: een agressief 
Belgisch nationalisme dat de toekomst van het land zó eng met Frankrijk verbonden 
zag dat de Vlamingen er geen vrede mee konden nemen, in een opvatting van de 
Belgische nationaliteit waar een franstalige elite hoe langer hoe meer de gelegenheid 
moest krijgen om, op kosten van de Vlamingen, door een voorbijgaande tweetaligheid 
van de Vlaamse massa, uiteindelijk te komen tot het algemeen gebruik van het Frans 
als staats- en als kuituurtaai met een afstervende Vlaamse folklore. 

Onder deze omstandigheden, deden de Duitsers, in het raam van hun eigen politiek, 
een meesterlijke zet: op 31 dec. 1915 verscheen in de bladen een communiqué om, 
voor het volgend akademiejaar, de opening en de vernederlandsing van de Gentse 
universiteit aan te kondigen. 

7. De vernederlandsing van de Universiteit te Gent 

Het valt niet met zekerheid uit te maken van wie de gedachte van de vernederlandsing 
van de Gentse universiteit tijdens de bezetting, is uitgegaan' 62 '. Toen R. Kimpe in 
januari 1916 poogde 

(61) Brief van 11 dec. 1915 in De Vlaams che Stem, 21 dec. 1915. 

(62) BIBLIOGRAFIE. TH. HEYSE. L'occupation allemande en Flandre. Index documentaire. T.I. 
L'Universitéflamande. Gent, 1918 en 191 9, twee afleveringen, doorlopend genummerd, 344 
blz.; VON DYCK. Die Umwandlung der Universitat Gent in eine famische Hochschule; 
einleitender Vortrag zur feierlichen Uebergabe und Eröffnung der Universitat, in Deutsche 
Revue, jan. 1917, 77-89 (franse vertaling bij HEYSE, 202-212); Prof. C. De Bruyker en de 
Vlaamsche Hoogeschool voor het Belgisch gerecht, 5-7 juli 1920. Gent, 1920, 112 blz.; R. 
VAN GENECHTEN. Nationaal Vlaamsch Studentenverbond. De vervlaamsching der Gentsche 
Hoogeschool (1916); De Vlaamsche Hoogeschool te Gent, 1916-1918. Verweerschrift van 
het Gentsch Studentencorps Hou ende Trou ' (1919); Hoogeschool te Gent. Plechtige opening 
op 21 en 24 oktober 1916. z.j. (1916); Redevoeringen uitgesproken bij de opening der 
Hoogeschool te Gent{\9\6 - Uitgaven van den Hoogeschoolbond, nr. 2); 's Rijks Hoogeschool 
te Gent. Programma der lessen 1917-1918 (Gent, 1918); De Vlaamsche Hoogeschool te 
Gent. Inlichtingsboekje voor hen die gedurende het academisch jaar 191 7-1918 aan de 
Staatsuniversiteit te Gent willen studeren (Uitg. Hoogeschoolbond, nr. 5); ID., nieuwe uitgave, 
Akademisch jaar 1918-1919 (Gent, 1918); Rijksuniversiteit te Gent. Hoogere Land en 
Tuinbouwschool. Algemeene Bepalingen. Voorwaarden tot aanvaarding en programma der 
toegangsexamens (1917, 2e uitg. 1918); Gentsche Studentenalmanak voor het jaar 1918. Ie 
jaargang. Z.j. (1918); voor de geest onder de studenten: het tijdschrift Aula, le nr., 1 jan. 
1917; R. VAN GENECHTEN. Geestelijke stroomingen in het studentenleven aan de Vlaamsche 
Universiteit te Gent tusschen 1916 en 1918, in Gentsche Studentenalmanak voor het jaar 
1931; een geromanceerd stemmingsbeeld bij P. naeved (vermoedelijk alb. van de poel). 
Uit de Vlaamsche Universiteitsdagen in de oorlogsjaren 1916-1918, in Annuarium der 
Roomsch-Katholieke Studentenvereeniging in Nederland, Amsterdam, 1922 - Overdruk, 59 
blz. en een opstel van WIES MOENS, in De Nieuwe Eeuw, overgenomen in het weekblad 
Vlaanderen, 28 nov. 1925. Vgl. ook uitvoerig A. DE BRUYNE. L. Dosfel, o.c, 153-221, over 
de vernederlandsing en de houding van Dosfel. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



50 



deze veer op de hoed te steken van Jong- Vlaanderen, antwoordde de Duitse 
administratie dadelijk met een communiqué dat von Bissing, aanstonds na het 
aanvaarden van zijn ambt, einde november 1914 reeds opdracht gegeven had het 
vraagstuk van de wederopening der universiteiten en meteen van de vernederlandsing 
van Gent, te onderzoeken' 63 '. Volgens deze versie zou het initiatief dus van von Bissing 
zelf uitgegaan zijn. Het is in ieder geval een feit - wij stipten dit reeds aan - dat op 
16 dec. 1914 de Kanselier zelf de aandacht van de goeverneurgeneraal op dit vraagstuk 
had gevestigd. Van de kant der Vlamingen schijnt Jong- Vlaanderen dan toch reeds 
vroeg met het verzoek tot wederopening van de vernederlandste universiteit te Gent 
naar voren te zijn gekomen, nl. begin januari 1915 <64) . Het probleem schijnt evenwel 
tamelijk lang in beraad te zijn gehouden. Op 15 sept. 1915 werd door de Duitse 
overheid aan de professoren der Gentse universiteit (die bij het begin van de bezetting 
een loyauteitsverklaring getekend hadden, wat niet het geval was te Luik) hun advies 
gevraagd over de hervatting van de kursussen. Het antwoord van de akademische 
raad (20 sept.) was afwijzend. Onder de 52 handtekeningen kwamen ook die voor 
van Hoffmann, De Vreese en Obrie, later professoren aan de vernederlandste 
universiteit. Toen in oktober Domela te Berlijn was en er de wensen naar voren bracht 
van Jong-Vlaanderen, was ook de wederopening van de Gentse universiteit als 
Nederlandse universiteit hierbij voorzien. Of dit enige invloed op het verloop van 
de gebeurtenissen heeft gehad, kan niet vast- 



(63) FAINGNAERT, 382; VAN GENECHTEN. De vervlaamsching, o.c, 37. 

(64) M. VAN DE VELDE, O.C., 29. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



51 



gesteld worden. Een paar maanden later viel de beslissing: op 2 dec. werd besloten 
op de begroting van 1916 een som in te schrijven met het oog op de wederopening 
van de Gentse universiteit met het Nederlands als voertaal, wat door een communiqué 
aan de pers op 31 dec. 1915 werd bekend gemaakt. De bespreking van de partijraad 
van Jong- Vlaanderen met de Duitse instanties op Kerstmis 1915, waarop het verzoek 
tot vernederlandsing werd behandeld, is dus klaarblijkelijk van geen invloed geweest, 
omdat de beslissing toen reeds gevallen was. 

Met de bekendmaking van het voornemen om de Universiteit van Gent te 
vernederlandsen, werd door von Bissing het meest brandende vraagstuk van de 
vooroorlogse Vlaamse Beweging met één pennetrek opgelost, maar kreeg tevens de 
Flamenpolitik een zo ver dragende betekenis dat zich in de volgende weken de wegen 
van aktivisme en passivisme op ondubbelzinnige wijze zouden scheiden. Dit was 
meer dan de toepassing van een bestaande wet, dit was niettegenstaande het beroep 
op de wettelijkheid van de maatregel, een ingrijpen in een van de meest betwiste 
problemen van de Belgische politiek. Voor of tegen de vernederlandsing tijdens de 
bezetting werd hierdoor een openbaar omstreden vraag die de scheidingslijn tussen 
de Vlamingen definitief zou trekken. Reeds op 8 jan. 1916 werd aan von Bissing een 
protestbrief overhandigd, opgesteld door L. Franck en ook door andere bekende 
vlaamsgezinden ondertekend, o.a. door Heet. Lebon, Jul. De Vriendt, Maur. Sabbe, 
Ph. Van Isacker, Aug. Vermeylen, Leonard Willems en Paul Fredericq. Het stuk was 
ook ondertekend door Anseele en Huyshauwer die vóór de oorlog het wetsvoorstel 
tot vernederlandsing van Gent hadden ondertekend. Men had, in een week tijd, 37 
handtekeningen verzameld. Er waren bij de ondertekenaars zonder twijfel ook 
personen die bezwaarlijk voor Vlaamsgezind konden doorgaan' 65 '. De weigering van 
Prof. Vercoullie om aan de vernederlandste universiteit te doceren (7 juni) werd op 
grote schaal in het geheim verspreid. Naast de motivering vervat in de protestbrief 
van 8 jan. en in de weigering van Vercoullie, is het ook interessant te vernemen wat 
prof. Em. Vliebergh uit Leuven erover dacht. Door Dosfel om raad gevraagd of deze 
al dan niet een professoraat te Gent zou aanvaarden, nam Vliebergh zeer scherp 
positie tegen deze universiteit. Volgens hem mochten de Vlamingen uit de handen 
van de Duitsers geen herstel van onrecht aanvaarden 



(65) Vgl. FAINGNAERT, 385-391, volgens Ons Land, 7 mei 1916. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



52 



omdat men daardoor een slechte dienst aan Vlaanderen zou bewijzen. Iedereen 
twijfelde aan het voortbestaan van deze universiteit en indien de Belgische regering 
ze bij haar terugkeer niet afschafte, zou dit nog de ergste ramp zijn: deze universiteit 
moest verdwijnen omdat er in de ogen van het volk steeds een Duitse vlek zou 
opkleven en omdat men ze als Duits zou beschimpen' 66 '. 

Von Bissing antwoordde hoffelijk, maar natuurlijk afwijzend en ook met de 
bedreiging van straffen bij sabotage, op het protest van Franck c.s. Met het werk van 
de vernederlandsing werd nu een aanvang gemaakt. Op 7 febr. werd aan de 
professoren gevraagd of zij ertoe in staat waren hun colleges in het Nederlands te 
geven. Later werd hun gevraagd of ze ook geneigd waren dit te doen. Uiteindelijk 
hebben slechts zes professoren van het vroegere korps aan de universiteit gedoceerd: 
De Vreese, Hoffmann, Haerens, Lahousse, Obrie en Stöber. Daarnaast ook nog 
repetitor Van den Berghe en werkleider Ces. De Bruyker. Op 15 maart 1916 verscheen 
de verordening waardoor, bij wijziging van het Kon. Besluit van 9 dec. 1849 de 
colleges aan de Gentse universiteit, bij de aanvang van het akademiejaar 1916-1917, 
in het Nederlands zouden gehouden worden. Drie dagen later, op 1 8 maart, werden 
de professoren P. Fredericq en H. Pirenne door de Duitsers gearresteerd en naar 
Duitsland gedeporteerd. Het oude universitaire korps verklaarde zich in blok met 
hen solidair. De professoren van de vernederlandste universiteit kregen van de Duitsers 
de verzekering dat deze deportatie 'met de vervlaamsing der Hogeschool niet 
rechtstreeks, onmiddellijk en uitsluitend in verband stond' <67) . De verstrekte toelichting 
kon aanvaard worden door wie er graag aan geloven wilde... (68) . 

Intussen was door de partijgangers van de vernederlandsing een felle propaganda 
ingezet. Reeds in febr. -maart verscheen een eerste degelijke en uitvoerige brochure: 
Demos. De strijd om de Vlaamsche Hoogeschool. Het huidig standpunt. (Brussel, 
1916, 36 blz. gedateerd febr. 1916). De schrijver ervan was Grosemans, bijgestaan 
door Joz. De Decker <69) . Ze geeft ons een eerste sa- 



(66) A. DE BRUYNE, O.C., 192. 

(67) Aldus L. DOSFEL. De vervlaams ching der Gentsche hoogeschool (ed. 1918), 2. Vgl. R. 
SPELEERS. Historische momenten en persoonlijke herinneringen uit den strijd voor de 
vernederlandsching der Hoogeschool van Gent (z.j. (1930) bl. 33-35. 

(68) Vgl. de versie van H. Pirenne in zijn opstel over P. Fredericq, in Annuaire de 1 'Académie 
royale de Belgique, 1924, 340-350. 

(69) Volgens FAINGNAERT, 235 en 337. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



53 



menvatting van de argumentatie van de voorstanders van de vernederlandsing en 
van de illusies waarmede zij zich gevoed hebben: de universiteit was verfranst bij 
K.B. en het viel derhalve in de bevoegdheid van de bezettende overheid haar te 
vernederlandsen. Deze beslissing, genomen bij toepassing van het internationaal 
recht (Konventie van Den Haag!) moet ook na de oorlog, door welke regering ook, 
geëerbiedigd worden. 'Geen vorst, geen parlement - betoogden de schrijvers - zou 
het wagen de Vlamingen de Vlaamse Hogeschool af te nemen' en deze hogeschool 
zou een bolwerk worden zowel tegen de verfransing als tegen de verduitsing, 'dus 
een werktuig van vaderlandsen arbeid'. 

Er werd een Nationaal Studentenverbond opgericht dat op 12 juni 1916 een manifest 
uitgaf, De Vlaamse Studenten aan de regering te Havere waarin de argumenten 
werden uiteengezet waarom de studenten naar Gent zouden gaan studeren. Het was 
een stuk met sterk vaderlandse inslag, waarin gesproken werd van 'onze geliefde 
Vorst'. De Duitse censuur had het stuk geweigerd, maar de tekst ervan werd naar 
Nederland gesmokkeld en aldaar gepubliceerd. Toen werd het in het bezet gebied 
ook door enkele bladen overgedrukt' 70 '. Dit Verbond publiceerde ook een brochure 
Aan de Vlaamsche Studenten. Rechtskundige raadpleging nopens de vervlaamsching 
der Gentsche Hoogeschool (Gent, 1916, 22 blz.) (71> . Zoals de titel aangeeft, werd hier 
gehandeld over de wettelijkheid van de vernederlandsing en van de diploma's die 
door de universiteit zouden afgeleverd worden, dit alles bij toepassing van de Haagse 
Konventie en van de rechtsgeldigheid van de verordening van een Bezettende Macht. 

Op 12 juni kwam te Brussel het katoliek Vlaams oud-hoogstudentenverbond samen 
om zijn standpunt te bepalen tegenover de vernederlandsing. Tegen waren Dr. A. 
Depla, apoteker A. Hendrix van Antwerpen en Advokaat Gijsen van Leuven, deze 
laatste mede uit naam van Prof. Vliebergh. Bij de stemming bleek de meerderheid 
voorstander te zijn van de vernederlandsing. Dr. Depla legde zich neer bij de beslissing 
van de meerderheid. Als gevolg van deze vergadering werd een gemotiveerde motie 



(70) Verweerschrift... Hou ende Trou, 14-17. 

(71) Er bestaat een vermeerderde uitgave, 1 9 1 7, in de reeks Uitgaven van den Hoogeschoolbond, 
nr. 6. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



54 



gepubliceerd ondertekend door 67 academici, waaronder de namen voorkwamen van 
Depla, Dosfel en J. Persyn (72) . 

Omtrent dezelfde tijd kwam een nieuwe Bond tot bevordering van de Vlaamse 
Hogeschool te Gent tot stand. Het voorzitterschap ervan werd waargenomen door 
de volksvertegenwoordigers L. Augusteyns en Adelf. Henderickx. De sekretarissen 
waren Hypp. Meert en M. Rudelsheim. Deze bond publiceerde op zijn beurt een 
gemotiveerd manifest op 2 sept, ondertekend door 105 min of meer vooraanstaande 
personaliteiten' 73 '. Een paar dagen tevoren had L. Dosfel, belegerd door zijn vrienden, 
o.a. door R. Speleers, Pater Stracke en Th. Spaeninckx, na lang twijfelen een 
professoraat te Gent aanvaard. Een ex-gandavensis, Alb. D'Haese, zou later getuigen 
dat zijn voorbeeld tweederden van de studenten had meegetrokken' 74 '. In enkele grote 
centra werden openbare propagandameetings belegd. Aldus spraken op 17 sept. 1916, 
in de feestzaal van het ateneum in Antwerpen, Ad. Henderickx, Em. Wildiers, Alf. 
Van Roy en student Geo Van Tichelen; op 8 okt. in de feestzaal van het ateneum in 
Brussel, Ach. Brijs, Alf. Van Roy, en J. Lambrichts. Intussen had ook Jules Persyn, 
op aandringen van Arn. Hendrix en Spaeninckx, later nogmaals van Ad. Henderickx, 
dezelfde Spaeninckx en Hipp. Meert, een professoraat aanvaard. Hij nam echter 
dadelijk na zijn benoeming weer ontslag, juist op de vooravond van het K.B. in Le 
Havre getroffen tegen de professoren aan de bewuste Universiteit' 75 '. 

Inderdaad: de regering van Le Havre greep in. Het gebeurde op een manier die 
ontstemming wekte ook bij een deel van de passieve Vlamingen. In het Staatsblad 
van 8-14 oktober 1916 verscheen een K.B. van 10 oktober waarbij voorzien werd dat 
al wie 



(72) Vgl. FAINGNAERT, 418-424; Verweerschrift... Hou ende Trou, 76-78; R. SPELEERS, o.c., 36; 
A. de bruyne. L. Dosfel, 171-173. Verschillende ondertekenaars hebben geloochend dit stuk 
te hebben ondertekend of hebben hun handtekening ingetrokken. 

(73) FAINGNAERT, 408-41 8; R. VAN GENECHTEN. De vervlaamsching, o.c. , 65-71 ; Verweerschrift... 
Hou ende Trou, 69-75; de brochure Vlaanderen begroet zijn Hoogeschool. De opening van 
de Vlaamsche Hoogeschool te Gent. Twee manifesten met bij de 200 handteekeningen van 
de meest gezaghebbende Vlamingen. Z.pl. z.j. (aangegeven als overdruk uit Het Vlaamsche 
Nieuws van 2 sept. 1916). 

(74) Getuigenis van A.D.H. (ALB. D'HAESE?) in het Dosfelnummer van het tijdschrift Jong 
Nederland, z.j., 16. Dit werd mij bevestigd door Ir. Fr. Mariman. 

(75) Over het geval Persyn, zie M. CORDEMANS. Dr. Van de Perre, 249, n. 37. Ook de verklaring 
van Ad. Henderickx in zijn proces, o.c. 18-19 en 75. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



55 



een ambt aan de Vlaamse universiteit aanvaardde, uit de nationale orden werd 
geschrapt, onverminderd de maatregelen die hen later zouden kunnen treffen. Dit 
K.B. werd voorafgegaan door een inleidend verslag van minister Poullet. Vóór dit 
K.B. bekend gemaakt werd in het Staatsblad, had het Ministerie van Kunsten en 
Wetenschappen een communiqué uitgegeven om de publikatie ervan aan te kondigen. 
Hierin werd gezegd dat de regering, na haar terugkeer in België 'la transformation 
de 1'Université de Gand' zou voorstellen aan het parlement' 76 '. Hiertegen kwam 
dadelijk verzet vanwege Goblet d'Alviella, lid van het ministerie. Minister Poullet 
haastte zich te verklaren dat er slechts één officieel dokument bestond, nl. het 
inleidend verslag van het K.B. Hierin was de regering heel wat voorzichtiger gebleven. 
Zij verklaarde overtuigd te zijn dat 'terstond na den herstelden vrede, door de 
samenwerking van aller goeden wil, dien zij dan ook zal trachten voor te staan, aan 
de Vlamingen, zowel op gebied van hoger onderwijs als elk ander, die volledige 
gelijkheid in rechte en in feite (7T> zal worden verzekerd, welke moet bestaan naar den 
wens zelf van ons grondwettelijk gezag'. Er is toen heel wat te doen geweest over 
deze teksten en de indruk was allesbehalve gunstig. Het was duidelijk dat op het 
ogenblik dat de regering de professoren trof van de vernederlandste universiteit, 
zijzelf in dit verband niets anders kon doen dan een verklaring afleggen die tot niets 
bepaalds verbond in de toekomst. 

Op de propaganda voor de Vlaamse universiteit in het bezet gebied had dit K.B. 
van 10 okt. geen invloed meer. Wel hebben enkele ondertekenaars van de twee 
genoemde manifesten hun handtekening teruggetrokken en zijn dan verder ook passief 
gebleven. Onder hen was de bekendste Em. Wildiers die in de voorgaande weken 
niet alleen ten voordele van de vernederlandsing schreef, maar ook op 
volksvergaderingen het woord voerde. De Duitse kommissie, die belast was met het 
voorbereidend werk voor de vernederlandsing, mocht hierbij, naast de professoren, 
rekenen op de medewerking van R. Speleers, H. Van der Spurt, Hipp. Meert, Ir. Fabri 
en C. De Bruyker in Gent, van P. Tack en Joz. De Decker in Brussel en van E.H.Th. 



(76) Vgl. over deze vrij verwarde zaak: het weekblad Vrij België, 20 en 27 okt. 1916; M. 
CORDEMANS, o.c. 248-249; L. MOYERSOEN. Prosper Poullet, o.c., 221; L. VAN PU Y VELDE. 
Voor mijn land in oorlogsnood (1920), 111-112. Dit K.B. van 10 oktober mag niet verward 
worden met de Besluit- Wet van 1 1 oktober. 

(77) Wij onderstrepen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



56 



Spaeninckx, Aug. Borais en Adelf. Henderickx in Antwerpen. Geen enkel onder hen 
heeft zich teruggetrokken. Op een meeting in het ateneum in Antwerpen (15 okt.) 
voerden Dosfel, Borms en Karei Heynderickx het woord. De toespraak van Dosfel 
werd in brochurevorm uitgegeven: De vervlaams ching der Gentsche Hoogeschool 
beschouwd met het oog op de plichten der Vlamingen jegens Vorst en Land (1916, 
verscheidene uitgaven). Dit was een oproep tot de ouders en de studenten. Met 
verwijzing naar de brochure van A. Van Roy <78) over de rechtsgeldigheid van de 
vernederlandsing stelde hij de vraag of niettemin het besluit van de 
goeverneur-generaal niet 'onrechtmatig is, indruist tegen het natuurrecht, de 
billijkheid, de rechtvaardigheid, de plichten der Belgen jegens land en volk'. Hij 
weerlegde al de opwerpingen die hier ingebracht konden worden. Hij nam wel aan 
dat er geen absolute zekerheid bestond dat de universiteit na de oorlog zou 
gehandhaafd blijven, maar bestond deze absolute zekerheid voor de Franchimontezen, 
bestond zij voor de opstandelingen van 1830? Te gepasten tijde zullen Koning en 
regering doen wat zij voor het heil van het land beschouwen. God geve dat zij dan 
bekrachtigen wat wij deden - besluit Dosfel - en dat 'onze wettige Vorst eerstdaags 
de Belgische vlag uitsteken zal aan den gevel onzer Vlaamse hogeschool'. Naar 
aanleiding van de beschuldiging van verraad en in verband met de verklaring afgelegd 
door de Duitse Kanselier over de toekomst van België, zag Dosfel deze laatste als 
de uitdrukking van Duitslands bedoeling om een dam op te werpen tegen de 
verfransing en er voor te zorgen dat België werkelijk onzijdig zou zijn. Welnu: dit 
is het oude programma van de Vlaamse Beweging! 

Dit was enkele dagen vóór de opening van de Universiteit. Op zaterdag 21 okt. 
werden, in besloten vergadering, de lokalen van de Universiteit door 
generaal-goeverneur von Bissing aan de nieuwe rektorale raad overgedragen. 
Opmerkelijk is het hoe sterk hij, in zijn toespraak, de klemtoon legde op het 
Nederlands karakter van de Universiteit: 'Het is gene Duitse hogeschool die hier 
moet ontstaan, maar in de eerste plaats zeker gene Franse: zij moet worden ene 
Nederlandse hogeschool die diep in het Vlaamse volk wortelt en het is mij dan ook 
een bijzonder ge- 



(78) A.R. VAN ROY. Aan de Vlaamsche Studenten. Rechtskundige raadpleging nopens de 

vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool. Uitg. Vlaamsch Nationaal Studentenverbond, 
1916, 22 blz. Wij zagen deze brochure, zonder vermelding van de naam van de schrijver. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



57 



noegen de heren te begroeten die uit het naburige en stamverwante Nederland 
herwaarts gekomen zijn om aan de nieuwe hogeschool onderricht te geven. Moge 
het hun gegeven zijn in samenwerking met de Vlaamse collega's te arbeiden aan de 
bevordering der vele belangen die den gehelen Nederlandsen stam gemeen zijn'. Op 
24 okt. had de plechtige opening plaats van het nieuwe akademiejaar door rektor 
Hoffmann die een redevoering hield over de sociale rol van de hogescholen. 

Hiermede was de eerste Nederlandse universiteit in Vlaanderen, in het teken van 
de tegenspraak onder de flaminganten zelf, geboren. Wij kunnen het kort maken over 
het niet bijster lang leven van deze universiteit, dat er een was van rustige studie in 
een zware tijd en in de moeilijkste levensomstandigheden voor vele studenten. Op 
6 dec .1916 telde de hogeschool een akademisch korps van 43 leden. Op 1 febr. 1918 
beliep het aantal studenten ingeschreven voor het lopend akademiejaar 392, waaronder 
26 meisjes' 79 '. Het derde akademiejaar werd, in zorgwekkende omstandigheden wat 
de toekomst van de universiteit betreft, op 15 okt. 1918 geopend door wnd. rektor 
Prof. R. Speleers. Reeds na enkele dagen werden de lessen geschorst en op 22 okt. 
werd de universiteit gesloten. Pas in 1930 zou de zo lang betrachte Nederlandse 
universiteit opnieuw te Gent haar poorten openen. 

Er is veel gesmaald op de Nederlandse universiteit te Gent, 1916-1918. Met hopen 
drek en modder werd er geworpen, tijdens en misschien meer nog na de oorlog, naar 
wat de fransgezinden nooit anders genoemd hebben als de 'universiteit von Bissing' . 
Deze moet vanzelfsprekend door de geschiedschrijver gezien worden in het geheel 
van de aktivistische politiek, zowel van Vlaamse als van Duitse zijde. Wij zullen 
dan ook pogen haar in dit verband te zien bij een algemene waardering van de politiek 
der aktivisten. Voorlopig kunnen wij reeds vaststellen dat indien de universiteit geen 
hoogtepunt was van wetenschappelijke degelijkheid, zij evenmin in dit opzicht 
minderwaardig is geweest. Het onderwijs was er wel degelijk en het werd gegeven 
in wetenschappelijke geest. Er is door de studenten ernstig en hard gewerkt. Daarbij 
dient er de klemtoon op gelegd dat deze uni- 



(79) Er waren hieronder heel wat onregelmatige studenten die slechts bepaalde colleges volgden. 
Voor het akademiejaar 1913-1914 bedroeg het aantal studenten 1315, waarvan 765 geboortig 
uit de vijf Vlaamse provinciën. Hierbij gaven Antwerpen 58, Brabant 39 en Limburg 6 
studenten. Het grootste aantal kwam uit Oost- Vlaanderen (485) en West-Vlaanderen (177). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



58 



versiteit in haar geest volledig Vlaams d.w.z. Nederlands is geweest. Indien het de 
bedoeling van de Duitsers mocht geweest zijn een politiek van verduitsing te voeren 
of een politiek die de Nederlandse taal en de Nederlandse volkswaarden in het gedrang 
zou brengen, dan konden zij geen sterker burcht hiertegen bouwen dan de nieuwe 
Nederlandse universiteit in Gent. Er is dan ook van deze Universiteit, zo kortstondig 
in haar bestaan, na de oorlog een grote geestelijke kracht onder het Vlaamse volk 
uitgedragen. Indien wij het betrekkelijk klein getal studenten in aanmerking nemen, 
dan staan wij verwonderd hoe vele ex-gandavenses - dat was toch de naam die de 
besten onder hen na de oorlog als een eretitel wilden dragen - een rol gespeeld hebben 
in de jaren 1918-1940, en ook nog later, in het geestelijk, politiek en ekonomisch 
leven van het land. Wij noemen, in alfabetische volgorde: Karei Van Acker, P.F. 
Beeckman, Herm. en Walter Bossier, Arth. Broeckaert, Rich. Declerck, Lode 
Craeybeckx, Alb. D'Haese, Mare. D'Haese, Jan Van den Driessche, Leo Elaut, Piet 
Van Geert, Bob. Van Genechten, Fern. Van Goethem, Alb. Van Laer, Max Lamberty, 
Frans Mariman, Ant. Mermans, Maur. De Meyer, Rich. Minne, Wies Moens, Ach. 
Mussche, Arth. Muiier, Ger. De Paep, Alb. Van de Poel, Willem Reinhard, Geert 
Van de Steen, Jozef De Waele, Cyr. De Wael. Zij zijn in vele opzichten verschillende 
wegen gegaan, maar elk van hen heeft zijn steentje bijgedragen tot de versterking 
van de Vlaamse Beweging in de jaren die volgden op de sluiting van hun eerste 
universiteit, toen de poorten van alle andere universiteiten voor hen gesloten werden. 
Er was te Gent een geestelijke kracht samengebald die voor velen het bewijs leverde 
dat een Nederlandse universiteit in Vlaanderen, in normale omstandigheden, zou 
leefbaar zijn. Ook dit hadden de besten onder de professoren zich tot doel gesteld 
bij de aanvaarding van hun taak en zij hebben dan ook met hand en tand hun 
professorale waardigheid verdedigd' 80 '. 

8. De Flamenpolitik in het jaar 1916 - Pogingen tot aktivistische 
koncentratie 

Het jaar 1916 is, in de eerste plaats, het jaar van de Vlaamse hogeschool en voor 
velen, daarmede samenhangend, dat van een beslissende keus tussen aktivisme en 
passivisme. De Flamenpolitik 



(80) Zie hun manifest (na november 1918) in Verweerschrift... Hou ende Trou, 92-104. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



59 



vertoont in dit jaar weinig koersverandering naar buiten, al weten wij, door de 
archiefstukken, dat die er wel geweest is. Intussen gaat, voor het jaar 1916, naast de 
vernederlandsing van de Gentse hogeschool (opgevat en verdedigd als een absoluut 
wettige hervorming), de aandacht naar een interessant maar machteloos experiment, 
nl. de poging om de taalwetgeving toepasselijk op het lager onderwijs, door te zetten, 
vooral in Brussel. De innerlijke evolutie van de aktivistische krachten vertoont 
anderzijds in dit zelfde jaar 1916, bij intensivering van de propaganda, enkele 
pogingen tot koncentratie van krachten die, begin 1917, zullen leiden tot de stichting 
van de eerste Raad van Vlaanderen. Wij zullen achtereenvolgens deze twee aspekten 
nader onderzoeken. 

Wij zullen beneden zien dat reeds vroeg, in Vlaamse kringen, de wens was geuit een 
algemene raad van de Vlaamse aktivistische beweging te zien tot stand komen, ten 
einde aan het aktivisme een vertegenwoordigend lichaam te geven dat naar buiten 
kon optreden. Bij het begin van 1916 schijnt ook Kanselier von Bethmann-Hollweg 
hieraan gedacht te hebben. In een brief aan von Bissing (1 jan.) zien we bij hem de 
gedachte opduiken aan een 'Vlamingenkomitee' dat diende gevormd <81) . Enkele dagen 
later (6 jan.) schrijft hij insgelijks over de wenselijkheid van een sterke 
vlaams-nationalistische beweging die front zou vormen tegen de regering van Le 
Havre. Aanleiding tot deze brief was een memorandum ten gunste van de bestuurlijke 
scheiding door Vlamingen in Nederland, einde 1915, aan de Duitse gezant aldaar 
overhandigd en door laatstgenoemde overgemaakt aan Berlijn. Wij moeten - zo 
schreef de Kanselier - in onze politiek in België met alle mogelijkheden rekening 
houden, aldus ook met die dat wij, bij het sluiten van de vrede, niet naar goeddunken 
over het lot van België zullen kunnen beslissen. Onze onderhandelingen over België 
zouden dan ook gemakkelijker verlopen indien wij konden wijzen op het bestaan 
van een dergelijke beweging. Deze wens van de Kanselier paste volkomen in zijn 
politiek om de Vlaamse aktivistische beweging te beschermen, omdat zij hem de 
gelegenheid bood de machtsverhoudingen in de Belgisch-Nederlandse ruimte te 
veranderen zonder zich bloot te stellen aan het verwijt van annexionisme. Omstreeks 
deze tijd werden de eerste voelhorens uitgestoken om de mogelijkheid van een 
afzonderlijke 



(81) Voor wat de 'Flamenpolitik' betreft volgen wij in hoofdzaak F. PETRI, l.c. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



60 



vrede tussen Duitsland en België te onderzoeken. Er werd daarbij van Duitse zijde 
een basis-dokument opgesteld waarin de Duitse eisen nog zeer hoog worden 
opgedreven. Van annexatie was daarbij geen sprake, maar Duitsland wenste 
waarborgen tegen het dreigende Franse en Engelse gevaar. België zou over inwendige 
autonomie beschikken, maar Duitsland zou daarbij volgende voorwaarden stellen: 
de opgave van de neutraliteit - het recht op doorgang voor de Duitse legers - de 
militaire bezetting van enkele strategische punten - het medebeheer in de 
spoorweglijnen die voor Duitsland van strategisch belang zijn - een ekonomische 
overeenkomst met Duitsland en enkele gebiedsafstanden langs de Duitse grens, dit 
evenwel met eventuele kompensaties (82> . Het was een werkdokument voor een delegatie 
die nooit tot werkelijke besprekingen is geraakt. Intussen wilde de Rijkskanselier 
dan toch de Flamenpolitik, als nog één meer van zijn troefkaarten, verder uitspelen. 
Von Bissing schijnt aanvankelijk niet zeer geestdriftig gestaan te hebben tegenover 
deze nieuwe politiek. Hij reageerde (16 jan.) door erop te wijzen hoe hij tot hiertoe 
gesteund had op de Belgische wetgeving en hoe moeilijk het in het begin geweest 
was om aanknopingspunten te vinden en de Vlaamse Beweging tot nieuw leven te 
doen komen. Door de politiek die hij tot hiertoe gevolgd had, was het mogelijk 
geweest langzaam een aanhang te winnen. 

In zijn rijksdagrede van 5 april 1916 kwam de Kanselier openlijk uit voor zijn 
Flamenpolitik. Hij verklaarde dat Duitsland de bezette gebieden in het Westen niet 
zou prijsgeven zonder waarborgen voor de toekomst: België mag geen 
Frans-Belgische vazalstaat worden, geen militair en ekonomisch bolwerk tegen 
Duitsland. Voor wat Vlaanderen betreft, verklaarde de Kanselier dat Duitsland de 
lang verdrukte Vlaamse volksstam niet weer aan de verfransing kon prijsgeven: het 
zal aan Vlaanderen een toekomst verzekeren die strookt met zijn rijke aanleg, op de 
grondslag van zijn Nederlandse taal en eigenaardigheid 83 '. Dat deze politiek nog voor 
vele mogelijkheden in de toekomst vatbaar was, blijkt uit een ontwerp van 
afzonderlijke vrede met Rusland die door bemiddeling van Japan zou moeten tot 
stand komen (8 mei 1916). Hierin werd de verdeling van België voorzien. 



(82) F. FISCHER, in Sentiment national, o.c, 40-41. 

(83) eine gesimde, breite, seiner Anlage entsprechende Entwicklung auf der Grundlage seiner 
niederlandischen Sprache und Eigenheit', cit. Dietsche Stemmen, mei 1916, blz. 41. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



61 



Het grootste deel van Wallonië zou aan Frankrijk komen; Vlaanderen zou met 
Frans-Vlaanderen en Nederlands-Limburg een zelfstandig hertogdom vormen, 
ekonomisch en militair met het Rijk verbonden. 

Dat nochtans de opvattingen van de Kanselier en van von Bissing nopens de 
uiteindelijke regeling van het Belgisch vraagstuk op dat ogenblik niet dezelfde waren, 
blijkt duidelijk uit een onderhoud dat de bekende Duitse geschiedschrijver Friedr. 
Meinecke op 8 juni 1916 had met de Rijkskanselier. Deze vertelde hem dat bij een 
recent bezoek van von Bissing, de goeverneurgeneraal het als een absoluut 
uitgemaakte zaak beschouwde dat Duitsland België in handen moest houden. De 
Kanselier stond hiertegenover zeer skeptisch: België was voor hem een 'Faustpfand' 
dat Duitsland niet kon behouden bij de uitwisseling van die, die Engeland had. Hij 
zag de toekomst voor België in deze voorwaarden in een personele of reële unie 
tussen Vlamingen en Walen en hij dacht dat dit kon bereikt worden <84> . Op dat ogenblik 
juist liet von Bissing aan de Kanselier weten, dat hij bereid was zijn praktische 
Flamenpolitik verder door te zetten in een richting die zowel met zijn eigen 
uiteindelijk streven (de annexatie), als met de politiek van de Kanselier kon verzoend 
worden. Hij schreef inderdaad (11 juni) dat, naargelang de omstandigheden het 
mogelijk maakten of vereisten, hij aan de Vlaamse Beweging de gelegenheid zou 
geven zich te ontwikkelen over het kader heen van de Belgische grondwet en van 
de Belgische wetten. Enkele weken later, in een toespraak tot de voornaamste 
diensthoofden (31 juli 1916) kondigde hij de politiek aan die op 21 maart 1917 zou 
leiden tot de bestuurlijke scheiding: mijn Flamenpolitiek - verklaarde von Bissing - 
zal de weg effenen voor een gunstige oplossing voor Duitsland van het Belgische 
vraagstuk. Om de rechten van Vlaanderen te doen gelden en de Duitse invloed in 
België voor goed te versterken, is 'der Eingriff in das Belgische Verwaltungssystem' 
nodig met de daarmede samenhangende vernieuwing van het ambtenarenkorps. 

Intussen was de praktische politiek van de Politische Abteilung - naast de 
voorbereiding van de vernederlandsing der universiteit - in de loop van het jaar 1916 
(en ook nog in 1917) gericht op een punt dat volledig in de lijn lag van de oude 
politiek: de uitvoering van de taaibeschikkingen vervat in de wet op het lager 
onderwijs van 1914. Wij hebben niet kunnen nagaan welke de 



(84) FR. MEINECKE. Erlebtes 1862-1919. Stuttgart, 1964, 302. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



62 



weerslag van deze politiek geweest is in Vlaanderen, maar wij beschikken daarentegen 
over een hele reeks gegevens met betrekking tot de Brusselse agglomeratie, het grote 
knelpunt <85) . Een aantal verordeningen en reglementeringen hebben gepoogd aan de 
bestaande verfransing, door middel van de lagere school, een einde te maken. Dat 
men zich hier bewoog op een terrein vol voetangels en klemmen, werd duidelijk na 
de publikatie van de verordening van 25 febr. 1916 (86> . Art. 9 ervan bepaalde, dat het 
onderricht in de tweede taal in het lager onderwijs slechts in het derde leerjaar zou 
mogen beginnen. Nu was de toestand van verfransing te Brussel in het lager onderwijs 
zo dat, waar doorgaans nog het Nederlands als tweede taal werd onderwezen vanaf 
het eerste leerjaar, deze toestand nu slechter zou worden dan tevoren, indien niet 
dadelijk de nodige Vlaamse klassen werden opgericht! Het werd trouwens duidelijk 
dat zowel de oude Belgische wetgeving als de nieuwe Duitse verordeningen te Brussel 
dode letter bleven. Een zgn. 'Kommissie Tack', opgericht om de toepassing der 
taalartikelen van de wet van 1914 na te gaan en die van 8 aug. tot 26 aug. vergaderde, 
kon alleen vaststellen dat de wet niet werd toegepast. Later werd een 'Kommissie 
De Cneudt' aangesteld, met hetzelfde doel en dito resultaten. In de loop van het jaar 
1918 konstateerde De Cneudt dat, ofschoon hij de oprichting voorgesteld had van 
193 Vlaamse klassen, er tot dan toe 3 waren opgericht. 

De Duitse verordeningen waren gestuit op een algemene onwil. De Kommissie 
De Cneudt kon vaststellen hoe niet alleen Walen en franskiljons, maar ook gekende 
passieve flaminganten front vormden om de uitvoering ervan onmogelijk te maken. 
Wij mogen gerust beweren dat het enige resultaat van de kommissie was dat men 
voortaan over vaste gegevens kon beschikken om de omvang van de verfransing 
door de lagere school te beoordelen - een omvang die nog in onze dagen zijn waarde 
heeft als vergelijkingspunt voor de groei van de verfransing in de Brusselse 
agglomeratie. De aktivisten stonden machteloos tegenover deze algemene boycot en 
de drastische maatregelen die zij aan de 



(85) Vgl. voor wat volgt R. DE CNEUDT. De vervlaamsching van het lager onderwijs in 
Groot-Brussel, 2e uitg., 1918. 

(86) Men kan de tekst van de Duitse wetgeving voor het bezet gebied vinden in het Gesetz und 
Verordnungsblatt waarvan een speciale uitgave verscheen voor het zgn. etappegebied (vandaar 
de verschillende datering). Na de bestuurlijke scheiding werd een speciale uitgave voor 
Vlaanderen en Wallonië gebracht. Vgl. ARCHIVES, XV. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



63 



Duitsers voorstelden, maar die dezen niet hebben willen treffen (aldus o.a. sluiting 
van scholen en afzetting van schepenkolleges) zijn er het bewijs van. Er dient in dit 
verband alleen nog gewezen op een dreigend, scherp konflikt tussen de Duitsers en 
de Raad van Vlaanderen, in december 1 9 1 7 . De Duitsers hadden toen het plan opgevat 
een Duits lager onderwijs in te voeren. De Raad heeft zich hiertegen tot het uiterste 
verzet, zelfs met bedreiging zijn aktie te staken, indien het uitgevoerd werd. De 
Duitsers hebben het, in deze omstandigheden, laten vallen (87) . 

Zeer bemoedigend is dat alles beslist niet geweest voor de aktivisten. Maar kon 
het anders? Zij waren een kleine minderheid en de Duitsers wisten het. Zij waren 
daarenboven in zichzelf verdeeld. Zij hebben deze laatste zwakheid ingezien. Wij 
stellen inderdaad vast, in de loop van het jaar 1916, dat er verschillende pogingen 
worden gedaan om aan deze verdeeldheid een einde te stellen of ten minste te komen 
tot een bundeling van de krachten die tot dusver in verschillende richtingen werkten. 

Als georganiseerde groepering bestond alleen, begin 1916, de groep 
Jong- Vlaanderen die dan ook verder, geregeld, zijn nationale kongressen hield (III, 
23 jan.; IV, 12 juni; V, 12 nov. 1916). De Jong- Vlamingen, in konflikt met de 
Politische Abteilung, zochten verder steun te vinden voor hun politiek door een 
rechtstreeks beroep op de Keizer, de Kanselier, de Rijksdag maar vooral op de 
militairen en op tal van prominenten in het Rijk. Men vindt in deze brieven de steeds 
weerkerende bevestiging van de grondbeginselen van de groep: België mag onder 
geen enkele vorm meer tot stand komen en Vlaanderen moet een zelfstandige staat 
worden. In de verhouding die tussen Vlaanderen en Duitsland in de toekomst zou 
bestaan staat er soms 'aangesloten', soms 'verbonden', nu eens alleen voor militaire 
en ekonomische, dan weer voor politieke, militaire en ekonomische vraagstukken, 
doch steeds met de bevestiging dat men buiten, niet binnen het Rijk wil staan. 

In Antwerpen werd, op 2 april 1916, een Vlaams Verbond gesticht dat zich tot 
doel stelde 'al de aktivistische Vlamingen te groeperen die thans boven alle 
partijpolitiek en later desnoods buiten alle gekonstitueerde partij organizaties, zich 
verbinden de volledige Vlaamse zelfstandigheid te handhaven; het richt zijn werking 
en propaganda naar de stelregel: zelfstandig Vlaanderen in een vrij en onafhankelijk 
België'. Onder de bestuursleden noteren wij 



(87) archives, 28-29; faingnaert, 627. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



64 



J. De Keersmaecker, A. Claus, M. Rudelsheim, K. Angermille, Osc. De Smedt, Rob. 
Van Roosbroeck en Herman Vos. Ant. Jacob was een van de stichters geweest van 
dit verbond, doch nam reeds na een paar maanden ontslag. Het heeft trouwens niet 
werkelijk geleefd en wordt hier dan ook alleen vermeld als een symptoom van de 
tijd: de eerste poging tot groepering van de federalistische elementen. Eveneens een 
mislukking was de stichting te Brussel op Paasmaandag 1916 (24 april) van een 
Algemeen Sekretariaat der radikale Vlaamse groepen, waarvan A. Faingnaert de 
algemene sekretaris was. Men had eerst als doel hiervan vooropgesteld de stichting 
van een algemene bond waaruit een soort uitvoerende raad zou ontstaan, doch dit 
plan werd dadelijk opgegeven. Men kwam dan tot de stichting van een Middenraad 
waarin al de aktivistische groepen zouden vertegenwoordigd zijn. A. Faignaert, de 
algemene sekretaris van de groep, geeft 27 aanwezigen op de vergadering van 24 
april. Hij stelt tevens vast dat de meeste aanwezigen behoorden tot Jong- Vlaanderen, 
waarbij hij er nochtans op wijst dat Aug. Borms, Dr. Quintens, A. Remouchamps en 
J. Van Roy op dat ogenblik nog meer unionist (d.w.z. federalist) waren. De stichting 
van de Middenraad had plaats op 23 juli, maar ook dit was een doodgeboren kind. 
Van hun kant gingen in Brussel de politieke Siamese broeders Reinhard en Josson 
in juni over tot de oprichting van een Vlaamse Landsbond. Tot deze stichting werd 
besloten op een vergadering van de Vlaamse Volksbond (een afdeling van de oude 
Vlaamse Volkspartij' 88 ', op 13 juni en dadelijk (15 juni) werd een manifest 
uitgevaardigd Aan het Vlaamsche Volk waarin de stichting van de Landsbond werd 
medegedeeld en het programma dat als hoofdpunt had de vorming van een statenbond 
Vlaanderen- Wallonië' 89 '. In 't Vlaams Huis in Brussel werd een eerste publieke 
vergadering belegd waarop Fr. Reinhard, Pieter Tack en Jacob Lambrichts het woord 
voerden. Een massameeting was dit beslist niet en het was daarbij de eerste en laatste 
samenkomst van betekenis. De Landsbond heeft niet geleefd en voor de 
Jong- Vlamingen was hij eenvoudig een kreatuur van de Politische Abteilung. Wij 
willen verder voor dit jaar nog aantekenen, dat op 9 september 1916 Ant. Jacob in 
Antwerpen een lezing hield voor 



(88) Vgl. over de Vlaamse Volkspartij, hj. elias, o.c., iv, 234. 

(89) Vgl. de brochure Belgen] (oproep van de Vlaamse Landsbond d.d. 26 aug. 1916) Brussel, 
z.j. (1916), 8blz. enw. HOUTMAN. Vlaamseen Waalse documenten over federalisme (1963), 
38-39. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



65 



de 'Socialistische Hogeschool' over 'Passivisme of Aktivisme in de Vlaamse 
Beweging'. Dit is van belang voor de vorming van enkele kleine aktivistische groepen 
in het socialistisch kamp te Antwerpen, Gent en Brussel waarop wij later nog zullen 

terugkomen' 90 '. 

Het had alles, per slot van rekening, niet veel om het lijf. Kenschetsend is het 
echter wel voor de pogingen tot politieke organizatie en, bij gebrek aan de vorming 
van een grote partij, zal het streven naar het tot stand komen van een Vlaamse 
vertegenwoordiging, die alle schakeringen van het Vlaamse aktivisme omvatte, ten 
slotte toch einde december 1916 een vastere vorm aannemen. Dit is de geschiedenis 
van de oorsprong van de eerste Raad van Vlaanderen. 

9. De Raad van Vlaanderen^ 

Wij hebben herhaaldelijk, van de zijde van Jong- Vlaanderen, de wens horen uitspreken 
om tot de vorming van een soort Raad van Vlaanderen te komen. Reeds in aug. 1915 
zagen wij de groep Domela te Gent dit bepleiten in zijn oproep Aan het Vlaamsche 
volk. Met Kerstmis 1915 werd door de partijraad deze wens uitdrukkelijk bij de 
Duitsers voorgedragen en er werd in deze zin ook geschreven aan von Bissing, op 
30 dec. 1915 <92) . Wij zagen een dergelijk plan ook opduiken bij de Duitse 
Rijkskanselier (1 jan. 1916). Zelf vonden wij d.d. 17 okt. 1915 de oprichting van een 
Raad van Groot-Vlaanderen die wij niet thuis konden brengen. Op de voorgaande 
bladzijden hebben wij een drietal pogingen geschetst om tot een koncentratie van 
krachten te komen. Na de opening van de Gentse universiteit (24 okt. 1916) besloten 
Haller von Ziegesar en A. Faingnaert een nieuwe poging te doen om een centraal 
leidend organisme tot stand te brengen. Zij riepen, met het oog hierop, een eerste 
vergadering samen tegen 16 dec. 1916 in 't Vlaams Huis te Brussel. 

Het is zeer twijfelachtig of deze nieuwe poging tot een resultaat zou geleid hebben, 
indien de internationale toestand niet zo 



(90) In het Algemeen Nederlands Verbond, tak Antwerpen, kwam de zaak De Clercq-Jacob 
opnieuw aan de orde van de dag. Na Jacob gehoord te hebben op 3 1 maart, werd op 14 april 
1916 een motie aangenomen om zich solidair te verklaren met Jacob. FAINGNAERT, 257-258. 

(91) Onze uiteenzetting is hoofdzakelijk gesteund op de archives en op faingnaert. Deze werken 
worden verder niet meer aangehaald. Verder ook rudiger. Livre Noir en Flamenpolitik. 

(92) M. VAN DE VELDE, O.C., 107-109. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



66 



scherp de noodzakelijkheid van een soort vertegenwoordigend lichaam van het 
aktivisme had doen voelen. Half december werd inderdaad, door de publikatie van 
een legerorder, officieel medegedeeld dat de Duitse Keizer een vredesaanbod gedaan 
had (12 dec). Hierop volgde op 21 dec. te Berlijn de overhandiging van de nota van 
President Wilson van de U.S.A. (van 18 dec.) om aan de oorlogvoerenden hun 
voorwaarden te vragen om een einde te kunnen stellen aan de oorlog. Hing de vrede 
in de lucht? En wie zou dan uit naam van het Vlaamse volk kunnen spreken? De 
regering van Le Havre kon, voor de aktivisten, als vanzelfsprekend dit volk niet 
vertegenwoordigen, al zien wij, begin januari 1917, in Nederland een 'Nationaal 
Vlaams Komiteit tot verdediging van de Vlaamse zaak in België, tijdelijk in Holland 
gevestigd' een telegram sturen niet alleen aan President Wilson, maar ook aan minister 
de Broqueville. Dit was ondertekend door R. De Clercq, Leo Meert, Karei Van den 
Oever en Dirk De Vos. De hoop werd erin uitgesproken dat het herstel van België 
zou 'gepaard gaan met de volledige erkenning der rechten en noden van het Vlaamse 
volk', waarbij zij aan de minister de verzekering gaven van hun gevoelens van 
oprechte vaderlandsliefde. 

Onder deze voorwaarden kreeg de nieuwe poging tot koncentratie haar kans. Op 
de reeds genoemde eerste vergadering zag het er nochtans weinig hoopvol uit. Tal 
van uitnodigingen waren rondgestuurd, maar slechts tien man kwamen op. Daarbij 
verzette zich M. Josson tijdens de bespreking hardnekkig tegen elke samenwerking 
met de Jong- Vlamingen. Een tweede bijeenkomst op 23 dec. leverde evenmin een 
uitslag op, maar op de derde vergadering (30 dec.) konden de organizatoren hopen 
dat zij vooruitgang zouden boeken. Er waren ditmaal 14 aanwezigen en Josson was 
weggebleven. Pieter Tack nam het voorzitterschap van de vergadering waar en er 
werd beslist een grotere, algemene vergadering bijeen te roepen van afgevaardigden 
van alle aktieve groepen. Deze had plaats op 7 jan. 1917. P. Tack wees er op het 
vredesaanbod van de Keizer: de Vlamingen moesten nu een bondige en vaste formule 
vinden om voor de wereld op te treden. Een akkoord werd bereikt op volgende tekst: 
'de Vlamingen uit België vragen voor Vlaanderen volledige en algehele 
zelfstandigheid en autonomie en de onverwijlde verwezenlijking van al de maatregelen 
die ertoe moeten leiden'. Er werd besloten een grote vergadering samen te roepen 
voor 4 febr. Een komitee werd aangesteld om deze 'landdag' te organizeren. 

Dit stelde zich dadelijk in verbinding met de Politische Abteilung. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



67 



Het was duidelijk dat men hier akkoord ging met het plan: op een samenkomst op 
13 jan. sprak Dr. Dirr reeds over de wenselijkheid van een reis naar Berlijn. Op 18 
jan. had het komitee (P. Tack, Ach. Brys, Jozef Van den Broeck, Dr. E. Stocké, Joz. 
De Decker en Jan Eggen) een onderhoud met de verantwoordelijke chef van de 
Politische Abteilung, von der Lancken. Het stelde de vraag in hoever door de 
Vlamingen op het ogenblik iets kon gedaan worden voor de bevestiging van de 
zelfstandigheid van Vlaanderen, wat de hoge regering te Berlijn noodzakelijk 
voorkwam en op welke steun de Vlamingen hier konden rekenen. Von der Lancken 
antwoordde met te verwijzen naar de verklaring van de Rijkskanselier, d.d. 5 april 
1916. Het komitee deelde aan von der Lancken de tekst mede van de resolutie van 
7 januari. Deze reageerde hierop met de vraag of een zelfstandig Vlaanderen wel 
leefbaar zou zijn. Deze vraag was reeds een aanduiding voor een mogelijke afwijzing 
door Duitsland van deze formule. In de loop van de bespreking zette von der Lancken 
nochtans het komitee aan een lichaam te vormen dat met Berlijn in voeling zou 
treden. Daarenboven verklaarde hij dat de Politische Abteilung in principe akkoord 
ging met de politieke scheiding en zo spoedig mogelijk de bestuurlijke scheiding 
zou doorvoeren. Het is duidelijk dat in deze omstandigheden de Duitsers hun zegen 
hadden gegeven voor het tot stand komen van de Raad van Vlaanderen. Zij hoopten 
hier een willig en nuttig instrument te vinden voor hun eigen politieke doeleinden. 

De beslissende vergadering had plaats op 4 febr. 1917. De aanwezigen, 125 in 
getal <93) , droegen 46 namen voor als leden van de Raad van Vlaanderen. Later werden 
nog nieuwe opgenomen, zodat einde 1917 het getal opliep tot 81. Er werd op de 
bijeenkomst beslist de samenstelling van de Raad geheim te houden. Het bestaan 
van de Raad zou bekend gemaakt worden door middel van een manifest Aan het 
Vlaamsche volk! (94) De vrede - zo luidt het in deze oproep - is in aantocht. Een België 
waarin de Vlamingen verdrukt worden, mag niet hersteld worden. Wat de bezettende 
macht in België voor de Vlamingen tot stand bracht, was wettig en moet behouden 
blijven. De Raad van Vlaanderen 



(93) In de hierna (n. 94) aangehaalde brochure voor de gelegenheid opgedreven tot 250 aanwezigen. 

(94) Wij verwijzen voor deze tekst naar de brochure De Raad van Vlaanderen aan het Vlaamsche 
Volk, 16 blz. Deze brochure bevat, naast de oproep d.d. 4 febr. ook nog een verslag over de 
reis naar Berlijn en een beknopt ekonomisch programma van de Raad van Vlaanderen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



68 



werd aangesteld met de opdracht de Vlaamse eisen ter kennis te brengen van de 
neutrale en van de oorlogvoerende landen; de nodige stappen te doen opdat op de 
komende vredeskonferentie de vertegenwoordigers van het Vlaamse volk gehoor 
zouden vinden en de rechten van het Vlaamse volk zouden erkend worden. De tekst 
was ondertekend 'namens de Vlaamse landdag. De Raad van Vlaanderen'. De 
samenbundeling van krachten was geslaagd. In het aktivistische kamp scheen de 
eendracht tot stand gekomen. Wij zullen verder zien hoe dit in feite een illusie was, 
in de schoot van de Raad zelf. 

De eerste Raad van Vlaanderen vergaderde van 11 febr. 1917 tot 19 jan. 1918. De 
werkzaamheden ervan werden voorbereid door een Bureau en tal van komitees 
werden ingesteld (vaste, volgens de ministeriële departementen en tijdelijke met 
allerlei bijzondere opdrachten) waarin de problemen werden behandeld waarover de 
Raad zou te beraadslagen hebben. Het eerste Bureau van de Raad was samengesteld 
als volgt: R Tack en J. De Keersmaecker voorzitters; Em. Verhees ondervoorzitter; 
Joz. Van den Broeck en Ach. Brys sekretarissen; L. Masfranckx penningmeester; 
Ant. Jacob archivaris; A. Faingnaert en L. Severijns (=Claudius Severus) leden. 
Begin oktober 1917 werd, onder druk van de Politische Abteilung, een nieuw Bureau 
aangesteld waarin al de schakeringen van de Raad beter zouden vertegenwoordigd 
zijn. Het zag er als volgt uit: R Tack (voorzitter); E. Verhees en W. De Vreese 
(ondervoorzitters); Ach. Brys (sekretaris); Aug. Borms, Joz. De Decker, A. Claus, 
M. Josson, L. Masfranckx, A. Jonckx en R. De Clercq. Met het oog op de 
samenwerking met de Politische Abteilung richtte deze, einde maart 1917, een 
Oberkommission op, d.w.z. een kommissie samengesteld uit Duitse ambtenaren en 
het dagelijks bestuur van de Raad met als taak de bestuurlijke scheiding te voltrekken. 
Na de uitroeping door de Raad van de zelfstandigheid van Vlaanderen (22 dec. 1917) 
werd op 5 jan. 1918 een Kommissie van Gevolmachtigden door de Raad verkozen. 
Deze personen beschouwden zich als ministers van de Staat Vlaanderen en verdeelden 
dan ook de ministeriële bevoegdheden als volgt: P. Tack (binnenland), A. Jonckx 
(buitenland), Th. Vernieuwe (landbouw en openbare werken), F. Brulez (spoorwegen), 
L. Meert (financiën), E. Verhees (nijverheid), Fl. Heuvelmans (justitie), Joz. De 
Decker (kunsten en wetenschappen). Ook dit vond de Politische Abteilung alweer 
een te eenzijdig beeld. Op haar bevel werden op 12 jan. K. Heynderickx en 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



69 



Dr. B . Quintens (twee katolieken ! ) eraan toegevoegd. Toen op 1 7 j an. een kommissie 
van nationaal verweer werd opgericht, fungeerde Aug. Borms er als titularis van. 
Als gevolg van deze toestand lieten de Duitsers de Oberkommission vervallen en 
vervingen ze die door een Hauptkommission. In de bekrachtiging door de 
goeverneur-generaal van de benoeming der Gevolmachtigden (d.d. 18 jan., 
gepubliceerd 10 febr.) werd hun taak omschreven als 'beroepen om de aan de Raad 
van Vlaanderen opgedragen beraadslagende medewerking uit te oefenen aan mijn 
wetgeving voor Vlaanderen'. 

De eerste Raad van Vlaanderen was ontstaan uit een vergadering van aktivisten, 
zonder enige schijn van volksvertegenwoordiging. De Duitsers wensten aan deze 
toestand een einde te maken. Bij de proklamatie van de zelfstandigheid had de Raad 
zijn eigen ontbinding en een volksraadpleging aangekondigd. Hij ging uiteen op 19 
jan. 1918 en de eerste 'volksraadpleging' had reeds op 20 jan. plaats in Brussel. Deze 
volksraadplegingen kunnen het best vergeleken worden met de revolutionaire 
volksraadplegingen over de vraag tot annexatie uit de tijd van de eerste Franse 
bezetting (1793) <95) . Manifestaties en vergaderingen werden ingericht in steden en 
dorpen, maar alleen de voorstanders van de politiek van de Raad hadden stemrecht. 
De laatste volksraadpleging had plaats in Brugge op 3 maart. Op bevel van de Duitsers 
werden geen verdere volksraadplegingen gehouden. Te Mechelen en te Tienen hadden 
tegenmanifestaties die onmogelijk gemaakt; in Antwerpen was er een heftige 
tegenmanifestatie. De aktivisten troostten zich met de 50.000 stemmen die volgens 
hen uitgebracht waren op deze vergaderingen, met het nog veel hoger cijfer dat zou 
bereikt zijn zonder de tussenkomst van de Duitsers, met de gedachte dat er voor de 
grondwetgevende verkiezingen van 1830 maar 30.000 kiezers opgekomen waren. 

De tweede Raad van Vlaanderen kwam voor de eerste maal samen op 9 maart 
1918. Er waren 94 leden aangeduid. Wij telden, na verschillende ontslagnemingen 
en assumpties uiteindelijk 88 leden, maar twijfelen eraan of dit cijfer wel juist is. 
Deze tweede Raad kende een tamelijk stormachtig bestaan. Als sanktie voor de 
hevige diskussies in de zittingen van 25 en 26 juli - dit naar aan- 



(95) Vgl. hierover hj. elias, o.c, i, 24. De aktivisten waren niet steeds akkoord over het sukses 
van deze manifestaties. Zie voor Antwerpen, enerzijds K. ANGERMILLE, o.c, 158-165, 
anderzijds De Keersmaecker in de Raad van Gevolmachtigden op 16 mei 1918. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



70 



leiding van een rede van Kanselier von Hertling op 1 1 juli - werd door de Duitsers 
aan de Raad verbod gegeven nog verder te vergaderen. Op 16 aug. werd dit 
opgeheven. Op deze datum namen de Gevolmachtigden ontslag. In de volgende 
dagen werden de diskussies weer zo heftig, dat de Raad door de Duitsers opnieuw 
werd geschorst tot 20 sept. Enkele dagen later (26 sept.) deelden de Duitsers aan de 
Raad mede dat zij de dag tevoren een 'Verwaltungsbeirat' hadden aangesteld. Dit 
was de Kommissie van Zaakgelastigden™. Dezen zouden niet meer verantwoordelijk 
zijn tegenover de Raad, doch alleen tegenover de goeverneur-generaal. Dit nieuw 
organisme was samengesteld als volgt: A. Borms (landsverdediging), Joz. De Decker 
(kunsten en wetenschappen), Leo Meert (financiën), E. Van den Berghe (openbare 
werken), H. Mommaerts (landbouw), E. Verhees (nijverheid) en, verder nog, zonder 
aanduiding van departement, Adr. Martens, Ach. Brys en Edw. Joris. Men zal 
opmerken dat de departementen Buitenland, Binnenland, Justitie, Spoorwegen, 
Posterijen en Telegraaf geen vertegenwoordiger hadden. Men stond echter aan de 
vooravond van de ineenstorting. Op 27 sept. vergaderde de Raad voor de laatste 
maal: alleen het Bureau bleef nog aktief. De Zaakgelastigden hebben niet veel anders 
meer gedaan als een poging om te redden wat nog te redden viel door - tevergeefs 
echter - voeling te zoeken met de passieve Vlamingen in Nederland. 

Tot zover de uitwendige geschiedenis van de Raad van Vlaanderen die door de 
aktivisten aangezien werd als de uitdrukking en de vertegenwoordiging van de wil 
van het Vlaamse volk. Dat het aktivisme zichzelf als de enige politieke 
levensuitdrukking van dit volk beschouwde, kan als een normaal verschijnsel opgevat 
worden in een revolutionaire politiek. Dit standpunt is te algemeen verbreid bij 
revolutionaire groepen om er maar één ogenblik te blijven bij stilstaan. Hier dient 
echter bij opgemerkt dat van bij de oorsprong een groep aktivisten in Vlaanderen de 
Raad van Vlaanderen van de hand gewezen hebben. Is het niet opvallend in dit opzicht 
dat R. Speleers, L. Dosfel, Adelf. Henderickx, Leo Augusteyns (deze twee laatsten 
Belgische volksvertegenwoordigers!) nooit deel ervan hebben uitgemaakt? 
Voor het overige had men wel getracht de verschillende groepen 



(96) Het dekreet van aanstelling is nooit verschenen. Vgl. naast de ARCHIVES voor de 
Zaakgelastigden ook rudiger. Un livre noir, o.c, 140-168. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



71 



en stromingen op te nemen om geen anti-Raaddissidenten te hebben. Dit heeft in de 
schoot van de Raad geleid tot groepsvormingen, waarbij wij echter niet steeds 
duidelijk de scheidingslijnen kunnen trekken of vaststellen tot welke groep een 
bepaald lid behoorde. Wij vermelden hier een paar indelingen, volgens tijdgenoten 
die het aktivisme volop hebben mee beleefd. A. Faingnaert zag in de tweede Raad 
twee grote groepen: de radikalen en de federalisten. Tot de eerste groep rekende hij 
Jong- Vlaanderen (32), Vrij -Vlaanderen (15 - een katolieke groep die in mei 1917 
tot stand kwam, onder leiding van Jac. Lambrichts), en enkele 'wilden' (7), in totaal 
dus 54 leden. Tot de federalisten rekende hij de Vlaamse Landsbond (5), de Unionisten 
(32 - sedert 14 maart een groep gevormd op initiatief van Leo Meert) en 
Nieuw- Vlaanderen (2 socialisten), in totaal dus 93 leden. R.R Oszwald zag, van op 
de Politische Abteilung, de groepen zich als volgt aftekenen: Jong- Vlaanderen (35), 
Vrij -Vlaanderen (19), de Vlaamse Landsbond (5), de Unionisten (16), 
Nieuw- Vlaanderen (2) en de 'wilden' (16). In het totaal dus ook berekend op 93 
leden. Men moet in aanmerking nemen dat hij tot de unionisten ook de groep rekent 
van de Vlaams Nationale Partij. Deze was in mei 1918 opgericht. Het manifest 
verscheen op 15 mei in de Nieuwe Gentsche Couranf 1] . Zij was hoofdzakelijk ontstaan 
uit reaktie tegen de overheersende positie van Jong- Vlaanderen in Gent en de 
demagogische aktie aldaar van Jan Wannijn. Onder de leden van het voorlopig bestuur 
vinden wij: Dr. Ant. Picard, Alf. Van Roy, J. Van Roy en Frans Primo. De partij 
streefde naar 'de grootst mogelijke zelfstandigheid' en 'de volle ontplooiing van al 
de geestelijke krachten van het Vlaamse volk op grondslag van zijn Nederlandse 
volksaard'. Zij wilde alle uitingen van godsdienstige en wijsgerige strekking 
eerbiedigen met behoud van de bestaande staatsrechtelijke toestand van de Kerken. 
De partij stelde het bestaan vast van de klassenstrijd en stond op vooruitstrevend 
demokratisch standpunt. Het is de enige groepering in het aktivisme waarin wij 
uitgesproken de Grootnederlandse gedachte weervinden. 

Wij noteren verder het oordeel van Oszwald dat de vroegere Landsbond zonder 
betekenis geworden was en in de twee tegengestelde richtingen van Jong- Vlaanderen 
en het Unionisme uiteengespat was. Zoals wij uit de opsomming van de groepen 
kunnen vaststellen, was ook het socialisme in de Raad vertegen- 



(97) Vgl. de fotokopie bij M. van de velde, o.c, 257. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



72 



woordigd. Als gevolg van de voordracht van Ant. Jacob in een socialistische Kring 
te Antwerpen (9 sept. 1916) - het ei door Jacob gelegd in het socialistische kamp, 
naar een woord dat aan Kam. Huysmans wordt toegeschreven - werd in Antwerpen, 
op 29 dec. 1916, een 'sociaal-demokratische Arbeidersgemeenschap' gesticht door 
de Antwerpse afdeling van de Bond van Socialistische Jonge Wachten. De sekretaris 
van de groep was Jef Van Extergem. Deze vereniging wilde ijveren voor een aktief 
flamingantisme en daarnaast overtuigde socialisten vormen zonder scheuring te 
verwekken in de partij . Er bestond in Antwerpen nog een andere socialistische groep 
waarvan Edw. Joris de woordvoerder was en die een blad uitgaf De socialistische 
Vlaming (later De Nieuwe Tijd). Te Brussel werkte een kleine socialistische groep 
met als orgaan De Vlam. Zij werd gesticht o.a. door Karei Reinhard, Jan De Boevé 
en H. Tanrez. In Gent was een socialistisch-aktivistisch groepje met Johan Lefevre 
en in de redaktie van de Nieuwe Gentsche Courant was het socialisme 
vertegenwoordigd door Fr. Primo. De Brusselse groep heeft in 1917 tot de Raad van 
Vlaanderen een verzoek gericht om een Vlaamse socialistische afvaardiging naar 
het befaamde kongres van Stockholm (juni 1917) mogelijk te maken. De Raad ging 
op dit verzoek niet in. De Vlaamse aktivistische socialisten werden te Stockholm 
dan toch vertegenwoordigd door Edw. Joris en Frans Primo" 8 '. Wij zullen niet pogen 
om, op onze beurt, tot een nieuwe indeling te komen van groepen en partijen in het 
aktivisme. Naar ons oordeel zijn de partijpolitieke organizaties en dito invloeden, 
zonder te verdwijnen, op de achtergrond gedrongen door het grote probleem dat de 
geschiedenis van het aktivisme beheerst nl. de verhouding ervan, voor de toekomst, 
tot de Belgische staat en, hiermede ten nauwste samenhangend, tot de Flamenpolitik 
m.a.w. tot de Duitse ambities en mogelijkheden in het Westen. 

Om de werking van de Raad van Vlaanderen te beoordelen, mogen wij niet uit het 
oog verliezen dat deze op geen enkel ogenblik beschikt heeft over enige wetgevende 
macht. Al wat aan Vlaamse wetgeving tot stand gekomen is in 1914-1918 was het 
werk van de Duitsers, in grotere of mindere mate bijgestaan door de aktivisten. Dit 
geldt zowel voor de vervlaamsingspolitiek van het onderwijs als voor die van het 
bestuur door de bestuurlijke schei- 



(98) M. CLAEYS-VAN HAEGENDOREN. Vijf en twintig j aar, o.c, 74-76 geeft een enigszins ander 
beeld. Voor Gent ook activisten, 56-59. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



73 



ding. Wij kunnen er niet aan denken het studiewerk van de kommissies van de Raad 
(bijv. over de taalgrens, de Limburgse mijnen, ekonomische vraagstukken) en de 
verschillende Duitse verordeningen in dit verband te ontleden. Het zou ons verhaal 
te zeer overlasten, al vertegenwoordigt het zonder twijfel een belangrijk moment in 
de geschiedenis van de Vlaamse gedachte. Een ontleding ervan zou o.i. de moeite 
lonen, vooral door een vergelijking van de Duitse wetgeving en de aktivistische 
plannen en voorstellen met de wetgeving die vanaf 1918 tot op heden is tot stand 
gekomen. Wij zullen er ons bij beperken, zoals gezegd, het voornaamste aspekt te 
behandelen nl. hoe men zich het politiek statuut van Vlaanderen in de toekomst 
voorstelde. 

De geschiedenis van de Raad begon met een ophefmakende daad: een reis naar 
Berlijn met een ontvangst door Rijkskanselier von Bethmann-Hollweg, de 3de maart 
1917. De delegatie bestond uit Borms, Tack, Dr. Dumon, Lambrichts, Joz. Van den 
Broeck, E. Verhees en Th. Vernieuwe. De woordvoerder van de afvaardiging was 
R Tack. Hij begon met zijn dank te betuigen voor de rede van de Kanselier, 
uitgesproken op 5 april 1916. De Raad van Vlaanderen was bereid aan de 
verwezenlijking van dit programma mede te werken. De Raad wenste dat Duitsland 
de maatregelen genomen in uitvoering van de konventie van Den Haag zou 
waarborgen en doen erkennen in het toekomstig vredesverdrag; de Raad was ook 
van oordeel dat om zijn doel nl. de onafhankelijkheid van Vlaanderen te verzekeren, 
het nodig was te komen tot een autonome administratie en regering. De Raad vroeg 
zo spoedig mogelijk de bestuurlijke scheiding door te voeren en erkend te worden 
als het lichaam dat hierbij moest geraadpleegd worden. De Raad - zo eindigde de 
zegsman - achtte het noodzakelijk dat Duitsland ook na de oorlog zijn beschermende 
hand over Vlaanderen zou houden en vroeg aan de Rijkskanselier zo duidelijk 
mogelijk te verklaren of het Rijk deze uitgebrachte wensen in de praktijk wilde 
omzetten' 99 '. De Rijkskanselier antwoordde met de belofte dat het Duitse Rijk bij de 
vredesonderhandelingen en ook daarna alles zou doen wat kon dienen 'om de vrije 
ontwikkeling van het Vlaamse volk aan te moedigen en te beschermen'. Er had 's 
avonds dan nog een receptie plaats, een z.g. 'Bierabend'. 

Deze reis naar Berlijn heeft heel wat stof doen opwaaien. De 



(99) Bij RUDIGER. Flamenpolitik, 49-51 de Franse vertaling van de toespraak van Tack. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



74 



radikale aktivistische kringen verweten aan de afvaardiging dat zij de wensen van 
de Raad niet naar voren gebracht had in de opgedragen vorm. De delegatie moest in 
Berlijn, volgens de oorspronkelijke tekst, de 'soevereine zelfstandigheid' van 
Vlaanderen bepleiten. De Politische Abteilung - die deze reis organizeerde - kon 
deze tekst niet aanvaarden en deed de gewraakte uitdrukking veranderen door 
'Selbstverwaltung und Selbstregierung' <100) . Daarnaast was de grote vraag: wat heeft 
de Kanselier juist toegezegd? Het ging hier om te weten of hij beloofd had de vrije 
ontwikkeling van het Vlaamse volk te eisen of te bevorderen? Had hij fordern of 
fördern gezegd? Het Wolff-buro, officieus persagentschap, seinde 'zu fördern und 
sicherzus tellen'; de delegatie beweerde dat het 'fordern' geweest was. In het kader 
van de Duitse politiek geven wij de voorkeur aan de versie van het Wolff-buro. 

In de openbare mening was een zwaar diskrediet geworpen op deze reis (de 
oorspronkelijke bedoeling was geweest ze geheim te houden). Bij voorkeur werd de 
klemtoon gelegd op de hatelijke verbroedering met de vijand op een slemppartij, de 
'bieravond', in de grond een onschuldige vorm van receptie. In de aktivistische 
kringen, die reeds afwijzend stonden tegenover de Raad, werd deze reis streng 
veroordeeld. Ten onrechte, naar ons oordeel. Aangezien men de weg opging van een 
politiek gesteund door Duitsland, was het maar logisch dat men ook beproefde van 
de regering van dit laatste een verbintenis te krijgen. Tsjechen en Zionisten handelden 
niet anders. Dat de Rijkskanselier daarbij alleen het belang zag van Duitsland kan 
niemand verwonderen en het verrast ons dan ook geenszins van hem, in een brief 
aan Hindenburg (7 maart) te lezen dat het doel van de Duitse politiek in België is de 
Vlamingen voor zich te winnen: de Belgische staat moest in zijn binnenlandse 
organisatie gesplitst worden en aldus de Vlaamse meerderheid bevrijd van de Waalse 
overheersing. Door deze politiek zou België dan makkelijker dienstbaar gemaakt 
worden aan de Duitse belangen. 

In uitvoering van reeds vroeger genomen beslissingen, ging von Bissing in het 
bezet gebied thans over tot een beslissende stap: de invoering van de bestuurlijke 
scheiding (21 maart 1917) <101) . 



(100) Vgl. hierover ARCHIVES, 11-12 met de versie van Domela Nieuw enhuis in zijn onderhoud 
met von Bissing (17 maart 1917). M. van de velde, o.c, 166-168. 

(101) Op 25 okt. 1916 was reeds het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen gedeeltelijk gesplitst 
geweest. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



75 



Ook met betrekking tot deze maatregel hebben de aktivisten de opvatting verdedigd 
dat die wettig was en in volledige overeenstemming met de konventie van Den Haag. 
Wij geloven niet, dat deze thesis steek houdt: men stond hier zonder twijfel buiten 
de grenzen van de konventie <102) . De bestuurlijke scheiding werd, vanaf 5 mei 1917, 
achtereenvolgens doorgevoerd in alle ministeriële departementen, met verhuizing 
van de Waalse ministeries naar Namen. Het laatste kwam het ministerie van financiën 
aan de beurt (11 april 1918). De splitsing hiervan werd trouwens nooit werkelijk en 
volledig doorgevoerd. Er was sterk verzet van de kant der Belgische ambtenaren en 
een niet gering aantal van de moedwillige stakers werd naar Duitsland gedeporteerd. 
Op 8 april 1917 had de Belgische regering een Besluit- Wet uitgevaardigd waarbij 
strenge straffen werden voorzien tegen de aktivisten. De Raad antwoordde met een 
Verklaring aan het Vlaamse Volk (aangenomen ter zitting van 6 mei). Het stuk was 
opgesteld door E. Verhees en Flor. Heuvelmans, met aanvulling door A. Van Roy <103) . 
Het werd op grote schaal verspreid. Er werd in vooropgezet dat een 'vrij België' 
onder voogdij van Frankrijk en Engeland de voortzetting zou zijn van de slavernij 
en van de verarming van het Vlaamse volk. Het gaat ons niet alleen om taalrechten 
- verklaarde de Raad - en hoger is ons doel. Wij zien over de hele wereld alle verdrukte 
volkeren opstaan, met één uitzondering: Vlaanderen. Hier legt België de stelregel 
op: Vecht en Zwijgt! Het treft ons met de banbliksems van de Besluit-wetten: zij 
zijn onwettig en onze Grondwet kent ze niet. Zij laten ons onverschillig: wij zien de 
zegepraal van een oplevend volk naderen! 

Wij hebben hierboven gezien hoe von Bissing, in een rapport aan de Keizer, d.d. 
6 april 1917, deze scheiding heeft opgevat. Dit was enkele dagen vóór zijn dood (f 
18 april 1917). Korte tijd nadat zijn opvolger generaal von Falkenhausen in Brussel 
aankwam, ontving hij een delegatie van de Raad van Vlaanderen (17 mei). Bij deze 
ontvangst bleek duidelijk hoe de Raad, van zijn kant, zich deze bestuurlijke scheiding 
had voorgesteld. De delegatie drukte de hoop uit dat de omstandigheden het weldra 
zouden 



(102) Vgl. CH. DE VISSCHER. La séparation administratie e dècrètèe en Belgique par l'autorité 
allemande. Paris, 1918 (Overdruk uit La Revue Générale de droit international public). 

(103) Verklaring aan het Vlaamsche Volk, 8 blz., ondertekend De Raad van Vlaanderen, zonder 
plaats of datumvermelding en zonder namen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



76 



mogelijk maken de politieke scheiding door te voeren, alsmede de instelling van een 
Voorlopig Bewind. Von Falkenhausen was vrij gereserveerd in zijn antwoord: hij 
zou de politiek van zijn voorganger voortzetten in de geest van de woorden 
uitgesproken door de Rijkskanselier. Hij sprak de hoop uit dat de tijd zou gunstig 
worden voor de doorvoering van een politieke scheiding. Met het oog op dit laatste 
punt, sloeg de Raad zelf de hand aan de ploeg door de instelling van een komitee 
belast met de opstelling van een nieuwe grondwet (2 juni 1917). Er is over de 
problemen die hiermede samenhingen, heel wat en bijzonder heftig in de Raad getwist. 
Reeds op 18 juni legde de Grondwetkommissie enkele richtlijnen vast. Uitgaande 
van een toestand van 'gedwongen samengaan met Duitsland' kwam men tot de 
konklusie dat de staat Vlaanderen een met Duitsland 'verbonden staat' zou zijn, 
waarbij evenzeer de inlijving als provincie bij Pruisen, als de vorm van een bondsstaat 
werden afgewezen. 

Intussen verdween de voornaamste protagonist van de Flamenpolitik van het toneel 
in Duitsland: op 12 juli 1917 verdween Rijkskanselier von Bethmann-Hollweg, ten 
val gebracht door Hindenburg en Ludendorff Zijn opvolger was G. Michaelis, niet 
voorbereid op de konflikten die voor de deur stonden en evenmin opgewassen tegen 
zijn taak. Reeds op 19 juli stemde de Rijksdag een resolutie die mag beschouwd 
worden als een ernstige poging om alle aanexionistische drijverijen in Duitsland af 
te grendelen. Hoe stond de nieuwe Rijkskanselier tegenover de Flamenpolitik van 
zijn voorganger? Pas op 29 aug. zou een afvaardiging van de Raad dit uit zijn mond 
vernemen. Intussen werd er in de Raad heftig getwist over de toekomst van de staat 
Vlaanderen. In een rapport d.d 10 aug. (voorgedragen in de Raad op 13 aug.) vatte 
P. Tack de mogelijkheden als volgt samen: - een onafhankelijke staat Vlaanderen - 
een ekonomische unie met de Centrale Mogendheden en aansluiting bij de Zollverein 
- de mogelijkheid voor de zelfstandige staat Vlaanderen om te onderhandelen met 
een zelfstandig Wallonië ten einde tot een unie te komen. In de verhouding tot het 
Rijk voorzag hij de noodzakelijkheid van een militair verdrag voor de bescherming 
van de staat Vlaanderen. Deze laatste zou over een eigen leger beschikken, maar de 
generale staf ervan zou onder de kontrole staan van de Duitse legerstaf. Hij voorzag 
verder ook voorlopige militaire Duitse bezettingen aan de kust en in de grote steden. 

In het kader van de doorvoering der bestuurlijke scheiding werd door de Duitsers 
op 9 aug. een verordening gepubliceerd waar- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



77 



door het Nederlands de enige ambtelijke taal werd verklaard in het Vlaamse 
bestuursgebied. Van deze maatregel waren voorlopig het gerecht en het onderwijs 
uitgesloten. Deze verordening was de aanleiding tot een scherp verzet van de stad 
Brussel, samen met 15 andere gemeenten van de Brusselse agglomeratie. Als gevolg 
van dit alles bevalen de Duitse overheden een nader onderzoek naar de toestanden 
te Brussel, waarbij de stad haar eigen visie op het probleem gaf in een memorandum 
van 10 dec. 1917 (104) . Er is later, in verband met dit alles, wel een plan opgezet om 
het schepenkollege in Brussel af te zetten en te vervangen door een aktivistisch 
stadsbestuur, maar hiervan is toch niets in huis gekomen. 

Op 27 aug. ontving Kanselier Michaelis te Brussel een delegatie van de Raad. De 
woordvoerder van de afvaardiging, P. Tack, sprak nogmaals de wens uit tot politieke 
zelfstandigheid en verzocht de Kanselier bij de eerste gelegenheid te verklaren dat 
Duitsland deze zelfstandigheid op de vredeskonferentie zou doen erkennen. Hij 
drukte zich verder uit in de zin van zijn rapport van 1 0 aug. De Kanselier antwoordde 
zeer kort: aan de Duitse politiek was niets gewijzigd door de verandering van 
Kanselier. In de Raad zelf voerden de Jong- Vlamingen met hun aanhang het hoge 
woord (54 tegen 39). Hiertegen kwam einde september een sterke reaktie, onder de 
leiding van Leo Meert, pas uit Nederland teruggekeerd. Hij groepeerde 32 leden van 
de Raad die een nieuwe formule uitwerkten: een zelfstandig Vlaanderen en een 
zelfstandig Wallonië vormen het gemeenschappelijk staatsverband België. Deze staat 
zou, in internationaal opzicht, een statuut kiezen van vrijwillige neutraliteit. 
Terzelfdertijd streefden zij naar een hervorming van de Raad: er zou een Raad van 
State moeten komen met ten hoogste 9 personen terwijl dan de Brede Raad maar om 
de maand meer zou samenkomen. De mistevredenheid tegen het bestaande Bureau 
groeide inderdaad met de dag: men verweet het eigenmachtig op te treden en zich 
te ver te wagen in de richting van een duitsgezinde politiek. 

Op 25 sept. 1917 liep de nieuwe groep storm tegen het bestuur van de Raad. Op 
2 okt. werden dan in de Raad twee moties aangenomen. De eerste (55 pro tegen 4 
onthoudingen) verklaarde vast 



(104) De tekst in Ville de Bruxelles. Enquête sur l'emploi des langues francaise et flamande dans 
l'agglomération bruxelloise, uitgegeven in 1919, 21 blz. H. GMELIN. Denkschrift über die 
Amtssprache der Stadt Brussel und der umliegenden Gemeinden, 26 blz. (gedateerd Brussel, 
11 jan. 1918). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



78 



te houden aan de formule aangenomen bij de stichting op 4 febr. 1917; de tweede 
sprak zich uit voor de grootst mogelijke onafhankelijkheid voor Vlaanderen, hetgeen 
het begrip uitsloot noch van een staat Vlaanderen, noch het herstel van België in 
federale vorm (bij algemeenheid van stemmen aangenomen). 

Op 1 nov. viel Michaelis. Hij werd vervangen door G. von Hertling. De aktivisten 
stonden weer voor het probleem van de Duitse steun bij de uitvoering van hun politiek. 
De radikalen bleven hier steeds verder hun druk uitoefenen. Een voorsmaak van wat 
komen zou, was de grote aktivistische meeting in de Alhambra-schouwburg in Brussel 
op 1 1 november. Het woord werd er gevoerd door R. De Cneudt, Jan Wannyn en R. 
De Clercq. Een motie werd aangenomen waarin verklaard werd dat men de regering 
van Havere niet meer erkende en men de hoop uitsprak dat Duitsland aan Vlaanderen 
zijn politieke zelfstandigheid zou verlenen. De Politische Abteilung ging evenwel 
haar eigen weg. Begin december was Prof. Schmidt, erdoor uitgenodigd, in Brussel 
met de opdracht een nieuwe grondwet voor te bereiden. Von der Lancken was op 
dat ogenblik de mening toegedaan, dat er een middenweg was te vinden tussen het 
'machtpolitisch und militarpolitisch' de hand op België te houden en België volledig 
terug te geven <105> . Hoe de Duitsers op dat ogenblik over de toestand dachten wordt 
ons duidelijk uit de beraadslagingen van het zgn. komitee Hippel, aldus genaamd 
naar de rapporteur. Dit was samengesteld voor de bestudering van de modaliteiten 
van de bestuurlijke scheiding en van de rol die daarbij toekwam aan de Raad van 
Vlaanderen. Het kwam (nov.-dec. 1917) tot de konklusie dat het zou nodig zijn, 
gedurende een lange overgangsperiode, de macht van de staat te laten berusten op 
de Duitse bescherming, in de handen van een goeverneur of iets in deze zin: naast 
hem zou een Vlaams konsultatief orgaan dienen gesteld te worden en aldus moest 
men een Raad van Vlaanderen oprichten. De rapporteur beklemtoonde dat tal van 
aktivistische voormannen akkoord gingen met de noodzakelijkheid de Duitse macht 
nog voor vele jaren in Vlaanderen te behouden om aan de Vlaamse zaak de 
overwinning te bezorgen. 

In deze omstandigheden, in een opgewonden atmosfeer van ongeduld, van 
radikalisme en van wantrouwen in de Duitse plannen, kwam de Raad van Vlaanderen 
samen op 22 dec. 1917, in avondzitting. Na een lange en verwarde diskussie voerde 
Aug. Borms 



(105) F. PETRI, l.c, 520. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



79 



het woord. Hij wees erop dat de vrede in de lucht hing. Van deze gelegenheid moest 
de Raad gebruik maken om de politieke scheiding uit te roepen. Wij moeten onszelf 
helpen: de Duitsers weifelen en willen zich niet verder binden. Zij willen de handen 
vrij houden; maar wij, Vlamingen, mogen dit spel niet spelen. Een motie 
Tack-Verhees-Brys, die de uitroeping van de zelfstandigheid inhield, werd met 53 
stemmen bij twee onthoudingen (Ant. Picard en Spincemaille) aangenomen. Borms 
liep, na de stemming, naar de tribune om er, als 'de klok van Vlaanderen' een 
luidruchtig Leve Vlaanderen! te roepen. Te midden van de algemene geestdrift, na 
het zingen van de Vlaamse Leeuw en De Blauwvoet, ging de vergadering uiteen. 

Als gevolg van deze uitroeping der zelfstandigheid gaven Ant. Jacob, M. 
Rudelsheim en Herm. Vos ontslag als lid van de Raad. Op de bijeenkomst was beslist 
in een korte proklamatie deze uitroeping van de zelfstandigheid aan het Vlaamse 
volk mede te delen. Tevens zou de aanstaande ontbinding van de Raad en de 
verkiezing van een nieuwe Raad door middel van volksraadplegingen worden 
aangekondigd. De Raad - 'eigenlijk niets meer of minder dan een Debating Club' 
had Joz. De Decker bij de aanvang van de zitting van 22 dec. gezegd - had de Duitsers 
voor een voldongen feit willen stellen. De voorgedragen motie was bijna met 
algemene stemmen aangenomen. In feite was dit nochtans de overwinning van de 
Jong- Vlamingen. Hoe was dit dan mogelijk geweest aangezien de Unionisten - in 
minderheid in de Raad - toch beslist de meerderheid van de aktivisten in het land 
achter zich hadden? Prof. R. Speleers - vooraanstaand en zeer gematigd unionist - 
heeft dit later (1939) uitgelegd als volgt: velen hebben zich bij deze proklamatie van 
de zelfstandigheid neergelegd omdat zij haar meer zagen als een tegenzet d.w.z. als 
gericht tegen de annexionistische stromingen in Duitsland bij een vrede door overleg, 
die men mogelijk achtte, en als een voorzorg tegen bepaalde pogingen van de zijde 
der Entente om in dit geval België op zijn ouden voet te herstellen' 106 '. Lod. Dosfel, 
van zijn kant, zag het in 1919 reeds anders: de verklaring was dubbelzinnig, omdat 
er niet gezegd werd over welke zelfstandigheid het ging en dus ook de unionisten, 
in het kader van een Vlaamse staat in België, de proklamatie konden aanvaarden. 
Deze dubbelzinnigheid - deed Dosfel terecht opmerken - komt wel meer voor in de 
stemmingen 



(106) R. SPELEERS. Losse beschouwingen... in De Nieuwe Gids, juni 1939, blz. 736-790, hier blz. 
753. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



80 



van de Raad waar men zich dan over eenparigheid van stemmen kon verheugen' 107 '. 

De Duitsers waren echter niet bereid de Raad zo maar zijn gang te laten gaan. Om 
te beginnen werd het proklamatie-ontwerp van de Raad door hen van de hand gewezen 
en diende de verklaring van de zelfstandigheid, onder Duitse druk, gewijzigd. Op de 
vergadering van de Hauptkommission (18 jan.) verklaarde Schaible, hoofd van de 
Zivilverwaltung, dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich verzette tegen de 
afkondiging van de zelfstandigheid, omdat de Entente er een gewelddaad van de 
Duitse politiek zou kunnen in zien. 

Intussen was Prof. R. Schmidt klaargekomen met zijn ontwerp van grondwet, die 
in federalistische zin was opgevat. Toen Jonckx kennis kreeg van het voorontwerp 
Schmidt, diende hij bij de Raad (22 febr.) een tegenrapport in: hij beschouwde dit 
ontwerp van Schmidt alleen maar als een plan tot decentralisatie van het unitaire 
België. De Raad - betoogde hij - wilde op 22 dec. een volledig zelfstandige en 
soevereine staat die verdragen zou kunnen afsluiten met andere naties. In verband 
hiermede legde Jonckx een ontwerp van verdrag voor met Duitsland dat zou geldig 
zijn voor de duur van de oorlog. Dat de Duitsers van de gevolgde politieke lijn niet 
wilden afwijken bleek nogmaals (7 maart) duidelijk door een verklaring van de 
Goeverneur-generaal in de Kommissie van Gevolmachtigden: het vraagstuk van de 
zelfstandigheid van Vlaanderen moest voor de vredesonderhandelingen gereserveerd 
blijven. In de Hauptkommission verklaarde Schaible weerom (14 maart) dat Duitsland 
de zelfstandigheid van Vlaanderen niet wilde uitroepen, omdat dit met het openbare 
recht niet overeenstemde: zij moest in het Vredesverdrag opgenomen worden en 
Duitsland zou er voor zorgen, dat Vlaanderen op de Vredeskonferentie 
vertegenwoordigd werd. De Gevolmachtigden bleven, van hun kant, op het standpunt 
staan dat de politieke scheiding nodig was en bleven hopen dat Duitsland de Vlaamse 
zelfstandigheid nog vóór het sluiten van de vrede zou erkennen. 

Deze laatste brief aan Schaible is van 16 maart 1918. Wij zijn thans gekomen op 
een hoogtepunt van de oorlog, dat schijnbaar ook dat was van de Duitse macht. Op 
3 maart was op het Oostelijk front de vrede van Brest-Litovsk getekend. In het Westen 
ging 



(107) L. Dosfel, in zijn beknopt overzicht van het aktivisme in de brochurenreeks Storm en Drang. 
I. In Vlaanderen's Middernacht (1919), 22. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



81 



Ludendorff op 21 maart over tot het eerste groot lenteoffensief. Het zag er naar uit, 
gedurende enkele weken, dat een doorbraak van het front niet uitgesloten was en 
meteen ook niet een Duitse overwinning of ten minste een vrede door vergelijk. In 
feite had Ludendorff het al op één kaart gezet: de doorbraak gaf nog een kans, de 
mislukking betekende de ondergang. 

In de Raad van Vlaanderen kwam men uiteindelijk tot een gemeenschappelijk 
standpunt door de aanvaarding, op 28 maart, van de zgn. Zes Punten. Negatief 
verwierp men 1 de status quo ante; 2 het herstel van België d.w.z. men bleef erbij 
dat de naam België moest verdwijnen; 3 alle naoorlogse ekonomische oorlog. Positief 
wilde men: 4 dat Vlaanderen politiek onafhankelijk zou zijn met eigen wetgevende, 
uitvoerende en rechterlijke macht, alsook met een eigen diplomatieke 
vertegenwoordiging in het buitenland; 5 dat Vlaanderen vrij over zijn eigen toekomst 
zou kunnen beschikken; 6 dat Vlaanderen zou rekenen op de steun van Duitsland 
voor de internationale regeling van het Vlaamse vraagstuk. De Duitsers waren ten 
zeerste ontstemd over dit stuk. De Goeverneur-generaal riep de Gevolmachtigden 
ter verantwoording en dreigde met sankties. Hij verweet hun dat hij eens te meer 
voor het voldongen feit was gesteld. Hij verklaarde dat indien zij voortgingen met 
aan de Raad vraagstukken voor te leggen in verband met de afschaffing van België 
zonder met de Duitsers hieromtrent eerst overleg te plegen, het ogenblik zou kunnen 
komen waarop de Duitsers de Raad van Vlaanderen zouden loslaten. 

In dit verband is het wel van belang te weten welke op dit ogenblik nog de plannen 
van de Duitsers waren voor de toekomst. Op een bijeenkomst (25 mei) van Duitse 
ambtenaren en militairen om de toekomst van België te bespreken, werd een bezetting 
van ten minste tien jaar en mogelijk nog langer voorzien. Schaible bevestigde er tot 
tweemaal toe dat de aktivisten dit zelf wensten. Op deze vergadering waren o.a. 
aanwezig: von Falkenhausen, Schaible, Ludendorff en Hindenburg. 

In deze scherpe verhoudingen tussen de Raad en de Bezettende Overheid, groeiden 
met de dag de ontevredenheid en het wantrouwen van de meeste aktivisten tegen de 
Duitsers. Jonckx moest trouwens, in een referaat van 13 juni, konstateren dat men 
in zake politieke scheiding nog niets bereikt had. Onder deze omstandigheden besliste 
de Raad (20 juni) een oproep aan het Duitse volk te richten. Ditmaal was echter de 
tekst ervan uitgewerkt in overleg met Schaible. Hierin bevestigde de Raad nogmaals 
zijn ge- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



82 



loof in de uiteindelijke zege van Duitsland en verklaarde de wil te bezitten om zijn 
zelfstandigheid te veroveren. Het officieus antwoord hierop was een artikel in de 
Kölnische Zeitung (25 juni) waarin de noodzakelijkheid van een zelfstandig 
Vlaanderen werd erkend, maar tevens bevestigd werd dat de twee zelfstandige staten 
Vlaanderen en Wallonië met elkaar vreedzaam dienden te leven binnen de grenzen 
van de Belgische staat. 

Wij staan hiermede op de vooravond van de ineenstorting. Het vijfde offensief van 
Ludendorff, aangekondigd als de Friedenssturm, was gestrand. Op 18 juli gaf 
maarschalk Foch het bevel tot de tegenaanval die naar de overwinning van de 
Bondgenoten - door velen toen nog maar verwacht tegen de volgende lente - zou 
voeren. De Duitse leiding was zich bewust van de grote nood en wenste de deur 
breed open te zetten voor nog steeds mogelijk geachte onderhandelingen. Op 1 1 juli 
verklaarde Kanselier von Hertling, met betrekking tot de toekomstige vrede, te hopen 
dat het herrezen België, als een zelfstandige staat aan geen enkele Mogendheid als 
vazal zou onderworpen zijn en met Duitsland in goede, vriendschappelijke 
betrekkingen zou leven. De Eendracht (20 juli), het gezaghebbende unionistisch 
weekblad, stelde, naar aanleiding van deze redevoering, met voldoening vast dat 
Duitsland weigerde de politiek van de Jong- Vlamingen te volgen: het geschetste 
toekomstbeeld kwam volledig overeen met de wensen van de redakteuren, juister 
dan welk programma ook van de Raad van Vlaanderen. Dit was blijkbaar niet de 
opvatting van de Raad. Hier kwam uiteindelijk een toenadering tot stand tussen 
Jong- Vlamingen en Unionisten (20 juli) op basis van volgende drie punten: - 
noodzakelijkheid voor Vlaanderen van politieke zelfstandigheid; - de verdwijning 
van de Belgische natie, onverschillig welke de banden mochten zijn die bleven 
bestaan tussen Vlaanderen en Wallonië - de noodzakelijkheid tot samenwerking met 
Duitsland, ook na de oorlog. 

Dat men in aktivistische kringen evenwel nog ver was van een gezamenlijke, vast 
omlijnde politiek, kon von Hertling vaststellen toen hij op 26 juli in Spa een eerste 
delegatie van de Raad (W. De Vreese en M. Oboussier) ontving. De eerste zette er 
het standpunt uiteen van de Jong- Vlamingen, de tweede dat van de Unionisten. In 
verband met zijn redevoering van 1 1 juli wees de Rijkskanselier op de moeilijkheid 
van zijn positie in de Rijksdag en verzekerde dat zijn politiek de voortzetting bleef 
van die van Bethmann-Hollweg. Toen hij acht dagen later een tweede dele- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



83 



gatie (P. Tack en Joz. De Decker) ontving, begon hij met andermaal te wijzen op 
zijn delikate positie in de Rijksdag. In de loop van het gesprek verklaarde hij verder 
dat het minimum wat Duitsland kon bekomen voor de aktivisten, in het slechtste van 
de gevallen, volledige amnestie was, maar dat hij hoopte meer te doen en de stichting 
te bekomen van twee onafhankelijke staten, Vlaanderen en Wallonië. Op 10 aug. 
ontving de Rijkskanselier uiteindelijk een derde delegatie: Aug. Borms en Dr. Claus. 
Deze laatste was zeer heftig en overhandigde aan de Kanselier een memorandum 
waarin de Duitse politiek sterk gehekeld werd. De Vlaamse Beweging, schreef Claus, 
was stilletjes aan in de handen van de Duitse regering een politieke macht geworden 
die moest leiden tot een min of meer gekamoufieerde annexatie. Dit was voor de 
Unionisten een machtsmisbruik dat volledig tegen hun opvattingen indruiste, met 
als gevolg het wantrouwen tegenover Duitsland. Het doel van de Unionisten was de 
federatie Vlaanderen- Wallonië. Groot-Nederland zou volgens Claus, in geval van 
Duitse overwinning, een waarborg zijn tegen vazallisering van Vlaanderen aan 
Duitsland, maar dan zou Wallonië een vazalstaat worden van Frankrijk. 

Of von Hertling aan deze besprekingen met aktivistische voormannen nog veel 
belang gehecht heeft, valt zeer te betwijfelen. Hij stond skeptisch wat de invloed en 
de betekenis van de aktivisten betreft. Naar zijn opvatting diende de Beweging haar 
voornaamste kracht in zichzelf te vinden. Zij mocht daarbij geen partikuliere aktie 
worden van enkele delen van het Vlaamse volk, een aktie die met moeite in het leven 
zou gehouden worden dank zij de steun van Duitsland. Hij had de indruk dat men 
nog ver stond van een Vlaamse Beweging die op eigen kracht leefde ! (108) In de uiterste 
verwarring werden de aktivisten uiteindelijk geworpen door een redevoering van 
vice-kanselier von Payer te Stuttgart op 12 sept, waarvan de tekst hier twee dagen 
later door de Belgischer Kurier bekend werd. De vice-kanselier had de hoop 
uitgesproken dat het Vlaamse probleem in een zin van gerechtigheid door handige 
staatslieden zou worden opgelost. 

Nog zagen vele leden in de Raad niet klaar in de toestand. Zij klampten zich vast 
aan de hersenschim dat Duitsland de aktivistische instellingen niet zou laten 
vernietigen. Zij waren diep ontstemd over de rede van von Payer en Schaible vond 
het zelfs nodig Berlijn te waarschuwen dat de Raad tot een wanhoopsdaad 



(108) Vgl. zijn brief van 30 aug. 1918 bij RUDIGER. Flamenpolitik, o.c, 253. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



84 



zou overgaan indien nog verdere ongunstige verklaringen voor de aktivisten werden 
afgelegd. Hij vreesde dat de Raad de een of andere proklamatie tegen het verraad 
van Duitsland zou uitvaardigen! Het kwam echter niet zo ver. De Raad schreef alleen 
een brief aan de Kanselier (20 sept.) om van hem de verzekering te krijgen dat de 
inzichten van Duitsland, door zijn voorgangers en door hemzelf uitgedrukt, niet 
veranderd waren. De Raad verklaarde niet in te zien dat de politieke scheiding niet 
in overeenstemming zou te brengen zijn met de oplossing van het Belgisch vraagstuk 
of een hinderpaal zou vormen voor het sluiten van de vrede. Merkwaardig is het dat 
ook von Falkenhausen meende bij de Kanselier te moeten reageren tegen zijn 
opvattingen over de Vlaamse Beweging. Hij wees erop dat, indien de aktivisten 
onderling niet akkoord gingen (wat ook de toestand was in Duitsland voor de 
verschillende partijen), de aktivisten en de passieven wel akkoord gingen over de 
noodzakelijkheid verlost te worden van de voogdij der heersende franskiljonse kaste 
en dat zij daartoe de nodige politieke autonomie wilden veroveren. Dit was zowel 
het geval voor Van Cauwelaert als voor de frontbeweging en de aktivisten. Men 
mocht - zo schreef hij verder - over de kracht en de diepte van de Vlaamse Beweging 
niet oordelen naar de macht van het aktivisme. Het gaat hier niet om een Vlaamse 
Beweging die het gevolg zou zijn van een Duits maneuver. De Vlaamse Beweging 
heeft in deze oorlogsjaren een grote uitbreiding genomen. Het gaat hier niet om een 
partikularistische aktie en men mag voor de toekomst rekenen op de zegepraal van 
de Vlaamse Beweging. Hierbij mag men dan op een germanofiele stroming rekenen 
die een dam zou zijn voor de entente -richting van de Belgische regering (brief van 
23 sept.) (109) . 

Een paar dagen later stelden de Duitsers de Kommissie van Zaakgelastigden aan; 
op 27 sept. vergaderde de Raad voor de laatste maal. Niemand zal wel vermoed 
hebben dat op 29 sept. Ludendorff de Keizer zelf verraste met de mededeling dat 
alleen een onmiddellijke wapenstilstand Duitsland nog kon redden. Dat de toestand 
zich zeer ongunstig voor Duitsland en het aktivisme ontwikkelde was met de blote 
hand door de aktivisten te tasten. Wij kunnen het moeilijk geloven dat Joz. De Decker 
werkelijk meende wat hij zegde (op 1 okt, toen de verbonden legers voor Roeselare 
stonden!) bij de aanvaarding van het voorzitterschap van de Kommissie van 
Zaakgelastigden: wij moeten hopen dat het 



(109) Ibid., 253-255. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



85 



Duitse leger het front zal vastleggen en hierachter moeten wij zo snel mogelijk het 
Vlaams programma verwezenlijken om de Entente voor voldongen feiten te stellen. 
Hij verklaarde ervan overtuigd te zijn dat dan de passieven zouden te hulp komen 
om te behouden wat verwezenlijkt werd (110) . 

Het bleek weldra dat de passieven niet bereid waren om de failliete boedel van 
het aktivisme over te nemen. Reeds op 10 sept. had, in het Bureau van de Raad, L. 
Masfranckx de wens uitgesproken om de medewerking van de passieven te bekomen: 
zij zouden de impopulariteit doen verdwijnen die ontstaan was door de aktivistische 
samenwerking met de Duitsers. Op 30 sept. had Tack, in een komitee van de Raad, 
verklaard dat de aktivisten een eenheidsfront moesten vormen met de eerlijke 
passieven. Op 8 okt. stelde Leo Meert - met het doel, verklaarde hij, om tot een 
situatie te komen die een verzoening tussen aktivisten en passieven mogelijk maakte 
- aan de Kommissie van Zaakgelastigden een tekst voor waarin verklaard werd dat 
de Kommissie een eenheidsplatform wenste op grond van het herstel van de Belgische 
staat op federatieve grondslag en bereid was in onderhandelingen te treden met elke 
Belgische regering die het principe van de federale staat zou erkennen 011 '. Er werd 
hierover geen beslissing genomen. Drie dagen later werd een voorstel besproken van 
Dr. Martens om door tussenpersonen voeling te zoeken met de passieven in Nederland. 
De zaak werd ook te berde gebracht in het Bureau van de Raad. Op 12 okt. deelde 
er voorzitter W. De Vreese mede dat de Belgische regering schrik had en dat de 
meerderheid ervan zou geneigd zijn onderhandelingen aan te vatten met de aktivisten! 
Hij was daarbij de mening toegedaan dat het ogenblik gekomen was om met de 
passieven te onderhandelen. 

Het uur van de naakte waarheid was echter aangebroken. Consul Asmis, chef van 
de sektie Flamenpolitik bij de Politische Abteilung, deelde op 16 oktober aan de 
Kommissie van Zaakgelastigden mede, dat men zich diende voor te bereiden op de 
slechtst mogelijke eventualiteiten. Het probleem van de uitwijking werd op deze 
vergadering besproken. De Kommissie had evenwel het plan niet opgegeven om 
kontakt te zoeken met de passieven. Op 16 okt. besliste zij dat Dr. Depla, Adelf. 
Henderickx, Edw. Joris en Dr. Martens zich met het oog hierop naar Holland zouden 
begeven. De aktivistische pers pleitte voor deze 



(110) RUDIGER. Un livre noir, o.c, 143. 

(111) Bid., 151. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



86 



samenwerking. Aldus in De Eendracht (12 okt.) en in het Vlaamsche Nieuws (19 
okt). In dit laatste blad schreef Prof. Dr. J. De Keersmaecker een artikel waarin hij 
betoogde dat, met het einde van de bezetting, ook het onderscheid verdween tussen 
passieven en aktivisten en dat er alleen maar flaminganten overbleven. Dat de wens 
hier de vader van de gedachte was, zou men vernemen op 25 okt. in de Kommissie 
waarin Dr. Depla verslag uitbracht over zijn reis naar Nederland: hij had er geen 
vooruitzichten voor samenwerking gevonden. Ook Dr. Martens kwam (2 nov.) met 
een gelijkaardig rapport terug. Alleen Em. Hullebroeck - maar die had geen politieke 
invloed - zou verklaard hebben aan Kiewit de Jonghe van het Algemeen Nederlands 
Verbond dat het ogenblik thans gekomen was voor de passieven, maar dat dit niet 
betekende dat men de aktivisten over boord zou werpen: men moest trachten de 
misverstanden op te helderen en dan nagaan met welke aktivisten men kon 
samenwerken. 

Het werd echter tijd voor de aktivisten, die de dans wensten te ontspringen, om 
de koffers te pakken. Reeds op 19 okt. had Joz. De Decker, in de kommissie van 
Zaakgelastigden, de mening geopperd, dat de kommissie zich best in Nederland zou 
vestigen en aldaar, onder de naam van Vlaams Komitee zijn propaganda zou 
organiseren. Op 30 okt. werd dan besloten tot de oprichting ervan over te gaan. Op 
dezelfde dag keurden de Zaakgelastigden de tekst goed van een manifest waarin 
verklaard werd dat de Raad van Vlaanderen verdaagd was. Een korte proklamatie 
Aan het Vlaamse volk, 'in opdracht van de Raad van Vlaanderen' getekend door al 
de Zaakgelastigden, met uitzondering van Edw. Joris, betekende het afscheid en het 
einde van het aktivisme <112) . De 3de november ondertekende Oostenrijk een 
wapenstilstand. Op deze zelfde dag brak ook in Kiel de muiterij uit onder de matrozen, 
toen men voor een laatste grote raid de vloot had willen inzetten. Tot in de laatste 
dagen geloofden de Zaakgelastigden - met uitzondering van F. Brulez - dat de Duitsers 
nog sterk genoeg gebleven waren om een deel van de aktivistische instellingen te 
redden en dat de passieven de taak van de aktivisten zouden overnemen en zelfs met 
een deel van hen zouden samenwerken. 



(112) Er bestaat over deze tekst wel enige verwarring. Zie de Franse vertaling in ARCHIVES, 214 
en rudiger. Un livre noir, o.c, 162. Dit is niet de tekst gegeven door faingnaert, 838-840. 
K. ANGERMILLE, o.c, 231-232 spreekt van een manifest van de Zaakgelastigden waarin 
verklaard werd dat de Raad verdaagd werd en van een Proklamatie Aan het Vlaamsche Volk. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



87 



Hier had echter Phil. Van Isacker, een van de jongere comingmen der nieuwe politiek, 
zijn antwoord gegeven. Bij een bezoek dat de Vlaamse overlopers, Haesaert en Van 
Santé hem brachten, stelden zij hem de vraag over de mogelijkheid tot samenwerking 
tussen de passieve Vlamingen en de Vlaamse oud-strijders. Van Isacker gaf als zijn 
mening te kennen, dat de katolieke Vlamingen, dank zij hun passieve houding, thans 
een gunstige kans hadden om de leiding van de katolieke partij in handen te nemen. 
De katolieke Vlamingen waren niet van plan om hun krachten te verspillen in de 
verdediging van het hopeloos geval der aktivisten. Hij wenste daarentegen niets beter 
dan samen te gaan met de oudstrijders, maar dezen moesten het mogelijk maken: hij 
had de indruk dat er bij de frontleiders tekort aan opbouwend realisme was <113) . In 
een notedop schijnt ons hier de politieke ontwikkeling van de volgende jaren 
samengevat. 

10. De propagandistische inspanning van het aktivisme 

Deze geschiedenis van het aktivisme zou een zeer eenzijdig en vals beeld geven van 
de betekenis dezer beweging, indien hier niet tevens de aandacht gevestigd werd op 
de vrij grote propagandistische aktiviteit ervan, op de zeer grote inspanning om door 
het geschreven en het gesproken woord de Vlaamse gedachte te verspreiden, het 
Vlaamse volksbewustzijn op te wekken en aldus ook de massa te winnen voor de 
aktivistische politiek 114 '. Voor het eerst in de geschiedenis beschikten flaminganten 
over geld, over veel geld zelfs. De aktivistische beweging werd in haar propaganda 
ruim door Duitsland gesteund. In december 1917 beschikte de propagandacentrale 
over 100.000 fr. per maand, een som die in maart gestegen was tot 200.000 fr. 

Er ontstond een aktivistische dagbladpers en een vloed van geschriften ging over 
het land. De aktivistische dagbladen waren: De Vlaamsche Post (Gent, tot in maart 
1916); De Gazet van Brussel; Het Vlaamsche Nieuws (Antwerpen) en in het 
etappegebied van Oost- en West- Vlaanderen De Nieuwe Gazet van Gent (later, als 
gevolg van titelaanspraken de Nieuwe Gentsche courant geworden) en het katolieke 
blad De Morgenbode. In een rapport van von der Lancken, januari 1917, wordt echter 
de klemtoon gelegd op de geringe verspreiding van deze aktivistische dagbla- 



(113) PH. VAN ISACKER. Tussen Staat en Volk. Nagelaten mémoires (1953), 51. 

(114) Onze uiteenzetting steunt op de ARCHIVES, op de Index Documentaire, o.c., van TH. HEYSE 
en op FAINGNAERT die de leiding had van de propaganda. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



88 



den in vergelijking met de nog verschijnende niet aktivistische. Te Antwerpen bijv. 
zou het Vlaamsche Nieuws een oplage gehad hebben van ca. 8.700, terwijl de 
Antwerpsche Courant gedrukt werd in 35 000 eksemplaren en het Nieuwsblad van 
Antwerpen in 25.000. Naast deze dagbladen waren tal van aktivistische weekbladen, 
waarvan het grootste gedeelte een plaatselijk karakter had. Hiervan verdienen een 
speciale vermelding: De Eendracht (vanaf 3 sept. 1916, orgaan van de katolieke 
unionisten), zeer degelijk opgesteld en gericht tot een meer intellektueel publiek' 115 '; 
Ons Land (vanaf 7 mei 1916, ontstaan uit het halfmaandelijkse Antwerpen Boven), 
beschouwd als het weekblad van Aug. Borms; De Vlaamsche Smeder (vanaf 14 april 
1918 te Gent, orgaan van Jan Wannyn en zijn groep). Een zeer speciale vermelding 
verdient de zeer oorspronkelijke vorm van propaganda met de uitgave van De Blijde 
Boodschap, een strooibiljet dat op grote schaal elke zondag na de missen werd 
uitgedeeld. Het bevatte een korte tekst van het Evangelie waarop dan de aktivistische 
toepassing op de gebeurtenissen van de dag volgde. Het werd beschouwd als een 
zeer doeltreffend propagandamiddel. Wij hebben hierboven reeds de aandacht 
gevestigd op de pers van de kleine, socialistisch-aktivistische groepen. De lijn tussen 
aktivisme en zuiver pacifisme (hoewel Vlaamsgezind) is hier niet steeds duidelijk te 
trekken: aldus in De Roode Jeugd, het maandblad van de Socialistische Jonge Wacht 
te Gent (116) . Voor de aktie onder de studerende jeugd dienen hier vermeld de reeds 
lang bestaande De Goedendag en De Katholieke Vlaamsche Student (eerste nr. op 
23 sept. 1916) bedoeld als opvolger van de vooroorlogse De Student. Een eresaluut 
moet in dit verband gebracht worden aan Aula, het zeer degelijke tijdschrift van de 
studenten aan de Vlaamse hogeschool. Vlaamsch Leven was de titel van een kultureel 
weekblad dat verscheen vanaf 3 okt. 1915 tot aan het einde van de oorlog. Het was 
een Vlaamse illustratie, onder redaktie van Willem Gijssels, met uitgesproken 
aktivistisch karakter. Naast verschillende maandschriften of organen van aktivistische 
groepen, moet hier, om te besluiten, gewezen worden op het bijzonder soliede 
maandschrift De Stroom waarvan het eerste nummer verscheen op 15 juli 1918 en 
dat derhalve maar een kortstondig leven heeft gekend. In deze dag- en weekbladpers 
zijn verschillende flin- 



(115) Vgl. over de evolutie van het blad de verklaring van Ad. Henderickx op zijn proces, o.c, 
14-15. 

(116) Vgl. hierboven, blz. 72. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



89 



ke journalisten op de voorgrond getreden. Wij vernoemen slechts Leo Picard (De 
VlaamschePost), Raf Verhulst (Luc 'mHet Vlaamsche Nieuws), Joz. Van den Broeck 
(De Eendracht), A. Peremans (Balder in De Gazet van Brussel) en Frans Primo. 

De aktivistische agitatie vond uitdrukking en tevens steun in een brede waaier van 
aktivistische verenigingen, met de meest diverse aktiviteiten. Volgens A. Faingnaert, 
de leider van het propagandabureau van de Raad van Vlaanderen, bestonden er 
aktivistische verenigingen in 41 1 gemeenten. Wij telden er voor Antwerpen 21, 
waaronder Vlaamse Padvinders, een symfonie, een onderwij svereniging en een 
harmonie. Voor Brussel vonden wij 24 kringen van de meest diverse aard. In Gent 
ontplooide zich een zeer intensieve werking, vooral op politiek gebied. Wij zullen 
hier nog op terugkomen. Het is nochtans waarschijnlijk dat veel van deze kringen 
maar een teoretisch bestaan hadden of slechts een zeer beperkt milieu bereikten. 
Daarentegen staat echter dat de opsomming in deArchives waarschijnlijk onvolledig 
is. Een propaganda-instrument van grote waarde, hoofdzakelijk nochtans tot bezieling 
van de eigen aanhangers, waren de liederavonden die in verschillende centra werden 
ingericht. De 'geuzenliederen' van René De Clercq (De Noodhoorn - 1916) vonden 
daar hun grootste bijval en mogen beslist als een sterke, zedelijke stootkracht 
beschouwd worden. 

Naast deze uitgesproken aktivistische verenigingen dienen een paar organisaties 
vermeld die geen uitgesproken politiek karakter hadden, doch niettemin bedoeld 
waren of gebruikt werden om een breder basis te krijgen voor het aktivisme. Wij 
bedoelen hier in de eerste plaats het werk van Volksopbeuring. Een eerste vereniging 
onder deze benaming werd reeds in september 1914 gesticht in Kortrijk door Dr. 
Doussy. Het werk was bestemd zowel om de sociale nood te lenigen als om het volk 
geestelijk en zedelijk op te beuren. Vanuit Kortrijk, waartoe de aktie lange tijd beperkt 
bleef, sloeg het initiatief over naar Gent (okt. 1915). In Antwerpen werd pas op 4 
maart 1916 de eerste afdeling gesticht, maar dit betekende dan ook het uitgangspunt 
van een bredere aktie. De sekretaris ervan was K. Angermille die de vereniging nu 
verder uitbouwde. In het begin was het vooral haar afdeling Soldatentroost die volk 
trok: door bemiddeling van deze dienst konden pakketten naar de krijgsgevangenen 
worden gestuurd. De eigenlijke sektie Volksopbeuring was uitsluitend bestemd voor 
de burgerbevolking. Ook hier slaagde men erin winkels te openen waar enkele 
koopwaren, schaars op de markt, te verkrijgen 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



90 



waren. Op 21 febr. 1918 kreeg Volksopbeuring een wettelijk statuut als 
samenwerkende vennootschap. De droom en de ambitie was het van de aktivisten 
het Comité National de Secours et d'Alimentation stilletjes aan weg te dringen uit 
zijn bevoorrechte positie van alleen-verdeler van alle voedingswaren. Zij hebben 
hier nooit iets kunnen bereiken. Wel heeft Volksopbeuring een andere sektor, ten 
minste voor een gedeelte, in handen gekregen nl. de Kolenverdeling voor Vlaanderen, 
een plan opgevat door Leo Meert en door de Duitsers dan toch gedeeltelijk 
gesteund' 117) . In een wisselende verhouding tot Volksopbeuring stond het werk van 
Volksontwikkeling, een initiatief van Ad. Peremans, in sept. 1916 gesticht in Brussel. 
De bedoeling ervan was te komen tot de uitbouw van een ware volksuniversiteit. In 
verschillende centra kwamen afdelingen tot stand. 

Naast het geschreven woord in de dag- en weekbladpers en de werking van de 
aktivistische kringen, kwam als groot propagandamiddel het gesproken woord. Het 
aktivisme is betrekkelijk laat naar buiten opgetreden met zijn meetings. Zo wordt de 
spreekbeurt van Aug. Borms, op 1 8 april 1 9 1 5 in Antwerpen, vermeld als zijn eerste 
publiek optreden. Hij heeft blijkbaar daarna getracht zijn achterstel in te halen. Hij 
was zonder de minste twijdel de grote figuur in de aktivistische propaganda naar 
buiten. Naast zijn vier reizen naar de krijgsgevangenenkampen in Duitsland, kon 
men van hem, vanaf 18 april 1915, niet minder dan 97 spreekbeurten vinden. Een 
buitengewoon hoog aantal, indien wij rekening houden met de verkeersmogelijkheden 
van die tijd! Hoeveel aktivistische meetings gehouden werden en hoeveel toehoorders 
er waren, valt moeilijk te schatten. Volgens de propaganda-stukken van de Raad, 
zou het aantal meetings, van dec. 1917 tot half okt. 1918, het totaal bereikt hebben 
van 1.210. Voor de stad Gent telde men 140 meetings, waarbij het aantal toehoorders 
schommelde tussen 300 en 7.000. Voor Antwerpen telde de propagandadienst 122 
meetings, waarbij het getal aanwezigen tussen de 200 en de 8.000 toehoorders 
bedroeg. Wij twijfelen zeer sterk aan de waarde van deze cijfers en vooral van het 
opgegeven aantal aanwezigen. Anderzijds is het bekend dat op verschillende plaatsen 
de sprekers moesten beschermd worden door de Duitsers om te kunnen optreden. 
Het enige dat wij mogen onthouden is dat ook op dit gebied een zeer grote inspanning 
werd gedaan die 



(117) Uitvoeriger over Volksverheffing en Kolenverdeling bij K. angermille, o.c. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



91 



zeker niet zonder vruchten is gebleven, te meer aangezien de aktivistische beweging 
op enkele zeer talentvolle sprekers een beroep kon doen. 

Wij kunnen hier, bij dit overzicht van de aktivistische propaganda, de aktie bij de 
Vlamingen in Nederland verwaarlozen: zij had niet veel om het lijf. Anders is het 
gesteld met de pogingen van de aktivisten, gesteund door de Duitsers, om propaganda 
te voeren in de krijgsgevangenenkampen in Duitsland' 118) . Reeds op 16 febr. 1915 
had het Duitse ministerie van oorlog beslist de krijgsgevangenen van Vlaamse 
oorsprong af te zonderen van de andere. Deze scheiding werd echter niet systematisch 
doorgevoerd. Alleen in Göttingen en Altengrabow schijnt dit het geval geweest te 
zijn. In Göttingen heeft de aktivistische propaganda beslist een weerklank gevonden. 
Daar verscheen een Vlaams blaadje Onze Taal dat in de handen kwam van de 
aktivisten, onder hoofdredaktie van Godfr. Rooms. Herhaaldelijk hebben aktivistische 
voormannen de kampen bezocht. Zo zijn ons van Aug. Borms c.s. ten minste vier 
reizen bekend, tussen mei 1917 en juli 1918. In aug. 1917 werd een vertrouwde 
vriend van Borms, Cyr. Rousseu aangesteld tot afgevaardigde van het 
propaganda-bureau van de Raad van Vlaanderen in het kamp te Göttingen. Het nabije 
doel van deze werking was het Vlaams bewustzijn op te wekken; het doel op verdere 
afstand was een kern van Vlaamse weermacht te vormen om de aktivistische politiek 
te ondersteunen en te beschermen. Al de pogingen in deze richting zijn echter afgestuit 
op Duitse onwil: wij zijn hier ver van de Tsjechische politiek der Verbonden 
Mogendheden! In Vlaanderen zelf was een poging tot oprichting van een eigen 
Vlaamse Rijkswacht, waarvoor ook krijgsgevangenen ter beschikking zouden worden 
gesteld, in de kiem blijven steken. Een tijdlang is er, in het kamp te Göttingen, een 
betrekkelijk aktief Vlaams leven geweest, maar in de zitting van de Kommissie van 
Zaakgelastigden moest reeds op 31 mei 1918 Borms mededelen dat alle Vlaams 
leven in de kampen dood was. Tijdens zijn vierde reis, in juli 1918, moest hij ook in 
Göttingen de achteruitgang van de Vlaamse werking vaststellen. In haar geheel 
genomen heeft de aktivistische propaganda in de kampen de barrière niet kunnen 
doorbreken van de fel anti-Duitse stemming die daar heerste. 

Wij hebben hierboven gesproken van een vloed van vlugschriften 



(118) Naast archives ook rudiger. Un livre noir, o.c. 1-104 die echter meer handelt over de 
Duitse propaganda in de kampen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



92 



die door de aktivisten over Vlaanderen werd uitgestort. Volgens de gegevens van 
het propaganda-bureau werden, van jan. tot sept. 1918 niet minder dan 2.552.279 
eksemplaren van propagandaschriften verspreid. Het is niet mogelijk hiervan een 
samenvattend overzicht te geven. Er zit van alles tussen. Wij kunnen alleen de 
aandacht even vestigen op enkele brochures die, terwille van de schrijver of van de 
grotere verspreiding die zij gehad hebben, dan toch moeten vermeld worden. Einde 
dec. 1915 reeds verscheen van de hand van Claudius Severus (L. Severijns) 
Vlaanderens Weezang 019 ' '. Toen, omstreeks Pinksteren 1916, de tweede uitgave ervan 
verscheen, werd deze in 100.000 eksemplaren verspreid. In een reeks zeer populaire 
tekeningen, waarin telkens Vlaanderen tegenover Wallonië gesteld werd, zien wij 
hier een reeks statistieken verwerkt die de sociale en ekonomische achteruitstelling 
van Vlaanderen in België moesten bewijzen en de illustratie brengen van de stelling 
van Lod. De Raet: taalbelang is ook stoffelijk belang, ditmaal ter illustratie van de 
noodzakelijkheid van de eigen staat. Van de hand van Flor. Heuvelmans, als overdruk 
uit het weekblad De Eendracht, verschenen de populaire en vlot geschreven Zes 
Praatjes van 'Onze Pee ' mitsgaders even diepzinnige beschouwingen over 'actieve ' 
en 'passieve ' Vlamingen, Vlaamsche Hoogeschool, Bestuurlijke Scheiding enz. van 
den geestigen philosoof (Berchem, 1917, 55 blz.). Reeds begin december 1917 
verscheen de brochure van H.L. Tanrez Aan den Uzer (27 blz.), over de Vlaamse 
wantoestanden aan het front. Het tot stand komen van de Vlaamse zelfstandigheid 
werd in het licht van 1830 gezien in een brochure Een blad uit de geschiedenis van 
ons vaderland. Hoe kwam de staat Vlaanderen tot stand? Hoe komt zelfstandig 
Vlaanderen tot stand? (Brussel, 1918, 12blz.)ennog in juni 1918 gaf G.RM. Roose 
een brochure uit onder de titel Wat Dr. Frans Van Cauwelaert zegt over de 
wantoestanden in het Belgisch leger aan den Uzer. De Vlaamsche Plicht (Leuven, 
24 blz.), om zich te beroepen op het programma van het Algemeen Belgisch Verbond 
(Den Haag) om het aktivistisch programma te verdedigen. Een bijzonder sterke 
weerklank vonden in de aktivistische beweging - en na 1918 nog in de Vlaamse 
Beweging over 't algemeen - de drie brochures van de Uzerreeks die in mei-juni 1918 
uitgegeven werden door K. De Schaepdrijver en Jul. Charpentier: I. 
Ontwikkelingsgang der Vlaamsche Frontbeweging. Vlugschriften en brieven van af 



(119) Er verschenen ook brokstukken van onder verschillende titels en in verschillende formaten. 
Aldus Gerechtigheid en Waarom? 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



93 



11 juli 1917 tot half-maart 1918 verschenen en door de Vlaamsche Frontpartij 
uitgegeven en verzameld (III blz.); II. Open Brieven der Vlaamsche Frontpartij (48 
blz.); III. Vlaanderens Weezang aan den Uzer (9 1 blz.). Hierin werden de vervolgingen 
waarvan de Vlaamsgezinde soldaten het slachtoffer waren beschreven, de bestaande 
wantoestanden en de mentaliteit van de officieren aangeklaagd, de dokumenten, door 
de frontbeweging verspreid, afgedrukt. 

Enkele andere publikaties uit het aktivisme kunnen gerekend worden tot een 
degelijker genre. Hiertoe behoort de naamloos verschenen brochure van Ir. H. 
Mommaerts Aan het Vlaamsche Volk bieden wij dit vertoog om het in te lichten over 
den toestand van onze Vlaamsche volksbeweging in deze benarde tijden (Leuven, 
1917, 24 blz.) waarin al de anti-Vlaamse uitlatingen van de patriottische, franstalige 
kringen werden samengebracht om te bewijzen dat het de tegenstanders waren die 
de godsvrede het eerst hadden verbroken. Van Hugo Van den Broeck verscheen, in 
aug. 1916, een zeer gematigde en nog zeer belgischgezinde brochure onder de 
schuilnaam H. De Wachter met als titel Het herstel van België (32 blz.), waarin werd 
vooropgesteld dat Vlaanderen binnen België tot zijn volledige ontwikkeling kon 
komen. De schrijver is zo gematigd dat hij, in de polemieken omheen de bestuurlijke 
scheiding, niet eens stelling neemt ten voordele van deze hervorming. Over de 
doelmatigheid van dit middel tot gezondmaking van het Vlaamse volk, kan men van 
mening verschillen, oordeelt hij, maar het ware op zijn minst onrechtvaardig deze 
propaganda als anti-Belgisch te bestempelen. Een populaire, maar zeer degelijk 
geschreven brochure was die van A. Faingnaert Wat het Vlaamsche volk weten moet 
aangaande het Kempisch kolenbekken (Brussel, 1917, 31 blz.). De schrijver is zeer 
radikaal in zijn opvattingen met zijn voorstel tot nationalizering van het 
koolmijnbekken en de herziening van de bestaande wetgeving met invoering van het 
principe van de publieke domanialiteit. Vermeldenswaardig is ook een 
brochure-manifest van M. Josson en F. Reinhard Nationaal Vlaamsch Verbond. Het 
Vlaamsche volk tegen den centralis erenden en verfranschenden Belgischen staat 
(Brussel, 16 sept. 1917, 32 blz. - ook in Franse uitgave). Het is een pleidooi voor 
federalisme bij het herstel van België en de motivering hiervan door de opsomming 
van het bekende grievenregister, in het teken van de strijd die door de samenstellers 
sedert tientallen jaren in Brussel werd gevoerd. Het manifest besluit met de 
behandeling van het internationaal aspekt van het vraagstuk: een federale staat is een 
waarborg voor de rust in Europa omdat hij een einde zal stellen 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



94 



aan de vazaliteit van België tegenover Frankrijk. Zwaarder op de hand was het boek 
van Liederik (= Joris Fassotte) Vlaanderen 's Economische zelfstandigheid (Antwerpen, 
1917, 190 blz.), dat spoedig een tweede uitgave kende. Het grondtema van het boek 
is de noodzakelijkheid van een (steeds betrekkelijke weliswaar) ekonomische 
autonomie van Vlaanderen, gewaarborgd door de politieke zelfstandigheid. Deze 
argumentatie berust op een ontleding van de ekonomische en financiële struktuur 
van België, met als konklusie de noodzakelijkheid van het breken dezer 
eenheidsstruktuur om ze om te vormen tot een werktuig van Vlaanderens kulturele 
grootheid, waarbij de taaiplicht zou gelden voor deze hele ekonomische organisatie, 
ter vervanging van de taalvrijheid van art. 23 van de Grondwet. Begin 1918 gaf 
Liederik nog een degelijke brochure uit onder de titel Vlaanderen, een zelfstandige 
staat (geschreven nov.-dec. 1917). Reeds in zijn voorgaande boek had Liederik 
geschreven: wij moeten 'bij alle politieke doeleinden steeds de zorg voor Vlaanderens 
ekonomische toekomst laten spreken. Voorwaar, wij mogen ons niet meer 
vergenoegen met de kleine ideaaltjes van de Vlaamse Beweging van vroeger, gelijk 
een kind dat aan een broodkorst knuffelt' (blz. 16, 2de uitg.). Hij kwam hier op dit 
tema terug, waarbij ook de aandacht speciaal op het vraagstuk Brussel werd gevestigd. 
De Vlaamse Beweging - aldus zijn betoog - kon in de oude vorm Vlaanderen niet 
bevrijden van de vloek die erover hing, nl. de verzoening met het Belgisch staatsbegrip 
die de kiem bleef van de machteloosheid. Er was voor ons maar één mogelijkheid 
en één uitweg: omdat België de negatie van Vlaanderen is, dienen wij ons van België 
af te wenden. Alleen kunnen wij dat niet. Duitsland is, door de omstandigheden, 
onze bondgenoot en wij moeten thans onze zelfstandigheid bereiken. Onze toekomst 
zal innig met die van Duitsland verbonden zijn, maar wij dienen daarbij toch de 
grootst mogelijke zelfstandigheid op elk gebied te bereiken. België zal omgebouwd 
worden om zowel Duitsland als Engeland-Frankrijk tot overeenstemming te brengen. 
Wij willen een koninkrijk Vlaanderen (met of zonder personele unie met Wallonië) 
en wensen dit statuut bevestigd en bestendigd te zien door internationale verdragen. 

Naar aanleiding van de brochure van Faingnaert en het boek van Liederik, moet 
hier een aspekt van het aktivisme naar voren gebracht worden dat tot dusver nog 
geen voldoende aandacht gevonden heeft. Het gaat om de ekonomische en sociale 
zijde van deze politiek. De aktivisten hebben hier vanzelfsprekend niets kunnen 
bereiken, omdat zij over geen wetgevende macht hebben 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



95 



beschikt, maar het is toch opmerkelijk vast te stellen hoe de studies van Lod. De 
Raet, die vóór de oorlog toch maar weinig weerklank vonden in de Beweging, met 
uitzondering natuurlijk van zijn werk dat rechtstreeks betrekking had op de 
vernederlandsing van Gent, dadelijk in het aktivisme hun opgeld deden om daar - 
voor een groot deel tegen de opvattingen van De Raet zelf - aangepast te worden aan 
de nieuwe politiek. Opvallend en opmerkelijk is het dat de Raad van Vlaanderen, 
vanaf het begin, ook de klemtoon gelegd heeft op de sociale en ekonomische welvaart 
van het Vlaamse volk. In een van de eerste publikaties, de brochure De Raad van 
Vlaanderen aan het Vlaamsche Volk, na de reis naar Berlijn, vinden wij een beknopt 
ekonomisch programma, geformuleerd in negen punten (o.a. verschaffing van 
werkgelegenheid - exploitatie van al de ekonomische faktoren van het land - zorg 
voor de openbare gezondheid - uitbreiding en verbetering van de sociale wetgeving 
- herziening van de pachtwet - uitbreiding van het landbouwkrediet - invoering van 
de klimmende belasting op het inkomen - bevordering van de belangen van de 
middenstand). De opvatting die aan de grondslag ligt van deze ekonomische 
bekommernis, was de overtuiging dat de Vlaamse Beweging geen loutere taalstrijd 
was, 'wel een strijd om den brode en om voorspoed voor het Vlaamse volk op eigen 
bodem; ... het Vlaamse volk zal slechts in aanzien winnen, als de ekonomische 
faktoren van zijn land te zijnen voordele uitgebaat worden'. 

De voornaamste aktivistische publikatie was echter, in febr. 1918, het Katholiek 
Activistisch Verweerschrift van Lod. Dosfel (Gent, 1918, 49 blz., gedateerd van 14 
nov. 1917). Het is een stuk van zeer grote betekenis, wegens het zedelijk gezag 
waarover Dosfel in Vlaanderen beschikte. Hij had, na veel twijfel, een benoeming 
aanvaard als hoogleraar te Gent. Hij was geen stap verder meer gegaan. Afwijzend 
stond hij tegenover de invoering van de bestuurlijke scheiding, omdat hij er niet meer 
zeker van was dat de Duitse wetgever zich hier nog bevond binnen het kader van de 
Belgische wettelijkheid en van de Konventie van Den Haag. Hij stond op het standpunt 
dat, bij het sluiten van de vrede, het zou wenselijk zijn België als internationale 
entiteit te bewaren, doch dat naar binnen Vlaanderen en Wallonië politieke 
zelfstandigheid zouden moeten genieten. Bij een niet zeer kritische lezing echter van 
het Verweerschrift vallen deze beperkingen grotendeels voor de lezer weg, doordat 
Dosfel, in de kern van zijn betoog, nl. in het vierde hoofdstuk over het aktivisme en 
de plicht van vaderlandsliefde, 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



96 



niet alleen zijn aktivisme verdedigt, maar de aktivistische stellingen kortaf. Drie 
tesissen worden hier verdedigd: 1 . er bestaan in de Belgische staat twee nationaliteiten; 
2. in de Belgische staat, op grondslag van de eenheid gebouwd, is de Vlaamse 
nationaliteit met ondergang bedreigd en menigeen gelooft dat Vlaanderen zich in 
staat van noodweer bevindt; 3. Vlaanderen worde zelfstandig: deze zelfstandigheid 
is opperbest verenigbaar met Belgiës herstel. Wel wordt hier telkens het pro en het 
contra zorgvuldig afgewogen, maar welke indruk kon er niet overblijven waar de 
polemist, na de argumentatie van de gematigde aktivisten en van de radikalen 
tegenover elkaar te hebben gesteld, op de vraag wie dan gelijk heeft, antwoordt met 
een 'de vraag is onoplosbaar'? Daarbij komt nog de argumentatie voor zijn eigen 
tesis (zelfstandig Vlaanderen in reële unie met Wallonië) de schijn verwekken dat 
Dosfel dan achter het hele aktivisme staat. De konklusie van Dosfel is: 'de gedachte 
van Vlaanderens zelfstandigheid werd gezaaid! haar zal niets meer uitroeien'. Ook 
het slotwoord is typisch voor Dosfel: 'Zuiverend werkt de storm wel, maar eilaas 
steeds verdelgend. Veel voorzichtigheid, veel wijsheid, onbekrompen 
rechtvaardigheidszin kunnen wellicht zware rampen vermijden. God verlichte 
regeerders en onderdanen. ' 

Het Katholiek Activistisch Verweerschrift vond een diepe weerklank. Het staalde 
vele overtuigingen. In menige geest werden de gedachten die erin vervat waren, voor 
de toekomst opgeborgen als een scherp strijdwapen, want het Verweerschrift droeg 
verder dan de polemieken van één dag. Of het geschrift propagandistisch nog veel 
geworven heeft voor het aktivisme, durven wij betwijfelen en is bezwaarlijk na te 
gaan: om dit doel te bereiken is het zonder twijfel juist een jaar te laat verschenen' 120 '. 

11. Samenvattende beschouwingen 

De aktivistische inspanning voor de propaganda is zonder twijfel heel groot geweest, 
maar bij dit alles blijft toch de vraag: in welke mate vond ze weerklank en had ze 
werfkracht? De omvang en de diepte meten van een partij of een bepaalde politieke 
stroming is een gewaagde onderneming zolang als men niet beschikt over 



(120) L. Dosfel gaf tijdens de oorlog ook nog een brochure uit van Cyr. Verschaeve onder de titel 
w. van SAEFTINGE. 1830-1908. Deze uitgave is zeer belangrijk voor de kennis van de 
opvattingen van Dosfel, door de kritische voetnoten die hij bij de tekst van Verschaeve 
aanbracht. Voor de tekst zelf, zie elias, o.c, iv, 90-93. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



97 



verkiezingen 'om de neuzen te tellen'. Dit is zeker het geval voor het aktivisme dat, 
door de nederlaag, al wat niet helemaal gekompromitteerd was of wat zich slechts 
aan de rand van de beweging bewogen heeft, plotseling moest zien verdwijnen. 'Ik 
heb deze mensen niet gekend' luidt, in dit geval, de levenswet. Daarbij komt nog 
een andere overweging. Het aktivisme, in een oorlogskonflikt zonder ideologische 
grondslagen, was van stonden aan en is ook tot het eind toe niets anders gebleven 
als een onderdeel van de traditionele Vlaamse Beweging. Als dusdanig dienen wij 
er rekening mede te houden, dat deze Beweging vóór 1914 geen echte volksbeweging 
kan genoemd worden 021 '. De flaminganten waren nog een betrekkelijk kleine 
minderheid. Tijdens de oorlog viel het flamingantische kamp in het bezet gebied 
uiteen in aktivisten en passieven, zonder dan nog te spreken van de passieven in het 
buitenland en de frontbeweging. Met het oog op deze splitsing is het niet mogelijk 
uit te maken in welke mate het aktivisme de meerderheid van het vooroorlogse 
flamingantisme al dan niet vertegenwoordigde. Hier wegen, in de twee kampen, de 
namen van de flamingantische voormannen tegen elkaar op. Wij zouden, wat ons 
betreft, de balans laten overhellen naar het aktivisme, zonder nadere schatting, zolang 
als het niet gaat om de vechtlust van de flamingantische overtuiging. In dit laatste 
opzicht - zoals wij verder nog zullen zien - stond het aktivisme zonder twijfel vooraan. 

Er zijn, bij dit oordeel over de omvang van het aktivisme en over de aanwinst 
ervan tijdens de oorlog, wel enkele cijfers vernoemd, maar zij laten ons, over 't 
algemeen, zeer skeptisch. Aldus de berekeningen van A. Faingnaert over het resultaat 
van de volksraadplegingen, begin 1918. Hij is de mening toegedaan dat, zonder de 
voortijdige ingreep van de Duitsers, het aantal van 125.000 deelnemers, berekend 
door P. Tack en Ach. Brys, nog te laag geschat is. Wij kunnen het moeilijk 
aanvaarden. Wij kunnen evenmin Jan Borms geloven die, op een studiedag in Brussel 
op 19 mei 1918, verklaarde dat in Limburg de beste aktivisten de priesters waren. 
Hij telde daarbij 180 aktivistische priesters tegen 53 passieven of vijandigen <122) . Laten 
wij eens van naderbij een plaatselijke toestand onderzoeken: het centrum Gent. De 
uitgever van het archief van Jong- Vlaanderen spreekt van 50.000 aktivisten in 
Oost- Vlaanderen, waarbij men de partij rekende van 



(121) Vgl. elias, o.c, iv, 357. 

(122) ARCHIVES, 392. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



98 



H. Plancquaert die, op de volksraadpleging in Gent de 27ste jan. 1918, verklaarde 
zich namens zijn partij aan te sluiten bij het aktivisme. A. Faingnaert schatte zijn 
aanhang op 20.000 man, elders zelfs op 25.000. Dat wij deze 20.000 man bezwaarlijk 
tot het aktivisme kunnen rekenen, zal wel voor iedereen duidelijk zijn. In Gent stond 
het aktivisme evenwel sterk, vooral de Jong- Vlaamse vleugel onder de impuls van 
Jan Wannijn. Zijn 'Nationalistische Bond' telde in juni 1918 reeds 4.236 leden, een 
cijfer dat in okt. 1918 zou gestegen zijn tot 7.800 uitgesproken en 1.500 geheime 
leden <123) . Dit is een verwonderlijke en zeker uitzonderlijke aangroei, aangezien sedert 
juli ongetwijfeld overal achteruitgang te bespeuren valt. Het is daarenboven een cijfer 
waar geen enkele kontrole op bestaat en in de politiek is het dan toch een algemeen 
verspreide gewoonte ledengetallen voor de openbare mening op te drijven. Het getal 
50.000 aktivisten in Oost- Vlaanderen wordt aldus pure fantasie. In de streek van 
Aalst - verzekerde mij een oud-aktivist - waren er maar een handvol! Er is meer. Wij 
weten dat zij zelfs in Antwerpen bij de volksraadpleging op straat geen baas konden 
blijven. Op 19 mei 1918 - de voornoemde studiedag in Brussel - verklaarde Rich. 
De Cneudt, dat indien de Duitse overheid niet tussenbeide kwam de aktivisten zouden 
verplicht zijn de strijd op te geven omdat zij machteloos waren tegenover de 
franskiljons. De tegenstanders maakten gewag van 25.000 aktivisten. Jan Eggen is 
hiertegen in verzet gekomen en beweerde dat er veel meer waren daar zij konden 
rekenen op 'de geheime verstandhouding van bijna iedereen in Vlaanderen' 024 '. Ook 
Prof. R. Speleers sprak mij herhaaldelijk over de talrijke flaminganten die een 
afwachtende houding aannamen, bereid om bij te springen in geval van een 
overwinning. Dit is evenwel een normaal en algemeen verschijnsel, maar wij hebben, 
wat de politieke aktiviteit betreft, alleen maar rekening te houden met aktieve 
aanhangers. Welnu, wat ons treft bij de pogingen die de aktivisten hebben ondernomen 
of wilden ondernemen om de macht te veroveren, is telkens het feit dat hier een 
revolutie diende doorgevoerd zonder mensen. Er zijn tal van ontwerpen geweest en 
hoge ambities, maar er waren geen mensen genoeg om de plaatsen in te nemen. Een 
treffend voorbeeld hiervan zijn de plannen om de stadhuizen te veroveren. Alleen te 
Gent is men overgegaan tot de omzetting van het kollege van burgemeester en 
schepenen, waar- 



(123) FAINGNAERT, 243. 

(124) EGGEN VAN TERLAN, O.C., 70. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



99 



bij de eerstgenoemde dan nog een Duitser was. Een zelfde plan voor Brussel kwam 
niet tot uitvoering. Toen de Belgische magistratuur in staking ging, kon men er niet 
eens aan denken ze door een aktivistische te vervangen. Zo was het op elk gebied. 
Een van de gevolgen ervan was dat de vooraanstaande aktivisten, onder hen de Gentse 
hoogleraren, verscheidene posten dienden waar te nemen. Deze aktivisten werden 
dan ook uitgescholden voor baantjesjagers, wat niet met de waarheid strookte. Het 
was inderdaad het gevolg, op weinige uitzonderingen na, niet van een grenzeloze 
ambitie of geldzucht, maar eenvoudig van een tekort aan mensen. De basis van het 
aktivisme was niet breed genoeg om op eigen krachten een staat uit te bouwen door 
de bezetting van alle sleutelposities. Revolutionairen beroepen zich daarbij natuurlijk 
op de inertie van de massa en de grote betekenis van kleine minderheden die de 
geschiedenis maken. Dit is inderdaad juist, maar deze minoriteiten maken meestal 
geen kans tegenover de gevestigde macht, indien er geen gunstige stemming, geen 
gelijkaardige onderstroming bestaat in de grote massa. De verhoudingen moeten ten 
minste dusdanig zijn dat de massa bereid is zich geweld te laten aandoen door de 
minderheid, geneigd is deze te volgen. Dit was beslist niet het geval voor het 
aktivisme. De massa van het volk stond vijandig tegenover hun ondernemingen of 
- in het beste geval - volkomen onverschillig, omdat de aktivistische beweging te 
onbeduidend was. De aktivisten waren niet blind voor deze werkelijkheid. Dit 
verklaart, dat de Duitsers zich konden beroepen op de wens of de instemming van 
de radikalen om, ook na het sluiten van de vrede, voor lange jaren een Duitse bezetting 
te voorzien. Er viel een toestand te vrezen zoals die in 1815-1830, waarin ook de 
nederlandsgezinde voorstanders van het Verenigd Koninkrijk geen bouwers konden 
worden van de staat. Een eendrachtige Vlaamse Beweging zou het waarschijnlijk, 
in 1914-1918, ook niet gekund hebben: hoe zou dan een gehalveerde beweging hierin 
slagen? 

Daarbij dient nog rekening gehouden met het feit dat het aktivisme geen gesloten 
blok vormde. Terecht zullen flaminganten van naam, voor de Belgische rechtbanken, 
er een beroep op mogen doen dat zij afwijzend stonden tegenover de bestuurlijke 
scheiding en beslist tegen de politiek van de Raad van Vlaanderen waren. Wij hebben, 
bij het onderzoek van de groeperingen in de schoot van de Raad zelf, reeds gewezen 
op de tegenstelling tussen Unionisten en Jong- Vlamingen. Bij een overzicht van het 
aktivisme in zijn geheel zijn de schakeringen veel groter: een regenboog 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



100 



van kleuren, van Dosfel tot Domela Nieuwenhuis! Er zijn partijgangers van de 
zelfstandigheidsgedachte binnen het kader van de Belgische staat - unionisten dus - 
die echter tijdens de oorlog tot deze hervorming niet wilden overgaan: vele aktivisten 
zijn op het standpunt blijven staan van een aktie die binnen de Belgische wettelijkheid 
en de Konventie van Den Haag bleef, ook al waren zij voorstanders van het 
federalisme. Andere unionisten daarentegen wilden het Belgische kader behouden, 
maar vonden het wel opportuun reeds tijdens de bezetting en met de hulp van de 
Duitsers de federale omvorming van de staat door te drijven. In de Jong- Vlaamse 
vleugel, de werkelijk revolutionaire, die streefde naar de volledige zelfstandigheid, 
zijn de schakeringen minder uitgesproken. Hun drijvende kracht was ook veel groter. 
Het woord 'aktivisme' is aldus een verzamelbegrip van zeer verschillende strekkingen 
waar alleen de idee van de politieke zelfstandigheid als een gemeengoed door allen 
verder in de geschiedenis wordt medegedragen. 

Dit gebrek aan mensen en dit verschil van opvattingen werden dan toch in zekere 
mate goed gemaakt door de geestelijke spankracht die in het aktivisme schuilde en 
waarborgen gaf voor de toekomst. Wij hebben in dit verband reeds gewezen op de 
studenten van de Gentse universiteit. Daarnaast valt het op dat bijna al de jonge 
letterkundigen in het aktivisme hebben gestaan: P. Van Ostayen, Ach. Mussche, 
Wies Moens, VJ. Brunclair, G. Burssens, Marnix Gijsen (= JA. Goris), Urb. Van 
de Voorde, R. Herreman, K. Leroux (125) . In zijn afscheidswoord aan het aktivisme 
(26 okt. 1918) heeft Flor. Couteele gezegd wat het voor deze jongeren betekende: 
'het aktivisme heeft ons, knus-burgerlijke non-kombattanten in de schaduw van 
dezen geweldiglelijken tijd een wappering van iets groots doen voelen. Daar zijn wij 
het aktivisme dankbaar voor in de eigenlijke vervreemding van het scheiden' 026 '. In 
het niet politieke, maar toch uitgesproken aktivistische geïllustreerde weekblad 
Vlaamsch Leven kon de redaktie aan het einde van de derde jaargang (nr. van 29 
sept. 1918 - Bijvoegsel) een lijst opgeven van medewerkers, waarin o.a. voorkomen: 
Stijn Streuvels, Georges Eekhoud, Pol 



(125) Vgl. het interview met Ach. Mussche bij J. FLORQUIN. Ten huize van... 2e Reeks (1964), 98. 
In dezelfde zin bij P. KENIS. Een overzicht van de Vlaamsche letterkunde na 'Van Nu en 
Straks ' (1930) en bij M. GYSEN. De literatuur in Zuid-Nederland sedert 1830 (meerdere 
uitgaven). 

(126) f.l. couteele. Dagboek van een arrivist, z.j. (193 1), 96. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



101 



De Mont, Emm. De Bom, Alf. De Cock, L. Baekelmans, H. Baccaert, G. Vermeersch, 
R. De Cneudt, R. De Clercq, Fel. Timmermans, Piet Van Assche, Is. Van Beugem, 
Alf. Jeurissen, L. Lambrechts, R Bellefroid, Maur. Roelants, R. Herreman, K. Leroux, 
R Van Ostayen, L. Monteyne, Herm. Van Overbeke, Paul Gilson, Jef Van Hoof, Jef 
Van den Eynde, Arth. Meulemans, Edw. Leonard, A.W. Grauls, en Jef Crick. 

Indien men, bij deze opsomming van namen, nog die voegt van de reeds vermelde 
aktivisten die aan de universiteit of in de politiek een rol hebben gespeeld, krijgt men 
tevens het antwoord op de door ons reeds even opgeworpen vraag over de oorsprong 
van het aktivisme. Dit was geen beweging die door de Duitsers in het leven werd 
geroepen. Het was, in een krisis-periode die door velen werd aangezien als de 
dageraad van een nieuwe tijd, de logische uitgroei van het nationalisme dat steeds 
in de beweging verscholen lag en juist op de vooravond van de oorlog zijn doorbraak 
zocht van het kulturele naar het politieke. 

Dat deze groei, van onvoorwaardelijk loyalisme in aug. 1914 tot revolutionair 
aktivisme, bij velen maar traag en geleidelijk is geweest, hebben wij hierboven 
bewezen en de omstandigheden waarin dit gebeurde zijn een verder bewijs voor onze 
bewering over de groei uit eigen bodem. De uitdagende houding van de 
Belgisch-nationalistische pers, het stilzwijgen van de regering die dezelfde richting 
scheen te willen opgaan, hebben menig flamingant de overtuiging bijgebracht dat 
een gunstig evenwicht voor de toekomst alleen te vinden was in een Duits 
tegengewicht. In hoever hebben de aktivisten daarbij gerekend op een Duitse 
overwinning? Reeds op zijn proces heeft Aug. Borms deze aantijging van de hand 
gewezen en verklaard, dat de politiek van het aktivisme dient gezien in de verwachting 
en de overtuiging van een vrede door vergelijk. Dit is, na de oorlog, de algemene 
verdedigingslinie geworden van het aktivisme' 127) . Dat dit de algemene verwachting 
is geweest van de unionistische aktivisten (de overgrote meerderheid) die rekenden 
op een internationalizering van het Vlaamse vraagstuk in Europees perspektief, kan 
men gerust aanvaarden. Dat dit ook het geval zou geweest zijn bij de Jong- Vlamingen 
valt beslist te betwijfelen. Het is hier voor velen 



(127) Vgl. Aug. Borms voor het gerecht, z.j. (2e uitg. 1929 of 1930), 284; A. BORMS. Tien jaar in 
den Belgischen kerker (1930), 119 en 138; Id. Tegen leugen en laster (1932), 8-9. Vgl. ook 
R. SPELEERS. Is de Vlaamsche Beweging een nationale beweging, ja of neen? z.j. (1924), 54. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



102 



onder hen, zo niet voor allen, te beschouwen als een konstruktie a posteriori, of ten 
hoogste als een opvatting die bij deze groep is ontstaan, toen de kansen op een 
volledige Duitse overwinning vrij klein geworden waren. Bij de beoordeling van 
deze politiek, zowel van de unionisten als van de radikalen, moet men zich vrij maken 
van elke visie achteraf die, in de scherpste vorm, de Duitse nederlaag reeds bezegeld 
ziet in de slag aan de Marne (6-9 sept. 1914). Tot in mei-juni 1918 zijn de kansen 
van de oorlog onzeker gebleven en dat de gedachte van een vrede door vergelijk 
reeds tijdens de oorlog bestond en door de aktivisten openlijk werd uitgesproken, 
lijdt geen twijfel. 

Deze verwachting werd gelogenstraft door de gebeurtenissen. De omstandigheid 
dat een Duitse nederlaag steeds tot de mogelijkheden behoord heeft, bestempelt de 
aktivistische beweging tot een revolutionaire, beslist vanaf de oprichting van de Raad 
van Vlaanderen en ze moet dan ook als dusdanig beoordeeld worden. In haar nederlaag 
en door de gevolgen hiervan, vonden de politiek en de publicistiek een rijke stof om 
het aktivisme als een schadelijke onderneming voor de Vlaamse Beweging te 
brandmerken. Schadelijk of vruchtbaar? Reeds in het begin van het jaar 1919 stelde 
L. Dosfel de vraag en kon hij er geen antwoord op geven. Hij stelde alleen vast, als 
een zaak die zeker was: het aktivisme 'heeft de Vlaamse Beweging tot een boeiende, 
prangende, om oplossing-schreeuwende zaak gemaakt en de aandacht der wereld 
erop gevestigd. Het heeft de grond diep omgewoeld'* 128 '. Hij had reeds in zijn 
Verweerschrift de gedachte van Vlaanderens zelfstandigheid als de grote 
verworvenheid van het aktivisme voor de toekomst van de Vlaamse Beweging begroet 
en toegejuicht. Aldus, in een ruimer perspektief gezien, is de vraag 'schadelijk of 
vruchtbaar' ook nu nog niet te beantwoorden. Het is, per slot van rekening, de vraag 
naar de vruchtbaarheid van de politiek van de Vlaamse Belgicisten onder leiding van 
Frans Van Cauwelaert en van de Vlaams-nationalistische beweging na 1918. 

De aktivisten hebben daarbij op hun aktief willen schrijven, dat het 
Vlaams-nationale bewustzijn, onder de aanstoot hoofdzakelijk van het aktivisme, 
zich in de massa heeft doorgezet. Er zijn inderdaad getuigenissen die op deze groei 
wijzen. Tijdens de oorlog reeds heeft ook Van Cauwelaert op dit steeds groter wordend 
Vlaams bewustzijn gewezen. Zijn orgaan Vrij België (28 sept. 1917) schreef zelfs 
van 'een ontwaking van het Vlaamse 



(128) Cit. A. DE BRUYNE. L. Dosfel, o.c, 299. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



103 



volk' en ook in zijn Memorandum aan de Britse Konsul-generaal in Den Haag (1918) 
heeft hij hetzelfde bevestigd. Ook in Duitse kringen van het Generaalgoevernement 
was men dezelfde mening toegedaan" 29 '. Er is geen reden om aan deze uitspraken te 
twijfelen. Het verloop van de gebeurtenissen na 1918 bewijst dit en wij kunnen 
moeilijk inzien dat dit alleen een gevolg is van de aktie van de passieven of van de 
frontbeweging. De aktivistische politiek heeft wis en zeker de Vlaamse kwestie weten 
te maken tot hét teken van tegenspraak in de Belgische politiek. 

Dit betekent niet dat het aktivisme in verscheidene opzichten ook geen nadelige 
gevolgen gehad heeft voor de Vlaamse Beweging. Ook hier is het nochtans moeilijk 
af te wegen. Wij dienen af te rekenen met nieuwe omstandigheden en met nieuwe 
politieke verschijnselen. Indien wij aanvaarden dat het aktivisme een episode was 
in de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging als een plant uit eigen bodem gegroeid, 
dan kunnen wij bezwaarlijk op het passief van de aktivisten schrijven dat zij er schuld 
aan hebben, dat in het Vlaamse kamp een niet meer te overwinnen verdeeldheid 
ontstaan is. Deze zou er dan toch later gekomen zijn. Daarbij mogen wij niet uit het 
oog verliezen dat deze breuk tijdens de oorlog, buiten het aktivisme om, ook door 
de frontbeweging is ontstaan: ook hier was de gedachte van Vlaanderens 
zelfstandigheid de politieke splijtzwam. Wat dan verder de scherpe anti- Vlaamse 
reaktie na de oorlog betreft, deze heeft zonder enige twijfel voedsel gevonden in het 
verwijt van de kollaboratie met een diep gehate vijand. Maar het ware toch een illusie 
te denken dat, zonder het aktivisme, een 'dankbaar vaderland' zonder meer zou 
tegemoetgekomen zijn aan de Vlaamse eisen zoals Van Cauwelaert - ongetwijfeld 
onder druk van het aktivisme - deze in zijn minimumprogramma had vastgelegd. 
Ook hier speelt, in de heftigheid van de anti- Vlaamse houdingen, een nieuwe faktor 
waarop wij reeds de aandacht vestigden een rol, nl. de opkomst van een agressief 
Belgisch nationalisme waarin geen plaats was voor een Vlaamse Beweging tenzij in 
de folkloristische aspekten ervan. 

In zijn reeds aangehaalde reeks artikelen uit het begin van het jaar 1919 schreef 
L. Dosfel ook nog, dat het aktivisme geen toekomst meer had. Dit was een vergissing. 
Leo Van Puyvelde zag het anders. Het lijkt ons de moeite waard zijn woorden 
uitvoerig aan te halen, omdat het in deze gedachtengang is dat het franskil- 



(129) archives, 482, rapport Schaible (15 sept. 1918). 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



104 



jonisme zowel aktivisme (samenwerking met de vijand) als flamingantisme zal 
beschouwen als één zelfde verschijnsel. Op 5 nov. 1918 schreef Van Puy velde: 'Het 
aktivisme verdwijnt, nu België weer zichzelf wordt. Maar de aktivistische geest is 
niet dood, ook niet al verdwijnen tijdelijk de aktivistische leiders uit België. De 
aanleuning bij de Duitse macht was geenszins de kern van het aktivisme ... Nu alle 
rechtstreekse samenwerking met de Duitsers verdwijnen zal, kan de zuiver 
aktivistische geest zich gemakkelijker, onbelemmerd, ontwikkelen: de geest van 
onverzoenlijken tegenstand tegen het Belgisch regime, het trachten naar de grootst 
mogelijke zelfstandigheid van het "volk" en het "land" van Vlaanderen. Uit alle 
verklaringen der aktivisten blijkt dat zij dien geest zullen wakker houden, waar en 
in welke omstandigheden, zij zich ook zullen bevinden' (130) . 

Dit werd geschreven door een oud-studentenleider die na 1918 uit de rangen van 
de Vlaamse Beweging werd gestoten. In zijn visie op de ontwikkeling van de Vlaamse 
Beweging had hij nochtans gelijk. Verschillende omstandigheden hebben inderdaad 
verhinderd, dat het aktivisme geestelijk overwonnen werd. Ten eerste, zonder twijfel, 
omdat de zelfstandigheidsgedachte als een verworvenheid door een gedeelte van de 
Vlaamse Beweging werd aanvaard en beschouwd. Dit zou nochtans niet volstaan 
hebbeen, ook al werd de idee aanstonds voortgedragen door de Frontpartij. De 
hoofdoorzaak was dat, in de strengheid van de repressie, menig aktivist kon optreden 
als de aanklager tegen een staat die, terecht of ten onrechte, voor de openbare Vlaamse 
mening kon in staat van beschuldiging gesteld worden voor woordbreuk. Dit legt 
ook uit waarom de campagne voor amnestie zo diep het volksgemoed kon aangrijpen 
dat ze uiteindelijk, in een uiterst gunstige konjunktuur, leidde tot de Bormsverkiezing 
in 1928, een keerpunt in de Vlaamse Beweging. In dit voortbestaan van de radikale 
geest van het aktivisme was vanzelfsprekend de reeds genoemde geestelijke 
spankracht van het aktivisme van grote betekenis. Ook wie reeds onmiddellijk na 
1918 ofwel later, na het ontstaan van een nationalistische partij, hun weg hebben 
gezocht in de traditionele partijen, hebben over 't algemeen dan toch jarenlang nog 
een stuk van die aktivistische geest met zich meegedragen. 

De grote erfgenaam van het aktivisme was echter de Frontpartij. Deze heeft dan 
ook de zwaarste last ervan getorst: het on- 



(130) L. VAN PUYVELDE. Voor mijn land, o.c, 188. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



105 



politiek radikalisme dat door een verbitterde en onverzoenlijke groep ballingen in 
het buiten- en het binnenland (les émigrés de 1'intérieur!) jarenlang werd aangevuurd 
en een oorzaak werd van wantrouwen, scheuring en politieke machteloosheid die 
een nieuwe politiek, afgestemd op de toekomst en niet op het verleden, bijna 
onmogelijk gemaakt heeft. 

Het aktivisme ligt vijftig jaar achter de rug. Om de kern van zijn opvattingen, de 
zelfstandigheidsgedachte, wordt nog verder gestreden. Veel werd daardoor, zowel 
in de afbraak als in de ophemeling ervan verkeerd gezien of met opzet onjuist 
voorgesteld. Wij hebben getracht zijn ware gelaat te ontsluieren en het in zijn ware 
proporties te beschrijven. Afscheid ervan nemen kunnen wij echter niet zonder aan 
de geschiedenis ervan een laatste woord toe te voegen: het was geen onderneming 
van avonturiers, politieke gelukzoekers, baantjesjagers. De overgrote meerderheid 
van de aktivisten waren idealisten die niet aan zichzelf, niet aan Duitsland, maar 
alleen aan Vlaanderen hebben gedacht. Reeds vrij vroeg werd dit door heftige vijanden 
van het aktivisme erkend 131 ', maar dit was voor ons geen reden om het niet te herhalen 
en neer te schrijven als slotwoord van deze uiteenzetting. 



(131) Vgl. H. PIRENNE. La Belgique et la guerre mondiale, o.c., 220 en 225; Em. Vandervelde in 
de Kamer, 4 maart 1920; BASSE, I, 264 en 269. Scherp in tegenstelling hiermede PH. VAN 
ISACKER. Tussen staat en volk, o.c. 46. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



106 

Hoofdstuk II I De Frontbeweging 

1. De Vlamingen in het Belgisch leger m 

Het Belgisch leger dat met grote dapperheid en hardnekkigheid 



(1) Er bestaat geen geschiedenis van de frontbeweging. Vóór de oorlog werd hiermede een 
aanvang gemaakt door de oprichting van een 'Comité voor de geschiedschrijving van de 
Frontbeweging'. Vgl. De Open Brieven en vertoogschriften van de Vlaamsche Frontbeweging 
(1917-1918). Kaaskerke, 1939, woord vooraf. De voornaamste bronnen waar wij kunnen 
naar verwijzen zijn: Les Archives du Conseil de Flandre; RUDIGER, vooral Flamenpolitik, 
o.c. (vergelijk, hierbij aansluitend over het verslag Staehle: MARTYS. Une affaire Dreyfus 
allemande. Le procés Heinrich Wandt in Le Flambeau, 3 1 mei 1925, overdruk; de reeds 
aangehaalde drie deeltjes van de Uzerreeks van K. DE SCHAEPDRIJVER en JUL. CHARPENTIER; 
Open Brieven van de Vlaamsche Frontpartij in het jaar 191 7 en Vertoogschriften van het 
Vlaamsche Frontverbond (1919); De Open Brieven (1939), o.c; Catechismus van den 
Vlaamschen nationalist, 2e uitg., 1919 - deze tekst ook in VERSCHAEVE. Verzameld Werk, 
Dl. VII; Catalogus van de tentoonstelling Stille getuigen 1914-1918. Kunst en geestesleven 
in de frontstreek (1964); H. GRAVEZ. De Vlaamsche Frontbeweging in Tijdingen van den 
Raad van Vlaanderen, 1 (1933), 55-93 (Overdruk: De Vlaamsche Frontbeweging. 
Herinneringen); Dit is het Zwartboek uitgegeven door de Vlaamsche IJzersoldaten. 1. De 
Houthakkers (1919); A. VERBOUWE. Vlaamsche Frontblaadjes en soortgelijke 1914-1918 in 
Bijdragen tot de Geschiedenis, 1923, 455-492 (ook separatim); het interview van G. Durnez 
met H. 'Qoxgmonm De Standaard 11 en 15 juli 1964. Vgl. verder WILLEMSEN, o.c, die vooral 
steunde op de gegevens medegedeeld door Debeuckelaere en Borginon; zeer uitvoerig en 
akkuraat: M. CORDEMANS. Dr. Van de Perre, o.c; M.E. BELPAIRE. Gestalten in 't verleden 
(1947); D. VANSINA. Verschaeve getuigt (1955); P. HILDEBRAND. Het Vlaamsgezinde dagblad 
De Belgische Standaard ' van de kapucijn Ildefons Peeters 1915-1919 (1957); FR. DAELS. 
Voor mijn volk in nood, dl. I, 2e uitg. z.j. (1934), dl. II (1923). Wij gebruikten steeds de 
uitdrukking 'Frontbeweging' alhoewel in de uitgave van de Open Brieven (1919) gesproken 
wordt van de 'frontpartij'. Wij kregen te laat kennis van J. DE CUYPER, Journal de campagne 
1914-191 7 (Brugge, 1968) om de gegevens ervan nog te kunnen verwerken. Dit was ook 
het geval voor L. DEVLIEGHER en L. SCHEPENS, Front 1914-1918 (Tielt, 1968). Uit een nota 
medegedeeld door H. Borginon blijkt dat hij het belangrijk stuk aldaar vermeld op blz. 78 
n. 182 (een niet gedateerd en niet ondertekend verslag van de leiding der Frontbeweging), 
als apokrief beschouwt. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



107 



het grondgebied vanaf de eerste dag van de Duitse aanval verdedigde en uiteindelijk 
erin slaagde zijn taak te volbrengen, nl. het front aan de IJzer vast te leggen, was, in 
de maanden die volgden, voor ten minste tachtig procent samengesteld uit Vlamingen. 
Dit cijfer is nooit betwist, tenzij door de soldaten die in de vuurlinie stonden en daar 
nog een groter procent Vlamingen konden tellen. Dit overwicht van de Vlaamse 
rekruten bestond reeds vóór de oorlog. Volgens een verklaring van minister De 
Broqueville uit 1917, waren er in de jaren vóór de oorlog 67 procent Vlaamse rekruten 
tegenover 33 ten honderd Waalse. Tijdens de oorlog steeg dit procent Vlamingen 
om verschillende redenen: alleen een Vlaams gedeelte van het grondgebied ontsnapte 
aan de bezetting; in augustus 1914 waren er duizenden seizoenarbeiders in Frankrijk 
die later konden opgeroepen worden; de krijgsverrichtingen hadden vóór zich meer 
Vlamingen uitgedreven dan Walen; het was betrekkelijk makkelijk om uit Vlaanderen 
over de Nederlandse grens te vluchten en uiteindelijk had de industriële mobilizatie 
een deel fabrieksarbeiders (meestal Walen) van het front weggehaald. Bij deze reeds 
lange opsomming werd nog een belangrijke faktor vergeten om het verpletterend 
overwicht van de Vlamingen in de vuurlinie vast te leggen: dit leger was volledig 
verfranst en men kon er niet het minste baantje krijgen indien men die taal niet kende. 

Juist vóór de oorlog, in 1912, naar aanleiding van de bespreking van de nieuwe 
legerwet, was deze verfransing scherp aan de kaak gesteld' 2 '. De aanklacht tegen de 
denationalizering en het onderzoek naar de reaktie hierop van de Vlaamse soldaat, 
stelde vast dat de fransonkundige rekruut zich in een minderwaardigheidspositie 
bevond die zijn zucht tot verfransing aankweekte. De nieuwe legerwet van 1913 
voorzag enkele verbeteringen, maar in de oude toestand was nog maar weinig 
veranderd, toen de oorlog uitbrak. Ook de invoering van de persoonlijke dienstplicht 
sedert 1909 had hier niet veel aan gewijzigd. Tot dan toe was het letterlijk een leger 
van paupers geweest: wie een slecht nummer trok bij de loting kon zich vrijkopen 
door een huurling in de plaats te stellen, de zgn. 'remplacant'. Het leger was niet 
alleen van hoog tot laag verfranst, maar het was nog veel erger: het officierenkorps, 
gerekruteerd uit de bezittende stand, was niet alleen verfranst maar daarenboven 
doortrokken van anti- Vlaamse geest. Het feit dat tot 90% Vlamingen in de vuurlinie 
stonden, 



(2) Vgl. ELIAS, Geschiedenis, o.c, IV, 13 en 206. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



108 



heeft hier niets aan veranderd. Voor deze mentaliteit tijdens de oorlog dient een van 
de voornaamste oorzaken gezocht in de anti- Vlaamse geest van de franstalige pers 
en vooral van het blad Le XXe Siècle, onder hoofdredaktie van Fern. Neuray. De 
meest vaderlandse vormen van Vlaamsgezindheid vonden in zijn ogen geen genade. 
De Belgische Standaard van P. Ildefons Peeters (met achter zich M.E. Belpaire) 
werd door hem voorgesteld als een onbeduidend blad 'in de handen van germanofiele 
flaminganten'. Al de getuigenissen over de ontwikkeling van het Vlaams verzet aan 
de IJzer, zijn eensluidend over het kwaad bloed dat zijn blad in het leger heeft gezet 
bij al wat Vlaamsgezind was. De Vlaamse ministers stonden hier machteloos 
tegenover: dit was het geval zowel voor Helleputte als voor Van de Vyvere <3) . Was 
de fransonkundige Vlaming een paria in dit leger, zo betekende de flamingant, in de 
ogen van de Legeroverheid en van de Militaire Veiligheid, een gevaar, ook indien 
hij mocht gerekend worden tot de dappersten in de voorlinie. Naarmate de oorlog 
vorderde, zou het verzet van de flaminganten tegen de wantoestanden in het leger 
groeien, hun aktie verscherpen, hun greep op de soldaten sterker worden in de 
algemene oorlogsmoeheid en een groeiend defaitisme dat zij echter krachtig bestreden. 
Toen minister Van de Vyvere, in aug. 1917, op bezoek kwam bij Cyr. Verschaeve 
te Alveringem, om van hem te vernemen waar de oorzaken lagen van de Vlaamse 
ontevredenheid, vatte Verschaeve deze samen in drie punten: - de Vlamingen werden, 
alleen omdat zij Vlamingen waren en Nederlands spraken, als mensen van mindere 
rang behandeld, overal, elke dag, duizenden keren; - de oorlogslast drukte 
hoofdzakelijk op de Vlamingen: 90% in de vuurlinie en progressief minder naargelang 
de afstand van het front groter werd. Men hoefde maar de kruisjes te tellen op de 
begraafplaatsen; - hun pers werd ongestraft beledigd en vervolgd. De franstalige 
mocht de Vlamingen ongestraft door de modder sleuren, terwijl zelfs De Belgische 
Standaard met hopen kopij lag, geweigerd door de censuur. 

2. De verre oorsprong van de Frontbeweging 

Zowel M.E. Belpaire als H. Borgignon hebben zeer sterk de klemtoon gelegd op 
deze anti- Vlaamse campagne van de franstalige bladen en op de betekenis ervan in 
de oorsprong en ont- 



(3) Uitvoerig CORüemans, o.c, 406 en volg. Ook belpaire, o.c, passim en vooral 211-212. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



109 



wikkeling van de Frontbeweging. De betekenis van deze anti- Vlaamse campagne - 
samen met de fransdolle houding van deze pers - mag zonder twijfel niet onderschat 
worden. Wij staan hier beslist voor een parallel verschijnsel met de oorsprong van 
het aktivisme, zoals wij dit hebben geschetst, maar - hier zowel als daar - zal men 
de natuurlijke krachten niet onderschatten die als gevolg hadden dat een Vlaamse 
aktie aan het front reeds vrij vroeg ontstaan is. Er zijn voor deze aktie al einde 1914, 
begin 1915, twee aanknopingspunten te vinden. Het eerste ligt in de ontmoeting van 
Prof. Frans Daels met Verschaeve, in okt. 1914, waarop dan later voor een tijd een 
inkwartiering van Daels bij Verschaeve volgde. Aan de zuiver Belgisch-vaderlandse 
gevoelens in 1914 van deze twee vooraanstaande figuren in de latere frontaktie, kan 
niet de minste twijfel bestaan, maar beiden voelden diep hun plicht tegenover hun 
volk: Verschaeve in de lijn van Rodenbachs geest; Daels als apostel van een zedelijk 
hoger ideaal en als sociaal-voelend intellektueel. Van beiden zou, reeds einde 1914, 
begin 1915, een eerste impuls tot aktie uitgaan. 

Een tweede aanknopingspunt ligt in het bezoek van Hil. Gravez, student-medicus 
in het laatste studiejaar, aan Verschaeve, misschien reeds einde 1914, alleszins begin 
1915. Van in het begin en nog tijdens de slag aan de IJzer, waren tientallen Vlaamse 
soldaten al Verschaeve komen opzoeken, met hem komen spreken over hun hoop 
op een Vlaamse toekomst' 4 '. Onafgebroken zal zijn huis in Alveringem een stroom 
bezoekers zien: alwie op het front Vlaams en intellektueel was, is daar geweest. Zo 
kwam ook Hil. Gravez, maar dan met een zeer bepaald doel. Gravez, als student in 
Leuven, behoorde er tot de kring Amicitia gesticht door Firmin Deprez e.a., in 191 1 . 
Het doel ervan was 'een gezelligen Vlaamsen kring vormen, waar de leden een 
omgeving vinden die hen bevrijdt van de ideaaldodende stroming van 
onverschilligheid en halfheid, die hen aanzet zelf goed te blijven, immer vurige 
kristenen en betere Vlamingen te worden... Het Vlaams Vlaanderen immer dichter 
bij Kristus brengen' <5) . Amicitia had overal, maar vooral in Oost- en West- Vlaanderen, 
de geest uitgedragen van zijn 'nationalistische studiekring'. Hil. Gravez hiervan 
doordrongen en bezeten door een drang naar aktie die hem geen rust 



(4) C. VERSCHAEVE. Verzameld Werk, dl. VIII (1961), 113 en 250. 

(5) Over Amicitia: E.E. BALDUCK. Dr. sc. Berten Pil. Jeugd en Plicht (1965), 41. Vgl. ook het 
artikel In memoriam Firmin Deprez in Ons Vaderland, 23 april 1919, overgenomen in de 
reeks Storm en Drang, IV, 34-37. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



110 



liet, kwam bij Verschaeve met het voorstel om een 'Vlaamse Gebedenbond' te 
stichten. Vóór de oorlog reeds was in het jezuïetenkollege te Aalst, op initiatief van 
Pater Stracke, een dergelijke bond tot stand gekomen: wie in het openbaar niet kon 
optreden voor Vlaanderen, ging de verbintenis aan ervoor te bidden. Gravez wilde 
iets gelijkaardigs ondernemen aan het front en vroeg Verschaeve om raad. Deze 
laatste zag toen reeds verder vooruit. Hij zag hoe, in de gemeenschap van de vuurlinie, 
aan de studenten een enige gelegenheid werd geboden om in voeling te treden met 
de gewone volksjongen en die voor de Vlaamse gedachte te winnen. Hij schreef de 
hoofdlijnen van zijn opvattingen neer, terwijl Gravez erop wachtte. Als gevolg van 
dit onderhoud, begon Gravez zijn werking bij de mannen van het C.I.B.I. (Centre 
d'Instruction pour Brancardiers et Infirmiers). Hij kende veel bijval, vooral in het 
centrum te Auvours. Toen de 'Cibisten' aan het front kwamen, werden als gevolg 
van deze aktie Heilige-Hartbonden gesticht, waaruit hier en daar een studiekring 
groeide in Vlaamse en religieuze geest, in de traditie van Amicitia. 

Naast dit centrum te Alveringem was er nog een waar tal van aalmoezeniers en 
intellektuelen elkaar vonden: de villa 'Ma Coquille' in De Panne, waar juffrouw 
M.E. Belpaire (de bezielster van Dietsche Warande en Belfort) zich gevestigd had. 
De geest was er Vlaams, maar voor velen in een zeer passieve houding en in sterke 
vaderlandse stemming. Juffrouw Belpaire zou meer dan eens aanstoot nemen aan 
wat zij aanzag als een besmetting van de Vlaamse intellektuelen door de Duitse 
filosofie. In deze kring werd beslist tot de uitgave van een katoliek Vlaamsgezind 
dagblad De Belgische Standaard dat uitgegeven werd door de kapucijn Pater Ildefons 
Peeters. Prof. Daels, die toen in Veurne verbleef, had voorgesteld het blad eenvoudig 
De Standaard te noemen, maar juffrouw Belpaire beschouwde deze naam als de 
eigendom van de groep Van de Perre-Van Cauwelaert. Het eerste nummer verscheen 
op datum 10 jan. 1915, maar was reeds de dag tevoren te koop. Omstreeks deze tijd 
bereikten de eerste geruchten over een aktivistische aktie in het bezet gebied het 
front. Enkele maanden later horen wij ook de eerste berichten over spanningen aan 
het front zelf. Aalmoezenier Aug. Nobels van het 4de linieregiment, kwam omstreeks 
juni 1915 op bezoek in De Panne en beklaagde er zich over de mentaliteit van de 
Vlaamse intellektuelen die een strekking vertoonden om hun Vlaamsgezindheid boven 
alles te stellen, boven de vaderlandsliefde en de godsdienst 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



111 



zelf* 6 '. Ook andere tekenen wijzen in de richting van een begin van Vlaams verzet in 
de loopgraven. Toen, na het Bussumer telegram van 11 juli 1915, de redaktie van 
De Vlaamsche Stem in Nederland een strakkere lijn trok die enthoesiasme wekte bij 
Prof. Joz. De Cock, kreeg deze laatste verschillende brieven met gelukwensen van 
frontsoldaten' 7 '. Er is meer. Op 2, 4 en 9 nov. publiceerde De Vlaamsche Stem een 
uitvoerige brief ondertekend P. (= Jul. Platteau), geschreven 'in naam van een groep 
Vlaamse soldaten aan het front' aan R. De Clercq, om hun instemming met zijn strijd 
en het blad te betuigen. Hier reeds wordt de gedachte van zelfbestuur beschouwd als 
de enige zekere waarborg voor onze toekomst, maar blijft men trouw aan België 
'groter en roemrijker door een vrijer en bloeiender Vlaanderen'. 

Van een eigenlijke organizatie schijnt nog nergens een spoor te bestaan. Het heeft 
in het begin van bepaalde initiatieven, van gunstige omstandigheden afgehangen of 
men tot de stichting overging van een Bond van het Heilig-Hart of van een studiekring, 
zoals ook vroegere vrienden en strijdgenoten elkaar soms weervonden. Voor het 
aanknopen van kontakten over heel het front stond men voor de grote hinderpaal dat 
dit verdeeld was in militaire sektoren, bijna hermetisch afgesloten, althans voor de 
gewone soldaten en officieren. Toch werden er reeds geheime blaadjes gedrukt. Ten 
einde over eigen materiaal te kunnen beschikken, bracht Hil. Gravez, vermoedelijk 
begin 1916, uit Engeland een cyclostyle mede <8> . 

3. S.K. V.H. en de Studiekringen 

Als eerste openbare manifestatie van een georganiseerde werking van de Vlaamse 
studenten aan het front mogen wij de oprichting beschouwen van het S.K.V.H. 
(Sekretariaat der Katolieke Vlaamse Hoogstudenten). De eerste oproep ervoor 
verscheen in De Belgische Standaard van 1 1 febr. 1916. Dit was het resultaat van 
een lange voorgeschiedenis. Terwijl Gravez werkte aan zijn 

Heilig-Hartbonden-studiekringen, was Prof. Daels, ook in het begin van 1915, zijn 
aktie begonnen tegen een steeds verder om zich heen grijpende zedenverwildering 
en voor de bevordering van meer vakkennis, door de publikatie van brochures zoals 
Volksfierheid en zijn Lezingen voor de brankardiers der voorlinie. Uit deze 



(6) BELPAIRE, O.C., 184. 

(7) De Vlaamsche Stem, 21 sept. 1915. 

(8) Mededeling Dr. Gravez. H.J.E. Vgl. gravez, l.c. 61. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



112 



werken groeide een bundeling van krachten in het S.K.V.H. waarvan Daels als de 
werkelijke stichter dient beschouwd. Dit Sekretariaat gaf niet alleen Nederlandse 
doch ook Franse publikaties uit en werkte aldus samen met een Waals S.U.C.W. 
(Secrétariat des Universitaires Catholiques Wallons) (<,) . Er zijn ons zeer weinig 
gegevens bekend over de aktiviteit van S.K.V.H. buiten zijn publikaties (brochures, 
de bekende sluitzegels en tekeningen van Joe English, inrichting van biblioteken). 
Wij stellen vast, dat Paul Vandermeulen, in zijn oproep van 15 maart 1916, in het 
Limburgsch Studentenblaadje, als adres voor toetreding de bureaus opgeeft van De 
Belgische Standaard (vermoedelijk voor Daels) en het adres van Hil. Gravez. Wij 
stellen ook vast dat weldra het S.K.V.H. een eigen plaats inneemt in de bestaande 
werken tot kulturele verheffing aan het front: Het Boek van den Belgischen Soldaat; 
de Kommissie tot verzending van Vlaamsche Boeken naar het Belgisch Leger; de 
werken van De Belgische Standaard. Terwijl in het begin de werking van het S.K.V.H. 
zich richtte tot alle soldaten, werd de aktie vrij vlug en steeds sterker in het teken 
gesteld van een aktie voor de hogeschoolstudenten. Daarbij kwam, door de radikaler 
Vlaamse geest die het S.K.V.H. bezielde, ook een verwijdering tot stand van de zeer 
gematigde Belgische Standaard. De werking sloot meer aan bij Ons Vaderland en 
stond in hoffelijke, maar niet steeds hartelijke relaties met Van Cauwelaert en zijn 
blad Vrij België. 

Er blijven bij dit alles verschillende punten in het duister. Het is niet uit te maken 
in welke mate hier zedenadel, hogeschooluitbreiding en Vlaamse propaganda elkaar 
gevonden hebben, of in hoever S.K.V.H. ook Vlaamse aktie en Vlaamse propaganda 
heeft moeten dekken. Men heeft het wel eens voorgesteld, alsof de latere 
frontbeweging gegroeid was uit de radikale vleugel van het S.K.V.H. Dit is wellicht 
overdreven, maar men kan toch gerust aanvaarden dat het in de S.K.V.H. -kringen is 
dat, begin 1916, de flaminganten elkaar hebben gevonden. Het S.K.V.H. heeft later, 
door de zorgen van Prof. Daels, de ontbinding van de studiekringen (11 febr. 1917) 
overleefd, maar toen was het zwaartepunt van de Vlaamse aktie reeds verlegd naar 
andere organizaties <10) . Wij zien intussen de bestaande Vlaamse onderstroming hier 
en daar aan de oppervlakte komen en kunnen ook nagaan hoe de 



(9) Vgl. Catalogus ... Stille Getuigen, o.c, nrs. 114-121 en 322 volg.; VERBOUWE, o.c., 462. 
Vgl. ook een artikel in het weekblad Ons Volk Ontwaakt, 20 juli 1919. 
(10) Zie namelijk het verslag over het j aar 1 9 1 7 in Vrij Belgëi, 2 no v. 1917. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



113 



vlaamsgezinden elkaar vonden op bijeenkomsten en studiekringen. Het dagboek van 
Jer. Leuridan geeft ons hier enkele aanknopingspunten 01 '. Begin april 1916 maakt 
hij - zelf nog niet lang aan het front - kennis met Gravez en Firmin Deprez (deze 
laatste zou in de nacht van 21 mei sneuvelen). Hij ontmoet op 20 april zijn vriend 
Maur. Geerardijn, die hem allerlei vertelt over Verschaeve, M.E. Belpaire, Pater 
Callewaert, Jul. Persyn, e a. De volgende dag zit hij de eerste bijeenkomst voor van 
de pas opgerichte studiekring van zijn bataljon en ontmoet er Karei De Schaepdrijver. 
Wij konstateren in deze dagen ook de eerste tekenen van een spanning bij de leidende 
elementen rondom de redaktie van De Belgische Standaard. Een groep frontsoldaten 
vond (of zocht) een betere spreekbuis in Ons Vaderland, een Vlaamsgezind dagblad 
dat sedert 31 dec. 1914 verscheen in Kales (Calais). Op 27 april 1916 had te 
Eggewaartskapelle een eerste ontmoeting plaats tussen Pater Peeters en Adiel 
Debeuckelaere om de houding van beide bladen te bespreken en te trachten tot een 
regeling te komen. Voorlopig bracht dit niets op (12) . Op een vergadering van De 
Belgische Standaard de 1 1de mei in De Panne, trad Hil. Gravez op als woordvoerder 
van de oppositiegroep. Hierop werd ook het probleem besproken van de groeiende 
zedeloosheid en beslist over te gaan tot de oprichting van studiekringen. Dit wordt 
ons bevestigd door juffrouw Belpaire, die dit elders een week later stelt (19 mei), op 
een bijeenkomst waarop naast enkele geestelijken ook Prof. Daels, Dr. J. Verduyn, 
Ad. Debeuckelaere en Joris Van Severen aanwezig waren (13) . Wij hebben hierboven 
echter gezien dat deze kringen reeds bestonden, aangezien op 21 april Leuridan in 
zijn bataljon de eerste vergadering ervan voorzat. Wellicht gaat het hier om een meer 
intensieve en ook meer systematische werking. Wij mogen in dit alles niet te veel 
metode en systeem zoeken. Het groeide volgens de omstandigheden, volgens 
persoonlijke initiatieven. Pas in de herfst van 1916 wordt tot de uitbouw overgegaan 
van een kader der frontbeweging, waarvan de oorsprong zelf niet vast te leggen valt. 
Het waren zoveel bronnen en riviertjes die een bedding zochten en uiteindelijk werden 
gekanaliseerd in één richting. 

Einde mei schijnt Ons Vaderland reeds onder de invloed gekomen te zijn van de 
meer radikale vleugel die poogde De Belgische 



(11) H.J. DEMOEN. Jeroom Leuridan. Recht en Trouw (1963), 67. 

(12) CORDEMANS, O.C., 523; HILDEBRAND, O.C., 40. 

(13) BELPAIRE, o.c., 228 en 231; HILDEBRAND, O.C., 58. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



114 



Standaard voor zijn politiek te winnen. Van een breuk in de Vlaamse rangen kan 
echter nog niet gesproken worden. Het beste bewijs hiervoor is de kollektieve brief 
van een groep frontsoldaten, in aug. 1916, aan Frans Van Cauwelaert, die toen zeer 
heftig aangevallen werd in de franskiljonse pers, om hem geluk te wensen in zijn 
strijd, met Vrij België, tegen de vlaamshaterij van deXXe Siècle (>4) . Omstreeks deze 
tijd, nl. op 15 aug. 1916, werd de vereniging Heldenhulde opgericht om een 
A.V.V.-V.V.K. kruis aan te brengen op het graf van studenten en oud-studenten en, 
indien de middelen daartoe voorhanden waren, ook van de volksjongens. De eigenlijke 
stichter van het werk was J. Verduyn. De oproep Heldenhulde-Heldenfonds werd 
ondertekend door F. de Pillecyn, J. Guldentops, J. Van Severen, H. D'Haese, R. 
Vandevelde, H. Gravez, J. Verduyn, A. Debeuckelaere en Fr. Daels (15> . Men heeft 
het later voorgesteld alsof de stichting het werk zou geweest zijn van Verschaeve 
met Dr. J. Van Houtte als ondervoorzitter en Joz. Selfschotter als sekretaris. Joe 
English had, op verzoek van Heldenhulde, twee modellen van kruisjes ontworpen, 
een Vlaams (met dakje) en een Iers (het Keltisch kruis). Heldenhulde koos het tweede. 

Einde augustus 1916 kwam een transaktie tot stand tussen de twee groepen die 
nog steeds aan De Belgische Standaard vasthielden. Onder de aanwezigen op deze 
vergadering, die plaats had te Pollinkhove op de hoeve van de schoonouders van Dr. 
Verduyn, vinden wij, onder de leken, o.a. J. Verduyn, Ad. Debeuckelaere, J. 
Guldentops, Fil. De Pillecijn, Jef Simons, Prof. Daels en Dr. Gravez. Het was echter 
aalmoezenier V. Van Gramberen die als woordvoerder optrad van de oppositie die 
wilde dat het blad het werk zou zijn van de 'denkers op het front'. De transaktie 
bestond erin dat het blad in de handen zou blijven van de huidige eigenaars, zolang 
Pater Peeters zijn verbintenissen tegenover de bestaande redaktieraad zou naleven. 
Tot deze laatste behoorden o.a. Debeuckelaere, Aug. Van Cauwelaert, Dr. Verduyn 
en Prof. Daels (16) . 

Enkele weken later had een belangrijke bijeenkomst plaats: 



(14) Vrij België, 25 aug. en 8 sept. 1916. 

(15) Vgl. RUDIGER. Flamenpolitik, cliché nr. 3. Vgl. verder De woeste aanslag op de 
Heldenbuldezerkjes (1925) en Twintig jaar heldenhulde. Deprez-Kusters-Willems (1936). 
Zowel Debeuckelaere als Dr. Gravez zijn zeer kategoriek in hun bewering dat Verschaeve 
niet de stichter was van Heldenhulde. H. J.E. 

(16) BELPAIRE, O.C., 241; HILDEBRAND, O.C., 75. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



115 



Frans Van Cauwelaert, die zijn gewonde broeder een bezoek bracht in Hofstade, was 
ter gelegenheid hiervan ook in Ste Adresse geweest (bij Le Havre en zetel van de 
Belgische ministeries) waar hij een onderhoud had met de Vlaamse ministers, in 
verband met de Vlaamse hogeschool. Hij had op 25 sept. een onderhoud met Koning 
Albert en, de dag daarna, op de villa 'Ma Coquille', een bespreking met verschillende 
Vlaamse voormannen aan het front. Waarschijnlijk is het deze samenkomst die Prof. 
Daels bedoelde, toen hij in 1928, op het negende kongres van de Katolieke Vlaamse 
Landsbond, Van Cauwelaert scherp aanviel. Hij beweerde dat Van Cauwelaert daar 
toen twee verklaringen had afgelegd: 1 . - dat, indien na de oorlog geen volledig recht 
werd verleend aan de Vlamingen, hij met de soldaten op de barrikade zou staan; 2. 
- dat na de oorlog de oud-strijders het hoge woord zouden voeren en de anderen ze 
zouden volgen. Hil. Gravez is nog scherper in zijn aanklacht. Hij beweert, dat Van 
Cauwelaert verklaarde dat de regering hem zwart op wit beloofd had dat ze, met 
dezelfde pennetrek waarmede ze de door de Duitsers vernederlandste hogeschool 
zou afschaffen, ook Gent zou vervlaamsen, maar dat, toen men hem vroeg dit geschrift 
te tonen, hij zegde dat het dokument onder zijn papieren lag in Le Havre. Dat Van 
Cauwelaert, in de loop van de bespreking en in de hoop en de verleiding om zijn 
tegenstanders te overtuigen, in de zin gesproken heeft die Daels aanhaalde, kunnen 
wij grifweg geloven. Dat hij zou brutaal gelogen hebben - want hier komt de 
beschuldiging van Gravez op neer - valt moeilijker te aanvaarden. Er is hier 
waarschijnlijk een verwarring ontstaan. M.E. Belpaire, die op grond van notities haar 
herinneringen bundelde, schrijft alleen, dat Van Cauwelaert vast besloten was, na 
zijn gesprek met de ministers, een geschreven belofte mede te dragen 07 '. Dat hij hierin 
niet geslaagd is, weten wij, evenals wij ervan op de hoogte zijn dat hij een gedeelte 
van de Vlaamse leiders aan het front niet kon winnen voor zijn standpunt. Hij kan 
moeilijk geestdriftig naar Nederland zijn teruggegaan, en zeker niet nadat Dr. Van 
de Perre hem bij zijn inscheping in Engeland op het hart gedrukt had: 'de Vlamingen 
komen nog eens bedrogen uit deze strijd. Zorg dat, door gebrek aan politiek doorzicht, 
gij later niet als bedrieger of bedrogene voor de Vlamingen doorgaat' (18> . 



(17) BELPAIRE, O. C, 248. 

(18) CORDEMANS, O.C., 251. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



116 



De besprekingen met Van Cauwelaert hadden plaats gehad op 26 sept. 1916. In de 
twee maanden die volgden, werden de Vlaamse intellektuelen aan het front 
gekonfronteerd met de fel betwiste kwestie, ook in het bezet gebied, van de 
vernederlandsing der Gentse universiteit. Jeroom Leuridan heeft, jaren later, toen de 
campagne voor amnestie volop aan de gang was, gesproken van een geheime 
vergadering van de frontsoldaten te Avekapelle, waar een gesmokkelde brief uit 
Antwerpen werd voorgelezen en, namens Borms, gevraagd werd of de IJzerjongens 
hem goedkeurden. Het antwoord luidde bevestigend. Elders echter spreekt hij van 
een bijeenkomst op dezelfde plaats, waar ze kennis kregen van Dosfels boodschap 
aan Verschaeve met het dringend verzoek hem niet te veroordelen vooraleer hem 
gehoord te hebben. Wij spraken er 'al de aktivisten vrij' voegt Leuridan er aan toe (19) . 
Deze versie is juist, maar wij dienen rekening te houden met de datum. Indien het 
hier, op deze twee vergaderingen ging om een vrijspraak van de aktivisten, dan kan 
het toch maar met betrekking geweest zijn tot de universiteit. Wij weten in dit verband, 
dat toen de aankondiging van de vernederlandsing in januari 1916 Verschaeve 
bereikte, deze niet afwijzend stond, maar ook niet erg geestdriftig was. In september 
staat hij al heel wat dichter bij de mannen die het manifest van de Hogeschoolbond 
ondertekenden. Op de boven vermelde boodschap van Dosfel echter, antwoordde 
hij (10 nov. 1916) 'ik zegen u om wat ge gedaan hebt' met de bevestiging dat het de 
plicht was van het Vlaamse volk later hem en alwie handelde in dezelfde overtuiging, 
te verdedigen en te beschermen' 20 '. Verschaeve zal naar verder radikalisme evolueren, 
terwijl de leiding van de frontbeweging meer aarzelend en terughoudend stond 
tegenover het aktivisme. Het is Prof. Daels die ons de juiste stemming schijnt weer 
te geven. Nadat de kaart van Dosfel toegekomen was - bevestigt hij - hebben alle 
Vlamingen, ook zij die het minst sympatiek stonden tegenover het aktivisme - hun 
gedragslijn vastgelegd: zij onthielden zich van een oordeel' 21 '. 

Aan de andere kant stellen wij, ook in deze maanden vast, hoe een 'frontbeweging' 
vastere vormen begint aan te nemen. Einde sept. 1916 had een vergadering plaats 
van de vlaamsgezinden uit 



(19) Vier Bormsdagen. Den Haag, Leuven, Roeselare, Poperinge (1924), 21-22. DEMOEN, o.c., 
164. 

(20) vansina, o.c, 295; A. de bruyne, Lod. Dosfel, o.c., 301. 

(21) Prof. Daels op de Dosfel-hulde in 1935. Nieuw Vlaanderen, 21 sept. 1935. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



117 



de 2de legerafdeling. Het woord werd er gevoerd door Prof. Daels, Ad. Debeuckelaere 
en Hil. Gravez. Zij gaven een overzicht van de werking vóór de oorlog met als besluit 
dat thans een nieuwe generatie, die van de studentenbeweging, haar recht op 
medewerking zou opeisen. Tevens werd er medegedeeld dat Ons Vaderland het blad 
zou worden van de frontsoldaten. Wij ontlenen dit verhaal aan het dagboek van 
Jeroom Leuridan: het getuigenis is heet van de naald en volkomen betrouwbaar' 22 '. 
Omstreeks deze tijd zou er - volgens het getuigenis van H. Gravez - een splitsing 
plaats gehad hebben in de werking van het S.K.V.H. Er bestond, volgens hem, toen 
reeds een algemene legervergadering. Na een bijeenkomst ervan in de school van 
Alveringem verklaarde Debeuckelaere hem dat het wenselijk was dat de leiding van 
de Vlaamse aktie overging in de handen van een meer algemeen bekende Vlaamse 
universitair, omdat er tegenover Gravez, als man van Amicitia, bij velen reserve 
heerste. Deze laatste is op dat verzoek ingegaan en zo werd Debeuckelaere de 
hoofdman. Dit was begin oktober 1916. Deze voorstelling van feiten wordt ten 
stelligste bestreden door Debeuckelaere: er heeft - volgens hem - geen overdracht 
van leiding plaats gehad om de doodeenvoudige reden dat er nog geen vaste 
organizatie en geen legervergadering bestond. Dit groeide alles heel langzaam en 
natuurlijk. Aldus werd A. Debeuckelaere ook nooit tot leider of 'ruwaert' aangesteld. 
Hij was universitair, over 't algemeen de oudste van de groep als men vergaderde en 
daardoor ook zeer natuurlijk de voorzitter van de vergadering. In de herfst van 1916 
is hij dan overgegaan tot bundeling en organizatie en werd zijn leiding als 
vanzelfsprekend aanvaard 23 '. Een gelijkaardig beeld van de ontwikkeling van de 
frontbeweging werd ons nog door andere leidende figuren ervan gegeven. 

Ook in deze dagen, nl. op 15 okt. 1916, verscheen in het Limburgsch 
Studentenblaadje voor Oorlogstijd van Paul Vandermeulen, het bekende artikel van 
Verschaeve Wat de Vlaamse studenten kunnen doen voor de zaak die de hunne was 
en zal blijven. Men heeft dit de inzet van de frontbeweging genoemd. Na de 
voorgaande uiteenzetting is het wel duidelijk dat deze voorstelling niet juist is, tenzij 
wij zouden aanvaarden dat hier, met veel vertraging, de opvatting was neergeschreven 
door Verschaeve, van wat hij reeds einde 1914 - begin 1915 aan Gravez had gezegd 
en ook op 



(22) H. DEMOEN, O.C., 79. 

(23) Mededeling Debeuckelaere (jan. 1967). H.J.E. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



118 



25 mei had herhaald aan Leuridan die wel zeer waarschijnlijk niet de enige in dit 
geval zal geweest zijn. Naast de omschrijving van wat de werking van de Vlaamse 
intellektuelen in het leger kon zijn om de gewone man voor de Vlaamse gedachte te 
winnen, wees Verschaeve op de grote rol van de oud-strijders na de oorlog: dit 
vechtend leger zou voor een paar geslachten een overwegende invloed hebben in het 
land <24) . Blijkbaar was in de tweede helft van 1 9 1 6 nog een brede samenwerking onder 
alle niet-aktivistische Vlamingen mogelijk. In het najaar van 1916 werd het plan 
opgevat een Oorlogsnummer uit te geven van het Leuvense studentenblad Ons Leven. 
H. Borginon ontwierp het plan ervan en voorzag bijdragen o.a. van hemzelf, van 
Van Cauwelaert, Van de Perre, Jul. Persyn, Leo Van Puyvelde en Leo Van der 
Essen <25) . Dit speciale nummer verscheen einde 1916 te Leiden: Ons Leven. 
Hoogstudent op den Uzer. Oorlogsnummer 1914-1915-1916 (71 blz.). Begin januari 
1917 werden nogmaals onderhandelingen aangeknoopt tussen De Belgische Standaard 
en Ons Vaderland, met het oog op een fusie. Dit laatste blad was sedert 1 8 sept. 1916 
het orgaan geworden van de frontsoldaten, waarbij het akkoord met de uitgever was 
gesloten door o.a. Daels, aalmoezenier Van Gramberen, Debeuckelaere, aalmoezenier 
Vandermeulen, J. Guldentops en J. Van Severen. Deze nieuwe besprekingen met De 
Belgische Standaard bleven zonder resultaat. Enkele dagen later zou een zware slag 
de Vlaamse aktie aan het front treffen. Na de dood van generaal Wielemans (f 5 
febr. 1917) die de werking van de studiekringen genegen was, werden op 1 1 febr. 
1917 door het Hoofdkwartier alle soldatenverenigingen aan het front afgeschaft. De 
circulaire, in algemene bewoordingen gesteld, trof natuurlijk de studiekringen. De 
ontstemming was groot bij de vlaamsgezinden aan het front. De zachtmoedige, maar 
de zeer radikale dichter August Van Cauwelaert, broeder van Frans, schreef toen aan 
M.E. Belpaire: 'als dat zo voortgaat wordt het tijd dat we onze vaderlandsliefde gaan 
herzien'* 26 ». 



(24) Tekst bij Limburgsch studentenblaadje voor Oorlogstijd, 15 okt. 1916; VANSINA, o.c., 301. 
Ook Schets van den ontwikkelingsgang der Vlaamsche Beweging, 2e uitg., 1930, 90. 

(25) CORDEMANS, o.c., 239. Vgl. de bespreking van deze publikatie in Vrij België, 23 febr. 1917. 

(26) Aangehaald bij J. PERSYN. De wording van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en 
zijn ontwikkeling onder de redactie van Em. Vliebergh en Jul. Persyn (1900-1924). Gent, 
1963, 439. Vgl. ook zijn vers, okt. 1917, bij Catalogus ... Stille Getuigen, 36. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



119 



4. De geheime Frontbeweging 

De frontbeweging - men zal er wel van overtuigd zijn na wat voorafgaat - is niet 
ontstaan als reaktie op de afschaffing van de studiekringen. Ze was reeds sedert 
maanden in wording. Ze werd door Debeuckelaere, nadat hij de leiding in handen 
had genomen, systematisch uitgebouwd in een halve klandestiniteit die thans, door 
de afschaffing van de studiekringen, volledig moest worden. Toen Borginon begin 
1917 aan het front kwam, was de uitbouw ervan reeds helemaal voltrokken, op grond 
van de Belgische militaire kaders. De leiding ervan werd waargenomen door de 
Legervergadering. Deze omvatte, in principe, alleen de hoofdman ('de ruwaard') en 
de zes afgevaardigden van de zes legerafdelingen, waarbij voor elk een 
plaatsvervanger voorzien was. In iedere divisie werd, volgens een gelijkaardig schema, 
naar onderen verder georganizeerd. Aldus werd, over het hele leger, een geheim net 
gespannen, bereid om de instrukties van de Legervergadering uit te voeren. Aan het 
hoofd van heel de organizatie stond Ad. Debeuckelaere. Na de aankomst van Phil. 
De Pillecyn en H. Borginon op het front, werden zij opgenomen in deze 
legervergadering zogezegd als sekretarissen van Debeuckelaere. Dit driemanschap 
nam feitelijk het dagelijks bestuur waar. Dit was van groot belang aangezien de 
legervergadering niet zo makkelijk en zo vlug als zou gewenst zijn, kon samenkomen. 
Debeuckelaere was het die uiteindelijk de beslissingen nam, meestal na overleg met 
zijn 'sekretarissen' en na raadpleging van de personen die hijzelf uitkoos, ook buiten 
de legervergadering (bij voorbeeld: Prof. Daels, Verschaeve en Dr. De Gruyter die 
er geen deel van uitmaakten). In de hiërarchie van de frontbeweging nam De Pillecyn 
de tweede plaats in: er was voorzien dat, indien de hoofdman kwam weg te vallen, 
De Pillecyn hem dadelijk zou vervangen' 27 '. In Le Havre beschikte de organizatie 
over een kostbare medewerker: Gustaaf Sap, sekretaris van minister Helleputte. Door 
hem was de leiding (wij noemen aldus Debeuckelaere en zijn twee medewerkers) 
soms verbazend vlug op de hoogte gebracht van bepaalde ministeriële besprekingen 
of beslissingen. Hij was daarbij de man die het nodige papier bezorgde voor de 
verspreiding van de Open Brieven waarmede op 11 juli 1917 een aanvang gemaakt 
werd. De verbinding over de verschillende legersektoren, die men trouwens nooit 
volledig hermetisch van elkaar heeft kunnen afsluiten, werd vergemakke- 



(27) Mededeling H. Borginon. H.J.E. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



120 



lijkt door de aanwezigheid van leden der organizatie in de telefoondiensten van het 
leger. 

Bij de ontwikkeling van deze frontbeweging in de klandestiniteit dient de aandacht 
gevestigd op de aanwezigheid van H. Borginon, vanaf begin 1917 terug aan het front. 
Hij was de neef van Gust. Borginon, de volksvertegenwoordiger die in Brussel 
gekozen was met de voorkeurstemmen van de katolieke Vlamingen. Hij was afkomstig 
uit dezelfde streek als Frans Van Cauwelaert en beiden hadden elkaar van zeer dichtbij 
leren kennen gedurende de tweede studietijd van Frans Van Cauwelaert te Leuven. 
Borginon had de politiek in het bloed en was toen reeds van plan om na de oorlog 
in de politiek te gaan <28) . Hij had zijn militaire dienstplicht vervuld in de zgn. 
Compagnie Universitaire en was reeds in de eerste dagen van de oorlog aan het front, 
eerst in de gevechten te Namen, daarna in de vesting Antwerpen en eindelijk aan de 
IJzer. Begin november 1914 werd hij wegens ziekte overgeplaatst naar Kales (Calais) 
en ongeschikt verklaard voor de dienst. Hij verbleef tot aug. 1916 in Engeland en 
vroeg dan om te mogen terugkeren naar het front, waar hij begin jan. 1917 toekwam. 
H. Borginon was een zeer scherp verstand, hoewel meer kritisch dan opbouwend. 
Hij was een geboren vechter en hij heeft vermoedelijk een groot aandeel gehad in 
de beslissingen die door de leiding van de frontbeweging in de loop van het jaar 1918 
werden genomen. Zijn eerste kontakt met deze laatste was de laatste vergadering 
van een studiekring. Hij is daarna in voeling gekomen met Debeuckelaere en de 
geheime organizatie. Hij woonde pas op 18 dec. 1917 (de dag nadat De Rudder 
sneuvelde) voor de eerste maal een legervergadering bij: hij was intussen 'sekretaris' 
geworden van Debeuckelaere <29) . 

Wij hebben hierboven geschetst in welke positie de Vlaamse soldaat zich in het 
Belgisch leger en vooral in de vuurlinie bevond. Buiten die van de intellektuelen en 
de jongeren die uit de studentenbeweging kwamen, was de Vlaamse reaktie op deze 
toestanden in het voorjaar 1917 nog niet zeer groot. Borginon zelf is het die het 
vaststelt: er is wel - zo schrijft hij op 16 maart 1917 aan Dr. Van de Perre - een 
Vlaams ontwaken bij de soldaten te konstateren, maar wij mogen niet te optimistisch 
zijn al belooft het voor de toekomst. Men zou een degelijke uiteenzetting over het 
Vlaamse vraagstuk moeten kunnen verspreiden, maar dit is 



(28) ld. 

(29) ld. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



121 



nu niet mogelijk: wij dienen te wachten tot de vijand een groot gedeelte van het land 
ontruimd heeft. Hij wilde toch trachten een manifest te ontwerpen en dacht toen reeds 
aan de oprichting van oud-strijdersbonden na de oorlog <30) . 

Een degelijke uiteenzetting... Van een programma van de frontbeweging is tot 
hiertoe nog geen sprake geweest. Het was pas in mei 1917, op een legervergadering 
te Leisele, dat zelfbestuur als voornaamste programmapunt werd aanvaard. De 
organizatie, tot dan toe uitsluitend katoliek, zette thans ook, door haar 
go dwede-standpunt, haar rangen open voor de vrijzinnigen. De aktie werd intensiever 
doorgezet. Het jaar 1917 was een donker jaar voor de verbonden legers. In Rusland 
breekt, in de laatste dagen van februari de revolutie uit: de 15 de maart reeds deed 
Tsaar Nikolaas II afstand van de troon. Na enkele troebele maanden zegevierde in 
oktober de bolsjevistische revolutie. Op het westelijk front zet generaal Nivelle, op 
16 april, een groot offensief, met 60 divisies, op touw, dat jammerlijk ineenstortte. 
Oproer breekt los aan het Franse front. Begin mei weigeren troepen aan het front 
nog aan te vallen, andere willen niet optrekken naar de vuurlinie. In dezelfde maand 
mei breken grote stakingen uit in de streek omheen Parijs. In de herfst dreigt het 
Italiaanse front door te breken na de zware nederlaag van Caporetto. Als enig licht 
was er voor de bondgenoten de intrede van Amerika in de oorlog (2 april 1917) en 
de ontscheping van de eerste Amerikaanse troepen (juni 1917), voorlopig meer een 
symbolisch gebaar dan een werkelijke hulp. In alle landen is er oorlogsmoeheid en 
tot in de hoogste leiding twijfelt men aan de mogelijkheden van een overwinning. 

In deze atmosfeer van oorlogsmoeheid en van zeer verspreid defaitisme treedt de 
frontbeweging naar voren met haar eerste openbaar manifest, de Open Brief aan den 
Koning der Belgen, Albert I, in duizend exemplaren verspreid op 11 juli 1917. De 
verbittering tegen de vlaamsonkundige of de vlaamsvijandige officieren was ten top 
gestegen. De Vlaamse kwestie was - naar het getuigenis van M.E. Belpaire - de spil 
geworden waaromheen alles meer en meer scheen te willen draaien. De verbittering 
van de intellektuelen was nog aangegroeid door de instelling (4 mei 1917) van de 
preventieve censuur op de frontblaadjes, waarin ze dan toch nog eens hun hart konden 
luchten. De regering van Havere kon, buiten een paar vage beloften, niets op haar 
aktief schrijven 



(30) CORDEMANS, O.C., 398-399. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



122 



voor de vlaamsgezinden. In oktober 1915 had zij De Clercq en Jacob getroffen. Toen 
in jan. 1916 Hymans, Goblet d'Alviella en Vandervelde, allen minister van Staat, in 
de regering opgenomen waren als minister zonder portefeuille, hadden zij zich wel 
akkoord verklaard over de oprichting van een Vlaamse universiteit in Gent, maar dit 
was niet bekend geworden en kon ook de Vlamingen niet voldoen. Toen in oktober 

1916 de regering maatregelen trof tegen de professoren van de vernederlandste 
universiteit in Gent, was de toezegging van een Vlaamse hogeschool in zulke 
ongelukkige voorwaarden geschied, dat de belofte van gelijkheid in rechte en in feite 
de gemoederen niet tot bedaring kon brengen. De Koning was zich bewust van de 
ernst van het probleem in het algemeen, maar schijnt slechts weinig vat te hebben 
gehad op zijn ministers. Toen de Raad van Vlaanderen tot stand kwam, had hij hun 
voorgesteld een manifest aan de Vlamingen uit te vaardigen, maar de regering was 
hier niet willen op ingaan 01 '. Minister Poullet, op bezoek bij juffrouw Belpaire (26 
maart 1917) verklaarde haar - en herhaalde het de volgende dag in aanwezigheid van 
Jef Rombouts - dat het huidige ministerie onmogelijk een officiële verklaring kon 
geven omtrent de vernederlandsing van Gent, want dat de verschillende partijen 
onmiddellijk met hun eisen zouden afkomen; het was zelfs niet wenselijk er een af 
te leggen want er bestond gevaar dat deze ongunstig zou zijn. Het enige waarover 
de regering dan toch kon een akkoord bereiken waren de besluitwetten van april 

1917 tegen het aktivisme, waarin tevens werd aangekondigd dat er van het werk der 
aktivisten geen steen op een andere zou blijven staan. Wat haar eigenzelf betreft, 
moest de regering verwijzen naar haar werk van vóór de oorlog en naar de overtuiging 
die ze had, dat de prachtige houding van de Vlaamse patriotten het tot een dwingende 
en heilige plicht maakte na de oorlog voldoening te schenken aan de rechtmatige 
eisen van de Vlamingen. 

Toen kwam de openbare aanklacht van de frontbeweging, de Open Brief geschreven 
door Ad. Debeuckelaere. Uit naam van de frontsoldaten werd hier reeds in de aanhef 
gezegd: 'Wij hebben geen betrouwen in onze oversten... We wantrouwen de regering... 
In u alleen, o Koning, geloven we nog. . . ' . De brief is een schrijnende aanklacht tegen 
de toestanden op het front; tegen het misprijzen en de haat van de officieren voor al 
wat Vlaams en Vlaamsgezind is; tegen de afschaffing van de studiekringen; tegen 



(31) L. MOYERSOEN. Pr. Poullet, o.c, 426. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



123 



de tegenwerking van al wat Vlaams is (boekenzendingen, feesten, toneel); tegen de 
vlaamsvijandige aktie van elke franstalige, ook officieuze pers. Alle grieven worden 
opgesomd. De toon is bitter. De taal is begrijpelijk geschreven voor de eenvoudige 
man. Wij kunnen ons voorstellen dat de brief een diepe indruk heeft gemaakt op de 
soldaten. Wij zijn nog bereid - verklaarde de schrijver verder - ons bloed te storten, 
maar wij willen 'de uitdrukkelijke, geschrevene, plechtige belofte dat ons volle 
gelijkheid, volle recht wordt gegeven onmiddellijk na de oorlog... Wij zijn vrije 
Vlamingen, die een vrij Vlaanderen willen in een vrij België'. Opmerkelijk is ook 
wat in deze brief wordt gezegd over de aktivisten: 'door de schuld van onze regering 
hebben de Duitsers de Vlaamse hogeschool te Gent kunnen inrichten. De Vlamingen 
hebben aangenomen, zij hebben wel gedaan'. Er wordt verder aan toegevoegd dat 
indien de frontsoldaten de daad niet konden goedkeuren van wie te Berlijn de 
bestuurlijke scheiding ging halen, zij toch geen personen wilden veroordelen die zich 
nu niet konden verdedigen; zij zouden dan ook niet dulden dat door anderen één haar 
op hun hoofd gekrenkt werd: zij zouden zelf opruimen waar het moest. 

Een maand later, op 15 augustus, kwam de Koning op bezoek bij M.E. Belpaire. 
Hij toonde zich zeer begrijpend voor de Vlaamse kwestie. Juffrouw Belpaire zag in 
dit bezoek het antwoord van de Koning op de Open Brief. Zij schreef dadelijk aan 
Verschaeve om hem verslag erover uit te brengen. Zij vroeg hem of het niet mogelijk 
zou zijn een stuk op te stellen over wat 'thans' zou kunnen en moeten gedaan worden. 
Zijzelf schreef anderzijds, in de geest van de Koning, een artikel over het vraagstuk 
in De Belgische Standaard. 

Cyriel Verschaeve, bij wie Juffrouw Belpaire haar toevlucht zocht, was de 
geestelijke erfgenaam van Rodenbach en de afgod van de katolieke Vlaamse jeugd 
vóór 1914. Hij bevond zich, half juli 1917, in een zeer zonderlingen positie achter 
het front, in zijn woning te Alveringem. Hij was, zoals zovele flaminganten, diep 
geschokt door de inval van de Duitsers en reageerde sterk Belgisch. In zijn vaak 
paradoksale redenering, vond hij het zelfs goed dat Duitsland ons de oorlog aandeed: 
België zou thans in debet komen te staan tegenover Vlaanderen. Dit belette hem 
anderzijds niet hartstochtelijk partij te kiezen voor de opstandige Boeren tegen 
Engeland. Generaal De Wet was zijn held en hij wenste de overwinning van de 
Boeren. Hij zag tevens in De Wet zijn eigen voorbeeld voor de dag dat Duitsland 
zou overwinnen en Vlaan- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



124 



deren in zijn greep houden: hij, Verschaeve, zou alsdan generaal De Wet in 
Vlaanderen als voorbeeld prediken. Toen hij kennis nam van de Kerstbrief 1914 van 
Kardinaal Mercier, was hij één en al geestdrift: hij begroette dit 'als een vuurtoren 
in de nacht'. Hij bleef vooralsnog sterk anti-Duits, maar de eerste Belgische bevlieging 
ging toch tamelijk vlug over. Reeds op 1 maart 1915 noteerde hij in zijn dagboek 
dat men desnoods tot de scheiding van Walen en Vlamingen diende over te gaan. 
Hij staat echter op dat ogenblik en ook nog in de volgende maanden, afwijzend 
tegenover de voorwaardelijkheid die in augustus 1915 in De Vlaamsche Stem tot 
uitdrukking kwam. België kon, volgens hem, thans niets geven. Beloften afpersen 
thans 'is onedel en strekt tot niets. Afgeperste beloften binden niet'. 

Verschaeve had, vanaf de slag aan de IJzer, een grote invloed uitgeoefend op de 
Vlaamse intelligentsia aan het front. Zijn huis was een toevlucht in geestelijke nood. 
Hij was hierdoor het zwarte beest geworden van de Militaire Veiligheid. Deze zag 
in hem het hoofd van en de verantwoordelijke voor alle Vlaamse aktie. Ze hield zijn 
woning in 't oog en had reeds tweemaal, maar tevergeefs, aan de hogere instantie 
toestemming gevraagd om bij hem een huiszoeking te doen. Ze drong echter zo sterk 
aan op zijn verwijdering van het front, dat minister de Broqueville eindigde met bij 
Mgr. De Brouwer, deken van leper die achter het front de funkties van de bisschop 
van Brugge waarnam, aan te dringen op een verplaatsing naar Frankrijk of elders. 
Mgr. De Brouwer kwam met deze boodschap bij Verschaeve (3 aug. 1917) maar 
moest onverrichter zake terugkeren: Verschaeve weigerde vrijwillig te gaan en Mgr. 
De Brouwer wenste niet hem te dwingen <32) . 

Wat was dan in werkelijkheid de positie van Verschaeve in de frontbeweging, 
waarvan hij door enkelen als 'het geestelijk hoofd' werd genoemd, terwijl zijn biograaf 
ons bevestigt dat Verschaeve zelf ze beschouwde als zijn werk? Wij geloven, dat H. 
Borginon het zeer treffend formuleerde: hij was de eerste om de Vlaamse 
intellektuelen te wijzen op de geboden gelegenheid; hij heeft het klimaat van het 
frontleven aanzienlijk beïnvloed, maar had niets te maken met de organizatie en had 
geen invloed 



(32) VERSCHAEVE. Verzameld Werk, VIII, 250-254 (dagboek). 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



125 



op konkrete beslissingen' 33 '. Deze appreciatie van een man die het beslist weten kan, 
komt volledig overeen met het karakter van Verschaeve. Deze is zijn leven lang 
geweest, wat men in de politiek noemt 'een onafhankelijke' of, pejoratief, 'een wilde'. 
Een bespreking met hem, om het voor en het tegen van een zaak rationeel af te wegen, 
was wel niet uitgesloten, maar het was evengoed mogelijk dat Verschaeve enkele 
weken later, meestal gedreven door een gevoelsimpuls, dan toch een andere, nl. zijn 
eigen weg ging. Inderdaad: hij gaf de voorkeur aan het gevoel boven het verstand. 
In dit gevoel hoorde hij 'de stem van het bloed', een steeds weerkerend tema in zijn 
beschouwingen. Zijn eigen waarheid was niet alleen wet voor zijn eigen handelen: 
zij was absoluut en de anderen moesten ze dan ook maar voor hun wet aanvaarden. 
In zijn handelwijze is hij niet te beïnvloeden: hij gaat hardnekkig en eigenzinnig zijn 
eigen weg. Van politiek houdt hij niet. Hij heeft er trouwens ook geen begrip voor 
of geen verstand van. Hij vindt politiek klein en kan alleen misprijzen voelen voor 
wat klein is. Zijn sympatie gaat naar de hartstochtelijken en de extremisten: hij zal 
dan ook later aan de zijde staan van Van Severen, daarna van Joz. Van de Wiele, 
tegen de grote stroming in van het Vlaams nationalisme dat hij nochtans steeds bleef 
beïnvloeden door zijn sterke greep op de jonge nationalisten in Vlaanderen. Deze 
man past in geen organizatie, als leider noch als soldaat. Hij is de eenzame die zijn 
eigen weg gaat en zich niet kan bekommeren om de onmiddellijke gevolgen van zijn 
daad voor strijdgenoten. Als een Ziener wandelt hij door het leven, overtuigd van de 
Waarheid die hij voor zich ziet in de toekomst... 

Bij deze man was het dat, op 20 aug. 1917, minister Al. Van de Vyvere, vergezeld 
door juffrouw M.E. Belpaire, aan huis kwam om over de toestand aan het front te 
spreken. Verschaeve kreeg de gelegenheid om, in essentie, de grieven van de 
Vlamingen samen te vatten. Als konklusie van dit gesprek kwam men tot een tamelijk 
paradoksale situatie: de minister drukte de wens uit met de 



(33) De Standaard, 15 juli 1964, interview. Ziehier wat Borginon, op 24 aug. 1934, schreef aan 
Prof. Daels: 'niet alleen was zijn invloed op zeer talrijke strijdgenoten overwegend, maar 
zijn aktie overstraalde de ganse Beweging, en drukte op de kern zelf ervan den stempel van 
een hem eigen zienswijze en idealisme.' Papieren Borginon. De heer Borginon stelde ons 
zeer bereidwillig zijn volledige verzameling van bewaarde papieren ter beschikking. Wij 
danken hem ten zeerste voor deze gewaardeerde hulp. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



126 



leiders van de frontbeweging te spreken, terwijl hij de verzekering gaf dat zij in hem 
vertrouwen konden hebben. Verschaeve antwoordde dat hij dit 'aan de leiders der 
legerpartij' zou mededelen en hun schriftelijk antwoord aan de minister overmaken' 34 '. 
De kern van heel de zaak was dat de minister dus wist dat er een geheime organizatie 
bestond, maar - dit werd ook duidelijk in de verdere loop van het gesprek - voor geen 
oproer in de onmiddellijke toekomst vreesde. Verschaeve heeft aan de leiders van 
de frontbeweging de inhoud van deze bespreking medegedeeld. Zij zijn op het verzoek 
tot een onderhoud met de minister niet ingegaan' 35 '. 

Toen Van de Vyvere dit bezoek aan Verschaeve bracht was reeds de tweede Brief 
van de Vlaamsche soldaten aan den Opperveldheer van 't Leger, Koning Albert 
geschreven en verspreid. Hij was, op verzoek van de frontleiding, geschreven door 
Verschaeve en men erkent er trouwens duidelijk zijn stijl in. Het is een zeer kort 
pamflet: wij kregen geen antwoord, tenzij straffen. Wij zijn verbitterd, wij protesteren, 
geef ons recht en bescherm ons: dit was het tema ervan. Enkele dagen later had een 
incident plaats dat een geweldige weerklank vond op heel het front: de bestraffing 
van aalmoezenier Paul Vandermeulen. Deze was de uitgever van het bovengenoemde 
Limburgsch Studentenblaadje voor oorlogstijd dat verscheen sedert 1 febr. 1916' 36 '. 
In het nummer van 1 april 1917 had Vandermeulen een artikel geschreven over De 
Raad van Vlaanderen. Om de draagkracht ervan juist te vatten, moet men ook 
rekening houden met het artikel dat vroeger (25 sept. 1916) verscheen over de 
Vlaamse hogeschool alsmede met een tweede over de Raad van Vlaanderen, in het 
nummer van 1 5 april 1 9 1 7. In zijn artikel over de vernederlandsing van Gent betoogde 
Vandermeulen: onder de ondertekenaars van het hogeschoolmanifest zijn mensen 
waarvan de vaderlandsliefde onverdacht is en die wij blijven hoogachten; wij zijn 
onvoldoende ingelicht over de toestanden in het bezet gebied om te antwoorden op 
de vraag of zij 



(34) VERSCHAEVE, O.C., 257. 

(35) Vgl. de verschillende versies over dit bezoek: verschaeve, o.c, 257-267; Debeuckelaere 
verklaarde mij dat er niet schriftelijk geantwoord werd; volgens een verklaring van Borginon 
werd De Pillecyn gelast te antwoorden dat Van de Vyvere moest komen met volmacht van 
de regering en dat hierop geen reaktie meer kwam. H.J.E. Vgl. de versie gravez, l.c, 80. 

(36) Van 1 febr. 1916 tot 1 mei 1917. In 1953-1954 verscheen - niet in de handel - een nieuwe, 
gehektografeerde uitgave van de volledige kollektie van het blaadje. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



127 



zich al dan niet vergist hebben; ons landsbestuur heeft gedurende heel de oorlog niets 
gedaan om ons gerust te stellen en de bestraffing van de ondertekenaars van het 
manifest ware een ongerechtigheid en een politieke fout. In het eerste artikel over 
de Raad van Vlaanderen stelt Vandermeulen het probleem van de bestuurlijke 
scheiding principieel: hij vond het jammer, dat deze maatregel getroffen werd in 
overleg met de bezetter. Indien echter mag blijken dat de bestuurlijke scheiding niet 
met het Belgisch belang overeenstemt, maar nochtans de enige redding is voor 
Vlaanderen, dan moet zij toegepast worden, want wij zijn eerst Vlaming en dan Belg. 
Indien het bleek dat onze levens belangen als Vlamingen niet overeen te brengen 
zijn met het Belgisch belang, dan zou Vlaanderen voorgaan en een revolutie ware 
in dit geval gewettigd, als alle andere middelen nutteloos bleken. Tot dusver 
Vandermeulen. Het artikel zit echter vol schakeringen. Het is enerzijds wel geen 
formele en uitdrukkelijke afkeuring van de bestuurlijke scheiding (want daarom gaat 
het eigenlijk) en van de Raad van Vlaanderen, maar het maakt toch voldoende 
voorbehoud om niet als een goedkeuring te worden beschouwd. De kern, wat de 
Duitse politiek in haar geheel betreft, blijft toch: 'nog liever het Belgisch regiem van 
vóór de oorlog, dan Duitse voogdij ' (37) . Wel is er een zeer duidelijke formulering van 
het oude 'Vlaanderen bovenal' of het 'Vlaanderen eerst' voor de gevallen waar het 
gaat om een levens belang van Vlaanderen. De bestuurlijke scheiding wordt nog niet 
als dusdanig gezien. Indien men daarbij voegt dat in het volgend artikel (15 april) 
aangesloten wordt bij de artikelen in Vrij België van Fr. Van Cauwelaert (9 en 16 
maart) en van Pater Calbrecht (23 maart) die opriep tot vertrouwen in de vroegere 
leiders van de Vlaamse Beweging, dan zal men ook begrijpen, dat de artikelen van 
Vandermeulen in ieder geval geen goedkeuring bevatten van de aktivistische politiek. 
Als gevolg van het artikel van 1 april werd hij door hoofdaalmoezenier Mgr. Marinis 
ontslagen als zijn medewerker. Het incident scheen hiermede gesloten toen men op 
het front een nummer ontdekte van Onze Taal, het blad uit Göttingen, dat de tekst 
overgenomen had uit De Toorts (Nederland). De Veiligheid wilde een voorbeeld 
stellen. Op 27 aug. 1917 werd bekend gemaakt door een dagorder aan het leger dat 

de machtiging tot adjunkt-aalmoezenier 2 de klasse aan Paul Vandermeulen werd 
ontnomen omdat hij aan het front een blad verspreid had dat van aard was om de 
inrichtingen 



(37) Wij onderstrepen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



128 



van de Belgische Staat te treffen en de goede verstandhouding in het leger te schaden 
- aldus samengevat de ellendige 'Vlaamse' tekst. Er werden nu ook verdere 
maatregelen tegen Vandermeulen getroffen: hij moest weg van het front. Hij werd 
verplaatst naar het eiland Cézembre, waar hij verbleef van 3 sept. tot 28 nov. om 
vandaar te vertrekken naar Cap Ferrat <38) . 

De sanktie die Vandermeulen trof, was vrij mild, maar zijn 'verbanning' verwekte 
een geweldige beroering op het front. Men zag er eens te meer een eenzijdige 
maatregel in: al wat anti- Vlaams was, mocht vrij de Vlamingen voor duitsgezinden 
uitmaken, terwijl de straffen alleen in enige richting de Vlamingen troffen. Juffrouw 
Belpaire was zo sterk onder de indruk van de beroering door deze maatregel verwekt 
('1'éclat donné a la répression était une maladresse fort regrettable') dat zij naar de 
pen greep om zich rechtstreeks tot de Koning te richten, des te meer, omdat zij op 
dat ogenblik van Mgr. De Brouwer vernam dat men, niettegenstaande zijn pogingen 
om dit te verhinderen, ook publiek tegen Verschaeve zou optreden. Zij zag er een 
verloochening in van de koninklijke belofte: 'que dira-t-on de la parole que V.M. a 
bien voulu me donner, si elle-est suivie d'actes semblables' <39) . Wij weten niet of deze 
brief werkelijk verzonden werd, maar het ontwerp ervan getuigt voldoende voor de 
betekenis van het incident. 

Korte tijd na het geval Vandermeulen schreef Verschaeve zijn Brief aan zijne 
Eminentie Kardinaal Mercier. De tekst ervan werd te Londen afgegeven aan Mgr. 
De Wachter, opdat hij deze zou overmaken aan de Kardinaal. Het is een noodkreet, 
met de bevestiging dat een radikale omvorming van de staat nodig was en dat 
verreweg de meeste vlaamsgezinden hierbij dachten aan de bestuurlijke scheiding. 
Veel hoop op de tussenkomst van de primaat had de auteur niet; de kardinaal was 
immers een Waal, zodat wellicht voor hem een rechtstreekse voeling met de 
Vlamingen niet mogelijk was en daarbij kwam ook nog zijn openlijk optreden tegen 
de vernederlandsing van Gent en zijn scherp afwijzen van de bestuurlijke scheiding. 
Toch hoopten de Vlamingen nogl Mochten zij echter teleurgesteld worden, dan zou 
de kardinaa. 



(38) Vgl. voor het geheel CORDEMANS, o.c, 426-434. 

(39) Dit ontwerp is niet gedateerd en bevindt zich in de Papieren M.E. Belpaire, in het Archief 
en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, doss. B 417/B, te Antwerpen. Mgr. Belpaire 
gaf ons, door bemiddeling van de heer L. Simons, de toelating tot publikatie. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



129 



ondervinden 'wat een rots de Vlaamse beslistheid geworden is' . De schrijver beweerde 
deze brief te sturen uit naam van de tweehonderd Vlaamse intellektuelen die op het 
front stonden en de brief aan de Mogendheden ondertekend hadden (40> . Indien u 
twijfelt of de Vlaamse soldaat ermede akkoord gaat - eindigde de schrijver - vraag 
dan maar aan de bevoegde overheid deze brief vrij aan het front te mogen verspreiden 
en indien er geen 50.000 soldaten hun naam onder zetten, dan beloven wij geen voet 
meer te verzetten voor ons Vlaams recht. Dit was, alles samengenomen, een stout 
stuk. Hoe sterk het bewustzijn van de beslissende betekenis van de frontbeweging 
voor de toekomst, in de leidende kringen aan het front was doorgedrongen, bewijst 
ons het antwoord van Prof. Daels, in sept. 1917, aan Leo Van Puy velde die 
gesuggereerd had een kern van mensen te vormen die na de oorlog de Vlaamse 
kwestie tot een oplossing zouden brengen. 'Het zijn onze IJzerjongens - schreef Daels 
- die het grootste keerpunt maken in de Vlaamse Beweging, niet Gij, noch Van 
Cauwelaert, noch Hoste, noch De Clercq, noch wie ook... Het keerpunt, het enige 
gezonde, zal het keerpunt van den IJzer zijn. Gij wilt strijden, eerlijk strijden, schoon 
strijden? Strijdt met IJzer- Vlaanderen'* 41 '. 

Verschaeve ging intussen zijn eigen weg verder. Hij stelde, uit naam van de 
frontsoldaten, een memorandum op aan de Paus om zijn tussenkomst te vragen, bij 
zijn deelneming aan de Vredeskonferentie, tot het bekomen van Tautonomie d'une 
Belgique fédérée'. Het stuk werd door aalmoezenier G. Lambrechts te Rome 
overhandigd aan Kardinaal Van Rossum, een Nederlands franciskaan, die ervoor 
zorgde dat het bij Paus Benediktus XV toekwam. In opdracht van Verschaeve ging 
toen de Dominikanernovice Karei Van Santé met verdere dokumenten voor Kardinaal 
Van Rossum naar Rome. Deze bezorgde aan Van Santé een onderhoud met de Paus. 
Hierover is ons niets bekend: Van Santé heeft steeds geweigerd hierover te spreken' 42 '. 



(40) Er schijnt iets niet te kloppen met de datums. De 'Brief aan de Mogendheden' wordt in de 
verzameling der Open Brieven gesteld in december 1917. Deze brief aan de kardinaal is van 
september 1917. 

(41) Tekst in FR. DAELS. Voor mijn volk, o.c, 1,51. 

(42) VANSINA, o.c., 323-332. Zie ookE.D.V. in het satirisch weekblad 't Païïieterke, 14 dec. 1961. 
Omstreeks deze tijd werd ook van uit het bezet gebied door een groep katolieke Vlamingen 
aan de Paus geschreven. Het ging hier hoofdzakelijk over de aktie van Mgr. Mercier tegen 
de aktivisten en vooral tegen de bestuurlijke scheiding. Zie de brochure Zedelijk Verval van 
België. 1. Kardinaal Mercier en de Vlamingen. Den Haag, z.j. (1919), 12 blz., gedateerd 
sept. 1919. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



130 



In de maand oktober 1917 werd door de frontbeweging een belangrijk dokument aan 
het front verspreid: Vlaanderen 's dageraad aan den Uzer. Het was in opdracht van 
Debeuckelaere opgesteld door Ph. De Pillecyn en H. Borginon, die elk een deel van 
de tekst voor hun rekening namen. Als gevolg hiervan kwamen herhalingen voor die 
een eindredaktie door Borginon nodig maakten. Deze had zijn gedeelte geschreven 
onder de indruk van de lektuur van J. Bryce, Studies in history and jurisprudence (2 
dln. 1901) (43) . Het was de eerste uiteenzetting van de nationalistische principes waarop 
de frontbeweging rustte en de eerste formulering van een programma. Het was de 
bevestiging van de ethnologische persoonlijkheid van Vlaanderen. In strikte zin 
zouden op grond hiervan Walen en Vlamingen gewettigd zijn uiteen te gaan, maar 
een dergelijke wil bestaat bij de Vlamingen noch bij de Walen. Een afzonderlijke 
Vlaamse staat is niet leefbaar. De oplossing die zich derhalve opdringt is het 
zelfbestuur van de twee verbonden delen. In dit verband werd gewezen op het 
verdienstelijke werk van De Vlaamsche Stem in Nederland. De frontsoldaten hebben 
de onvoorwaardelijke trouw van juffrouw Belpaire en van 'enige toevallige 
flaminganten uit hare onmiddellijke omgeving' over boord geworpen. Het unitaristisch 
stelsel dient vervangen te worden door de toepassing van het federalistisch beginsel. 
Ons programma is geen onrijpe vrucht. Het verschil tussen ons en Vrij België ligt in 
het feit dat de verdieping van de Vlaamse gedachte bij ons in een sneller tempo 
geschied is dan bij hen. Tegenover de Raad van Vlaanderen trekken wij ook de 
nodige streep: zij staan in voor hunne daden en wij voor de onze. Wij willen niet 
oordelen voor wij vollediger ingelicht zijn, maar wij kunnen niet dulden dat men 
schimpend spreekt over Vlamingen waarvoor een heel leven van integriteit getuigt: 
wij leggen de plechtige belofte af niet te zullen dulden dat er een dreigende hand 
naar hen wordt uitgestoken. Wij kunnen de regering van Havere ons vertrouwen niet 
schenken en bezweren de ministers Helleputte en Van de Vyvere ontslag te nemen. 
Wij zullen geen vrede aanvaarden die ons aan welke Mogendheid ook zou binden. 
Wij zijn vast besloten onze strijd te houden buiten de bekommernissen van de 
partijpolitiek. Het 



(43) Mededeling Borginon. H.J.E. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



131 



stuk eindigt met de kreet: 'Leve een vrij Vlaanderen in een vrij onafhankelijk België' 
en is getekend: de Vlamingen der voorlinie. 

Wij mogen dit flink gestelde dokument gerust als het kernstuk beschouwen van 
de frontbeweging. Ze bevestigde hier haar zelfstandigheid door afgrenzing naar alle 
zijden. In zijn essentiële bestanddelen is het de bevestiging van een eenheidsfront 
tussen de voorlinie en de gematigde unionisten in het bezet gebied, althans wat de 
principes betreft. Het is van des te meer belang, omdat het de affirmatie is van een 
politiek die ook na de oorlog zal worden voortgezet en waarin de eindredakteur van 
het stuk, H. Borginon, een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. De frontbeweging 
heeft die beloften in 1918 niet kunnen houden, maar de Vlaamse nationalistische 
beweging, waarop ze haar stempel drukte, heeft een politiek van amnestie en van 
neutraliteit gevoerd, zoals die in het stuk worden voorspeld, en zo het woord van de 
frontbeweging ingelost. 

Intussen nam de agitatie aan het front, zonder twijfel gevoed door algemene 
oorlogsmoeheid en een defaitisme dat nochtans door de frontbeweging werd bestreden, 
scherpere vormen aan. In de winter van 1917-1918 werd door de soldaten in groep 
betoogd. Nachtelijke manifestaties hadden plaats te Hoogstade, De Panne, 
Alveringem, Oostvleteren, Leisele, Wulveringem en elders. Het was tijdens een van 
deze optochten te Hoogstade dat, toen een generaal de manifestanten poogde tegen 
te houden en toe te spreken, Frans Van der Linden het wachtwoord riep 'Omver en 
Erover' dat door de frontbeweging werd overgenomen' 44 '. Tegelijkertijd werden, door 
de leden van de frontbeweging, 'vliegtochten' georganizeerd d.w.z. nachtelijke 
propagandatochten waarbij allerlei leuzen tot Vlaamse bewustwording werden 
aangeplakt of geschilderd. Heel wat ophef maakte, door de gevolgen ervan, de 
'vliegtocht' teHondschote op 11 jan. 1918. De daders, o.a. L. De Boninge, G. Raspé, 
Jef Lysens, Frans Van der Linden en Ant. Van Gelder werden gesnapt, voor de 
krijgsraad gebracht en veroordeeld' 45 '. Gustaaf Sap schreef toen een brief aan minister 
Helleputte om zijn aandacht te vestigen op dit 'feit van onzeggelijke betekenis' en 
de 



(44) De offergang van Lode de Boninge en Frans Van der Linden, door een Frontmakker (= O. 
dambre), juli 1934, 66. 

(45) Uitvoerig hierover CORDEMANS, o.c, 461 en volg. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



132 



noodlottige gevolgen die te verwachten waren, indien de regering niet ingreep om 
de Vlamingen voldoening te schenken. 

Terwijl de frontbeweging nog verder haar aktie met Open Brieven voortzette - 
een geschreven door Verschaeve en gericht aan de Mogendheden, een ander zeer 
kort pamflet tegen generaal Bernheim die zou gedreigd hebben de eerste Vlaamse 
betoging die nog plaats had met mitrailleurs uiteen te schieten - drong aan het front 
het nieuws door dat minister de Broqueville het plan had opgevat een 'Vlaamse 
Kommissie' samen te stellen. Door de frontleiding werd een brief ontworpen voor 
de minister: een afschrift ervan werd gezonden aan Dr. Van de Perre, met verzoek 
het stuk te laten lezen aan minister Van de Vyvere en Helleputte. In een begeleidende 
brief (12 jan. 1918) bevestigde Borginon de eis van de frontbeweging op een sterke 
vertegenwoordiging in deze kommissie die een definitieve en alomvattende oplossing 
zou moeten brengen. 'Wij zijn, verklaarde Borginon, de sterkste georganizeerde 
Vlaamse strijdkracht, vertegenwoordigen een zelfstandige richting, en kunnen niet 
aanvaarden dat de hele zaak buiten ons om worde geregeld'. 

Er was, eigenlijk, van de kant van de regering nog niets tot stand gebracht. Het 
enige dat te noteren valt, sedert het bezoek van de Koning aan juffrouw Belpaire op 
15 aug. 1917, is een circulaire van minister De Ceuninck (22 aug. 1917) tot toepassing 
van de wettelijke voorschriften over het taalgebruik in het leger, gevolgd door een 
tweede (13 sept. 1917) met een opwekking tot alle oversten om een voldoende kennis 
van de beide landstalen te verwerven' 46 '. Deze circulaires waren louter schijnvertoon. 
De regering kon echter niet blind blijven voor de agitatie aan het front. De zaak werd 
uiteindelijk op 1 febr. in de Kroonraad besproken. Ook nog een tweede Kroonraad 
schijnt het vraagstuk behandeld te hebben. Minister de Broqueville had grootse 
plannen voor na de oorlog: de afschaffing van de bestaande tweetaligheid in 
Vlaanderen, met als gevolg de herziening van de wetgeving op het gerecht en het 
onderwijs en de vernederlandsing van de Gentse universiteit; de administratieve 
decentralizatie en, bij wijze van proef de inrichting van kleine Vlaamse en Waalse 



(46) CORDEMANS, o.c, 402; BAUTHIÈRE. La question flamande, o.c, 174-178. Reeds einde 1915, 
begin 1916 had minister de Broqueville een circulaire in deze zin gestuurd. Vrij België, 28 
jan. 1916. Bij K.B. van 12 april 1918 werd een school opgericht voor Vlaamse officieren en 
onderofficieren en een kommissie opgericht, gelast met het toezicht over de toepassing van 
de taalwetten in het leger. Vrij België, 17 mei 1918. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



133 



eenheden in het leger <47) . Er kon echter geen akkoord bereikt worden. Minister Hymans 
vond de Vlaamse agitatie op het front 'peu grave' en de manifestaties die plaats 
hadden waren, volgens hem, het gevolg van het defaitisme. 

Intussen steeg de temperatuur in de vuurlinie. Een golf van verontwaardiging sloeg 
over de loopgraven toen het nieuws er zich verbreidde van de aanslag op de zerkjes 
van Heldenhulde op de begraafplaats in Oeren, in de nacht van 9 op 1 0 februari 1918: 
onbekenden hadden met cement de A.v.v./v.v.K. opschriften dichtgestreken. Naar 
aanleiding van het proces De Boninge c.s. werd een strooibiljet verspreid waarin de 
overheid gewaarschuwd werd 'dat we geen geweld zoeken, maar ook niet vrezen en 
dat we geweld zullen breken, en meteen, hen die er hun toeverlaat in stelden'. Hier 
en daar kwam het tot wilde suggesties. Men kwam zelfs aan de frontleiding voorstellen 
een aanval op het hoofdkwartier te ondernemen en de Koning gevangen te nemen. 
De frontleiding had geen moeite om het plan af te praten: er bestond een ernstig 
gevaar dat hierdoor een dusdanige ontreddering aan het front zou ontstaan dat een 
Duitse doorbraak naar Kales (Calais) mogelijk werd en daardoor ook een Duitse 
overwinning, wat men als een ramp beschouwde. In de frontleiding zelf was het 
probleem reeds opgeworpen van een zending naar het bezet gebied om er kontakten 
op te nemen met vooraanstaande persoonlijkheden uit de Vlaamse Beweging' 48 '. 

Er groeide blijkbaar, in de frontbeweging zelf, een radikale vleugel die er heel 
andere opvattingen over het aktivisme op nahield dan De Beuckelaere c.s. Half-maart 
ging van hand tot hand, de Catechismus der Vlaamsche Beweging van Verschaeve, 
buiten de verantwoordelijkheid van de organisatie en buiten haar weten. De 
frontleiding ging met de inhoud ervan niet akkoord. De vernederlandsing van de 
hogeschool te Gent werd erin gerechtvaardigd en, mocht ze ongedaan gemaakt worden 
'dan zou 't Vlaamse volk alle waardigheid missen, liet het België die gemeenheid 
toe'. Door de bestuurlijke scheiding hebben de aktivisten geen verraad tegenover 
België gepleegd. Duitse hulp is hatelijk, maar de Vlamingen mochten ze aanvaarden 
omdat alleen die ons geven kon wat 



(47) HÖJER, 75. Vgl. de samenvatting van een voordracht van L. VAN DER ESSEN over deze plannen 
van de Broqueville in De Standaard, 4 aug. 1934. Ook L. PICARD. Geschiedenis, o.c., II, 
244-245. 

(48) Volgens v. HAESAERT in het verzamelwerk Vóór - 1830 - Na. Santpoort, z.j. (omstreeks 
1930), 92. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



134 



noodzakelijk is voor ons leven. De aktivisten hebben gelijk in het beginsel dat zij 
vooropstellen: eerst Vlaanderen in zijn recht hersteld, pas daarna België. Deze formule 
zet vooraan wat vooraan staan moet: Vlaanderens recht staat onbetwistbaar boven 
dat van België. De eerste vijand van de Vlaamse Beweging is de staatsinrichting van 
België. Vlaanderen heeft de scheiding en zelfbestuur nodig; 'zelfbestuur in een 
bondsstaat België zal het Vlaamse volk zeker geleidelijk en binnen den kortsten duur 
gaaf en gezond maken' . In tegenstelling met wat Aug. Vermeylen, Fr. Van Cauwelaert 
en Leo Van Puyvelde - het zijn de namen aangehaald door Verschaeve - schreven, 
is het doel van de Vlaamse Beweging niet de ontwikkeling van Vlaanderen op elk 
gebied: 'die ontwikkeling is 't Vlaams leven zelf; Vlaamse Beweging is de strijd om 
dit leven helemaal mogelijk te maken en te doen Vlaams kuituurwerk zijn en niet 
alleen kuituurwerk tegenover Vlamingen gedaan'. 

Deze Catechismus is, in zijn voorstelling, geen dogmatische of teoretische 
behandeling van de Vlaamse kwestie, maar een uiteenzetting in vraag en antwoord 
over de bestaande verhoudingen en de aktuele problemen. Toch ziet men hier 
Verschaeve - thans tot heel wat radikaler oplossingen gekomen - buiten de frontleiding 
om zich inspannen om de geest en de inhoud van de frontbeweging te bepalen volgens 
zijn eigen opvattingen. Zijn stuk was inderdaad bestemd, schreef hij 'voor 
ontwikkelden en leiders in de Vlaamse zaak, omdat zij er licht en plichtsgevoel 
zouden in putten en met hun eigen licht erbij die voorstellen volmaken, wijzigen 
zodanig dat ze helemaal met den tijd passen en hun werking dan voorlichten tot het 
doel'. Het was in de eerste plaats geschreven 'voor de Vlaamse leiders in het leger, 
opdat ze de Vlamingen - bijna het hele leger! - Vlaams in geest en hart zouden maken. 
Het leger moet de kroon zijn van alle Vlaamse werkingen, haar hoop'. 

In maart 1918 deden de Vlaamse ministers Van de Vyvere, Helleputte en Poullet 
een poging om, bij een bezoek aan het front, Debeuckelaere aan tafel te krijgen met 
de klaarblijkelijke bedoeling over het Vlaamse vraagstuk te spreken. Debeuckelaere 
wees hun uitnodiging van de hand. Van regeringszijde werd er uiteindelijk dan toch 
wat gedaan. Na de twee kroonraden van begin februari, werd op 20 maart het Vlaamse 
vraagstuk er opnieuw besproken: de Broqueville stelde voor een kommissie aan te 
stellen voor het onderzoek van het Vlaamse vraagstuk. Opmerkelijk was de 
tussenkomst van de Koning. Waar P. Hymans en Em. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



135 



Vandervelde gesproken hadden 'au nom des exigences d'une discipline inflexible' 
merkte hij op: 'on ne peut songer a recourir a la répression sans avoir au préalable 
donné des gages de bonne volonté aux Flamands' <49) . De kommissie vergaderde voor 
de eerste maal op 27 maart, onder voorzitterschap van Prof. Leo Van der Essen. Zij 
hield in het geheel zes zittingen, maar verdween met de val van de Broqueville (1 
juni 1918) <50) . Korte tijd nadat de Kommissie de Broqueville ingesteld werd, bracht 
Frans Van Cauwelaert (einde april) nogmaals een bezoek aan Le Havre en het front. 
De atmosfeer was er voor hem heel wat ongunstiger geworden. Toch had Ons 
Vaderland (20 april) nog een heel lovend artikel over hem geschreven naar aanleiding 
van zijn ontvangst door de Koning. In Le Havre had hij de wens uitgedrukt een 
vertegenwoordiger van de frontbeweging in de kommissie te zien opnemen. De 
Broqueville weigerde. Te Alveringem, waar hij ten huize van Verschaeve een 
bespreking hield met o.a. Debeuckelaere, Borginon, De Pillecyn, O. De Gruyter en 
Dries Devos, kwamen verschillende problemen aan bod. Het enige wat hierbij schijnt 
vast te staan is, dat er gediskussieerd werd over het programma van 'bestuurlijke 
aanpassing' van Van Cauwelaert. Hij verklaarde er, over zijn toekomstige verhouding 
tot de frontbeweging: ik zeg niet dat ik u zal goedkeuren, maar ik zal u verdedigen. 
Bijzonder hartelijk was de atmosfeer niet en die was in ieder geval veel killer dan in 
september 1916. Van Cauwelaert, die niet wilde aanvaarden dat er sedertdien aan 
het front een hele evolutie in de gedachten had plaats gehad, schoof de schuld van 
deze verwijdering op de rug van Borginon, hoewel deze aan de diskussie bijna geen 
deel genomen had. Hij was er zich niet van bewust hoe ver men van elkaar was 
uiteengegroeid. Hij wist ook niet dat toen hij zijn besprekingen voerde met de leiders 
van de frontbeweging, dezen reeds de beslissing genomen hadden een afgezant naar 
het bezette gebied te zenden. 

5. De zending van Jul. Charpentier c.s. 

In de nacht van 30 april op 1 mei 1918 liep een groep van vijf Vlaamse soldaten over 
naar de Duitse linies. Het waren J. Charpentier, K. De Schaepdrijver, V. Haesaert, 
M. Torreele en B. Coolen. Vier dagen later, in de nacht van 4 op 5 mei kwam ook 



(49) CORDEMANS, o.c, 581; Carnets de guerre d'Albertl, roi des Beiges, ed. R. VAN OVERSTRAETEN 
(1953), 181. 

(50) Vgl. over deze kommissie vooral bauthière, o.c., 180-211. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



136 



K. Van Santé over. Dit waren geen gewone deserteurs, zoals er geregeld in de laatste 
tijd overkwamen, gedreven meestal door een geest van defaitisme, al of niet gevoed 
door de Duitse propaganda op de voorlinie. Charpentier c.s. beweerden in opdracht 
van de frontbeweging overgekomen te zijn met een speciale zending. De eerste groep 
werd eerst naar Brugge overgebracht, maar vrij vlug daarvandaan naar Kortrijk, waar 
een verzamelplaats was voor krijgsgevangenen. In Brugge hadden Charpentier c.s. 
reeds het bezoek gekregen van Dr. Dumon, lid van de Raad van Vlaanderen. In een 
brief, waarvan de handtekening door ons niet kon ontcijferd worden, werd dadelijk 
dit bericht doorgezonden naar Gent (aan Domela?) met de vermelding dat het hier 
ging om een afvaardiging 'gezonden door de Beweging die een doorbraak in het 
geallieerde front wil veroorzaken'* 50 . Reeds op 2 mei werden deze soldaten 
ondervraagd door kapitein Staehle 'Nachrichtenoffizier'. 

Er is rondom deze zending heel wat verwarring ontstaan en blijven hangen in de 
geesten in Vlaanderen, enerzijds als gevolg van de tegenstrijdige versies die ervan 
werden gegeven door de belanghebbenden, anderzijds als gevolg van de vele 
kontradikties die ontstonden toen het Belgisch gerecht niet alleen het aktivisme, doch 
ook de frontbeweging na de oorlog wilde in diskrediet brengen en de nek breken. 
Aan de hand van de dokumenten die tot hiertoe werden gepubliceerd en van enkele 
niet gekende stukken die ons werden ter hand gesteld, zowel als op grond van een 
persoonlijke navraag bij nog levende getuigen, kunnen wij een reeks betwiste punten 
rangschikken en thans als volgt beantwoorden' 52 '. 



(51) M. VAN DE VELDE. Geschiedenis der Jong Vlaamsche Beweging, o.c., tegenover blz. 64. Jul. 
Charpentier verklaarde mij zich niet meer te herinneren wat op dit kort bezoek werd gezegd. 
H.J.E. 

(52) Buiten de reeds aangehaalde werken, vooral de Flamenpolitik van RUDIGER, kunnen wij 
hierbij verwijzen naar 1. - de samenvatting van een memorandum Van Santé door E.d.V. in 
't Pallieterke van 14 dec. 1961. (Dit memorandum is van 1939); 2. - Een persoonlijk 
onderhoud van mijzelf met J. Charpentier op 4 febr. 1967, waarvan het verslag door de 
belanghebbende werd bevestigd; 3. - een brief van Ph. De Pillecyn aan Charpentier, d.d. 6 
jan. 1919, door deze laatste aan mij medegedeeld; 4. - een nota 'Onze Voorwaarden' door 
Ad. Debeuckelaere medegegeven aan J. Charpentier, in het bezit van deze laatste en ons ter 
inzage gegeven, waarin het standpunt van de frontbeweging over de voorwaarden van de 
vrede wordt uiteengezet. In dit stuk wordt evenwel met geen woord gerept over de opdracht 
van Charpentier. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



137 



Eerste punt: het staat onomstotelijk vast dat de Legervergadering een man met een 
opdracht heeft overgezonden, maar dan ook slechts één: Jul. Charpentier. Karei De 
Schaepdrijver had niet alleen geen opdracht om te gaan, maar een formeel verbod. 
Hij heeft, veel later, beweerd dat hij meeging op aandringen van Verschaeve, omdat 
deze overtuigd was dat Charpentier een te zwak karakter had en het alleen niet zou 
gedaan hebben (53> . Er is, voor deze bewering, geen enkel bewijs als staving aan te 
voeren. Haesaert, Torreele en Coolen moesten Charpentier door het no man's land 
loodsen naar de Duitse voorlinies. Eens zover, konden - of wilden - ze niet terug en 
gingen mede over. Hier ook is geen enkel element dat ons ertoe in staat stelt deze 
motivering te aanvaarden of te verwerpen. 

Het geval Van Santé is niet zo eenvoudig. Het staat vast, dat hij geen opdracht 
had van de legervergadering om over te gaan. Wel aanvaardt Hil. Gravez dat hij geen 
opdracht had, maar hij voegt eraan toe dat, omdat Charpentier c.s. het afgesproken 
teken niet had gegeven om te melden dat de overtocht gelukt was (of dat dit teken 
niet werd gezien), Van Santé overging ter bevestiging van de eerste boodschap. Dit 
is beslist een vergissing. Reeds op 22 juni 1918 gaf Van Santé zelf zijn versie van 
de feiten in een brief aan Pater Vosté, te Rome. Hij was omstreeks Pasen (het feest 
viel op 3 1 maart) bij Verschaeve geweest. Deze laatste zag geen uitweg meer buiten 
Duitse hulp, maar vond het een vreselijke toestand aktivist te moeten worden. Hij 
vroeg Van Santé terug te keren, omdat hij nog geen beslissing genomen had. Toen 
Van Santé weerom kwam, zegde Verschaeve hem dat men kontakt moest zoeken 
met de aktivisten, maar hij vroeg opnieuw om over veertien dagen terug te keren. 
Bij dit laatste onderhoud zegde Verschaeve dat de aktivisten de goede weg volgden 
en dat zij dienden gesteund. Van Santé stelde hem voor te gaan. Verschaeve 
verklaarde, dat hij goed deed en zegende hem. Toen trok Van Santé over de vuurlinie. 

Er bestaat niet de minste reden om aan de echtheid van deze brief te twijfelen. Het 
is daarenboven een versie 'heet van de naald'. Van Santé voelde zich immers diep 
ongelukkig omdat zijn familie hem verloochende. In het verder verloop van deze 
brief vraagt hij uit naam van Charpentier, De Schaepdrijver en zichzelf 
'afgevaardigden der IJzerjongens', aan de persoon, die Vosté wel kende, dit alles 
mede te delen. In 1939 heeft Van Santé nog 



(53) 



Medegedeeld door een goede bekende. H.J.E. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



138 



uitvoerige aantekeningen opgemaakt over zijn lotgevallen. Er zijn hier enkele details 
meer te vinden, doch ze zijn van belang. Bij zijn eerste onderhoud met Verschaeve 
zou Ad. Debeuckelaere aanwezig geweest zijn en aan Van Santé gevraagd hebben 
of hij bereid was over te gaan om de aktivisten voor te lichten. Hij antwoordde (na 
raadpleging van Verschaeve over het etisch geoorloofde van de daad) bevestigend. 
Debeuckelaere beloofde hem de dokumenten mede te geven, maar Van Santé hoorde 
niets meer van hem. Hij ontmoette in deze dagen De Schaepdrijver die zinnens was 
over de vuurlinie te trekken en zij spraken af hoe zij het zouden doen. Wij hebben 
Debeuckelaere hierover gesproken (25 jan. 1967) en deze ontkende ten stelligste 
Van Santé bij Verschaeve te hebben ontmoet. Hij beweert pas na zijn gevangenneming 
met Van Santé te Gent kennis gemaakt te hebben, waar deze laatste hem verklaarde 
door Verschaeve gestuurd te zijn. Daartegenover bevestigt ons dan weer Charpentier 
(onderhoud van 4 febr. 1967) dat Debeuckelaere beslist Van Santé kende en hem 
trouwens op hun bijeenkomst als een oud-bekende heeft begroet. Van een onderhoud 
Debeuckelaere- Van Santé bij Verschaeve heeft Charpentier evenwel nooit iets 
gehoord. Wij kunnen derhalve gerust aanvaarden dat, wat er ook mag gebeurd zijn 
te Alveringem bij Verschaeve, Van Santé in geen geval gestuurd is door de 
legervergadering, doch alleen in opdracht van Verschaeve is overgekomen. De 
zending van Van Santé wijst op een dualisme waarop wij hierboven reeds de aandacht 
vestigden: Verschaeve en de Legervergadering. De eerste ging vaak zijn eigen weg 
zonder overleg te plegen met de tweede en zijn gezag was zo groot onder seminaristen 
en studenten dat zijn woord even zwaar woog als dat van de frontleiding. Wie met 
opdracht ging van Verschaeve was overtuigd dat hij mocht spreken uit naam van de 
'IJzerjongens'. 

Wij komen thans tot het tweede en belangrijkste punt: welke was de opdracht van 
Charpentier? De woordvoerders van de frontleiding, Debeuckelaere en Borginon, 
hebben steeds beweerd dat zijn opdracht erin bestond zich in verbinding te stellen 
met enkele vooraanstaande Vlamingen (Dosfel, Depla, Jacob, Vliebergh en Speleers) 
om hun mening te vragen over het aktivisme en de mogelijkheid tot samenwerking 
van frontbeweging en aktivisme. Indien hiervoor gunstige uitzichten bestonden, 
zouden twee officiële afgevaardigden van de frontbeweging overkomen met volmacht 
om te onderhandelen. Vansina, de biograaf van Verschaeve, vernam 'door iemand 
die het weten kon' dat Char- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



139 



pentier de aktivisten diende op de hoogte te brengen van het programma der 
frontbeweging (zelfbestuur) en van haar instemming met het vervlaamsingswerk van 
de aktivisten. Hij zou verder, zo mogelijk langs Dosfel en Depla om, moeten trachten 
van de Duitsers te bekomen het Belgisch leger voor uitroeiing en vernietiging te 
sparen. Toen Debeuckelaere krijgsgevangen genomen werd en door kapitein Staehle 
ondervraagd, noteerde deze laatste in zijn rapport (24 sept.) dat Debeuckelaere 
verklaarde: alleen Charpentier had een opdracht en De Schaepdrijver ging mede 
tegen de zin van de frontleiding; de opdracht van Charpentier was, indien de Duitsers 
hierin toestemden, voeling te nemen met enkele Vlaamse leiders. Deze zouden moeten 
onderzoeken of een samenwerking mogelijk was tussen aktivisten en frontbeweging. 
Charpentier diende hierover verslag uit te brengen en tevens van uit het bezet gebied 
propaganda te voeren aan het front in de geest van de frontbeweging. Indien het 
verslag Charpentier gunstig was, zouden andere afgezanten (reeds aangeduid!) 
overkomen met brede volmachten, doch hiervan werd afgezien omdat het verwachte 
rapport Debeuckelaere niet bereikte. Enkele dagen na het verhoor door Staehle, bracht 
Debeuckelaere - die toestemming gekregen had om enkele personaliteiten te bezoeken 
- een bezoek aan Ph. Van Isacker. Hij herhaalde er, dat alleen Charpentier gezonden 
was door de Legervergadering en dat hij zijn opdracht was te buiten gegaan. Toen 
enkele tijd later ook Van Santé aanliep bij Van Isacker en deze hem de uitlatingen 
van Debeuckelaere mededeelde, verklaarde Van Santé dat de gegeven versie niet 
helemaal juist was, doch wenste hijzelf geen nadere uitleg over de ware toedracht 
van de zaak te geven. Wij kunnen hier nog aan toevoegen dat, toen J. Van Severen 
op 9 juni 1918 bij juffrouw Belpaire kwam, hij er sprak over de zending van 
Charpentier die niet naar de Duitsers gezonden was, doch naar Dosfel, Depla, Speleers 
en Vliebergh. 

Aan deze tot dusver bekende elementen van het dossier Charpentier c.s. kunnen 
wij enkele nieuwe gegevens toevoegen. Eerst en vooral een brief van F. De Pillecyn 
aan Charpentier d.d. 6 jan. 1919. Laatstgenoemde was erin geslaagd het adres van 
De Pillecyn te bekomen en had hem geschreven over de geruchten die de ronde deden 
als zou er sterke mistevredenheid bestaan over de manier waarop hij zich van zijn 
opdracht had gekweten. De Pillecyn antwoordde bevestigend en vatte, naar aanleiding 
hiervan, nog eens de instruktie samen zoals deze werd vastgesteld door de 
legervergadering: 'de opdracht was dokumentatie te 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



140 



bezorgen aan de vijf flaminganten die gij weet, hen op de hoogte te brengen van de 
toestanden die bij ons heersten en, handelend volgens hun raad en door hun 
bemiddeling, het Vlaamse volk op dit stuk in te lichten. Er was ook uitdrukkelijk 
gezegd geen samenwerking te aanvaarden met de groep Borms-De Clercq en cs.'. 
Ad. Debeuckelaere, wien ik de versie Vansina voorlegde wat betreft een poging om 
bij de Duitsers voetstappen aan te wenden, rechtstreeks of door tussenpersonen, opdat 
zij het Belgische leger voor vernietiging zouden sparen, ontkende ten stelligste dat 
er enige instruktie van deze aard zou geweest zijn. 

Tot zover de stelling 'legervergadering' over de opdracht van Charpentier, waarvan 
de elementen, zoals men zal opgemerkt hebben, teruggaan tot september 1918 - 
januari 1919. Daartegenover stelde mij Charpentier zijn eigen versie. Hij werd na 
21 maart 1918 - een nadere datum was niet aan te geven - door Debeuckelaere, in 
opdracht van de Legervergadering, aangesproken om met een opdracht over de 
frontlinie te gaan. Hij kreeg instrukties van Debeuckelaere en van niemand anders. 
De publikaties van de frontbeweging en andere dokumentatie over de Vlaamse 
toestanden diende hij over te brengen naar het bezet gebied en aan de aktivisten over 
te maken. Het is niet juist dat deze dokumentatie alleen mocht medegedeeld worden 
aan de mensen die hij in het bezet gebied moest gaan opzoeken: Depla, Dosfel, 
Speleers, Jacob en Vliebergh. Hij heeft met de drie eerste personen gesproken. Jacob 
kon hij niet bereiken en over Vliebergh vernam hij dat deze zwaar ziek was en haast 
op sterven lag, zodat hij geen poging gedaan heeft om met hem te spreken. Hij zou 
zich moeten schikken naar de richtlijnen van de geraadpleegde personen en daarbij 
naar zijn beste weten handelen. Hem werd tevens gezegd dat het best zou zijn niet 
in voeling te treden met Borms en de Raad van Vlaanderen. Hij moest verder in de 
mate van het mogelijke medewerken aan de bevordering van de Vlaamse Beweging 
in het bezet gebied. Verder was er nog een persoonlijke boodschap van Debeuckelaere 
voor de Duitsers nl. hun mededelen dat, bij een barrage met zwaar spervuur achter 
de aangevallen sektor, de Vlaamse soldaten zich zonder vechten zouden overgegeven 
hebben. 

Charpentier verklaarde mij verder geen afspraak gehad te hebben met Van Santé 
vóór hij over de vuurlinie trok. Hij beweert echter wel De Schaepdrijver gevraagd 
te hebben of deze ertoe bereid was mede te gaan. Hij wist daarbij niet dat de 
frontleiding aan deze verbod had gegeven over te lopen, zoals hij reeds herhaal- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



141 



delijk had beweerd te zullen doen. Hij verklaarde evenmin iets te weten van een 
opdracht van Verschaeve aan De Schaepdrijver. Wat nu de verdere afspraken betreft: 
er was overeengekomen dat, bij een geslaagde overtocht, een rode vuurpijl door de 
Duitsers moest afgeschoten worden op een bepaald punt van het front, nl. van op het 
kasteel van Vicogne. Dit werd waarschijnlijk door dezen niet gedaan. Over het 
resultaat van zijn zending zou Charpentier een strooibiljet opstellen in codeschrift, 
te verspreiden in de Belgische linies, maar de Duitsers weigerden op dit verzoek in 
te gaan. Toen hij over de vuurlinie trok wist Charpentier niets af van de plannen van 
Van Santé. Deze laatste verklaarde, op hun eerste bijeenkomst, in opdracht gekomen 
te zijn van Verschaeve. Uit de reeds aangehaalde brief van 6 jan. 1919 van De Pillecyn 
aan Charpentier, blijkt dat Charpentier, om zich te rechtvaardigen over zijn gedrag 
in het bezette gebied, beweerd had dat Debeuckelaere bij hun eerste ontmoeting, 
geen de minste afkeuring had uitgesproken over zijn handelwijze. Dit is natuurlijk, 
in zekere zin, in tegenstrijd met wat Debeuckelaere verklaarde aan kapitein Staehle 
en Van Isacker over de opdracht van Charpentier. De Pillecyn knoopte aan de 
bewering van Charpentier volgende overweging vast: 'Moet ik daaruit vermoeden 
dat hij u persoonlijk verdere instrukties liet geworden van dewelke ik en de andere 
vrienden geen kennis dragen? Moet ik eruit besluiten dat gij hem mondeling voldoende 
inlichtingen kondt geven over de punten waarin gij van het overeengekomene zijt 
afgeweken? Denkelijk is één, of zijn allebei van deze onderstellingen juist, anders 
kan ik niet begrijpen dat Ad. anders aan u zou gesproken hebben dan ik nu doe' . Hier 
ligt de knoop van de hele zaak: is Debeuckelaere verder gegaan dan de beslissing 
van de legervergadering of heeft Charpentier de instrukties van Debeuckelaere 
verkeerd begrepen? Wij hebben het niet kunnen uitmaken wat zekere punten betreft. 
Wat ons wel schijnt vast te staan is dat Charpentier, in zijn interpretatie van de 
instrukties, zonder twijfel veel verder gegaan is dan de legervergadering het had 
bedoeld. 

Wij hebben reeds gezien hoe de eerste reaktie was van de aktivisten bij de aankomst 
van Charpentier c.s. te Brugge: de verwachting dat de legervergadering het front zou 
vrijlaten voor een Duitse doorbraak. Reeds op 2 mei werden, zoals gezegd, 
Charpentier c.s. ondervraagd door kapitein Staehle. Volgens zijn rapport verklaarden 
zij dat hun zending erin bestond aan de Raad van Vlaanderen en aan het Vlaamse 
volk de toestanden uiteen te zetten waaronder de Vlamingen te lijden hadden in het 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



142 



Belgisch leger en aldus mede te werken aan het Duitse plan dat erin bestond een 
nieuw België op te richten op de grondslag van een absolute gelijkheid tussen Walen 
en Vlamingen. Bij een tweede verhoor, op 5 mei, beweerden zij dat het hun taak was 
kontakt te nemen met de Raad van Vlaanderen en met enkele prominenten ten einde 
ze in te lichten over de geestestoestand aan het front en over de betekenis van de 
aktivistische frontbeweging. Indien het hun mogelijk gemaakt werd, zouden zij zich 
ook rechtstreeks tot het Vlaamse volk wenden met het doel het aktivisme te steunen 
en, door de weeromstuit, de Vlamingen aan het front aan te moedigen in hun plan 
om de strijd op te geven. In het 'Woord vooraf' van de eerste publikatie van de 
'IJzerreeks', gedateerd op deze zelfde 5 mei, geven De Schaepdrijver-Charpentier 
de volgende voorstelling van zaken: het was het hemeltergend onrecht de Vlamingen 
aangedaan aan het front dat 'de stichting ener Vlaamse - zegge thans aktivistische - 
partij noodzakelijk en onvermijdelijk opdrong'. Zij wezen verder op de 
overweldigende invloed die het leger als hefboom van de publieke opinie zou 
uitoefenen op het verloop van de huidige beweging in Vlaanderen; zij stelden hun 
overlopen voor als een daad gesteld in overleg met de leiders van de frontbeweging 
en hen beiden; zij verklaarden dat hun taak erin bestond het Vlaamse volk voor te 
lichten over de toestanden aan het front 'en meteen de tijding over te maken dat van 
nu af het Vlaamse IJzerleger samen met het aktivisme van Bezet Vlaanderen, van 
Göttingen en van de Hollandse kampen een onverbreekbaar stalen blok uitmaakt'. 

Dit was een flagrant tendentieuze voorstelling van de feiten: de frontbeweging 
kon niet 'aktivistisch' genoemd worden; zij waren niet allebei afgevaardigd en er 
was nooit sprake geweest van de eenheid tussen frontbeweging en aktivisme. Wij 
stellen echter dezelfde houding vast bij Van Santé. Toen hij op 1 1 mei verhoord werd 
door Staehle, verklaarde hij gelast te zijn met een zending door de Legervergadering 
om in verbinding te treden met de Raad van Vlaanderen ten einde mee te helpen aan 
de aktivistische propaganda in het leger en de overgave van het grootst mogelijk 
gedeelte hiervan voor te bereiden. Hij verklaarde gestuurd te zijn om de reeds vroeger 
gezonden delegatie te ondersteunen en vooral om vanuit het bezet gebied het leger 
aan het front te bewerken om tot de uitvoering te komen van het sedert lang 
vastgestelde plan nl. de wapens neer te leggen en over te lopen. 

Intussen waren, daags tevoren, Charpentier, De Schaepdrijver en 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



143 



Torreele ontvangen door de Gevolmachtigden van de Raad van Vlaanderen. Het 
voorwerp van hun missie werd hier door hen omschreven als volgt: de Vlaamse 
Beweging in het leger te velde leren kennen, het programma en de wensen ervan 
mededelen en aldus de eenheid van aktie tot stand brengen die al de kampioenen van 
één gedachte moet verenigen. In een nota verklaarden zij dat hun 'eigenlijke' zending 
was de Raad van Vlaanderen en vooral de professoren Dosfel, Speleers, Depla en 
Jacob op de hoogte te brengen van de beweging. Daarnaast was het hun opdracht 
aan de Duitsers te vragen om alles in het werk te stellen om het Belgisch leger of 
alleszins het grootste gedeelte ervan in te sluiten en krijgsgevangen te nemen, dit 
met het oog op de aktivistische macht die het Vlaamse leger voor de toekomst zou 
zijn. Hierop werden hun door de Gevolmachtigden tal van vragen gesteld over de 
toestand aan het front. Zij verklaarden: dat indien Vlaanderen zelfstandig verklaard 
werd (d.i. dus door de Duitsers, aangezien de Raad van Vlaanderen het sedert lang 
had gedaan) de soldaten de wapens zouden neerleggen. In geval het leger niet 
omsingeld werd, zou men op revolutionaire wijze hiertoe komen. Men gaf vorig jaar 
aan de regering te Havere het cijfer op van zestigduizend aktivisten in het leger. De 
strekking die aldaar thans overheerste was de Jong- Vlaamse. In het Belgisch leger 
bestond geen duits vijandige stemming. Zeker vijftigduizend soldaten waren voor 
een radikale oplossing gewonnen. Het is duidelijk dat de hele voorstelling van feiten 
en toestanden die hier gegeven werd, in grote mate misleidend was. Hoe is Charpentier 
c.s. daartoe gekomen? Vele jaren later schreef Vital Haesaert dat zij te Kortrijk, in 
het krijgsgevangenenkamp, herhaaldelijk hadden gesproken met Dr. Depla 'en in 
overleg met hem hun verdere werking geregeld hebben ,(54) . Charpentier bevestigde 
mij inderdaad, dat zij met Dr. Depla te Kortrijk hadden gesproken. Zij brachten hem 
verslag uit over de toestanden aan het front en de werking van de frontbeweging. Zij 
stelden hem de vraag wat hun te doen stond. Hoe zij aan Dr. Depla deze feiten hebben 
voorgesteld blijft voor ons natuurlijk een open vraag. Nadat zij hun inzicht hadden 
te kennen gegeven om deze feiten en toestanden ter kennis te brengen van het Vlaamse 
volk, verklaarde hun Dr. Depla dat dit onbegonnen werk was op eigen krachten, maar 
dat er een centraal propaganda-bureau bestond dat volledig aangewezen was om hun 
bij deze taak behulpzaam te zijn. Dr. De- 



(54) v. haesaert, l.c, 92, onderstreept in de tekst. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



144 



pla - verklaarde mij verder Charpentier - had ze echter niet verwezen naar de Raad 
van Vlaanderen zelf. De afgezanten van de frontbeweging - die blijkbaar dadelijk 
blok vormden om zich alle drie voor te stellen als belast met een opdracht door de 
legervergadering - kregen in deze dagen te Kortrijk het bezoek van Dr. Oszwald van 
de Politische Abteilung. Hij is het die hen ervan overtuigde, dat hun zending, om 
vruchten te dragen en haar doel te bereiken, moest gaan over de Raad van Vlaanderen. 
Als gevolg hiervan had de bijeenkomst plaats met de Gevolmachtigden waarvan wij 
het verslag boven hebben samengevat. Van dat ogenblik af zaten Charpentier - De 
Schaepdrijver - Van Santé vast in de radikale stroming van het aktivisme waartegen 
Charpentier uitdrukkelijk gewaarschuwd was geworden, met als gevolg dat de 
frontleiding dadelijk besliste af te zien van de overeengekomen mededeling dat hij 
in opdracht van de legervergadering over de vuurlinie was gegaan. Voor de 
frontleiding was dit hoofdstuk uit haar politiek afgesloten. 

Zoeken wij waarom Charpentier zich niet beperkte tot de gegeven opdracht en 
peilen wij naar de oorzaak van de radikale koers, door het driemanschap gevolgd, 
dan dient het antwoord gevonden in de omstandigheden die geleid hebben tot de 
officiële missie van Charpentier. De toestand op het front was, begin 1918 
buitengewoon gespannen. Wij hebben dat boven al beklemtoond. Daarbij kwam, 
sedert 21 maart, het lenteoffensief van de Duitsers dat, op verschillende punten van 
het westelijk front, de Engelsen en de Fransen geweldig achteruitsloeg: het was niet 
uitgesloten dat het Belgisch leger zou omsingeld worden. In de frontbeweging - niet 
in de frontleiding! - waren enkele zeer radikale doordrijvers die wensten over te gaan 
tot de daad door, in overleg met de aktivisten, een einde te maken aan de oorlog voor 
het Belgisch leger, door massale kapitulatie. Op een bepaald ogenblik kon de 
Legervergadering de toestand niet meer meester blijven zonder aan deze radikale 
vleugel toegevingen te doen. Een lid van de Legerleiding verklaarde, vele jaren later, 
dat Charpentier onder die omstandigheden werd gezonden: een gedeelte van de 
legerleiding was ervan overtuigd dat het resultaat negatief zou zijn. De missie was 
voor hen een taktische zet om de politiek van standhouden en doorvechten, die deze 
was van de legervergadering, te versterken' 55 '. Deze uitslag is misschien a posteriori 



(55) Bij willemsen, 67, n. 1. Volgens willemsen, 2e uitg., 466, n. 3 uit een brief van Borginon 
aan hem. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



145 



gekleurd en het machiavelisme ervan zal in de werkelijkheid ook niet zo groot geweest 
zijn, maar het legt uit waarom de Legervergadering tot het besluit kwam een afgezant 
te zenden en tevens waarom de opdracht van Charpentier zo beperkt was. 

In het kader van deze omstandigheden dient de episode van de overlopers gezien. 
Zij hebben het standpunt van de radikale vleugel vertolkt; zij zagen de toestanden 
in het licht van hun eigen opvattingen. Een doorslaggevende rol werd hierbij 
vermoedelijk gespeeld door De Schaepdrijver, een fantast, niet in staat een objektief 
en vertrouwbaar verslag te geven over de toestanden en zeker niet over een opdracht 
die men hem geenszins had willen geven, omdat hij als te onbezonnen beschouwd 
werd. Men kan vermoeden, dat Van Santé met dezelfde bedoeling is overgegaan, 
aangezien hij in opdracht ging van Verschaeve om de aktivistische politiek te steunen. 
Charpentier voelde zich niet stevig: het bewijs ervan is dat hij, op eigen hand, De 
Schaepdrijver erom had verzocht hem te vergezellen. Daarbij blijft het dan toch een 
open vraag wat Debeuckelaere hem als instrukties gaf, al is hij deze zonder twijfel 
te buiten gegaan. Het is de tragiek geweest van Charpentier, dat hij werd gezonden 
onder druk van een fraktie die maar een kleine minderheid van de frontbeweging 
vertegenwoordigde en dat hij mede bij de aktivisten een politiek heeft verdedigd die 
niet die was van de Legervergadering. De Duitsers werden niet overtuigd: zij 
geloofden niet aan een massaal overlopen van het Belgisch leger. Voor de aktivisten 
was de komst van deze frontsoldaten een riem onder het hart en een sterk 
propagandawapen in eigen rangen om stand te houden tot het uiterste. 

6. Naar het einde 

Mei en juni waren voor de soldaten neerdrukkende maanden. De Duitsers vielen 
voortdurend aan in de Engelse en Franse sektor van het front. Men kon op elk ogenblik 
een aanval verwachten op het Belgisch front of een doorbraak wellicht op een zwak 
punt tussen het Engels en het Belgisch. Het ogenblik was gekomen, voor de 
Legervergadering, om verantwoordelijkheid op te nemen. Zij heeft dit gedaan en het 
te volgen gedrag vastgelegd in de 'Stelregel', half juni 1918. Deze stelregel kan 
samengevat worden als volgt: het Vlaamse leger moet voor Vlaanderen behouden 
blijven. In geval van terugtocht verlaten wij ons grondgebied niet. Bij een aanval 
door een overmachtige vijand laten wij ons niet afslachten, maar leggen de 
aangevallen eenheden de wapens 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



146 



neer. Overlopen naar de vijand komt neer op verzwakking van de Vlaamse aktie aan 
het front (56) . 

Van een politiek die als doel zou gehad hebben voor de Duitsers een doorbraak 
mogelijk te maken is hier geen sprake. Dit optreden van de Legervergadering was 
niettemin een uitgesproken revolutionaire daad. Het was - om het in de terminologie 
van de tijd te zeggen - een 'soldatensowjet' die zich de taak aanmatigde van de 
militaire overheid' 57 '. Het Belgisch front werd door de Duitsers niet met overmacht 
aangevallen. Wij kunnen alleen maar gissen wat in een dergelijk geval zou gebeurd 
zijn en of het parool van de Legervergadering de ineenstorting van het leger zou tot 
gevolg gehad hebben. Intussen valt het toch op te merken dat deze Legervergadering 
stelling nam tegen het defaitisme en in haar stelregel bevestigde: 'in de huidige 
omstandigheden blijft er geen gelegenheid voor de Vlaamse soldaten om zegenrijk 
werk te verrichten aan de andere zijde van de IJzer'. Zo heeft de legerleiding zich 
ook scherp verzet tegen de propaganda van een zekere Pira, die een Vlaamse 
demokratische partij wilde oprichten en tot desertie aanspoorde' 58 '. De 
Veiligheidsdienst van zijn kant bleef waakzaam en aarzelde niet op zijn eigen manier 
op te treden tegen de verdachten van de frontbeweging. Voor Dr. Gravez en Dr. 
Guldentops betekende het eenvoudig verwijdering van het front. Men heeft het 
blijkbaar niet aangedurfd Debeuckelaere te verwijderen. Einde mei werd hij naar Le 
Havre ontboden door minister Poullet, onder voorwendsel met hem 
onderwijsproblemen te bespreken, in feite met het doel te pogen hem vrijwillig het 
front te doen verlaten. Toen Debeuckelaere reeds 



(56) RUDIGER. Un livre noir, o.c, 103-104. In het Nederlands vertaald door WILLEMSEN, 69, die 
verwijst naar RUDIGER, Flamenpolitik. Borginon verklaarde mij dat Ph. De Pillecyn de 
opsteller ervan was; Debeuckelaere verklaarde mij dat hijzelfde steller was van het stuk. 
Volgens een mededeling van Gravez werd de inhoud van de 'stelregel' vastgelegd op een 
legervergadering. H.J.E. 

(57) Er werd van Vlaamse zijde wel eens beweerd dat ook de Koning voorstander was van een 
kapitulatie bij een gedwongen ontruiming van het Belgisch grondgebied. Dit is niet helemaal 
juist. De Koning hield wel rekening met een doorbraak van het front. Hij overwoog in dit 
geval de verdediging, in samenwerking met de Engelsen, van de kust van aan de IJzer in 
verbinding met overstromingen in Winoksbergen, Watten en Kales. Hij was vast besloten 
het IJzerfront zelf te verdedigen 'a outrance' en sprak van een 'résistance désespérée' op 
deze lijn. VAN OVERSTRAETEN, Les Carnets, o.c., 188-189 en 192-194. 

(58) Vgl. hierover RUDIGER. Flamenpolitik, 339-342 (misschien ook het stuk op blz. 335); F. DE 
PILLECYN. Het proces van den Veiligheidsdienst (1921). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



147 



daarvandaan vertrokken was, kwam er een tegenbericht dat hem niet meer bereikte. 
Eerste minister de Broqueville, die aan de oorsprong lag van de uitnodiging, was op 
3 1 mei aan de dijk gezet en vervangen door Cooreman. Onder deze omstandigheden 
bereikte Debeuckelaere Le Havre en had hij aldaar een laatste onderhoud met Van 
Cauwelaert (59> . Debeuckelaere keerde naar het front terug. Voor anderen was het 
zwaarder. Hieruit ontstond, na de oorlog, het schandaal van de Houthakkers dat zeer 
sterk de openbare mening beroerde <60) . Het ging om de tien soldaten die, nadat zij van 
het front waren weggehaald, naar de bossen van de Orne werden gestuurd om er een 
Peloton spécial forestier te vormen en er als echte slaven te werk gesteld werden. 
Van de frontbeweging horen wij niet veel in de weken die volgen op de zending van 
Charpentier. Op 11 -julidag werd nog een strooibiljet verspreid met een oproep tot 
de soldaten om de eis tot zelfbestuur te bevestigen. Een paar strofen van het frontlied 
van Joz. Simons, door hem in juni gedicht en getoonzet en toen reeds op het front 
verspreid, worden er in aangehaald: Wij eisen zelfbestuur / en Vlaamse regimenten. . . 

Intussen had, onder de Vlaamse leiders, het bezoek van Van Cauwelaert aan het 
front aanleiding gegeven tot een ernstige polemiek, met vérdragende gevolgen. Dit 
bezoek was een diepe ontgoocheling geweest. De Legerleiding stelde vast dat men 
op programmatisch gebied ver uiteenging. Zij zou tegenover Van Cauwelaert met 
de grootste weerzin als vijand staan, maar zij kon 'hem anderzijds maar kwalijk meer 
als een strijdgenoot... aanzien'. Van Cauwelaert wil van onze hoofdeis 'zelfbestuur' 
niet weten alhoewel wij hiermede vallen of zegevieren - schreef Borginon, in opdracht, 
aan Dr. Van de Perre op 19 mei 1918 (61> . Op 11 juni verscheen in Ons Vaderland een 
ingezonden stuk getekend Zander (gekende schuilnaam van Borginon) om aan Vrij 
België het recht te ontzeggen uit naam van de frontsoldaten te spreken. Voor wellicht 
de belangrijkste programmapunten van 



(59) Verslag Staehle bij rudiger, o.c, 346. Ook eigen mededeling Debeuckelaere. H.J.E. 

(60) Tegen de bewering in van houthakker Pol Davidts d.d. 26 juli 1919 (zie Dit is het Zwartboek, 
o.c., 15 en volg.) ontkende minister Masson na de oorlog dat er ooit een veiling aan de 
meestbiedende kooplieden zou plaats gehad hebben. BASSE, II, 47. Vgl. De Vlaamsche 
Interpellatie, 14, 15, 21, 22 mei 1919, brochure, Brussel, 1919. P. Davidts bleef bij zijn 
standpunt. Zie Borms voor het gerecht, o.c., 232. 

(6 1 ) Vgl. voor wat volgt CORDEMANS, o. c. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



148 



Vrij België en van het Vlaamsch-Belgisch Verbond - beweerde hij - kon men niet, 
zonder grove vergissing, beweren dat ze op de IJzer de minste weerklank vonden. 
Het dreigde in Vlaamse milieus het karakter te krijgen van een tegenstelling Van 
Cauwelaert-Borginon. Frans Van Cauwelaert, een man met een vliesdunne huid waar 
het ging om gekwetste eigenliefde in zijn aanspraak op het leiderschap van de 
katolieke Vlaamse Beweging, reageerde scherp in een brief aan Gust. Sap. Hij sprak 
er van Zander 'alias Riksken' en noemde zijn brief een domheid. Verdere misprijzende 
uitdrukkingen werden niet gespaard. Typisch en te onthouden voor de toekomst was 
daarbij zijn konklusie: 'Maar als Zander meent dat ik me met de zweep zal laten 
drijven, waar ik uit overtuiging niet heen wil, dan vergist hij zich. Ik ben geen 
muilezel, en zal mij desnoods voortaan terughoudender tonen liever dan de schijn 
op mij te nemen dat ik voor openbare chantage toegankelijk ben. Ik heb niet het recht 
mijn aanzien te grabbel te gooien' . Uiteindelijk werd het konflikt naar buiten bijgelegd 
door een zeer waarderend artikel over Van Cauwelaert in Ons Vaderland (15 aug.). 
Het was getekend IJzer (de schuilnaam voor de legerleiding) en bevestigde: 'Zij die 
ons tegen hem of hem tegen ons willen uitspelen verliezen hun tijd'. Al deze fraaie 
woorden hebben niet belet dat in werkelijkheid de breuk er reeds was. 

Dit gebeurde op 15 augustus! Wij gaan naar het einde. De Duitse kracht was 
uitgewoed en het front begon in Frankrijk te wijken. Al wat nu verder geschiedt is 
zonder groot belang, omdat het weldra zal weggevaagd worden met de bevrijding 
van het grondgebied. Dit was in de eerste plaats het geval met het werk van de 
regering G. Cooreman die op 1 juni het kabinet de Broqueville had afgelost. De 5de 
juli had opnieuw een kroonraad plaats waar, naar aanleiding van het toenemend 
aantal deserteurs, de kritieke toestand aan het front werd besproken. Minister P. 
Hymans stelde, naar aanleiding hiervan, een scherpe nota op (6 juli) tegen de aktie 
van Ons Vaderland en De Belgische Standaard. Minister Van de Vy vere antwoordde 
hierop en nam onvoorwaardelijk de verdediging op van De Belgische Standaard. 
Hij verzette zich eveneens tegen een gebeurlijk verbod van Ons Vaderland waarvoor 
hij een preventieve, begrijpende censuur voorstelde. Van de Vyvere nam in het 
algemeen de verdediging op van de vlaamsgezinden tegen hun vijanden. De regering 
besliste een kommissie op te richten met als taak de verschillende problemen 
betreffende het taalvraagstuk, te onderzoeken en 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



149 



ontwerpen op te stellen die na de oorlog aan het parlement zouden voorgelegd worden. 
De kommissie zou bestaan uit 21 leden waarvan twee derde zou benoemd worden 
na de bevrijding van het grondgebied. Deze kommissie werd opgericht bij K.B. van 
15 oktober maar is nooit bijeen gekomen' 62 '. Enkele dagen tevoren, op 2 oktober, was 
een Besluit- Wet verschenen over het gebruik van de landstalen bij de militaire 
strafvordering, dat een regime instelde ongeveer gelijk aan dat van de burgerlijke 
rechtbanken. 

De 1 8de september, tien dagen vóór de beslissende strijd, werd de 'ruwaard' Adiel 
Debeuckelaere gevangen genomen, na een dappere verdediging die alle vermoedens 
van een vrijwillige overgave uitsluit. Een nieuwe frontleiding diende aangesteld. Er 
was voorzien dat bij een plots wegvallen van Debeuckelaere de opvolger Philip De 
Pillecyn zou zijn. Op dat ogenblik was er echter aan het front een grote verwarring, 
veroorzaakt door de troepenverschuivingen die het grote offensief voorafgingen. De 
Pillecyn en Borginon waren de mening toegedaan, dat er een nieuwe hoofdman moest 
aangesteld worden en dat die een infanterist hoorde te zijn. Het was echter niet meer 
mogelijk de Legervergadering bijeen te roepen en de leiding bleef aldus feitelijk in 
de handen van De Pillecyn - Borginon. Bij het grote offensief kwam geen nieuw 
wachtwoord van de leiding: de algemene mentaliteit was op dat ogenblik 'elk voor 
zich' <63) . 

Intussen was Debeuckelaere verhoord door kapitein Staehle en is het wel van 
belang te vernemen hoe hij de toestand zag, juist op de vooravond van het 
bevrijdingsoffensief. Volgens het verslag over zijn verhoor (rapport van 24 sept.) 
achtte Debeuckelaere de versmelting van frontbeweging, aktivisten en passieven 
mogelijk. Het einddoel van de frontbeweging was volgens hem een vrij Vlaanderen 
in een vrij België en een vrede van verzoening tussen België en Duitsland' 64 '. Dit 
laatste zou een uitdrukkelijke verklaring moeten afleggen over België, met belofte 
van herstel en schadevergoeding na de oorlog. Indien dit gebeurde, dan zou België 
geen reden hebben om nog verder te vechten. De Belgische regering zou in dit geval 
gesommeerd worden om vredesonderhandelingen aan te knopen, zo niet zou het 
leger in 



(62) Staatsblad van 13-19 okt. 1918. Zie ook BAUTHIÈRE, o.c, 211 en volg. 

(63) Mededeling Borginon. H.J.E. 

(64) Vgl. het hierboven vermelde 'Onze Voorwaarden', stuk medegegeven door Debeuckelaere 
aan Charp entier. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



150 



zijn geheel overlopen. Debeuckelaere achtte het niet uitgesloten dat een dergelijke 
daad het begin kon zijn van een algemene verzoening der oorlogvoerenden. Wat de 
propaganda van Charpentier c.s. op het front betreft, verklaarde Debeuckelaere dat 
die gericht was op defaitisme, wat niet strookte met de opvattingen van de 
frontbeweging. De Duitse propaganda had wel indruk gemaakt en er was zelfs sprake 
geweest van het overlopen van hele eenheden, maar de frontbeweging had zich 
daartegen verzet, omdat men niet wist of er een akkoord bereikt was met de aktivisten 
en vooral aangezien uit officiële Duitse verklaringen niet uit te maken was of 
Duitsland de wil had de onafhankelijkheid van België te erkennen. 

Ofschoon wij aan de authenticiteit van het rapport Staehle niet twijfelen en ook 
niet aan de eerlijke poging van Staehle om objektief te zijn, toch moeten deze 
uitlatingen van Debeuckelaere op het eerste gezicht vrij verrassend klinken. Hoe kon 
men, terwijl het front reeds in beweging was sedert einde juli, zich voorstellen dat 
een Duitse verklaring over België nog een massaal overlopen van het Belgisch leger 
zou tot gevolg gehad hebben? Het klinkt als een echo van de verklaringen Charpentier 
- De Schaepdrijver voor de Raad van Vlaanderen... De uitleg ons door Debeuckelaere 
gegeven is vrij eenvoudig: hij loochent met de meeste stelligheid gesproken te hebben 
over een sommatie aan de Belgische regering of een plan om een militaire staatsgreep 
op touw te zetten. Zijn onderhoud met Staehle was geen ondervraging in regel, maar 
een gesprek waarbij door Staehle allerlei vraagstukken werden opgeworpen, allerlei 
mogelijkheden onderzocht, allerlei beweringen medegedeeld over de toestand aan 
het Belgisch front. Staehle vatte dit alles samen in een geheel dat Debeuckelaere niet 
gelezen heeft en waarin hem een deel affirmaties werden in de mond gelegd die hij 
nooit heeft uitgesproken. Staehle heeft daarbij waarschijnlijk alles dooreengehaald <65) . 
Deze uitleg is niet a priori onwaarschijnlijk, indien wij ons daarbij terugdenken in 
de tijd toen het gebeurde en de voorstelling van de feiten trachten te zien zoals men 
die toen zag. Tot in de hoogste kringen geloofde men, begin juli 1918, niet aan het 
einde van de oorlog vóór de lente van 1919. Koning Albert, op bezoek in Londen 
op 10 juli 1918 en daar gevraagd door Lloyd George naar zijn opvatting over de 
wending van de oorlog in 1919, antwoordde dat hij niet geloofde dat men, zelfs met 
Amerikaanse hulp, de Duitsers uit de 



(65) Onderhoud Debeuckelaere. H.J.E. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



151 



bezette gebieden zou kunnen verdrijven. Op het ogenblik dat al de Amerikaanse 
troepen in Europa waren, zou Duitsland echter schrik krijgen en beseffen dat de tijd 
voor vrede gekomen was <66) . Hebben wij trouwens niet gezien dat de Keizer zelf, toen 
Ludendorff hem op 29 september mededeelde dat alleen een onmiddellijke 
wapenstilstand Duitsland nog kon redden, eerst ongelovig naar dat bericht over de 
nakende ineenstorting had geluisterd? Van de ontwikkeling in de verhouding van 
Duitsland tot het Belgisch vraagstuk, vanaf de rede op 1 1 juli van Rijkskanselier von 
Hertling, kon Debeuckelaere bezwaarlijk op de hoogte zijn. Debeuckelaere kreeg de 
gelegenheid enkele mensen in Vlaanderen te bezoeken. Hij was aldus, zoals reeds 
gezegd, bij Phil. Van Isacker in Mechelen. Hij verklaarde er dat alle jonge Vlaamse 
intellektuelen aangesloten waren bij de frontbeweging en dat die ook de overgrote 
meerderheid van de soldaten achter zich had: na de oorlog zouden de oud-strijders 
de Vlaamse Beweging in handen nemen. Philip Van Isacker stond hiertegenover zeer 
skeptisch. Hij kreeg de indruk, vertelt hij, dat de hele frontbeweging slechts een aktie 
was van jonge Vlaamse intellektuelen <67> . Heeft Debeuckelaere op zijn korte omreis 
(hij was ook in Gent en Ninove), ingezien dat de toestand hopeloos geworden was 
of dat er geen sprake meer kon zijn van een andere politiek dan die van De 
Schaepdrijver - Charpentier, die hij afkeurde? Hij vroeg in alle geval aan de Duitsers 
om verder als krijgsgevangene behandeld te worden, wat dan ook gebeurde. Inmiddels 
was het bevrijdingsoffensief begonnen. Op 28 september, na een korte, maar hevige 
artilleriebeschieting, stormde om half zes 's morgens de Belgische infanterie naar de 
overwinning en naar huis... 

7. Het uur van Vlaanderen? 

Naar aanleiding van de aktie van de frontbeweging werd later de vraag gesteld: liet 
men 'het uur van Vlaanderen' niet onbenut voorbijgaan? Heeft men, door 
kortzichtigheid of bij gebrek aan durf, een unieke kans niet laten voorbijgaan om 
een einde te maken aan de sukkelgang van de Vlaamse Beweging en een duurzame 
basis te leggen voor het Vlaamse rechtsherstel? In een dubbel opzicht werd de vraag 
gesteld. De enen zagen 'het uur van Vlaanderen' tijdens de oorlog, aan het front; de 
anderen onmiddellijk daarna, toen de soldaten nog de wapens in de hand hadden 



(66) VAN OVERSTRAETEN, Les Carnets, o.c, 205. 

(67) ph. van isacker. Tussen Staat en Volk, o.c., 49. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



152 



om hun recht af te dwingen. Laten wij nog even bij deze twee aspekten blijven 
stilstaan. 

De eerste thesis vond haar vertolking in de roman van Ivo Draulans (= Joz. Simons) 
Eer Vlaanderen vergaat m . De held van het boek verdedigde de stelling: 'wij moeten 
overleg plegen met Borms, om hier en ginder een gelijklopende lijn te volgen en, in 
verstandhouding met elkaar, samen handelend op te treden'. Het argument dat een 
dergelijk optreden het front voor de Duitsers zou openstellen en dat het gevaar voor 
een Duitse opslorping nog groter was dan het Franse, beantwoordde hij met toe te 
geven dat dit inderdaad zou juist geweest zijn, indien Duitsland de oorlog nog kon 
winnen. Dit was, volgens hem, uitgesloten. Indien Frankrijk zegevierde was 
Vlaanderen echter verloren. Maar het kon een vrede door vergelijk worden en daar 
kon, zoals Borms en de aktivisten dachten, Vlaanderen dan tegenwoordig zijn. 

Eer Vlaanderen vergaat is een roman. Het is fiktie, maar de auteur, die in de 
frontbeweging stond, heeft in het woord vooraf bij de eerste uitgave (1927), dan toch 
zelf positie gekozen waar hij schreef: 'Vlaanderen heeft de sprong niet gewaagd... 
Het ogenblik is voorbij... intuïtief komt men, met de held van dit boek, tot het inzicht 
dat dit "het moment" was, het historisch moment in zijn kamp voor zelfstandigheid, 
dat Vlaanderen kortzichtig en begoocheld heeft laten voorbijgaan'. 

Wat valt hierover, in het kader van de historische gegevens, te denken? De 
weergegeven stelling - Draulans laat evenwel ook de andere klok horen - is die van 
de radikale elementen in de frontbeweging die aanleiding gaven tot de zending van 
Charpentier. De voorgestelde politiek nochtans ging de krachten van de frontleiding 
te boven, ook indien deze het zou gewild hebben. Laten wij eerst vaststellen, dat 
deze radikale vleugel niet zo ver ging als de Tsjechische revolutionairen. Er is nergens 
en op geen enkel ogenblik sprake geweest van een omkeren der kanonnen, van een 
Vlaams leger dat zou militaire steun verlenen aan de Duitsers. Een dergelijke 
hypothese was, zonder enige diskussie, uitgesloten. Een andere vraag is, zoals reeds 
gezegd, of de front- 



(68) Verschenen in 1927. Het handschrift was reeds klaar op 13 maart 1923. De uitgave tijdens 
de oorlog werd gecensureerd en is niet bruikbaar. Over dit boek M. VERHEECKE. Jozef Simons. 
Ver teller, Zanger, Kempenaar (1963) en vooral L. SIMONS. 'Eer Vlaanderen vergaaf in 
Wetenschappelijke Tijdingen, 1966, 241-246. De zevende druk van het boek verscheen in 
1963. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



153 



beweging sterk genoeg was om op een bepaald punt een bres te openen voor de 
Duitse legers bij hun lenteoffensief ten einde een suksesrijke opmars naar Duinkerken 
en Kales mogelijk te maken en aldus de kans te scheppen voor een Duitse overwinning 
of een vrede door vergelijk waarbij, door de invloed van Duitsland, ook Vlaanderen 
zijn recht op zelfbestuur zou veroverd hebben. Wij geloven dat, in april-juni 1918, 
de frontbeweging inderdaad invloed genoeg had op de frontsoldaten om met sukses 
een dergelijk wachtwoord door te geven, niet op grond van het Vlaams radikalisme 
van de soldaten, maar op grond van hun oorlogsmoeheid en de vrees voor een 
moorddadig Duits offensief op het eigen front. 

De frontleiding heeft dit wachtwoord niet gegeven en de zgn. 'sprong niet 
gewaagd'. Waarom? Eenvoudig omdat een dergelijke handelwijze regelrecht indruiste 
tegen de geest van de overgrote meerderheid der aanhangers van de beweging en 
ook tegen de opvattingen van het leidend kader over de taak van de beweging na de 
oorlog. Het ging in tegen de geest van de beweging. Gegroeid uit de Rodenbachse 
traditie, zoals die vernieuwd werd door de kring Amicitia, was het ideaal van deze 
beweging wel het A.v.v./v.v.K., maar dit betekende voor de meesten geen 
tegenstelling tot België. Het parool luidde 'Voor Vlaanderen en België' of 'voor 
Vlaanderen eerst' en slechts bij de radikaalsten 'tegen België als het moet'. Wij 
beschikken over geen volledige verzameling frontbrieven van gesneuvelde soldaten, 
doch wat wij bezitten van de strijders die begraven werden aan de voet van de 
IJzertoren, is overtuigend genoeg om dit te bewijzen. Hoe de leidende elementen 
erover dachten, weten wij. Hil. Gravez, tot elk radikalisme nochtans bereid, vreesde 
gewelddaden aan het front waarvan de Duitsers zouden gebruik gemaakt hebben om 
door te breken en het leger in te sluiten. Debeuckelaere en Borginon dachten er niet 
anders over. Op 1 mei 1917 schreef De Pillecyn in het Limburgsch studentenblaadje 
over het aktivisme en betwijfelde hij of samengaan met de aktivisten op een Vlaams 
programma, uit hoofde van taktiek nog wel zou mogelijk zijn na de ontruiming van 
België. In het oog van de meeste frontleiders was - juist zoals bij de passieven - een 
Duitse overwinning de grootste van de kwalen waartussen men te kiezen had. Dit is 
van hun kant geen rechtvaardiging a posteriori. Deze opvatting komt ten volle overeen 
met de illusievolle verwachting die zij koesterden - en waarvan Verschaeve in 1914 
de eerste vertolker was - dat de oud-strijders van de IJzer bij hun terugkeer naar huis 
de leiding 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



154 



van de Vlaamse Beweging zouden in handen nemen. Zij meenden uit de mond van 
Van Cauwelaert de belofte gehoord te hebben dat hij hen zou volgen en desnoods 
met hen op de barrikade zou staan! 

Onder deze omstandigheden is het louter romantische beeldspraak over 'het uur 
van Vlaanderen' te spreken tijdens de oorlog. Voor de geschiedschrijver heeft dat 
nooit bestaan, omdat, zelfs indien de voorwaarden voor een dergelijke politiek 
voorhanden waren - wat nog te betwijfelen valt - niet alleen de wil, maar ook de 
wens ontbroken heeft om er gebruik van te maken in de zin van een Tsjechische 
politiek. 

Men heeft, in een andere konjunktuur, gesproken van 'het uur van Vlaanderen' 
bij de wapenstilstand van november 1918. Te Loppem dwingen de socialisten het 
algemeen stemrecht af. 'De Vlaamse leider is niet present' doet Dirk Vansina in zijn 
biografie van Verschaeve opmerken. Het is niet zeer duidelijk of hier alleen Van 
Cauwelaert bedoeld werd. Hij spreekt ook over de militaire macht van tachtig procent 
van het leger. Wij zullen later terugkeren op de rol van Van Cauwelaert. Wij willen 
het hier alleen hebben over de zgn. militaire macht van de frontbeweging. Ze bestond 
toen eenvoudig niet. Wij kunnen ons al afvragen in welke mate de organizatie van 
de frontbeweging een macht betekend heeft aan de IJzer. Volgens zekere gegevens 
zou die alleen in de 1ste en 2de divisie werkelijk invloed gehad hebben en dan nog 
maar vooral bij de infanterie. Dit is zonder twijfel de beweging onderschatten, al 
was die zwak in de derde en de vierde divisie en niet buitengewoon sterk in de vijfde 
en de zesde' 69 '. Wij stellen voor deze laatste bijv. vast dat Frans Van der Linden er 
op eigen hand een studiekring had opgericht. Pas einde 1917, toen de organizatie 
zich uitgebreid had tot de hele divisie, ontdekte men dat in andere divisies soortgelijke 
organizaties bestonden' 70 '. Dit schijnt erop te wijzen dat de organizatie van de 
frontbeweging er onbekend was op dat ogenblik. Bij navraag bij verschillende 
oud-strijders - van wie er leidend in de beweging stonden na 1918 - werd ons 
bevestigd dat er in verschillende eenheden aan het front weinig of niets te bespeuren 
is geweest van Vlaamse agitatie. Dat de frontbeweging einde 1918 machteloos stond 
was, beslist, een gevolg van de zware verliezen die haar kader geleden 



(69) Mededeling Borginon. H.J.E. 

(70) De offergang, o.c, 65. Wij vragen ons afofhier in plaats van 1917 niet moet gelezen worden 
1916 daar de studiekringen toch afgeschaft werden begin 1917. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



155 



had bij het bevrijdingsoffensief en van het feit dat de aanhangers ervan thans over 
een groot gebied verspreid lagen en alle onderlinge verbindingen verbroken waren. 
De hoofdoorzaak was evenwel dat de gaaf gebleven kern van flaminganten hun greep 
op de soldaten voorlopig verloren hadden. De tot overlopen bereide defaitist was nu, 
in menig geval, naar huis teruggekeerd als een 'miles gloriosus' die zich niet eens 
meer kon herinneren dat hij aan de IJzer gemanifesteerd had voor zelfbestuur en 
Vlaamse regimenten. Ontgoochelend en verlammend werkte daarbij op de leiders 
van de beweging de vaststelling hoe diep het aktivisme in de openbare mening was 
gediskrediteerd <71) . De frontbeweging was een kernbeweging geweest die haar macht 
verloor bij de bevrijding. Dit zal het verder verloop van de gebeurtenissen ons 
bewijzen. Ze had, op het front, zeer veel bijgedragen tot de verbreiding en de groei 
van de Vlaamse gedachte die er rijpte tot de idee van de zelfstandigheid; ze had deze 
gedachte van de studentenbeweging uitgedragen naar de eenvoudige volksmens en 
aldus een bredere grondslag gegeven aan de Vlaamse Beweging. In 
november-december 1918 was ze geen macht die geweld zou hebben kunnen 
aanwenden in dienst van recht. Ook hier is 'het uur van Vlaanderen' een produkt 
van de Vlaamse romantiek. 



(71) Interview Borginon. De Standaard, 15 juli 1964. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



156 



Hoofdstuk III I Het Passivisme 

1. Inleidende opmerking 

Het laatste paneel van het drieluik dat de Vlaamse Beweging tijdens de oorlog 
geworden was, vraagt thans onze aandacht. Het gaat om de zgn. passieve Vlamingen. 
Zonder rekening te houden met de individuele schakeringen die een kleurengamma 
vertonen gaande van het meest volslagen passivisme tot aan de rand van het aktivisme, 
kunnen wij hier, juist zoals in het aktivisme, twee grote stromingen onderscheiden. 
Leo Van Puyvelde is het die hierop, in juni 1918, sterk de klemtoon wenste te leggen. 
Hij zag aan de ene kant de 'godsvrede -flaminganten' die hoegenaamd aan geen aktie 
wilden doen, zolang als het land bezet was; aan de andere zijde de 'aktieve passieven' 
van het Vlaamsch-Belgisch Verbond die hun programma met of tegen de regering 
wilden doorzetten, doch zonder enige Duitse hulp (1> . Wij kunnen dit onderscheid in 
grote trekken aanvaarden en overnemen. Daarnaast dient nochtans ook nog gewezen 
op een ideologische tegenstelling in het passivisme, die echter eerder de tegenstelling 
dekt passieven-frontbeweging. De 'aktieve passieven' hebben op geen enkel ogenblik 
de gedachte van de Vlaamse zelfstandigheid aanvaard. Wij hebben er reeds op 
gewezen dat men, bij een oordeel over het aktivisme, met deze faktor van tegenstelling 
die in het niet aktivistische kamp bestond, moet rekening houden. 

2. In het bezet gebied 

Een aantal bekende, vooroorlogse flaminganten hebben, in het bezet gebied, het 
aktivisme niet onverschillig over zich laten heengaan. Zij zijn er heftig en openlijk 
tegen opgekomen' 2 '. Wij 



(1) L. VAN PUYVELDE. Voor mijn land, o.c, 157. 

(2) Uitvoeriger en met bijlagen bij Activisten, o.c, BASSE, I, 229 en volg.; Wat de Belgen uit 
bezet België over de bestuurlijke scheiding denken, met eene inleiding van H. Carton de 
Wiart. Le Havre, 1917 (gedateerd 15 nov.) - Verscheen ook in het Frans; Hoe Vlamingen de 
Duitsche vlaamschgezindheid schatten. Le Havre, 1918. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



157 



kunnen hier de omstandigheid buiten beschouwing laten, dat zij, met deze houding, 
aan de zijde stonden van de overgrote meerderheid van de bevolking. Wij hebben 
de aandacht hierop reeds gevestigd bij het onderzoek naar de vraag van de omvang 
en de diepte van het aktivisme. Wat onze aandacht hier gaande maakt is de omvang 
van deze groep en de Vlaamse motivering van haar houding. Enkelen die hun stem 
verhieven tegen het aktivisme, terwijl zij zich daarbij beriepen op hun Vlaams 
verleden, zijn ook na de oorlog even passief gebleven als tijdens de oorlog of 
verdwenen uit de militante Vlaamse Beweging. Anderen integendeel bleven strijdende 
flaminganten. Hun bestrijding van het aktivisme vond niet alleen zijn oorzaak in hun 
oprechte Belgische overtuiging, maar ook in hun bekommering om de toekomst van 
de Vlaamse Beweging. De aktivisten - zo was hun eerlijke overtuiging - diskrediteren 
de Vlaamse Beweging en geven onze vijanden het beste wapen in de handen dat zij 
konden dromen; een Duitse overwinning zou een groter gevaar zijn dan het 
franskiljonisme ooit geweest is. Daarbij komt nog de slechtheid van het principe 
vertegenwoordigd door de vijand '(geweld gaat voor recht!)'. De Entente zal 
zegevieren: niets zal of mag van het aktivistisch werk overeind blijven. 

Vrij vroeg zijn van passieve zijde openbare protesten bekend geraakt tegen de 
aktivistische politiek. Een van de eerste was voorzeker in Gent, de reeds vermelde 
publieke verklaring van een groep Gentse flaminganten, waardoor deze lieten weten 
dat zij niets te maken hadden met de publikatie van De Vlaamsche Post en de reeds 
aangehaalde circulaire, verspreid tegen het opkomende aktivisme, getekend o.a. door 
de vroeger zo turbulente Alf. Sevens en de na de oorlog niet minder onstuimige 
Boud. Maes. Toen, midden 1915, heftige polemieken ontstonden over het vraagstuk 
of de Vlaamse aktie tijdens de oorlog al dan niet diende voortgezet, publiceerde in 
augustus een groep flaminganten een tekst waarin zij beroep deden op hun landgenoten 
om alle taalgeschillen te laten rusten. Deze oproep was getekend o.a. door Aug. 
Vermeylen, A. Hegenscheidt, L. Franck, C. Huysmans, H. Teirlinck en Karei Van 
de Woestijne. L. Franck had reeds vroeger (15 febr. 1915) bij de Duitsers 
geprotesteerd tegen het verschil in behandeling van de burgerlijke gevangenen, al 
naar gelang het Vlamingen of Walen waren. Het verzet tegen de aktivistische politiek 
verscherpte toen het nieuws van de vernederlandsing der Universiteit in Gent bekend 
geraakte. Reeds op 8 jan. 1916 werd door L. Franck c.s. een protestnota aan von 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



158 



Bissing overgemaakt. Wij hebben, in verband met de vernederlandsing van Gent, 
reeds de aandacht hierop gevestigd, evenals op de houding van Vercoullie en 
Vliebergh. Enkele ondertekenaars van dit protest hadden beslist een zeer twijfelachtig 
Vlaams verleden en de aktivisten hebben niet nagelaten het manifest in dit opzicht 
aan te vallen (3) . Soortgelijke protesten werden, ter gelegenheid van verdere Duitse 
hervormingen, telkens ingestuurd, voorzien van de handtekening van bekende 
flaminganten. Dit was het geval voor de bestuurlijke scheiding en vooral voor de 
uitroeping van Vlaanderens zelfstandigheid door de Raad van Vlaanderen. In 
Antwerpen slaagde Ary Delen erin 160 handtekeningen van letterkundigen en 
kunstenaars bijeen te brengen! 

Naast deze protesten bestond er ook een geheime verzetsliteratuur. Wij kunnen 
hier de pamfletten van Jozef Buerbaum (gepubliceerd onder de schuilnaam Janus 
Droogstoppel) buiten beschouwing laten. Enkele van zijn schotschriften handelen 
ook wel over Vlaamse problemen, maar de auteur behoort niet tot het flamingantische 
kamp en zijn vlugschriften behandelen geen principiële vraagstukken <4> . Anders is 
het gesteld met de sluikbladen De Vlaamsche Wachter (Antwerpen) en vooral De 
Vlaamsche Leeuw (Brussel). In dit laatste verschenen een reeks opstellen van Alf. 
Fierens die hij, bijgewerkt, onmiddellijk na de oorlog publiceerde in zijn boek Het 
Belgische Vaderland. Voor zover het hier gaat om een poging om de 
Vlaams-Belgicistische overtuiging te grondvesten op filosofische en historische 
argumenten, zullen wij op deze belangrijke studie terugkeren. 

Tot de uitgaven van De Vlaamsche Wachter behoort een merkwaardig pamflet: 
Joannes. Katholiek Pas sivistisch antwoord op L. Dosfels Katholiek Aktivistisch 
verweerschrift (71 blz. gedateerd 1 mei 1918). De schrijver ervan was de toen zeer 
bekende katolieke dichter Const. Eeckels. Zoals de titel aangeeft is het een antwoord 
op het Verweerschrift van Dosfel. Het is een brochure vol katoliek en Vlaams 
idealisme waarin zeer hartstochtelijk het standpunt van de aktivisten wordt bevochten, 
hoofdzakelijk op grond van praktisch-politieke overwegingen. Wel is het eens 
schamper van toon tegenover Dosfel, doch nooit hatelijk of beledigend. Dat er, in 
de hitte van de polemiek, ook wel onrecht- 



(3) Ons Land, 7 mei 1916, bij FAINGNAERT, 385. Over de rol die L. Franck in deze verzetsaktie 
heeft gespeeld, zie L. FRANCK. Feestzitting Willemsfonds, zondag 23 okt. 1921. Redevoering 
van minister L. Franck, 3 1 blz. 

(4) Catalogus ... Stille Getuigen, o.c., nrs. 36 en 51. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



159 



vaardige beschuldigingen aan het adres van de aktivisten voorkomen (bijv. 'dat de 
overwegende meerderheid slechts eigen belang beoogt') is onvermijdelijk. Van 
belang voor de radikale opvattingen van de schrijver en ook voor zijn verdere houding 
zijn een paar uitlatingen die hier dienen genoteerd. Aldus zijn standpunt tegenover 
de bestuurlijke scheiding: indien het later de enig mogelijke en degelijke oplossing 
blijkt te zijn, dan zullen de Vlamingen, ondanks wie ook en spijts alles, ze er 
doorhalen. Hij voorziet ten andere voor de toekomst nog een mogelijke samenwerking 
met de aktivisten: het is wenselijk, mogelijk en waarschijnlijk dat de eerlijke aktivisten 
het kamp van de passieven zullen vergroten. Hij was daarbij overtuigd, wat de 
franskiljons in Vlaanderen betreft, dat 'in een niet zo verre toekomst' zij een 
afzonderlijk groepje zouden uitmaken dat, door de Vlamingen verstoten, door de 
Walen zou afgewezen worden of met vernederende minachting behandeld. 

Kenschetsend voor de Vlaamse geest van De Vlaamsche Leeuw was ook dat de 
uitgevers, naar het einde van de oorlog toe, hun solidariteit betuigden met Frans Van 
Cauwelaert door de publikatie, in het Frans, van zijn memorandum aan de Engelse 
konsulgeneraal in Den Haag: Frans Van Cauwelaert et la question des langues en 
Belgique (10 blz. kleine druk). 

3. De Haver se passivisten 

Naast dit flamingantisch verzet in het bezet gebied, werd het aktivisme ook heftig 
bestreden door een groep flaminganten daarbuiten. Hier is een scherpe lijn te trekken 
tussen de trouwe dienaars van de politiek gevolgd door de regering in Le Havre en 
de flaminganten die zich niet wilden laten verstikken in stilzwijgen. 

Tot de eerste groep behoorden de semi-officiële kranten Het Vaderland en Het 
Belgisch Dagblad 5 '. Het eerste was in Havere gesticht door Leo De Paeuw, 
inspekteur-generaal van het Lager Onderwijs en hoofd van het burgerlijk kabinet 
van minister de Broqueville. Het werd opgericht in aug. 1915 en verscheen sedert 
aug. 1916 in Parijs. Direkteur ervan was Leo Van Goethem. Het was een afkooksel 
van dsXXe Siècle en een voorwerp van ergernis voor alle flaminganten aan het front, 
waar het overvloedig 



(5) Over deze vluchtelingenpers: H.H. BOCKWITZ. Vom Zeitungswesen der Belgier im Ausland, 
in Der Belfried, III (dec. 1918), 249-259. Vgl. van dezelfde Belgisches Presse- und 
Propagandawesen im Auslande, ibid., II (april 1918), 465-469. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



160 



werd verspreid. Het Belgisch Dagblad verscheen in Nederland en was het orgaan 
van Leo Ducatillon. De geest ervan wordt voldoende gekenschetst door de publikatie 
(18 en 19 juli 1918) van het reeds genoemde Memorandum van Van Cauwelaert, 
met de bedoeling die te kelderen voor de openbare mening omdat hij, zogezegd, 
evenals de aktivisten, de Vlaamse kwestie had willen 'internationalizeren'. 

Wij kunnen met de vermelding van deze persorganen volstaan. Anders is het 
gesteld met een vooraanstaande figuur uit de katolieke Vlaamse studentenbeweging 
van vóór 1914, Leo Van Puyvelde, een van de stichters in 1903 van het A.K.v.s. Hij 
verbleef tijdens de oorlog in Nederland en publiceerde er een paar teoretische artikelen 
in De Gids over de Vlaamse Beweging: in okt. 1916 Het Keerpunt der Vlaamsche 
Beweging, in febr. 1918 De Vlaamsche Beweging en de oorlog. Hij was tevens 
medewerker aan de Nieuwe Rotterdamsche Couranf\ Bij het begin van de oorlog 
werd Van Puyvelde een overtuigd aanhanger van de teorie der 'ame beige'. 'De 
Belgische ziel, zozeer in eigen land besproken en genegeerd, is nu geboren' schreef 
hij op 7 nov. 1914 in Van Onzen Tijd. Als medewerker aan het elfde-julinummer van 
De Vlaamsche Stem (1915) bevestigde hij dit standpunt: de Duitsers hebben op 4 
aug. 1914 het Belgisch vaderland voor goed gevestigd. In zijn Keerpunt ging hij tot 
de aanval over. Het opstel was gericht tegen hen die onder de oorlog hun Vlaamse 
aktie voortzetten en zich niet afvroegen of door deze beproevingen het Belgisch volk 
en zijn regering de belangen van de Vlamingen niet beter zouden inzien. In zijn 
kritiek op de Vlaamse Beweging in het verleden hekelde hij de verspilling van al te 
veel volkskracht 'aan het straatleven in de Vlaamse Beweging'. De tijd was voor de 
Vlaamse Beweging aangebroken om zich te hernieuwen. De aktivisten waren de 
hekkensluiters van de politieke periode der Beweging die volgde op het 
historisch-letterkundig tijdperk. Voor ons ligt een nieuw tijdperk. Het zal er op 
aankomen ons in te spannen, 'maar niet langer aan de taalstrijd, die tot dit doel maar 
een ondergeschikt middel is en dit ook moet blijven, het leeuweaandeel van onze 
krachten te schenken'. 

Het was nog tamelijk vaag gehouden en wat de schrijver bedoelde 



(6) Deze opstellen en artikelen werden na de oorlog gebundeld in L. VAN PUYVELDE. Voor mijn 
land, o.c. De opstellen inDe Gids verschenen separatim en werden ook vertaald: L'orientation 
nouvelle du mouvement flamand (1917) en Le mouvement flamand et la guerre (1918). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



161 



was niet zeer duidelijk. Zijn uitval tegen Vrij België (op 7 maart 1917 in de Nieuwe 
Rotterdamsche Courant) was het wel. Hij verweet aan de redakteuren van Vrij België 
dat hun verzet tegen het aktivisme nooit geraakt was tot iets dat tot een 
onoverkomelijke scheiding zou leiden. Zij hebben zich nooit - aldus ging hij verder 
- volledig gedesolidarizeerd van de aktivisten zelf, maar lieten het steeds bij een 
principiële afkeuring van het aktivisme. Nooit hebben zij de Belgische regering 
goedgekeurd, waar deze straffend optrad. Zij tuurden steeds de weg op waarlangs 
de verloren zonen konden terugkeren. Van Cauwelaert stond weer op het oud 
flamingantisch standpunt van wantrouwen tegenover de Belgische regering. Er bestaat 
nog wel een principieel verschil tussen Vrij België en de aktivisten, maar niet van 
zulke aard dat beide partijen onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Hier trok Van 
Puy velde een dikke streep tussen de 'godsvrede-flaminganten' en de 'aktieve 
passieven'. Tot een diepere diagnose wilde hij komen in zijn opstel De Vlaamsche 
Beweging en de oorlog (gedateerd 23 dec. 1917). Hierin zette hij uiteen hoe het 
aktivisme niets anders was als de hervatting van de vooroorlogse taalstrijd op een 
ogenblik waar verdeeldheid onder de Belgen het land kon in gevaar brengen. Het is 
het doordrijven van de taalstrijd op politiek gebied. Het aktivisme zal meer blijken 
als een benauwende droom. Wat zal, na de oorlog, hen 'wier politiek vastgeworteld 
ligt in het meetingflamingantisme' weerhouden aan te sluiten bij het huidige aktivisme, 
aangezien het probleem van de samenwerking met de Duitsers zal weggevallen zijn? 
Men moet de moed opbrengen om van oud-medestanders (nl. de aktivisten) afscheid 
te nemen. 'Voor de intellektuele flaminganten is nu de tijd aangebroken, om te 
bewijzen, dat de Vlaamse Beweging in de eerste plaats een kuituurbeweging is... en 
dat de strijd voor gunstiger taaltoestanden hiertoe slechts het nodige voorspel is'. 

Met deze beide opstellen in De Gids heeft Leo Van Puyvelde afscheid genomen 
van zijn jeugd en de Vlaamse Beweging. Hij is een weg opgegaan waar hij met veel 
eerbewijzen werd overladen en hoge posten hem werden toevertrouwd, maar toen 
de Ecole des Hautes Etudes te Gent werd opgericht tegen de zgn. Nolf-universiteit, 
stond Leo Van Puyvelde, hoogleraar aan deze universiteit, tevens op de lijst van de 
professoren der Ecole. Voor elke flamingant was dat toen beslist het einde. 

4. De aktieve passivisten 

Tegenover de handvol onvoorwaardelijke verdedigers van de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



162 



Haverse politiek, stonden een deel passieve flaminganten op het standpunt, dat 
Vlaamse waakzaamheid en strijdvaardigheid geboden waren en dat de regering van 
Havere toch niet honderd procent was wat zij voor de Vlamingen had horen te zijn. 
Dit flamingantisme vindt men weer in De Belgische Standaard waarvan wij de 
geschiedenis in grote trekken reeds hebben geschetst in de verhouding ervan tot Ons 
Vaderland en in De Stem uit België, in Engeland uitgegeven door Floris Prims. Zoals 
het blad van Pater Peeters, stond ook dat van Floris Prims voor elk gezond denkend 
mens boven elke verdenking van een openlijke of verkapte anti-Belgische houding 
of sympatie met het aktivisme. Dit belette niet dat het blad voortdurend moeilijkheden 
had met de censuur' 7 '. Deze pers was nochtans voor zekere flaminganten zo weinig 
kordaat in haar Vlaamse uitingen dat er een ogenblik gedacht werd aan de oprichting 
van een Vlaams dagblad met radikaler inhoud. In deze plannen waren o.a. Dr. Van 
de Perre, Dr. H. Allaeys en Dr. Hil. Gravez betrokken. Op 20 dec.1917 kwam het 
zelfs tot de stichting van een N.V. Ons Vlaanderen met het doel dit weekblad, dat 
sedert 25 febr. 1915 in Parijs verscheen, verder uit te geven en tot een groot dagblad 
uit te werken dat uiteindelijk De Belgische Standaard en Ons Vaderland zou 
opgeslorpt hebben. Van dit alles kwam niets terecht (8) . 

Wij mogen volstaan met dit alles hier even te vermelden: van groot belang voor 
de verdere ontwikkeling van de Vlaamse Beweging is het niet geweest. Dit geldt 
ook, hoewel toch in mindere mate, voor de aktie van Cam. Huysmans. Deze was 
aanvankelijk in het bezet gebied gebleven, maar zijn positie werd er, als sekretaris 
van de Tweede Internationale, einde december 1915 zo wankel, dat hij verkoos de 
wijk te nemen naar Nederland. Hij gaf aldaar later een krant uit: De Belgische Socialist 
- Le socialiste beige (23 sept. 1916) <9> . Zijn naam kwam vooral in opspraak door zijn 
aanwezigheid op de Internationale Socialistische Konferentie in Stockholm (juni 
1917). Wij hebben gezien dat er daarop ook een socialistisch-aktivistische delegatie 
aanwezig was. Toen de 



(7) CORDEMANS, O.C., 508-517. 

(8) Ibid., 555. 

(9) Over de politiek van Huysmans en De Belgische Socialist, uitvoeriger bij M. CLAEYS-VAN 
haegendoren, 77-8 1 . Terecht wordt hier gezegd dat de positie van Huysmans in de redaktie 
niet zeer klaar is. Bij het proces ingespannen tegen Jamar c.s. na de oorlog beweerde het 
Openbaar Ministerie dat Jamar volledig meester was van De Belgische Socialist; de 
verdediging beweerde dat hij alleen maar redaktiesekretaris was. Ons Vaderland, 20 mei 
1920. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



163 



Vlaamse Beweging er te berde gebracht werd, verdedigde Huysmans het standpunt 
van de kulturele autonomie, een opvatting die hij reeds vóór 1914 had vooruitgezet 
in zijn polemieken. Toen Vrij België zijn optreden in Stockholm afkeurde, kreeg hij 
de gelegenheid om, in een brief aan de redakteuren, zijn zienswijze nader toe te 
lichten zowel over de wenselijkheid van zijn aanwezigheid op de konferentie als 
over de inhoud van zijn voorstel. Naar zijn opvatting bracht kulturele autonomie de 
splitsing met zich van het ministerie van kunsten en wetenschappen waarin alle 
scholen, dus ook de technische, moesten ondergebracht worden. Hij waarschuwde 
daarbij Van Cauwelaert en Hoste tegen een al te groot optimisme voor wat een snelle 
oplossing van het Vlaamse vraagstuk na de oorlog aanging 00 '. Op het vierde kongres 
van de Bond der Belgische Arbeiders in Nederland (25-26 dec. 1917) werd een 
resolutie aangenomen waarin de Bond verklaarde de principes van het 
Hollands-Skandinaafs komitee tot de zijne te maken (11) . Huysmans was aldus gedekt 
aan Vlaamssocialistische zijde, maar zijn optreden te Stockholm bleef, na de oorlog, 
de Brusselse patriottische socialisten zo zwaar op de maag liggen, dat Huysmans 
van de eerste gelegenheid gebruik maakte om over te stappen naar Antwerpen (1919) 
waar dan zijn grote politieke loopbaan begon. 

De twee figuren die in het 'aktieve passivisme' werkelijk onze aandacht vragen, 
omdat zij in grote mate de oriëntering van de katolieke flaminganten - de overgrote 
meerderheid in de Vlaamse Beweging! - hebben bepaald, zijn Dr. A. Van de Perre 
en Frans Van Cauwelaert. 

Dr. A. Van de Perre, die vóór de oorlog een zeer vooraanstaande rol in de Beweging 
speelde, was in 1914 uitgeweken naar Engeland' 12 '. Lange tijd stond hij op het 
standpunt dat voor de flaminganten zwijgen plicht was. Hij ging hierin verder dan 
Van Cauwelaert. Hij dacht nochtans aan deze opvatting geen afbreuk te doen door 
het 21-julimanifest van Van Cauwelaert c.s. te on- 



(10) In Vrij België, 26 okt. 1917, vindt men de tekst van de verklaringen van Stockholm met 
beschouwingen van J. Hoste, jr. alsook een artikel van Fr. Van Cauwelaert over kulturele 
autonomie. De brief van Huysmans verscheen in Vrij België, 30 nov. 1917. Vgl. verder nog 
De Belgische Socialist van 5 jan. 1918 en Vrij België van 11 jan. 1918. 

(11) Vrij België, 4 jan. 1918. 

(12) Voor al wat volgt CORDEMANS, o.c. Zie ook een voordracht van H. borginon te Antwerpen 
(17 mei 1966), in de Mededelingen van het Verbond der Vlaamse Academici WA., XI (okt. 
1966) en volg. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



164 



dertekenen en in Engeland te verspreiden. In Vlaams opzicht werd de toestand echter 
dusdanig dat Van de Perre, na een tijd van radeloosheid, eindelijk in nov. 1915 tot 
de overtuiging kwam dat er moest gesproken worden. Het was wellicht ook best voor 
zijn reputatie, want er bestond wel meningsverschil over zijn optreden in het eerste 
jaar van de oorlog. Hij had er zelf aanleiding toe gegeven. Eerst en vooral door zijn 
Belgische propagandareis naar Zuid- Afrika, waar op 18 okt. 1914 de burgeroorlog 
uitgebroken was. Een gedeelte van de Boeren had naar de wapens gegrepen tegen 
Engeland om, gebruik makend van de oorlog, de oude vrijheid opnieuw te veroveren. 
Het eindigde met de nederlaag van de opstandige Boeren. Op 4 dec. 1914 was Van 
de Perre 'op vraag van de Engelse regering' naar Zuid- Afrika vertrokken om de 
Boeren warm te maken voor de Belgische zaak. Hij was op 23 maart 1915 terug in 
Plymouth. het was een officiële zending die met gemengde gevoelens werd onthaald 
door een gedeelte van de bevolking dat in hem een agent zag van de Engelse regering: 
de Boeren winnen voor België betekende in hun ogen ze ook winnen voor Engeland. 
Dr. Van de Perre was blijkbaar zelf diep verscheurd in zijn gevoelens: hij bracht 
hulde aan Smuts, maar ook aan de rebel Jopie Fourie die terechtgesteld werd... 

Dr. Van de Perre kwam ziek terug in Engeland en velen van zijn vrienden behielden 
de indruk, dat zijn gezondheid in Zuid- Afrika geknakt was en dat hij nooit meer de 
stoere Van de Perre van vroeger geworden is. Toch was deze man van aktie, na een 
maand rust, weer op de been. Hij was ten zeerste bekommerd over wat de na-oorlog 
zou brengen, vooral op ekonomisch gebied en meer bijzonder nog voor de haven 
van Antwerpen. Bracht deze bezorgdheid hem een tijdlang in het vaarwater van een 
Belgisch nationalisme dat zijn uiting vond in een annexionistisch streven? In een 
toespraak in het Salisbury-hotel te Londen, op 20 mei 1915, had hij het, met het oog 
op onze ekonomische toekomst, over een konventie die aan het overwonnen Duitsland 
zou dienen opgelegd ofwel een toestand die moest bereikt worden 'door een 
uitbreiding van grondgebied'. Waar hij dit laatste zag, is niet heel duidelijk. Wel 
heeft hij niet deelgenomen aan een soortgelijke campagne tegen Nederland, maar op 
22 juni 1915 antwoordde hij toch in La Métropole op een aanval vanZ)e Vlaamsche 
Stem die hem zijn aanexionistische voordracht verweet, dat hij geen tegenstelling 
zag tussen zijn Vlaamse opvattingen en de gedachte van een uitbreiding van 
grondgebied, zelfs indien deze laatste een aangroei van het Waalse element tot gevolg 
zou 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



165 



hebben. Wij vonden geen andere omschrijving van wat hij hiermee bedoelde. 

Op de konferentie van 20 mei had hij ook gehandeld over de Vlaamse kwestie. 
Hij sprak er zijn overtuiging in uit, die hij gehad had vóór de oorlog, die hij tijdens 
de oorlog nog had en die ook ongewijzigd zou zijn erna - zoals hijzelf zegde - dat 
het taalprobleem een der voornaamste vraagstukken was die in het land waren gesteld. 
Zoals gezegd, hervatte hij einde november weer zijn aktiviteit in de Vlaamse 
Beweging, bij zover dat hij een van de zwarte beesten werd van de franstalige pers 
en de Veiligheidsdiensten. Zijn positie tegenover de aktivistische politiek was 
nochtans zeer scherp, niet alleen op het vlak van de praktische politiek, doch ook op 
dat van de principiële Vlaamse posities. Hij publiceerde aldus in Vrij België (4 en 
18 febr. 1916) twee uitvoerige artikelen tegen de bestuurlijke scheiding die hij 
verwierp, omdat hij niet geloofde dat ze ons een stap nader zou brengen tot de 
oplossing. Meer als een jaar later evenwel, in een scherpe brief aan minister Hubert 
(6 maart 1917), naar aanleiding van een onderzoek ingesteld tegen zijn sekretaris M. 
Cordemans, komt de merkwaardige zin voor dat Van de Perre zich niet beschouwde 
'comme appartenant a un peuple libre'. Hij kondigt er de strijd aan die hij na de 
oorlog zal voeren voor recht en gerechtigheid 'car quoique 1'histoire nous apprenne 
que jamais justice n'est faite a un peuple sans révolution ou sans guerre, nous 
continuons a avoir confiance dans la légalité' <13) . Een zonderlinge redenering om in 
de wettelijkheid te blijven! Enkele maanden later, in een artikel over het boek van 
F. PasselecqZa question flamande et l'Allemagne, schreef hij (in De Belgische 
Standaard, 27 nov. 1917) dat de Vlamingen in dit land de meerderheid niet konden 
uitmaken zolang de Walen met de franskiljons in Vlaanderen blok vormden. De 
Walen zullen steeds in Vlaanderen het nodige aantal volksvertegenwoordigers vinden 
om met hen te stemmen (een tiental uit Vlaanderen volstaat en voor deze mensen is 
er steeds wel een plaats op de partijlijsten in Vlaanderen). 

Intussen was Dr. Van de Perre met zijn familie naar Frankrijk overgekomen, waar 
hij zich vestigde in Honfleur, aan de monding van de Seine (30 mei 1917). Hij ontving 
hier heel veel bezoek van uit de frontlinie. Op 28 juli publiceerde Ons Vaderland 
een zeer lovend en waarderend artikel over hem, zonder schaduw of voorbehoud. 
Het was ondertekend IJzer, d.w.z. de frontleiding. 



(13) Cit. CORDEMANS, o.c, 256. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



166 



De opvattingen van Van de Perre over het aktivisme en zijn samenwerking met de 
Duitsers zijn intussen niet veranderd. In het elfde-julinummer van De Belgische 
Standaard (1917) had hij nogmaals al zijn bezwaren samengevat; zijn redenering 
mag als gemeengoed beschouwd worden van alle flaminganten die de Duitse hulp 
afwezen. Ze komt hierop neer: onszelf zijn met onze eigen Vlaamse beschaving 
onder Duitse invloed is iets dat vloekt als water en vuur. Wij zouden ekonomisch 
opgeslorpt en zelfs koelies worden: zie naar het voorbeeld van de Polen. Ekonomische 
inlijving brengt politieke afhankelijkheid mede en de beide talen zijn zo verwant dat 
na twintig jaar die van ons zou verdwenen zijn. Dit was de motivering ingeroepen 
door een man waarvan niets in zijn leven getuigt dat hij zou gedreven geworden zijn 
door persoonlijke politieke ambities, door geldzucht of door een zwak voor 
eerbewijzen, gekocht door dubbelzinnig geschipper. In zijn bekommering om de 
toekomst, doorzag hij ook zeer juist de bedoelingen van de Duitse politiek: bij een 
vrede door vergelijk het behoud vragen van de bestuurlijke scheiding. Deze eis - zo 
schreef hij aan minister Poullet (nov. 1917) - zal ongetwijfeld steun vinden bij een 
niet onaanzienlijk gedeelte van ons volk zelf, zodra er geen gevaar meer aan 
verbonden is voor Duitse overheersing. Waarom - vroeg hij - spreekt dan de Belgische 
regering het woord niet uit, dat aan de vijand definitief het Vlaamse wapen uit de 
hand zou slaan? Wij weten, dat de regering niet sprak en niet eens openlijk durfde 
zeggen waarom ze dit niet kon. 

Dr. Van de Perre werkte intussen aan een andere taak die hij op zich genomen 
had: het buitenland voorlichten. Op 11 juni 1918 ontving hij eindelijk het eerste 
exemplaar van zijn boek The language question in Belgium, een stevige studie van 
238 blz. Dieper en dieper werkte op Dr. Van de Perre de tragiek in van de Vlaamse 
Beweging tijdens deze oorlog. Hij werd daarbij sterk getroffen door de politiek van 
de geallieerden tegenover de Tsjechen en de manier waarop die aan het publiek werd 
voorgesteld. In zijn bekende veertien punten had president Wilson aan de Slavische 
minderheden in Oostenrijk-Hongarije autonomie beloofd, geen zelfstandigheid. Toen 
tot de verbrokkeling van de Donaumonarchie besloten werd, verklaarde in juni 1918 
de regering van de U.S.A. dat ze zich inzette voor de volledige onafhankelijkheid van 
alle Slavische volkeren in Duitsland en in de Donaumonarchie. Als gevolg hiervan 
werd in september de revolutionaire Tsjechische Raad door President Wilson als 
oorlog- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



167 



voerende regering erkend. De Franse regering was hierop reeds vooruitgelopen en 
had Tsjechische regimenten ingezet op het front. Zij werden op 30 juni door de 
president van de Franse Republiek toegesproken als 'helden'. Omstreeks deze tijd 
was het dat de socialistische, Belgische journalist L. Piérard schreef over 'les sublimes 
déserteurs', een woord dat door de Vlaamse nationalisten na de oorlog opgeraapt 
werd om de Vlaamse overlopers te verheerlijken. Dr. Van de Perre schreef, in de 
dagen of weken die volgden op deze toespraak, een memorandum La conscience 
flamande et la guerre, waarvan wij de geadresseerde niet kennen, maar dat getuigt 
van zijn diepe verscheurdheid. De woorden van de Franse president - zo schreef hij 
- 'ont jeté le trouble dans mon ame'. Helden hier, verraders in Oostenrijk-Hongarije! 
Hij vroeg zich af of hij niet te ver gegaan was door de aktivisten te verloochenen die 
niet eens, zoals de Tsjechen, de wapens opnamen. Hij verwierp evenwel dadelijk 
deze gedachte om nogmaals de argumentatie van zijn artikel van de elfde juli in De 
Belgische Standaard te hernieuwen. Hij was er daarbij van overtuigd dat het Vlaamse 
volk intellektueel zo laag stond dat het aan geen Duitse druk zou kunnen weerstaan, 
een gedachte die wij reeds bij Verschaeve, begin 1915, weervonden. Juist voor het 
leven van dit volk vechten wij en daarom ook veroordelen wij het aktivisme. Wij 
zijn aldus - men lette verder op dit standpunt! - tijdelijk gescheiden van onze vrienden. 
De bestuurlijke scheiding is op zichzelf niet te veroordelen, maar in de voorwaarden 
waarin de aktivisten ze tot stand brachten moet zij onvermijdelijk leiden tot voogdij 
en opslorping. Indien - zuivere veronderstelling! - België aan de zijde van Duitsland 
gestaan had en aktivisten van de zwakheid van de Belgische regering gebruik hadden 
gemaakt om de rechten van het Vlaamse volk te veroveren, dan zou ik de eerste van 
de aktivisten geweest zijn omdat ik onder deze omstandigheden een grote kans zou 
gehad hebben om de rechten van mijn volk te veroveren. 

Wij hebben, bij de ontleding van dit zeer belangrijk stuk, alleen de gedachtengang 
in grote lijnen kunnen weergeven. In het geheel komt een diepe ontstemming tot 
uiting tegenover de regering van Havere. Wij zien hier zeer duidelijk een evolutie 
in de gedachtengang van Van de Perre. Niet het hele aktivisme wordt hier verworpen, 
zeker niet het principe van met buitenlandse hulp te zegevieren, wel met Duitse 
omdat deze, in de gegeven voorwaarden, niet tot het doel kan leiden. Wij onderstrepen 
ook hoe in dit stuk 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



168 



erop gewezen wordt, dat de scheiding van zijn aktivistische vrienden in zijn ogen 
maar een tijdelijke is. 

De uiteenzetting van het standpunt van Van de Perre wijst op een vrij radikale 
positie maar ook op twijfel en onzekerheid. Dit laatste kan in geen geval gezegd 
worden van de houding van Frans Van Cauwelaert. Ze is van in het begin van de 
oorlog zeer duidelijk: in geen geval breken met de regering en, in de uitwerking van 
het programma, streng vasthouden aan de unitaristische staat met een onverbiddelijk 
verzet tegen elke scheidingsgedachte. Frans Van Cauwelaert was vóór de oorlog de 
voorman van al wat gegroeid was uit de rangen van het A.K.V.S. Hij werd, door zijn 
houding tijdens de oorlog, de centrale figuur die tot partijkiezen dwong. Hij werd 
gehaat door al wat franskiljon was en - met uitzondering van de hoogste 
regeringskringen - met modder besmeurd, met laster en verdachtmakingen overgoten. 
Hij was onafgebroken het mikpunt van de aktivistische polemieken: men poogde 
hem in stellingen terug te drijven die men daarna als inneming van een aktivistisch 
standpunt interpreteerde. De vinnigste aktivisten bevochten hem hatelijk en honend, 
omdat men het in de grond diep betreurde, dat hij niet tot het aktivisme was 
overgekomen. 

Anders als Van de Perre, heeft Van Cauwelaert reeds vroeg de Vlamingen 
opgeroepen om met geestelijke wapenen voor België te getuigen en hierdoor mede 
Vlaanderen te dienen. Aldus een oproep in het Kerstnummer 1914 van De Nieuwe 
Amsterdammer (l4) . In januari 1915 had hij in De Panne een onderhoud met Koning 
Albert. Wij weten er alleen over, dat Van Cauwelaert toen aan juffrouw Belpaire 
uiting gaf aan zijn diepe bewondering voor de Koning en voor Kardinaal Mercier 
die zo pas zijn befaamde Kerstboodschap had bekend gemaakt (15) . Terug in Nederland 
hield Van Cauwelaert er op 15 maart een voordracht in de Debatingclub van het 
Utrechtse Studentencorps over De Vlaamsche Beweging en de oorlog waaruit wij 
volgende tesissen onthouden: - nooit lag het in de geest van de Vlaamse Beweging 
de politieke eenheid van België in gevaar te brengen. Indien de Vlamingen de Waalse 
eis tot bestuurlijke scheiding vóór de oorlog overgenomen hadden, dan zouden de 
leiders van de Beweging daartegen opgekomen zijn; - na de oorlog zullen wij er beter 
voorstaan omdat vele vooroordelen zullen weggevallen zijn door 



(14) A. JACOB. De Vlaamse Stem, o.c.,5. Vgl. De Vlaamsche Stem, 7 febr. 1915. 

(15) M.E. BELPAIRE. Gestalten, o.c, 162. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



169 



de houding van de vlaamsgezinden bij de Duitse inval; - Duitsland zint op inlijving 
van Vlaanderen. Dit ware de ondergang van onze beschaving: zie naar Polen en 
Sleeswijk (16) . Van Cauwelaert genoot, toen hij deze voordracht hield, reeds het 
vertrouwen van de regering in Le Havre: hij werd sekretaris van het door minister 
Poullet geïnstalleerde Belgisch Comiteit voor Nederland, tot koördinatie van de 
werking der verschillende bestaande komitees <17) . 

Wij hebben hierboven verhaald hoe hij de voet dwars zette aan De Vlaamsche 
Stem, toen ze de richting opging van de bestuurlijke scheiding en een voorwaardelijk 
loyalisme. Wij zagen Van Cauwelaert overgaan tot de aanval met zijn manifest van 
21 juli. Dit was zijn geloofsbelijdenis en hij is hier niet meer van afgeweken: het 
bleef de grondslag van zijn verdere aktie. Tegenover De Vlaamsche Stem stelde Van 
Cauwelaert, samen met Jul. Hoste jr. zijn eigen weekblad Vrij België (27 aug. 1915 
- 20 nov. 1918). In de loop van de maand okt. en november 1915 publiceerde hij 
hierin een reeks van vijf artikelen om de bestuurlijke scheiding te verwerpen. Hij 
stelde hiertegenover zijn eigen opvatting en oplossing: 'de bestuurlijke aanpassing', 
een van de vage en elastische formules bij de hantering waarvan de grote redenaar 
Van Cauwelaert een meester in het vak werd. 

In oktober 1915 was hij opnieuw in De Panne, waar hij tevergeefs poogde een 
onderhoud met de Koning te hebben (18) . Naar aanleiding van deze reis deden zeer 
lasterlijke geruchten de ronde in Nederland waar dit gesprek - dat niet plaats had - 
in verband werd gebracht met de zaak Jacob - De Clercq. 

Toen het nieuws bekend werd van de vernederlandsing der Gentse universiteit 
nam Vrij België er dadelijk (7 jan. 1916) scherp positie tegen. Het blad beweerde dat 
het een hogeschool zou worden zonder studenten en zonder professoren. Toen de 
propaganda voor de Vlaamse universiteit ingezet werd en deze aktie op een zeker 
sukses scheen te wijzen, schreef Van Cauwelaert zelf een scherp artikel om de 
vernederlandsing af te wijzen. Niemand kon, volgens hem, wensen dat het behoud 
van deze universiteit zou te danken zijn aan Duitse overmacht na de oorlog en 
nochtans 



(16) Vgl. De Vlaamsche Stem, 17, 18 en 19 maart 1915. 

(17) De Vlaamsche Stem, 31 maart 1915. 

(18) M.E. BELPAIRE, O.C., 198. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



170 



was er geen andere uitweg: wij kunnen immers niet verwachten dat de Belgische 
regering deze universiteit zal overnemen' 19 '. 

Naar aanleiding van de vele aanvallen waaraan Van Cauwelaert op dat ogenblik 
bloot stond, zowel van Vlaamse als van anti- Vlaamse zijde, zonden een groep 
frontsoldaten hem in augustus 1916 een blijk van hulde en sympatie. Zij brachten 
hulde en spraken hun dank uit aan 'de tolk van wat zovelen denken'. Zij drukten 
daarbij de overtuiging uit dat, waar de wateren van de Beweging in tweeën gescheurd 
werden door meningsverschil over de te volgen weg, de stroom toch na zekere tijd 
weer één zou worden. Zij schandvlekten de laster waarvan hij het voorwerp was: 
'met de liefde tot uw volk en uw land, hebt gij de baan afgebakend bij dit 
wereldgloeien, tegenwerkend het roekeloos drijven van annexionisten en waagzin 
van groot-macht, roepend aan de verantwoordelijke personen de klippen langs dien 
kant, afwijzend van den anderen kant het verleidend uitlokken van den overweldiger, 
smedend aan vriendschapsbanden met aanverwant volk, en uitroeiende de valse 
verdenkingen tegen onze eerlijkheid' . Dit adres - in tamelijk plechtige stijl geschreven 
- droeg de handtekehij voelde ook de behoefte aan een ruggesteun om een sterkere 
druk te kunnen uitoefenen. Deze kwam dan ook tot stand in het ningen van F. De 
Pillecyn, J. Guldentops, H. Gravez, Dr. Quintens, H. D'Haese, G. Van Severen, R. 
Van de Velde, Dr. J. Verduyn, A. Debeuckelaere en Fr. Daels. Zij tekenden, met de 
vermelding van hun titels in de verschillende studenten en oudstudentenorganizaties <20) . 

Wij hebben gezien onder welke omstandigheden, naar aanleiding van een bezoek 
aan zijn zwaar gewonde broeder, Frans Van Cauwelaert op 25 sept. 1916 een 
onderhoud had met leidingnemende Vlamingen aan het front. Hij heeft zonder twijfel 
toen reeds de broosheid van zijn positie ingezien: een onvoorwaardelijke loyaliteit 
tegenover de unitaristische staat, zonder van de regering enige ernstige hervorming, 
zelfs de geringste belofte te verkrijgen. Zijn verder aandringen in deze zin bleef 
inderdaad zonder gevolg. Tevergeefs schreef hij op 6 maart 1917 om de ministers 
te waarschuwen voor een onderschatting van de gevaren van de aktivistische politiek 
en om aan te dringen op de 



(19) Vrij België, 7 juli 1916. Zie ook het ingezonden stuk van Leo Meert en het antwoord van 
Van Cauwelaert, ibid., 21 juli 1916. 

(20) Vrij België, 25 aug. 1 9 1 5 . 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



171 



instelling van een grote taaikommissie, zoals destijds de Grievenkommissie en op 
het afleggen van een verklaring betreffende de Vlaamse hogeschool' 20 . 

Van Cauwelaert had nu wel een spreekbuis in Vrij België, maar hij voelde de 
behoefte aan een ruggesteun om een sterkere druk te kunnen uitoefenen. Deze kwam 
dan ook tot stand in het Vlaams ch-Belgisch Verbond, waarvan hij voorzitter werd. 
Reeds in het nummer van 27 aug. 1915 had Vrij België de stichting in het vooruitzicht 
gesteld van een Vlaams-Belgische Vereniging. Deze kwam echter pas in april 1917 
tot stand. Op 27 april 1917 verscheen een eerste oproep om aan te sluiten bij het 
Vlaamsch-Belgisch Verbond 'waarvan wij de stichting willen ondernemen'. Deze 
oproep droeg een eerste reeks handtekeningen' 22 '. Het verbond werd dan opgericht 
op 30 april in Den Haag. Het bestuur was samengesteld als volgt: Fr. Van Cauwelaert 
(voorzitter), Dr. Verdeyen (ondervoorzitter), Ed. De Keyser en Eug. Van Nuffel 
(sekretarissen) J. Beuckeleers, F. Bruynseels, J. Hoste jr., Em. Hullebroeck en A. 
Van Damme. Er schijnt reeds bij de stichting een misverstand ontstaan te zijn: Arth. 
Buysse, Cyr. Buysse, Jan Danneels en Leo Van Puyvelde, die de oproep ondertekend 
hadden, gaven dadelijk in een mededeling aan de pers te kennen, dat zij geen deel 
wensten uit te maken van het Verbond, omdat zij zich niet konden 'ten volle verenigen 
met den geest gebleken op de stichtingsvergadering ' <23) . Dit heeft het sekretariaat niet 
belet dadelijk de propaganda in te zetten. Wij vernemen daarbij dat al wie tot het 
Verbond wilde toetreden een programma in vijf punten diende te onderschrijven: 1 
de eis tot volledige gelijkheid in rechte en in feite van Vlamingen en Walen; 2 de 
erkenning van de taaleenheid van Vlaanderen in alle standen; 3 de afwijzing van 
elke buitenlandse inmenging in de Vlaamse kwestie; 4 de weigering van elke Duitse 
hulp om nieuwe taalhervormingen af te dwingen; 5 elke poging verzaken op taalgebied 
die het bevrijdingswerk van België zou kunnen schaden' 24 '. Op de grondslag van deze 
politiek werden in tal van vluchtelingenkampen en steden afdelingen opgericht. 
Vanaf 8 juni 1917 opende Vrij België een speciale rubriek voor het Verbond: men 
kan er het verslag in weervinden van de vergaderingen en spreekbeurten ingericht 
door het Verbond. Op het einde van de 



(21) CORDEMANS, O.C., 253. 

(22) Vrij België, 27 april 1917. Verder ibid., 4 mei 1917. 

(23) Ibid., 4 md 1917. 

(24) Ibid., 18 mei 1917. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



172 



oorlog sprak het bestuur ervan uit naam van zijn zevenduizend vijfhonderd leden (25) . 

Op 4 maart 1918 had te 's Gravenhage de eerste landdag plaats van het Verbond. 
Het programma van de vereniging werd er vastgelegd in drie basisprincipes en een 
reeks van tien punten van praktische, aktuele verwezenlijkingen. De algemene 
beginselen waarop het Verbond stoelde, waren: - de vernederlandsing in Vlaanderen 
van heel het onderwijs; - de indeling van het leger in Vlaamse en Waalse 'eenheden' ; 
- de vernederlandsing van de openbare besturen en van het rechtswezen met een 
hervorming van de centrale besturen zoals deze voor de volledige doorvoering van 
dit beginsel vereist wordt. Onder de tien praktische punten waarop het Verbond bij 
de regering aandrong tot onmiddellijke voldoening, vinden wij: - de plechtige belofte 
de Universiteit te Gent niet weerom te openen als franstalige universiteit; - de 
aanstelling van een taaikommissie zoals deze van 1856; - de dadelijke reorganizatie 
van het leger op grond van Vlaamse en Waalse eenheden. De meeste andere punten 
hadden betrekking op aktuele vraagstukken zonder principiële draagkracht. Op de 
slotvergadering sprak Van Cauwelaert een lange redevoering uit, waarin hij verklaarde 
eensgezind te staan met de Vlamingen aan de IJzer en met de zgn. passieven in het 
bezet gebied <26) . Naast de regelmatige spreekbeurten die over kulturele of Vlaamse 
aangelegenheden werden gehouden in de verschillende afdelingen, verrichtte het 
Verbond ook studiewerk met het oog op de toekomst. Aldus werd begin 1918 een 
brochure uitgegeven over de vernederlandsing in het leger: Indeeling van de Belgische 
Weermacht (68 blz. gedateerd 1 dec. 1917, met een inleiding van Frans Van 
Cauwelaert dd. 5 jan. 1918) waarop de aktivistische propaganda zich stortte om, 
zoals ze wel meer deed, het gezag van Van Cauwelaert in te roepen voor het eigen 
programma' 27 '. Op 



(25) Het Verbond gaf een maandelijks bulletin uit. Vrij België, 1 nov. 1 9 1 8, geeft de inhoud van 
het zesde nummer. Er werd ook een oproep gedaan tot stichting van een Verbond in Engeland. 
Vrij België, 1 5 nov. 1918. Van deze uitbouw in het buitenland kwam natuurlijk niets meer 
terecht. In hetzelfde blad wordt gesproken van 700 leden te Le Havre! 

(26) Verslag in Vrij België, 8 maart 1918. Vgl. RUDIGER. Flamenpolitik, o.c, 220-221. 

(27) De voorkeur van de verslaggevers gaat naar de samenvoeging van de eenheden 'tot volledig 
uitgeruste Vlaams en Waalse brigades en divisies' met dan nog een uitgesproken voorkeur 
voor Vlaamse en Waalse divisies. Voor de taktiek van de aktivisten, zie de aangehaalde 
brochure van G.P.M. Roose, blz. 92. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



173 



21 juni 1918 verscheen in Vrij België het verslag van het komitee dat door het 
Verbond aangesteld was om het vraagstuk van de bestuurlijke taalregeling te 
onderzoeken. De kern van het betoog was: - verwerping van het systeem van de 
tweetaligheid; - de erkenning van Vlaanderen en Wallonië als eentalige gebieden, 
elk met eigen beschaving; - de noodzakelijkheid voor het landsbestuur om zich hierbij 
aan te passen: alle besturen en openbare diensten in het Vlaamse land werkzaam, 
moeten in - en uitwendig een Vlaams karakter dragen en zich van het Nederlands 
bedienen onderling en in hun betrekkingen met het publiek; - er dienen Waalse en 
Vlaamse afdelingen tot stand te komen in de ministeriële departementen; de 
ambtenaren waarvan de werkkring zich uitstrekt over de twee taalgebieden moeten 
grondig de twee talen kennen; wat de minister betreft kan men de eis stellen, dat die 
zou tweetalig zijn ofwel naast zich een staatssekretaris krijgen voor de hem vreemde 
tweede landstaal. 

Op 5 november 1918 had de tweede en laatste oorlogslanddag van het Verbond 
plaats in 's Gravenhage. De bevrijding lag in het verschiet. Van Cauwelaert, de 
feestredenaar, sprak met ontroering over zijn reis naar het reeds bevrijde Brugge 
(door de Belgen bereikt op 17 oktober). Er valt, nopens de besluiten van dit tweede 
kongres, niet veel aan te tekenen buiten het feit dat men er toch nogmaals op aandrong 
dat 'de staatshogeschool te Gent, zoals zij bestond op 4 aug. 1914' als Vlaamse 
hogeschool geopend zou worden <28> . Dit was louter propaganda. Had Van Cauwelaert 
zelf niet geschreven, bij de eerste maatregelen die de regering van Havere had 
getroffen tegen de aktivistische universiteit, dat men nu wist dat de vernederlandsing 
niet zou gebeuren bij Koninklijk Besluit, doch dat de zaak voor de Kamers zou 
moeten uitgevochten worden?' 29 ' 

Wij zijn echter in de tijd vooruitgelopen. Enkele dagen na de landdag van 4 maart 
was Van Cauwelaert weerom naar Frankrijk vertrokken. Wij hebben verhaald hoe 
koel hij werd ontvangen door de leiders van de frontbeweging en hoe dit het begin 
was van een vervreemding, die weldra een breuk werd. Wij zagen ook hoe Van 
Cauwelaert hierdoor niet van streek kon gebracht worden en er integendeel koppiger 
bij werd en vast besloten geen 



(28) Vrij België, 1 5 nov. 1918. 

(29) Zie zijn artikel over het K.B. van 10 okt. 1916 in Vrij België, 10 nov. 1916: wij weten nu 
twee zaken - de regering verbindt zich om het vraagstuk te stellen - dit zal niet opgelost 
worden door een Koninklijk Besluit. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



174 



stap verder te gaan. Vrij België (3 mei 1918) wist anderzijds mede te delen, dat Van 
Cauwelaert een lang onderhoud had met de Koning. Het blad meende te mogen 
melden dat Van Cauwelaert van dit onderhoud 'een uitmuntende indruk heeft 
meegedragen' . Hij was pas begin september weer terug in Nederland. Hier was tijdens 
zijn afwezigheid een rel tegen hem op touw gezet door L. Ducatillon naar aanleiding 
van een nota over de Vlaamse Beweging die Van Cauwelaert overhandigd had aan 
de Britse konsul-generaal in Den Haag, toen deze moeilijkheden maakte om de nodige 
papieren af te leveren voor het vertrek van Van Cauwelaert in het voorjaar naar 
Engeland 00 '. Deze aanval was een onderdeel en een voorbode tevens van de campagne 
die tegen hem na november 1918, ter wille van zijn strijdbare Vlaamse houding 
tijdens de oorlog, zal gevoerd worden. Voor Van Cauwelaert zelf was het uur gekomen 
om de vruchten van zijn loyale Vlaamse politiek te plukken. Op 16 okt. 1918 kon 
hij, bij de nakende bevrijding, namens het hoofdbestuur van het Vlaams-Belgisch 
Verbond, aan de Koning een huldetelegram sturen, waarin tevens de wens werd 
uitgedrukt dat onmiddellijk de nodige hervormingen zouden ingevoerd worden om 
aan het Vlaamse volk de integrale ontwikkeling van zijn leven in eigen taal te 
waarborgen en de meest volstrekte gelijkheid met het Waalse volk <31) . Het aktivisme 
was ineengestort. De Frontbeweging was, voorlopig althans, uiteengerukt en 
machteloos. Het woord en de daad waren nu aan Frans Van Cauwelaert. 



(30) De tekst van dit memorandum in Vrij België, 23 aug. 1918. Ook bij R. ROEMANS en H. VAN 
ASSCHE. Fr. Van Cauwelaert. Een levensbeeld gevestigd op persoonlijke getuigenissen en 
eigen werk (1963), 66-11 . 

(3 1 ) Vrij België, 1 8 okt. 1 9 1 8 ; FAINGNAERT, 840. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



175 



Hoofdstuk IV I De onmiddellijke nasleep van de 
oorlog (1918-1921) 

Het zou geen drie maand duren eer alle vlaamsgezinden tot het besef kwamen dat 
geen enkele van hun oorlogsdromen in de onmiddellijke toekomst werkelijkheid zou 
worden. Het was zo helemaal anders dan men verwacht had. Er heerste ontgoocheling 
over heel de linie. In de allen-bedwelmende patriottische roes die het land had 
aangegrepen na meer dan vier jaar harde bezetting; in de zucht naar genot en in de 
materiële bekommeringen die de naoorlogse maatschappij beheersten, was er 
schijnbaar geen plaats meer voor het flamingantisme. De aktivisten zaten in de 
gevangenis of waren op de vlucht. Van hun grootspraak over 'geen enkele Belgische 
regering die het zou aangedurfd hebben de Vlaamse verwezenlijkingen van tijdens 
de oorlog met één pennetrek weg te vagen', bleef niets over. Evenmin scheen er van 
de hoge verwachtingen van de leiders der frontbeweging, die in de vuurlinie aanspraak 
hadden gemaakt op de leiding van de Vlaamse Beweging na de oorlog, iets terecht 
te komen. De nieuwe machtsvorming in het land had buiten hen om plaats. Ook Van 
Cauwelaert met zijn Vlaams-Belgisch Verbond stond hier machteloos. De 
geschiedenis van de besprekingen in Loppem en van de vorming van de nieuwe 
regering bewijst dit ten overvloede. De heersende machten waren de erkende leiders 
van de oude partijen, samen met de vertegenwoordigers van het Nationaal 
Voedingskomitee. 



1. Loppem, de troonrede en de eerste regeringsverklaring 

Toen, bij de aankondiging van de nakende wapenstilstand, 



Op het vlak van de enge binnenlandse politiek waren de verkiezingen van 1 6 november 1919 
een aangewezen afsluiting van de oorlogsperiode, door de gans nieuwe voorwaarden die het 
zuiver algemeen stemrecht schiep. Dit is echter niet het geval voor een reeks van de hier 
behandelde vraagstukken, zodat dit vierde hoofdstuk in zijn uiteenzetting ook de periode 
1919-1921 en zelfs verder gedeeltelijk bestrijkt. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



176 



enkele Duitse troepen in Brussel aan 't muiten gingen en er een poging ondernamen 
om de Brusselse socialisten mede te sleuren in een sociale revolutie, sloeg de angst 
een ogenblik de konservatieve krachten om het hart: zij vreesden een 
sociaal-revolutionaire besmetting. Het zou een loos alarm blijken, maar het had tot 
gevolg dat de Spaanse ambassadeur, de markies van Villalobar, het initiatief nam 
om de Spaanse konsul Saura naar de Koning te zenden om aan te dringen op een 
spoedige terugkeer van de Vorst in de hoofdstad. De ambassadeur wist vermoedelijk 
niet dat de ontruiming van het grondgebied wel spoedig, doch niet aanstonds kon 
gebeuren en dat ook de Koning hierdoor gebonden was. Hij ging E. Francqui, 
voorzitter van het Nationaal Voedingskomitee, vinden om hem van zijn voornemen 
op de hoogte te brengen. Hij vond er P.E. Janson, de liberale leider, op bezoek. Hij 
vroeg hem konsul Saura te vergezellen. Op aandringen van Francqui ging Janson op 
dit voorstel in. De volgende dag, 1 1 november, vertrokken beide afgezanten om vijf 
uur 's morgens uit Brussel. Tegen acht uur waren zij in Gent en vonden er Anseele, 
wnd. burgemeester, op het stadhuis. Toen zij hem het voorwerp van hun zending 
mededeelden, besloot Anseele dadelijk ze te vergezellen. De Koning bevond zich 
op dat ogenblik op een kasteel in Loppem, in de omgeving van Brugge. Hij ontving 
de afgezanten in de vroege namiddag. Anseele zette er aan de Vorst de eisen uiteen 
van de socialistische partij: het zuiver algemeen stemrecht voor de mannen op 
eenentwintigjarige leeftijd en de afschaffing van art. 310 van het Wetboek van 
Strafrecht (de vrijheid voor de arbeidersverenigingen!). Janson meende zich, in 1926, 
te herinneren dat Anseele daarenboven gesproken had over de Vlaamse hogeschool: 
hij had een nieuwe Nederlandse universiteit gevraagd te Gent naast de bestaande 
Franse, die zou behouden blijven. Janson zette het standpunt uiteen van de liberale 
partij , zoals dit reeds in oktober 1 9 1 8 te Brussel was vastgelegd. Hierin is geen sprake 
van enige Vlaamse kwestie. De Koning drukte de wens uit verscheidene 
personaliteiten uit het nog bezette gebied te ontmoeten en stelde voor deze 
raadplegingen 14 november voor. 

Op woensdag 13 november deed de Koning zijn intrede te Gent, waar hij een 
onderhoud had met E. Francqui. Op die datum nam het oorlogskabinet Cooreman 
ontslag, doch deze beslissing werd voorlopig geheim gehouden: de K.B. waardoor 
aan Cooreman CS. ontslag verleend werd en het nieuwe ministerie aangesteld, zijn 
gedateerd op 21 november, de dag vóór de intrede van 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



177 



de Koning in Brussel. Intussen had de Koning, op 14 november, te Loppem de 
parlementaire en andere personaliteiten ontvangen die hij gewenst had te ontmoeten 
Het gevolg was de aanduiding van de Brusselse advokaat L. Delacroix tot 
kabinetsformateur. Volgens Janson stond op 16 november het programma van de 
nieuwe regering reeds vast. Hij had alsdan een onderhoud met L. Delacroix en P. 
Hymans. Hij vernam o.a. dat de regering een Nederlandse universiteit zou oprichten 
in Gent, naast de bestaande Franse' 1 '. 

Er zijn, omheen de besprekingen te Loppem, heel wat legenden geweven <2) . Er 
bestaat ook een Vlaamse: de houding van Van Cauwelaert. Herman Van Puymbrouck 
sprak (1925) over 'de makke houding van Van Cauwelaert te Loppem'. R. Speleers, 
een bezadigd man nochtans, gaf nog in 1930 uiting aan de wrok van de aktivisten 
door hun versie weer te geven van de feiten: Van Cauwelaert zou in Loppem in de 
'Kroonraad' verklaard hebben de Vlaamse universiteit van tijdens de oorlog niet te 
willen en had er zijn oud- wapenbroeders aan de hatelijkste vervolgingen uitgeleverd. 
K. Angermille schrijft, in dezelfde geest, maar dan toch voorzichtiger (1931): 'er 
wordt zelfs beweerd' dat hij de raad gaf de aktivisten te vervolgen' 3 '. 

De waarheid schijnt veel eenvoudiger: wij vonden geen spoor van de aanwezigheid 
van Van Cauwelaert in Loppem en zijn naam komt ook niet voor op de lijst van de 
personen die de Koning had gewenst te raadplegen. In de besprekingen in Loppem 
is beslist ook gehandeld over de Vlaamse kwestie, maar dan vermoedelijk alleen 
over het vraagstuk van de Vlaamse universiteit en de algemene lijnen van een Vlaamse 
politiek, in de zin van de vrije ontplooiing van het Vlaams kultuurleven. Het standpunt 
van Van Cauwelaert was in dit opzicht voldoende bekend en het is duidelijk, voor 
wie de feiten nuchter bekijkt, dat men dit te Loppem niet eens kon overwegen. De 
Vlaamse Beweging bestond niet als politieke macht in november 1918. Men heeft 
het feit aangeklaagd dat de Vlaamse leiders niet in Loppem waren. Is dat wel volledig 
juist? In het aftredende ministerie Cooreman 



(1) Voor wat voorafgaat het verhaal van P.E. JANSON. Lophem, in Le Flambeau, 3 1 maart 1926, 
257-294. 

(2) BASSE, II, 30-33. 

(3) H. VAN PUYMBROUCK. Het Vlaamsche Front en de strijd voor de Vlaamsche zelfstandigheid 
(1925), 10; R. SPELEERS. Historische momenten en persoonlijke berinneringen uit den strijd 
voor de vernederlandsching der Hoogeschool van Gent (z.j. - 1930), 10; ANGERMILLE, o.c., 
251. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



178 



vinden wij Al. Van de Vyvere, G. Helleputte en de konvertiet Pr. Poullet als 
vlaamsgezinden. In het nieuw kabinet Delacroix noteren wij de namen van Ruzette, 
Anseele en Franck. De twee eersten kunnen bezwaarlijk doorgaan als flamingant en 
Franck heeft zich na 1918 niet veel meer van de Vlaamse Beweging aangetrokken. 
Van Cauwelaert en Van de Perre waren de enigen die konden beschouwd worden, 
van Vlaamse zijde, als vertegenwoordigers van het strijdend, katoliek flamingantisme. 
Van socialistische zijde was er alleen K. Huysmans, terwijl de liberale 
oorlogskompagnon van Van Cauwelaert, Jul. Hoste jr. niets meer was als een 
journalist. Voor zover wij konden nagaan werden noch Van Cauwelaert - Van de 
Perre noch Huysmans in Loppem gevraagd. Het valt zelfs te betwijfelen of zij in het 
land waren. Van de Perre beslist niet: hij was nog in Frankrijk, op terugreis. Waar 
Van Cauwelaert en Huysmans zich bevonden tussen 1 1 en 1 4 november 1918 konden 
wij niet uitmaken. Wij weten alleen dat eerstgenoemde in het bevrijd gebied geweest 
was na 17 oktober, maar alleszins op 5 november terug was in Den Haag. Het is ons 
niet bekend wat Van Cauwelaert naar het bevrijd gebied gedreven heeft of dat hij 
getracht heeft er politiek iets te bereiken. 

Wij vonden, zoals gezegd, geen spoor van de drie voormannen in Loppem. Geen 
van deze drie had trouwens op dat ogenblik enig gezag in regeringskringen. Is het 
niet betekenisvol dat Van de Perre, reeds in november 1919, na de verkiezingen zijn 
ontslag nam als volksvertegenwoordiger; dat Huysmans zijn positie moest redden 
door zijn kiesdistrikt Brussel te verlaten voor Antwerpen; dat Van Cauwelaert, op 
het eerste katoliek Vlaams kongres in Antwerpen (23 mei 1920) zich diende te 
verschansen achter Mgr. Rutten, bisschop van Luik, als erevoorzitter en oudminister 
Helleputte als voorzitter? 

Toen de Koning, op 22 nov. 1918, zijn intrede deed te Brussel en in zijn troonrede 
aan de Kamers de groet bracht van het zegevierende leger, behandelde hij ook het 
Vlaamse vraagstuk <4) . 



(4) Wij hebben geen verzendingen gedaan voor wat de parlementaire debatten betreft daar 
meestal de datum wordt aangegeven en de verzending aldus overbodig wordt. Voor de niet 
deskundige lezer mogen wij volstaan met de volgende oriëntering. Bij de afkondiging van 
een wet in het Staatsblad worden in een voetnoot alle parlementaire stukken vermeld die er 
betrekking op hebben. Deze stukken zijn zowel de parlementaire Stukken (Documents) als 
de parlementaire Handelingen. Deze laatste brengen de tekst van de redevoeringen, zoals zij 
verbeterd werden door de sprekers. Het kan daarom zijn nut hebben het Beknopt Verslag te 
raadplegen dat de dag, volgende op de debatten van Kamer en Senaat, verschijnt en een 
samenvatting is zoals de beambten menen de debatten gehoord te hebben. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



179 



Hij verklaarde erin dat op het 'gebied der talen... de strengste gelijkheid en de 
volstrekste gerechtigheidszin (zullen) voorzitten bij het uitwerken der ontwerpen, 
die de Regering aan de nationale vertegenwoordiging onderwerpen zal... Het belang 
zelf van het land brengt mee dat elke van onze twee bevolkingen in hare taal ten 
volle hare persoonlijkheid, hare oorspronkelijkheid, hare verstandelijke gaven en 
haren aanleg voor kunst ontwikkelen kunne. De Regering zal het Parlement voorstellen 
van nu af aan de grondvesten te leggen van een Vlaamse hogeschool te Gent, 
behoudens het recht van de Kamers die uit de verkiezingen zullen ontstaan, de 
bepaalde vormen en wijzen te regelen'. 

Zeer veel houvast bood deze troonrede niet. De regeringsverklaring (28 nov. 1918) 
was nog vager. Iedereen ging er mede akkoord - verklaarde de eerste minister - dat 
de Vlamingen recht hadden op hoger onderwijs in eigen taal, maar er bestond verschil 
van inzicht over de modaliteiten waarin dit diende verwezenlijkt en de regering zou 
het nodige initiatief nemen voor de punten waarover geen ernstige betwisting kon 
bestaan en voor het overige het probleem ter studie nemen. 

Tijdens de bespreking van het adres van antwoord op de troonrede, verklaarde 
Van Cauwelaert (1 1 dec.) dat hij dit zou goedkeuren omdat het in de eerste plaats 
ging om een hulde aan de Koning en aan het leger, maar dat hij geenszins kon 
instemmen met dit adres of met de politiek van de regering in Vlaams opzicht. Het 
was voor hem een afschepen van de Vlamingen 'met ene vage belofte voor ene verre 
toekomst.' 'Terwijl alle volkeren van Europa - zo stelde hij vast - zelfs de meest 
achterlijke, niet alleen hun geestelijke maar zelfs hun politieke zelfstandigheid 
veroveren, zou het Vlaamse volk als loon voor zijn offers... in dit land zelfs zijne 
kulturele zelfstandigheid en zijn werkelijke gelijkstelling met het Waalse volk niet 
verzekerd zien'. 

De Kamer was in het antwoord op de troonrede zeer vaag gebleven met betrekking 
tot het Vlaamse vraagstuk. Ze bevestigde het recht voor de Vlamingen om 'te bekomen 
dat de nodige maatregelen worden genomen opdat die taalgelijkheid werkelijkheid 
worde'. Het antwoord van de Senaat was heel wat krasser: het 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



180 



was de formulering van het programma van de konservatieve anti-flamingantische 
machten. De Vlamingen - aldus het antwoord - hadden onbetwistbaar recht op 'een 
hoger onderwijs dat hunne volle verstandelijke ontwikkeling zou verzekeren. Doch 
- zo ging het dan verder - men zou de Vlaamse zaak een zonderlinge dienst bewijzen, 
zo men voor haar het brandpunt van Franse kuituur opofferde, waarop Vlaanderen 
fier is en waarvan de minst te verdenken onzer geschiedschrijvers niet vreesde te 
zeggen, dat elke poging om dit uit te doven ene euveldaad tegen de beschaving zou 
zijn. Men zou de jonge Vlaamse geslachten geen noodlottiger slag kunnen toebrengen, 
dan ze van een tweede taal te beroven, op het ogenblik dat de invloed van de Latijnse 
geest in de wereld schijnt toe te nemen en de oorlog tussen de Franse natie en de 
onze ene innige zedelijke solidariteit tot stand heeft gebracht'. 

Deze teksten geven zeer duidelijk de posities weer, einde 1918. Van de grote 
bekommering die de regering in de laatste maanden vóór het eindoffensief had 
aangegrepen en die haar gedreven had tot de oprichting van een kommissie die een 
totale oplossing aan het Vlaamse vraagstuk moest geven, was in kontakt met de oude 
politieke kringen in het bezet gebied niet veel meer over gebleven. Voor de Vlamingen 
was het dan ook een pijnlijke dag, en tevens een teken aan de wand, toen op 21 
januari 1919 te Gent de plechtige wederopening plaats had van de oude Franse 
universiteit. Pijnlijker nog was de toespraak van de nieuwe rektor, Prof. P. Fredericq, 
waarin hij de wens uitdrukte 'je voudrais que ma chère université de Gand ouvrit 
son sein maternel aux Flamands et aux Wallons en leur offrant le libre choix entre 
nos deux langues nationales'. Dit was het standpunt geworden van een van de meest 
vooraanstaande voorvechters van de vernederlandsing der Gentse universiteit' 5 '... 

2. De Repressie van het Aktivisme 

Toen Fredericq deze verklaring aflegde, was sedert meer dan twee maanden, in de 
repressie van het aktivisme, een anti-Vlaamse reaktie losgebroken die weldra, door 
al wie flamingant was, als een echt schrikbewind werd beschouwd. Naarmate het 
grondgebied bevrijd werd, werden overal de aktivisten opgeleid en in 



(5) BASSE, II, 158 met zijn kommentaar. Vgl. in dit opzicht ook J. PÉE in De Vlaamsche Gids, 
xxxiv (1950), 507-508, maar ook elias, iv, 400, n. 30 over de vroegere opvattingen van 
Fredericq. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



181 



kampen of gevangenissen opgesloten. In zekere gevallen, zoals bij Dosfel (15 
november), gebeurde dit vormelijk en beleefd. In andere werden de aktivisten samen 
met elementen van gemeen recht opgesloten. Sterker misschien nog dan de arrestaties, 
sloeg het brutaal geweld de aktivisten en wie van aktivisme beschuldigd werd, met 
schrik. Gent gaf hier het voorbeeld: een aantal huizen van universiteitsprofessoren 
en vooraanstaande aktivisten werden kort en klein geslagen en de inboedel werd op 
straat geworpen en in brand gestoken. In 'vaderlandse' kringen werd dit beschouwd 
als een manifestatie van 'spontane volkswoede'. In de ogen van de aktivisten was 
het een vooraf beraamde weerwraak van het Gentse franskiljonisme dat zijn gewillig 
instrument vond in het gepeupel van de stad. Het valt niet bij benadering te zeggen 
hoeveel personen werden gearresteerd onder beschuldiging van aktivisme. Voor een 
generatie die de getallen heeft leren kennen van de slachtoffers in de 
koncentratiekampen en bij de uitmoording van de Joden, die in eigen land de arrestatie 
beleefde van meer dan honderdduizend burgers, die de weerklank heeft gehoord van 
de uitmoording in Frankrijk en in Italië, in Tsjecho-Slovakije en in Joegoslavië, 
schijnt het aantal in ieder geval belachelijk klein. Ook het aantal veroordelingen die 
volgden in de jaren 1919-1922 verzinkt daarbij in het niet. Voor de tijdgenoten was 
het echter een schrikbewind en men zou er zeer vlug de openbare mening in 
Vlaanderen kunnen door in beroering brengen om een campagne voor amnestie in 
te zetten. Het hoogste getal veroordelingen dat wij vonden is dit opgegeven door de 
(derde) Raad van Vlaanderen, in 1932. Het bereikt, voor de straffen van meer als 
acht maanden, het getal van 3 12 <6> . Men dient daarbij echter rekening te houden met 
de honderden die maandenlang in de gevangenis verbleven maar niet verder vervolgd 
werden. Men moet er ook de honderden bijrekenen die als rijksambtenaren of als 
bedienden bij provinciale en gemeentelijke besturen uit hun ambt werden ontzet (de 
zgn. 'gebroodroofden'). Volgens een berekening van de tegenstanders van bestuurlijke 
amnestie (1938) ging het hier om 1637 rijksambtenaren en ongeveer 1600 bedienden 
bij provinciale en gemeentelijke besturen' 7 '. Zie bh. 182. 

Duizenden werden aldus getroffen. Meer als door het aantal ar- 



(6) WILLEMSEN, 118, n. 2. Vgl. op 30 okt. 1920 de lijst met de namen in Ons Vaderland (toen 
een totaal van 267). OokR. TAHON. L'amnistie. Discours de rentree, 15 sept. 1939, geeft 267 
veroordelingen. Enkele getallen ook bij M. LAMBERTY. Van het activisme tot de huidige 
verwarring, mDietsche Warande en Belfort, 1937, 487-507. 

(7) De gevolgen der amnestie, uitg. Vriendenkring der officieren van de veldtocht 1914-1918, 
z.pl., z.j. (1938), niet gepagineerd. Vgl. Ons Vaderland, 5 juni 1921, het antwoord van de 
minister op een parlementaire vraag van H. Borginon. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



182 



restaties werd een atmosfeer van terreur geschapen door de willekeur waarmede deze 
waren geschied en door de toestand van rechteloosheid waarin de getroffen families 
zich bevonden. Zo verging het de studenten aan de Vlaamse universiteit. In het geheel 
werden slechts vijf onder hen veroordeeld voor aktivistische werking (Wies Moens, 
Lode Craeybeckx, Rob. Van Genechten (bij verstek), Arth. Muiier en Alb. D'Haese), 
maar hun werd ongenadig de weg afgesneden voor de voortzetting van hun studies. 
De professoren van de centrale eksamenkommissie weigerden, gans willekeurig 
aanvankelijk en later op grond van een wettelijke beschikking, de ex-gandavenses 
te ondervragen' 8 '. Bij ministeriële circulaire van begin 1919 werden aan de rektoren 
der staatsuniversiteiten instrukties gegeven om de inschrijving te weigeren aan de 
studenten die tijdens de bezetting kursus liepen aan de Gentse universiteit"'. De vrije 
universiteiten volgen dit voorbeeld. Veel ophef maakte de publikatie, door het blad 
L'Express te Luik, op 21 jan. 1921, van de instrukties van de prokureur-generaal te 
Luik aan de parketten (16 nov. 1918) waarin o.a. werd gezegd dat men weliswaar 
geen misbruik mocht maken van een willekeurig optreden, maar toch over de 
bezwaren van wettelijkheid moest heenstappen indien anders de openbare veiligheid 
erdoor in het gedrang zou komen. Het was zo kras, dat toen dit feit later openlijk 
werd aangeklaagd bij de bekende Deense schrijver Georg Brandes, minister 
Vandervelde in Le Peuple ten stelligste ontkende dat een dergelijke instruktie ooit 
werd gegeven <10) . Reeds bij de wet van 10 mei 1919 op de oorlogsschade, werden de 
veroordeelde aktivisten van de voordelen ervan uitgesloten. Daarbij kwam nog dat, 
na de eerste processen, de aktivisten tot het betalen van een zeer zware 
schadevergoeding aan de staat werden veroordeeld doordat de staat zich aanstelde 
als burgerlijke partij en aldus de klip omzeilde van art. 12 der Grondwet dat de 
verbeurdverklaring van de goederen in de toekomst had verboden. Hierbij dient er 
verder de aandacht nog op gevestigd dat, tot 30 april 1919, de aktivisten voor de 
krijgsgerechten werden gebracht, omdat het land nog in staat 



(8) Wet van 1 maart 1920. A. JONCKX. Belgica juris contemptrix (1932), 57. 

(9) TH. HEYSE. Index Documentaire, o.c., I, 287. 

(10) JONCKX, o.c., 125; Een Witboek van het Vlaamse idealisme (z.j.-1921), 55 en volg. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



183 



van oorlog verkeerde. Hoe de krijgsraden de zaak opvatten, werd reeds op 23 jan. 
1919 duidelijk: de eerste aktivist die voor een krijgsraad verscheen, Rob. De Waele, 
docent aan de Gentse universiteit en lid van de Raad van Vlaanderen, maar voor het 
overige een man zonder enige politieke aktiviteit of betekenis, werd ter dood 
veroordeeld' 11 '. Het scheen wel, in de maanden die volgden, of het een hopeloze 
ineenstorting werd. Op 3 maart 1919 schreef Dosfel aan Verschaeve: 'wij zullen 
strijden. Ik heb, evenals gij, weinig geloof en hoop - veel liefde - wij zullen de dood 
vertragen, in ieder geval' (12) . De aktivistenprocessen volgden elkaar nu regelmatig 
op. Roza De Guchtenaere, een Gentse lerares, verscheen op 1 8 april voor de krijgsraad 
in Brussel en werd er tot vijftien jaar dwangarbeid veroordeeld. Van 2 tot 9 september 
greep het proces van Aug. Borms - hij was op 8 febr. in zijn schulplaats te Brussel 
ontdekt - plaats voor het Hof van Assisen in Brussel. Veel ophef maakte het pleidooi 
van Mr. Edm. Van Dieren die begon met de Kruissprook van Multatuli: 'Kom mee, 
kom mee, komt allen mee, daar wordt een man gekruist // Daar is wat schoons te 
zien op Golgotha...'. Het werd de doodstraf. De toondichter Jef Van Hoof werd 
veroordeeld tot negen maanden, de jonge Antwerpse onderwijzeres Anna Mortelmans 
tot vijf maanden voorwaardelijk. Op 14 nov. 1919 werd oudvolksvertegenwoordiger 
Adelfons Henderickx in Antwerpen tot tien jaar dwangarbeid veroordeeld en 
levenslange beroving van zijn burgerrechten. Op 3 april 1 920 volgde de veroordeling 
van Ant Jacob (10 jaar), M. Rudelsheim (10 jaar) en Herman Vos (3 jaar). De 
socialistisch-kommunistische Jef Van Extergem werd op 16 juni 1920 veroordeeld 
tot twintig jaar dwangarbeid. Ophefmakend was het proces van de 
universiteitsprofessoren die de wijk niet hadden genomen: op 17 juli 1920 verscheen 
L. Dosfel, naast C. De Bruyker, J. Mees en A. De Jaegere voor het Hof van Assisen. 
Dosfel werd verdedigd door Mr. Borginon en Mr. Frans Van Cauwelaert. Het werd 
tien jaar voor Dosfel, 5 jaar voor De Bruyker en twee jaar voor de anderen. Op 10 
dec. 1920 werd de jonge dichter Wies Moens veroordeeld tot een gevangenisstraf 
van vier jaar en een schadevergoeding van tweeduizend frank aan de staat (13> . 



(11) Deze straf werd door het Krij gshof teruggebracht op 20 j aar. 

(12) A. DE BRUYNE. L. Dosfel, o.c, 300. 

(13) Vgl. Mej. Roza De Guchtenaere voor den Krijgsraad (1919); Hof van Assises van Antwerpen 
- 10-14 november 1919. Zaak Adelfons Henderickx, z.j.; Dr. Aug. Borms voor het gerecht, 

o.c; ANNA MORTELMANS. Memorie van toelichting aan de heeren rechters der 4 e Kamer 
van de correctioneele rechtbank te Brussel ... op 4 nov. 1919, z.j. (1920); Prof. C. De Bruyker 
en de Vlaamsche Hoogeschool, o.c; Proces Jef Van Extergem (1922); WIES MOENS. 
Celbrieven (meerdere uitgaven). Verder de verslagen in de dagbladen, vooral in Ons 
Vaderland. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



184 



Zo ging het steeds verder. Nog op 22 mei 1922 werd Pater D.A. Stracke tot driejaar 
veroordeeld en in juli 1922 werd de ex-gandavensis Arth. Muiier, die opgenomen 
was door de katolieke partij en als provinciaal raadslid reeds verkozen was tot 
bestendig-afgevaardigde in de provincie West- Vlaanderen, op aanklacht van een 
politieke tegenstander nog veroordeeld tot driejaar. 

Wij hebben deze namen hier vernoemd omdat het gaat om personen die nog een 
rol zullen spelen in de Vlaamse Beweging of om processen die een bijzondere 
weerklank vonden. Het waren trouwens niet alleen de aktivisten die bedreigd werden 
in hun vrijheid. De Veiligheid van de Staat wilde blijkbaar haar werk van tijdens de 
oorlog voortzetten. In november 1920 werd brankardier Maur. Geerardyn, met nog 
drie andere beklaagden, voor de Krijgsraad gebracht, beschuldigd van defaitisme. 
Zij werden echter vrijgesproken. Het was als de eerste aanloop voor het proces 
Debeuckelaere. Deze was in 1919 verkozen tot volksvertegenwoordiger van de 
frontpartij en stelde zich in 1921 opnieuw voor. In de weken die deze laatste 
verkiezingen voorafgingen werd een heftige campagne tegen hem gevoerd door Le 
Soir op grond van Duitse dokumenten die het bestaan en de samenzwering van de 
Frontpartij, tijdens de oorlog aan het front, moesten bewijzen. Debeuckelaere werd 
gearresteerd enkele dagen vóór de verkiezingen maar werd, na negen maanden 
voorarrest, vrij gesproken' 14) Er werden trouwens niet alleen aktivisten of flaminganten 
getroffen. De Antwerpse socialist Jamar, in nov. 1919 tot volksvertegenwoordiger 
gekozen op de socialistische lijst in Antwerpen, werd nog vóór de opening van het 
parlement gearresteerd voor zijn journalistieke aktiviteit in De Belgische Socialist 
tijdens de oorlog, waarbij hij verwikkeld werd in een potsierlijke geschiedenis van 
spionage en verklikking. Voor velen was het duidelijk dat men, achter Jamar, 
Huysmans wilde treffen. Het proces eindigde (25 mei 1920) met een algemene 
vrijspraak, met uitzondering van Jamar die tot zes maanden gevangenisstraf werd 
veroordeeld, maar tevens tot vijfjaar beroving van zijn burgerlijke en politieke 
rechten, zodat 



(14) De zaak van Ant. Pira werd van deze zaak afgescheiden. Hij werd later veroordeeld tot 20 
jaar. PH. DE PILLECYN. Het proces van den Veiligheidsdienst, o.c.. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



185 



hij niet meer verkiesbaar was als volksvertegenwoordiger. Aan de andere zijde werd 
op 5 juni 1920 baron Evence Coppée gearresteerd onder beschuldiging van handel 
met de vijand, maar reeds in oktober in vrijheid gesteld. De zaak Coppée zou later 
nog vrij sterk de openbare mening beroeren en vindt daarom haar plaats in de 
geschiedenis van de repressie en de uitzuiveringsprocessen na 1918. 

3. Het Belgisch nationalisme en de werking van het Comité de Politique 
Nationale 

Wij hebben, in onze Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, vóór 1880 slechts twee 
waardevolle bijdragen kunnen vermelden voor de uitbouw van een Belgisch-nationale 
gedachte: die van J. Stecher, op historische grondslag, en die van Em. De Laveleye, 
met zijn teorie van de elektieve natie die de samenstellende natuurlijke naties 
overkoepelde. In de jaren die volgen op het jubeljaar 1880 komt een sterker Belgisch 
nationaal gevoel tot uiting. De twijfel aan het voortbestaan van de staat was 
verdwenen. De revolutionaire, en voor velen niet leefbare, staat van 1830-1831, had 
de storm overleefd van het Europese krisisjaar 1848. Hij was niet ten onder gegaan, 
zoals velen in Europa gedacht hadden, met de dood van Leopold I. Hij had eveneens 
het machtskonflikt tussen Duitsland en Frankrijk overleefd in 1 870- 1871. Een halve 
eeuw bestaan scheen een voldoende waarborg te zijn voor de toekomst. In de jaren 
1880-1890 trad daarbij het land uit zijn geestelijke letargie. De ekonomische kracht 
van het jonge Rijk vond een merkwaardige expansie in het buitenland en de Kongolese 
politiek van Leopold II opende nieuwe horizonten: men kon zingen weldra van 'ginds 
toch wacht u een strand // als een wereld zo groot // waar uw vlag staat geplant...'. 
Uit dit zelfvertrouwen en dit bewustzijn van eigen waarde, zou een verdieping groeien 
van de nationale gedachte: men zocht en vond in het verleden de diepere gronden 
van de staatsvorming van 1830 en de uitleg van de levensmogelijkheden ervan. 

In dit verband werd wel eens smalend gesproken over de nieuwe rijke die zijn 
stamboom liet opmaken. Vooral van Vlaamse zijde kwam verzet, toen men vaststelde 
dat deze Belgisch denkende en Belgisch willende burgerij de nationale gedachte 
uitbouwde op grond van de overheersing der Franse taal en van de tweetaligheid in 
Vlaanderen. Wij menen aangetoond te hebben, in ons bovengenoemd werk, dat de 
Vlaamse Beweging van haar kant deze staat loyaal had aanvaard, al hadden de 
flaminganten een heel 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



186 



andere opvatting van de natie dan de meeste franstaligen. De Vlaamse Beweging 
dient voor een deel gezien in het licht van die met elkaar in botsing komende 
opvattingen. Voor ieder onbevooroordeeld toeschouwer is het duidelijk dat de 
flamingantische opvatting vóór 1914 nochtans weinig gewicht in de schaal legde 
van de Belgische politiek. De toon werd hier aangegeven door de hogere stand in 
Vlaanderen die volledig verfranst was. 

Onder de teoretici van dit nieuw Belgisch-nationaal bewustzijn moeten twee namen 
op het voorplan geschoven worden: Edm. Picard en H. Pirenne. Geen van beiden 
heeft daarbij het Vlaamse feit eenvoudig uitgeschakeld. H. Pirenne is een leerling 
van J. Stecher: hij heeft in een Histoire de Belgique vanaf de vroegste tijden tot in 
onze dagen en waarvan de publikatie meer als dertig jaar geduurd heeft, de 
grondslagen gelegd van de geschiedenis der 'Belgische natie'. Reeds in 1893, in de 
inleiding tot zijn Bibliographie de l'histoire de Belgique, worden de grote trekken 
van zijn teorie aangekondigd. In 1899, in een rede over 'La nation beige', is de kern 
van zijn opvatting samengevat: 'un peuple de milieu...' 'ce que 1'on pourrait assez 
justement appeler une nation lotharingienne'. Vanaf 1900 verschijnt zijn Histoire de 
Belgique. Wat er de flaminganten het meest heeft in getroffen en wat zij hardnekkig 
bleven verwerpen was de teorie van de historische tweetaligheid van Vlaanderen. 
Door de propagandisten van de Belgische idee is de teorie van Pirenne zeer vaak 
herleid tot een ware karikatuur. In feite heeft Pirenne een sterk bewustzijn behouden 
van de historische eenheid der Nederlanden tot in de 16de eeuw en ook van de 
Belgisch-Luikse tegenstelling tot in 1794. Hij was ook niet blind voor de 
Waals-Vlaamse dualiteit. Op het Waals kongres van 1905, waar hij de mogelijkheid 
verwierp om een geschiedenis van Wallonië te schrijven, verklaarde hij dat er in 
België bestond 'une communauté de civilisation, trés réelle et historiquement établie, 
que l'on désigne littérairement quand on parle de l'ame belge, ,([5) maar dat er ook in 
Vlaanderen en Wallonië bestaat 'une sorte de sentiment national distinct, une manière 
différente de penser, de sentir, de comprendre, de voir'. In het algemeen systeem 
van de nationaliteitenteorie is de opvatting van Pirenne te herleiden tot die van het 
Frans nationalisme zoals dit werd geformuleerd door Renan. Pirenne sluit hierbij 
nogmaals aan in zijn rektorale rede van 1919: La nation beige et l'Allemagne. 



(15) Wij onderstrepen. Aangeh. Onze Beweging (ed. Hooger Leven), ze R., dl. I, 70 volgens een 
verslag in Wallonia. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



187 



Hij sprak in 1905 van de 'ame beige' als de 'literaire uitdrukking' van de 
gemeenschappelijke, historische beschaving van België. Het tema van de 'ame beige' 
werd voor het eerst behandeld door Edm. Picard in 1897, in een opstel 1' Ame Beige 
verschenen in Parijs, in de Revue Encyclopédique Larousse (24 juli). Er werd met 
de uitdrukking geschermd en gevochten, in hoofdzaak tegen de aanspraken van de 
Vlaamse Beweging, op dusdanige wijze dat Edm. Picard in een reeks artikelen 
verschenen in Le Peuple (van december 1905 tot oktober 1906) de ware toedracht 
van de zaak wenste uiteen te zetten. In deze serie opstellen gebundeld onder de titel 
Essai d'une psychologie de la nation beige, suivi de l'Idée du droit en Belgique, doet 
Picard een poging om de karaktereigenschappen te formuleren van de Belgische 
natie. Tegen hen die in zijn teorie een wapen gevonden hadden om de begrippen 
Waal en Vlaming te negeren, neemt Picard zeer duidelijk stelling: 'chez nous, malgré 
1'ame commune historiquement modelée, Flamands et Wallons demeurent, au dessous, 
parfaitement distincts. II a fallu 1'incurable niaiserie des ambidextres pour me prêter 
une autre opinion quand, en 1897, j'ai inauguré cette expression l'ame beige' . België, 
heeft volgens Picard, niettegenstaande zijn twee talen en zijn twee bevolkingen, een 
gemeenschappelijke ziel die tot uiting komt in de kring van de gemeenschappelijke 
belangen, maar de bestaande verschillen niet opheft. Wat de Belgische ziel kenmerkt 
zijn de eigenschappen die gemeengoed geworden zijn van onze beide etnische groepen 
door de historische fataliteiten en die ten andere steeds in wording zijn of in 
ontwikkeling. Het gaat hier derhalve om historisch geworden eigenschappen. Picard 
onderscheidt aldus voor België de volksgemeenschappen en de natie. Deze laatste 
kan samengesteld zijn uit elementen van verschillende volken, wat voor België het 
geval is. De geestelijke vader van de 'ame beige', evenmin als de geschiedschrijver 
van dit gemeenschappelijk verleden dat het bewustzijn bracht van de 'ame commune' 
en van de 'conscience nationale', vervalt aldus niet in de goedkope publicistiek van 
de franstaligen in Vlaanderen en de partijgangers van de verfransing van heel België 
die niet eens willen aanvaarden, dat er Vlamingen en Walen zijn. Zowel Edm. Picard 
als H. Pirenne blijven vasthouden aan het feit en aan de teorie van een volkse dualiteit 
in België, zonder echter hieraan de waarde en de betekenis toe te kennen van een 
werkelijk nationaliteitendualisme. De Belgische patriot, de franstalige patriot in 
Vlaanderen, zagen hun vaderlandsliefde in het licht der teorieën van Picard en Pirenne, 
en bogen deze sterk naar hun 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



188 



eigen aktuele opvattingen. In het feit van de historische tweetaligheid van Vlaanderen 
vond de franstalige burgerij de gewenste ideologische grondslag van waaruit zij haar 
eigen posities als de enige Belgische kon blijven verdedigen. Ze bleef hierbij evenwel 
niet staan. Op de vooravond van 1914 gaat een kleine groep reeds een stap verder in 
de uitdieping van de nationale gedachte. P. Nothomb, de bezieler van het latere 
Comité de Politique Nationale, stelt deze evolutie voor als de overgang van het 
patriottisme naar het nationalisme: 'le patriotisme est un sentiment, le nationalisme 
est une doctrine'" 6 '. De Belgen waren, volgens hem, vóór 1914 wel diep gehecht aan 
hun land, maar weinigen onder hen hadden dit gevoel beredeneerd en er de nodige 
gevolgtrekkingen uit gehaald. De oorzaak van dit in gebreke blijven was het regime 
van neutraliteit waaronder wij leefden en dat niet alleen ondergaan werd, maar ook 
verheerlijkt. Deze geestesgesteldheid veranderde langzaam onder invloed van de 
reeds vermelde faktoren (de wereldexpansie in de handel, het verwerven van koloniaal 
bezit) en juist op de vooravond van de oorlog had een groep in Brussel besloten over 
te gaan tot de uitgave van een nieuw tijdschrift dat de titel zou dragen L 'Idéé nationale. 

De oorlog versnelde - wij volgen hier de gedachtengang van Nothomb - de groei 
van dit Belgisch nationalisme. De krijgsverrichtingen leerden, vanaf de eerste dagen 
van de vijandelijkheden, aan deze nationalistische kringen welke de grote betekenis 
was van het Schelde vraagstuk en van de verdediging van de Oostgrens in verband 
met Luxemburg en Nederlands-Limburg. In de eerste twee maanden reeds was, 
beweert Nothomb, in de geesten geformuleerd wat men later genoemd heeft 'het 
nationalistisch programma' . De eerste die het stilzwijgen dat hierover bewaard werd, 
verbrak, was F. Neuray in zijn dagblad Le XXe Siècle 07 '. Bijna de hele franstalige 
vluchtelingenpers viel hem bij . Er ontstond een hele literatuur. In mindere of meerdere 
mate gaan een deel van de publikaties van P. Nothomb (La Barrière beige. Essai 
d'histoire territoriale et diplomatique), F. Passelecq (uitgave van het memorandum 
van Banning over de verdediging 



(16) P. NOTHOMB. Etapes du nationalisme beige. Paris, 1918, 47. Ook voor wat verder volgt. 

(17) Zie de bundeling van zijn voornaamste opstellen, F. NEURAY. La Belgique nouvelle. A travers 
quatre ans de guerre 1914-1918. Twee delen (1918). Hierin ook meerdere artikels over de 
Vlaamse Beweging. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



189 



van de Maas) <18) , N. Wallez {La Belgique de demain et sa politique), E. Baie {La 
Belgique de demain); Ryckman-Betz {Le baron Nothomb et la question 
luxembourgeoise), Jules Destrée {La Belgique et le grandduché de Luxembourg), P. 
Crokaert {Un précurseur: le général de Brialmont), Trévire et Nervien {Les traités 
de 1830 et de 1839), Maur. Des Ombiaux {Revendications territoriales de la Belgique) 
in dezelfde richting. Ook verscheidene publicisten en journalisten brachten de echo 
van deze eisen: Dumont- Wilden, Terwagne, Ducatillon, Ch. Bernard, Ch. Olyff e.a. 
Er valt voorzeker bij dit alles een onderscheid te maken in de verschillende, zeer 
fantasierijke teorieën van deze publicisten. De houding van Eug. Baie bijv, die vóór 
de oorlog gepoogd had een Entente hollandobelge tot stand te brengen, is in zijn 
opstel over La Belgique de demain, helemaal verschillend van de meestal sterk 
anti-Nederlandse literatuur' 19 '. 

Deze Belgisch-nationalistische campagne heeft heel wat mensen geërgerd - niet 
alleen de flaminganten! - maar de groep beschikte blijkbaar over zeer hoge 
bescherming. Dat Neuray en Nothomb door de censuur met rust werden gelaten en 
ongehinderd hun gang konden gaan, wordt voor ons begrijpelijk, indien wij rekening 
houden met de verdeeldheid die omtrent deze vraagstukken in de ministerraad zelf 
bestond. Hier werd, op 7 april 1915, het probleem van de eventuele annexaties 
behandeld. Minister Van de Vyvere was er partijganger van, indien zij werden 
aangeboden. De aanhechting van Luxemburg had er de algemene sympatie. De 
Koning was het meest terughoudend, wat samenhangt met zijn visie op het verloop 
van de oorlog: hij achtte het niet uitgesloten, dat de vrede zou tot stand komen op de 
frontlijn en het een vrede door vergelijk diende te worden <20) . Tien dagen later werd 
besloten dat de gebiedsuitbreidingen die allen wensten - vooral wat Luxemburg 
betreft - het voorwerp niet zouden uitmaken van verklaringen van onze diplomaten: 
de vraag moest open gelaten worden, wegens de onzekere uitslag van de oorlog. Als 
gevolg hiervan werd uit de nota aan de Belgische gezanten, opgesteld op 15 april, 
alles geschrapt wat erin betrekking had op eventuele aanspraken op de monding van 
de Schelde, op Nederlands- 



(18) ELIAS, III, 226, aan te vullen door FOUCAULT DE MONDION. La Belgique livrée d l'Allemagne 
1886-1891. Paris, 1891, 95-150 (tekst van het memorandum). 

(19) Zie ook voor zijn opvatting van het Belgisch nationalisme E. BAIE. Le jeu des ombres sur la 
voie sacrée (1922). 

(20) VAN OVERTSRAETEN. Les Carnets de guerre, o.c, 24. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



190 



Limburg, op het groothertogdom Luxemburg en op vijf Duitse kantons' 21 '. 

Het is niet te verwonderen dat onder deze omstandigheden (de geheime wens van 
velen, de voorzichtige houding van anderen), de annexionisten vrij hun campagne 
konden voeren tot 'teruggave' van wat als oorspronkelijk Belgisch gebied werd 
beschouwd en alleen ten gevolge van de internationale verwikkelingen was verloren 
gegaan. Men eiste Zeeuws-Vlaanderen op, de monding van de Schelde (de pas van 
de Wielingen!), soevereiniteitsrechten op de Schelde in Nederland, 
Nederlands-Limburg, een aantal Duitse kantons, het groothertogdom Luxemburg. 
Aan de aktivisten liet men het over Frans-Vlaanderen op te eisen... Men zag dit groter 
België in het kader van een West-europees blok, als een bolwerk tegen Duitsland, 
waarbij wij onwillekeurig terugdenken aan de politiek van Bethmann-Hollweg, maar 
dan in omgekeerde richting. 

Koning Albert was over dat alles weinig te spreken. Hij beklaagde zich 
herhaaldelijk over de drijverijen van de annexionistische pers. J. Davignon, minister 
van buitenlandse zaken, moest aan de Koning toegeven (onderhoud van 6 jan. 191 6) 
dat het leven hem lastig gemaakt werd door de annexionisten die invloedrijke 
elementen hadden in de regering en in zijn eigen bureaus. Op 27 februari tekende de 
Koning in zijn notitieboekje aan hoe Le Havre meer en meer het centrum werd van 
de nationalistische overdrijvingen en hoe daar LeXXe Siècle aan het hoofd stond 
van de beweging, aangemoedigd door zekere ministers. Op 20 oktober 1916 drong 
de Koning, in de loop van een gesprek, bij minister de Broqueville erop aan, dat hij 
zijn invloed zou gebruiken op Neuray om deze het zwijgen op te leggen over de 
vraagstukken van Luxemburg en de Schelde' 22 '. Deze koninklijke afkeuring heeft niet 
belet dat de invloedrijkste beschermer vanNeuray-Nothomb c.s. minister P. Hymans, 
op 1 jan. 1918 minister van buitenlandse zaken werd en ook als dusdanig mede 
opgenomen werd in de kabinetten Delacroix na de oorlog. Dit alles vormt een nog 
weinig bestudeerde en zeer onvoldoend gekende episode uit de Belgische geschiedenis 
tijdens en onmiddellijk na de oorlog. Bij de bevrijding van het land werd door de 
Belgische nationalisten hoog van de toren geblazen. De woordvoerders van het 
Comité de Politique Nationale, dat opgericht werd 



(21) Ibid., 26. Vgl. L. moyersoen. Pr. Poullet, o.c, 184. 

(22) VAN OVERSTRAETEN, o.c, 67, 79, 82, 84, 103 en 115. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



191 



in december 191 8 (23> , zetten een heftige campagne in en vonden in deze nationalistische 
kringen een breed gehoor, niet zonder daarbij op verzet te stoten van vlaamsgezinden 
en socialisten. Dit Belgisch nationalisme vergiftigde mede de anti- Vlaamse atmosfeer 
die reeds zo sterk belast was met anti-flamingantische en anti-aktivistische reakties (24) . 

4. België contra Nederland 

De agitatie van het Comité de Politique Nationale kreeg geen vat op de bredere lagen 
van de bevolking en in ieder geval niet op de openbare mening in Vlaanderen. Elk 
annexionisme ten koste van Nederland was reeds tijdens de oorlog door de 
voormannen en door de Vlaamsgezinde pers onvoorwaardelijk van de hand gewezen. 
Toch vond deze politiek haar weerslag, onder invloed van P. Hymans, minister van 
buitenlandse zaken, in de officiële Belgische politiek na de oorlog <25) . Toen België 
door de Verbonden Mogendheden uitgenodigd werd zijn standpunt uiteen te zetten 
op de Vredeskonferentie, diende het een Memorandum in (17 jan. 1919) over de 
herziening van de verdragen van 1839. Deze zienswijze was de volgende: België 
wilde van geen neutraliteit meer weten en eiste een regime op van volledige 
onafhankelijkheid. Het stelsel van 1839 stortte hierdoor in elkaar. De drie verdragen 
die dit bezegeld hadden, dienden als een ondeelbaar geheel beschouwd en in het 
kader hiervan kon het verdedigings-systeem van België niet doelmatig ingericht 
worden: hiermede was het vraagstuk gesteld van Zeeuws-Vlaanderen, 
Nederlands-Limburg en Luxemburg. Er werd in dit memorandum niet uitdrukkelijk 
gesproken over gebiedsafstand, maar het lag er toch 



(23) Volgens Raad van Vlaanderen. Memorandum over de buitenlandse politiek van België 
(193 1), 7, zou dit Comité reeds vóór de oorlog bestaan hebben. Volgens Nothomb werd het 
pas in december 1918 opgericht. 

(24) Er zijn aan het Belgisch nationalisme nog andere aspekten. Zie aldus de opvattingen van de 
groep jonge lieden gegroepeerd in de groep van de Jeunesse Nouvelle. M. CORDEMANS. Edm. 
Rubbens. Een levensverhaal met een bloemlezing uitzijn werken 1894-1938 (1965), 198 en 
J.W. SERRUYS. Sous le signe de l 'Autorité. Contribution a l'histoire des idéés politiques 

d 'après-guerre (1935). 

(25) Vgl. voor wat volgt de raeymaeker en van zuylen (algemene bibliografie); R. fenaux. 
Paul Hymans. Un homme, un temps 1865-1941 (1946); P. HYMANS. Mémoires, 2 dln., z.j., 
CH. DE VISSCHER en F. VANLANGENHOVE. Documents diplomatiques beiges 1920-1940. La 
politique de sécurité extérieure, vanaf 1964; CA. VAN DER KLAUW. Politieke betrekkingen 
tussen Nederland en België 1919-1939 (1953). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



192 



impliciet in, doordat men verwees naar mogelijke kompensaties voor Nederland op 
kosten van Duitsland. In de geest van dit memorandum werd het Belgisch standpunt 
door minister Hymans persoonlijk verdedigd voor de Opperste Raad, op 1 1 febr. 
1919. Als gevolg hiervan werd bij de Vredeskonferentie een 'Commission onBelgian 
Affairs' ingesteld met als opdracht het onderzoek van 'de mogelijke rektifikatie ten 
gunste van Nederland van de Duits-Nederlandse grens op de Beneden-Ems, als een 
kompensatie voor Nederland in zijn tegemoetkoming van Belgische aanspraken met 
betrekking tot de soevereiniteit over de Scheldemonding en het zuidelijk gedeelte 
van Limburg.' Men lette op de formulering: het ging wel om een afstand van 
soevereiniteit vanwege de Nederlandse regering. Reeds op 14 februari legde, in de 
Nederlandse Tweede Kamer, de minister van buitenlandse zaken Van Karnebeek 
ondubbelzinnig het Nederlandse standpunt vast: in geen geval gebiedsafstand. De 
atmosfeer van de Belgisch-Nederlandse verhoudingen werd door de Belgische 
aanspraken en agitatie grondig verpest. Het Comité de Politique Nationale 
organiseerde meetings, gaf brochures uit, publiceerde kaarten, trachtte de Belgische 
publieke opinie op te porren, poogde kontakten te leggen in de gebieden waarop men 
aanspraak maakte. In Nederland werd vinnig gereageerd en in een overvloed van 
opstellen en pamfletten werden de Belgische eisen en de implikaties ervan bestreden. 
In Vlaanderen was de nederlandstalige pers kordaat tegen elke annexatie. Ook de 
socialistische partij wees deze politiek van de hand, ofschoon een aantal heetgebakerde 
Waalse socialisten er toch voor te vinden waren. Reeds op 8 maart was de aangestelde 
komissie klaar met haar verslag. Zij stond op het standpunt dat een herziening van 
de verdragen van 1839 diende onderzocht. De Belgische agitatiepogingen in 
Nederland werden voortgezet. Een sterke opschudding verwekte, enkele maanden 
later, de bekendmaking door uitgeweken aktivisten in Nederland van een 
vertrouwelijke nota van de Belgische minister van buitenlandse zaken aan het 
hoofdkwartier van het leger, met instrukties aan de Belgische agenten in 
Nederlands-Limburg, voor de bewerking van de openbare mening ten voordele van 
België. Dit stuk werd door de uitgevers ervan eerst gedateerd op 3 juli 1919. In feite 
was het van 20 mei. De datum is van belang, omdat men van Belgische zijde kon 
beweren, dat het opgesteld was en doorgegeven vóór de beslissing van de Opperste 
Raad en niet erna. Inderdaad: op 4 juni stelde de Raad een Kommissie van XIV in 
voor het onderzoek van de maatregelen 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



193 



die moesten getroffen worden met het oog op de herziening van de verdragen van 
1839. Hieraan werd echter een veelbetekenende beperking gesteld: er mocht geen 
overdracht van soevereiniteit plaats hebben en er mochten geen internationale 
erfdienstbaarheden opgelegd worden. In deze kommissie sleepten de onderhandelingen 
nu verder aan zonder dat België iets kon bereiken. In mei 1920 brak België die af, 
zonder zichtbare reden. Meer dan waarschijnlijk is het dat men, van zekere Belgische 
zijde, nog steeds hopend op politeke voordelen, verwachtte meer te bekomen door 
druk van de geallieerden op Nederland. 

De Nederlands-Belgische verhoudingen bleven in de volgende jaren uiterst 
gespannen en de Belgische annexionistische politiek is zwaar blijven doorwegen, al 
hebben natuurlijk de ekonomische faktoren een zeer grote rol gespeeld in het vraagstuk 
van de waterwegen waardoor de haven van Antwerpen, over Nederlands grondgebied, 
de Rijnvaart diende tot stand te brengen in voorwaarden die een mogelijke 
konkurrentie met Rotterdam moesten verzekeren. Wij hebben hierboven eventjes 
gesproken van een tussenkomst van uitgeweken aktivisten in de Belgisch-Nederlandse 
geschillen. Zij hebben inderdaad heftig geageerd tegen de Belgische aanspraken, 
waarbij ook de achteruitstelling van de Vlamingen in België als een waarschuwend 
beeld van de toekomst aan de bevolking van Zeeuws- Vlaanderen en van 
Nederlands-Limburg werd voorgehouden' 26 '. Nochtans is het zeer twijfelachtig of 
hun tussenkomst van enige betekenis is geweest. Wel was hun houding van belang 
in later jaren, toen zij weer vat hadden gekregen op de vlaams-nationalistische kringen, 
in het vraagstuk van het Belgisch-Nederlands verdrag. Aan te stippen valt hierbij dat 
de Nederlandse regering op geen enkel ogenblik een poging schijnt gedaan te hebben 
om de Belgen te betalen met gelijke munt: er is niet het minste spoor van een politiek 
die het zou beproefd hebben de innerlijke tegenstellingen te gebruiken om het de 
Belgische regering in haar politiek tegenover Nederland lastig te maken. 

Uiteindelijk kwam er van uitbreiding van het grondgebied niets terecht, buiten de 
annexatie van de Oostkantons (Eupen, Malmédy, Skt. Vith). Zelfs in Luxemburg 
dreigde het uit te lopen op een volledige mislukking. Reeds op 31 dec. 1918 had het 
Groothertogdom de laatste banden met het Duitse Rijk doorge- 



(26) Aldus P. VAN LIMBORGH (=Pol Vrijdaghs). Wat de annexatie door België voor Limburg en 
Zeeland beteekent. 's Gravenhage, z.j. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



194 



sneden door de opzegging van de bestaande spoorwegkonventie en van zijn 
lidmaatschap in de Zollverein. De Belgische regering, van haar kant, had in het 
bovengenoemd memorandum van 1 7 jan. 1 9 1 9, de aandacht gevestigd op de betekenis 
van Luxemburg voor de veiligheid van België. Hier botsten de Belgische aanspraken 
en propaganda op een rivaal van belang: Frankrijk! Wel voerde ook hier P. Nothomb 
en zijn Comité propaganda, maar ze waren er blijkbaar niet opgewassen tegen de 
Franse invloeden. Toen de Luxemburgse Kamer een opiniepeilend referendum 
uitschreef over de ekonomische levensvoorwaarden van het land, sprak de bevolking 
zich in overgrote meerderheid uit voor een ekonomische aansluiting bij Frankrijk (4 
juni 1919). Het vraagstuk is van belang voor de binnenlandse verhoudingen in België, 
omdat hier een van de aanknopingspunten te vinden is voor het sluiten van het in 
Vlaanderen zo beruchte Frans-Belgisch militair akkoord van 7 september 1920. 

5. Het Frans-Belgisch militair akkoord 

Dit geheim Frans-Belgisch militair akkoord werd door de flaminganten wel eens 
beschouwd en geplaatst in een atmosfeer die wellicht niet helemaal de waarheid 
weergeeft: overspannen patriottisme en fransdolheid <27) . In de openbare mening pro 
en contra was het voor de voorstanders ervan in menig geval een manifestatie van 
lotsverbondenheid met Frankrijk, van solidariteit door dik en dun met het land dat 
de eerste vertegenwoordiger was van de latiniteit en dat door iedere franstalige Belg 
onvoorwaardelijk werd beschouwd als zijn geestelijk vaderland. Betogingen van 
Frans-Belgische vriendschap en solidariteit waren de eerste jaren na de oorlog niet 
van de lucht, vooral te Brussel en in Wallonië. In de ogen van het grootste deel van 
de bevolking bleef Duitsland de potentiële vijand en was het lot van België voor de 
toekomst gebonden aan dat van Frankrijk: vandaar de wens tot een blijvend militair 
verbond. In dit opzicht behoort, wat de openbare mening betreft, het Frans-Belgisch 
militair akakkoord tot de atmosfeer van fransdolheid die heerste in het land 



(27) Literatuur hierboven, n. 25. Vgl. verder VAN OVERSTRAETEN (algemene bibliografie) en een 
studie van J.M. D'HOOP. Le maréchal Foch et la négociation de Vaccord militaire franco-beige 
de 1920 in de Mélanges P. Renouvin (Parijs, 1966, 191-198). Door bemiddeling van een 
vriend kregen wij inzage van de onuitgegeven licentiaatsdissertatie van A. DE TROETSEL. Het 
Frans-Belgisch militair geheim accoord van 7 sept. 1920 en de Vlaamse openbare mening 
(Univ. Brussel, akademiejaar 1965-1966, Politieke en Diplomatieke Wetenschappen). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



195 



na 1918. De regering stond evenwel, in haar meerderheid, heel wat terughoudender. 
Ze zocht in de eerste plaats veiligheid, maar ze wenste die niet eenzijdig verwezenlijkt 
te zien. Bij de regeringsverklaring van 16 dec. 1919 had de eerste-minister de wens 
van België uitgedrukt om met Frankrijk en Engeland schikkingen te treffen om de 
veiligheid van België te verzekeren. Voor een eenzijdig akkoord met Frankrijk waren 
in de grond alleen de liberale partij, de aanhangers van het Comité de Politique 
Nationale en een handvol socialistische wallinganten te vinden. Hier kwam dan 
echter de Luxemburgse politiek aan Frankrijk de gelegenheid bieden om meer als 
gewone druk op België uit te oefenen. De Franse aanspraken op Luxemburg 
(ekonomische unie en kontrole van het spoorwegnet) waren zo gevaarlijk voor België 
dat de ministerraad besloot, op 14 jan. 1920, de kwestie van het militair akkoord 
afhankelijk te maken van een voorafgaande oplossing van het Luxemburgse vraagstuk. 
In het systeem van zijn militaire allianties was België een zo kostbare schakel voor 
Frankrijk, dat dit laatste eindigde met hierin toe te geven. Dit gebeurde op een 
ogenblik toen Frankrijk gevaar liep alleen te staan in zijn optreden tegen Duitsland. 
Hier had op 13 maart 1920 Kapp te Berlijn gepoogd de republikeinse regering omver 
te werpen (de zgn. Kapp-putsch). Na de mislukking ervan bleef de agitatie echter 
voortduren in het Ruhrgebied dat, bij de bezetting van het Rijnland, het statuut van 
neutrale militaire zone had gekregen. De Duitse regering vroeg de toestemming om 
er troepen naartoe te zenden. Dit verzoek werd door Frankrijk bestreden en dan ook 
door de Konferentie van de Ambassadeurs te Parijs verworpen (18 maart). Duitsland 
trok er zich niets van aan en zond de nodige troepen om de orde te herstellen. Frankrijk 
reageerde door de bezetting van Frankfurt en Darmstadt (6 april). Engeland weigerde 
te volgen. Frankrijk, om niet alleen te staan, vroeg aan België een symbolisch bataljon 
te zenden. Onder deze omstandigheden werd Frankrijk ook toeschietelijker in de 
verhandelingen over Luxemburg. Het aanvaardde, op 6 april, de Belgische formule, 
waarbij Frankrijk zijn aanspraak op kontrole op de Luxemburgse spoorwegen 
verzaakte. Hierop besliste, op 8 april, de Belgische ministerraad deel te nemen aan 
de bezetting. Het was niet zonder verzet gegaan: de ministerraad nam zijn beslissing 
tegen de mening in van de Koning en van de eerste minister! Men ging nu tamelijk 
vlug naar het sluiten van een militair akkoord. Wel had Lloyd George op 12 juli op 
de konferentie in Spa alle twijfel weggenomen over de weigering van de Engelse 
regering om zich 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



196 



vast te leggen, maar op 16 juli deelde de Belgische regering toch mede te Parijs dat, 
zij principieel ertoe bereid was een militair akkoord te sluiten. P. Hymans en PE. 
Janson hadden hun slag thuisgehaald. Men bleef hopen dat de Engelse regering zou 
eindigen met de politiek te aanvaarden van haar generale staf die partijganger was 
van een militair akkoord. Men hoopte vermoedelijk ook op geallieerde druk op 
Nederland om een bevredigende oplossing te bekomen voor het Belgisch 
verdedigingsprobleem in Nederlands-Limburg. De Belgische francofielen konden 
echter niet volledig viktorie kraaien. In plaats van een militaire alliantie werd op 7 
september 1 920 een technisch militair akkoord afgesloten waarvan het bestaan bekend 
gemaakt werd door een uitwisseling van brieven (10 en 15 september). Em. 
Vandervelde was tegen een alliantie gekant gebleven en Pr. Poullet had met ontslag 
gedreigd bij een werkelijk verbond. Dit belette niet dat het militair akkoord toch in 
vrij troebele politieke omstandigheden was tot stand gekomen. Inderdaad: de grote 
voorstander ervan, P. Hymans, had op 28 augustus ontslag gegeven als minister naar 
aanleiding van de beslissing van de regering het transiet van wapens naar Polen te 
verbieden. Logischerwijze moest dit ontslag ook een regeringskrisis tot gevolg 
hebben, doch PE. Janson volgde Hymans niet, enkel en alleen om de ondertekening 
van het Frans-Belgisch militair akkoord mogelijk te maken. De liberalen vreesden, 
bij een eventuele regeringskrisis, dat het militair akkoord er niet meer zou doorkomen. 
De regering viel inderdaad op 3 november, maar het akkoord was er! 

Dit Frans-Belgisch militair akkoord heeft twintig jaar lang zwaar gewogen op de 
Belgische politiek en er niet weinig toe bijgedragen om de tegenstelling tussen 
Vlaanderen en Wallonië te verscherpen. Vanaf de eerste dag werd het door de Vlaamse 
nationalisten heftig bestreden. Zij vonden hierbij een onmiddellijke weerklank bij 
de Vlaamse oud-strijders (v.o.s.) en bij de flaminganten van elke schakering. Voor 
de katolieke openbare mening gold het akkoord als afgeslacht na een reeks 
ophefmakende artikelen van Dr. A. Van de Perre in De Standaard 2 *' '. Het liberale 
Laatste Nieuws was contra evenals de socialistische Volksgazet, niettegenstaande 
Cam. Huysmans de verdediging ervan op zich genomen had, omdat hij er alleen een 
technisch militair akkoord in zag. Van Cauwelaert wilde er niet van weten. 



(28) Ook in brochurevorm uitgegeven, A. VAN DE PERRE. Over een Fransch-Belgisch militair 
verbond (1920). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



197 



Als vergoeding verkreeg België, dat Frankrijk afzag van een ekonomische unie met 
Luxemburg (mededeling aan de Luxemburgse regering in mei 1920) en dat op 25 
juli 1921 het ekonomisch verdrag tussen Luxemburg en België kon tot stand komen. 
De prijs was echter heel hoog geweest: zoals reeds gezegd, een zware hypoteek op 
de Belgische politiek en een bron van twist en tweedracht. Het technisch akkoord 
was, door de aard zelf ervan, geheim, de korrespondentie om het bestaan ervan te 
bevestigen echter niet. De publikatie van bewuste brieven was bestemd om de 
openbare mening te sussen. 'II va de soi - luidde het van Belgische zijde - que la 
souveraineté des deux Etats demeure intacte quant aux charges militaires qu'ils 
imposeront a leurs pays respectifs et quant a 1'appréciation, dans chaque cas, de la 
réalisation de 1'éventualité en vue de laquelle le présent accord est conclu'. Deze 
uitleg heeft geen enkele van de Vlaamse tegenstanders van het akkoord overtuigd 
en kon alleen maar aangewend worden door de Katolieke Vlaamse Kamergroep die, 
als regeringspartij, tegen heug en meug, het akkoord met zich meesleepte. Daarbij 
kwam nog, dat men in brede kringen, in België en in Frankrijk, zoals trouwens in de 
omringende landen, het akkoord werkelijk als een formeel alliantieverdrag 
beschouwde. Geen militante Vlaming heeft ooit willen aanvaarden dat het geen 
rechtstreekse en beslissende invloed heeft gehad op de militaire politiek en 
verplichtingen van het land. Geen enkele heeft ooit geloofd dat men er niet door 
gebonden werd aan de Franse buitenlandse politiek. Het 'Los van Frankrijk' werd 
de inzet van een jarenlange campagne. Dit wantrouwen werd nog verscherpt door 
de Franse interpretatie van het akkoord Deze was in Frankrijk zo ruim en zo breed 
dat al wat hierover gezegd en geschreven werd, in Vlaanderen kon aangewend worden 
tegen de sussende verklaringen van de opeenvolgende regeringen. In Vlaams-nationale 
kringen werd hier gretig en ruimschoots gebruik van gemaakt. Ward Hermans werd 
er een specialist van het akkoord en dankte een deel van zijn populariteit in 
Vlaanderen, in zijn strijd tegen het militair akkoord, aan de Franse generaals, politici 
en publicisten... 

6. De franstalige minderheden in Vlaanderen! 

In deze patriottisch overspannen atmosfeer van de eerste jaren na de oorlog vinden 
de franstalige minderheden in Vlaanderen nieuwe kracht om de Vlaamse Beweging 
- of laten wij het eenvoudigweg het flamingantisme noemen - te bestrijden. Wij 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



198 



hebben, in onze Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, erop gewezen hoe dit 
franskiljons verweer ontstaan is rondom de wet van 1883 over het taalgebruik in het 
middelbaar onderwijs. Dit was inderdaad het eerste, rechtstreekse offensief geweest 
van de flaminganten tegen de franstaligen. Zeer terecht deed Max Rooses reeds in 
1892 opmerken, dat de houding van de tegenstanders van de Vlaamse Beweging 
verscherpt was van het ogenblik af dat het niet meer ging om de opheffing van 
grieven, in afwachting van een voldoende verspreiding van het Frans, maar om de 
uitschakeling van laatstgenoemde taal als een landstaal en om de vestiging in 
Vlaanderen van een harmonische Nederlandse kuituur die heel het volk en zijn staat 
zou omvatten' 29 '. Lod. De Raet heeft het zelfde standpunt ingenomen 00 ' en Prof. 
Vercoullie sluit hier in de grond bij aan, waar hij zegt dat de franstalige leidende 
standen in Vlaanderen in werkelijkheid, door de bevordering van de kennis van het 
Frans, voor zichzelf de kennis van de taal van het volk overbodig wilden maken' 31 '. 

De verkiezingen van november 1919 - de eerste in het teken van het oude 
socialistische slagwoord 'één man, één stem' - hebben de rechtstreekse politieke 
macht van de franstaligen in Vlaanderen gedeeltelijk gebroken, maar hun invloed 
op het politiek en maatschappelijk leven was een hinderpaal die sterk genoeg bleek 
om de verwezenlijking van het minimumprogramma van het Vlaams-Belgisch 
Verbond te beletten. De numerieke sterkte van deze groep franstaligen was schijnbaar 
onbeduidend in verhouding tot het geheel van de bevolking. Lodewijk De Raet heeft, 
in een zeer uitvoerige studie, een minutieuze ontleding gegeven van de talentelling 
van 1846, de eerste, waar een vraag werd gesteld naar de 'langue habituellement 
parlée' <32) . Hij kwam, voor de Vlaamse provinciën, op een totaal van 1.959.672 
inwoners, tot ongeveer 22.000 franstaligen d.w.z. een verhouding van tien per duizend. 
Er valt op de metode die De Raet heeft toegepast, niets te zeggen en zijn cijfers 
bewijzen zonder enige mogelijke 



(29) In zijn voordracht over het Frans in de lagere school. ELIAS, IV, 3 1 . 

(30) Over Vlaamsche Volkskracht (1913), 247. Vgl. ook de beschouwingen van pater Stracke, 
ELIAS, IV, 104 over de strijd om de kern van de zaak. 

(31) J. VERCOULLIE L'université flamande. Voordracht uit 1901, 4e uitg. (1908), 9, n. 1. 

(32) Over Vlaamsche Volkskracht, 53 8-572. Vgl. verder G. SCHAMELHOUT. Herkomst en ethnische 
samenstelling van het Vlaamsche volk, ze uitg. (1937), 102-191; P.M.G. LEVY. La statistique 
des langues en Belgique in Revue de Sociologie (Institut Solvay), 1938, 507-570. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



199 



twijfel dat er van tweetaligheid in het verleden niet kan gesproken worden. Deze 
globale cijfers van De Raet leveren ons echter niet de gehele waarheid. Wanneer wij 
de spreiding nagaan van de franstaligen, stellen wij vast, dat er op het platteland geen 
enkele voorkomt in 69 gemeenten op de 141 in Antwerpen; in 122 op de 134 in 
West- Vlaanderen; in 130 op de 283 in Oost-Vlaanderen en in 71 op de 196 in 
Limburg. In heel Vlaams-België vindt men slechts 172 gemeenten waar meer als 10 
inwoners verklaren gewoonlijk Frans te spreken en wij kunnen de oorzaak van deze 
toestand meestal terugbrengen tot Waalse inwijking nabij de taalgrens en daarenboven 
tot de aanwezigheid van een kasteel, een kostschool, een klooster of een 
staatsinrichting. De omstandigheid dat - in tegenstelling met de gewone verhoudingen 
voor de hele bevolking - de verhouding in de verfransing meer mannen vertoont als 
vrouwen, wijst in de richting van Waalse ambtenaren, Waalse officieren en soldaten. 

In de steden is de toestand daarentegen anders. Hier vinden wij groepen die op 
zichzelf reeds betekenis hebben. Aldus: Gent (5.206), Antwerpen (3.915), Ronse 
(2.831, was gedeeltelijk Waals!), Brugge (1.582); Mechelen (1.483), leper (1.012). 
De getallen in kleinere steden zijn: St-Truiden (658), Oostende (657), Aalst (606), 
Menen (585), Maaseik (471), Dendermonde (43 1), Oudenaarde (330), Hasselt (309), 
Kortrijk (264), Turnhout (116), Geraardsbergen (111), Tongeren (101), Nieuwpoort 
(100). In geen enkele andere agglomeratie waren er meer als honderd franssprekenden. 
Voor de provincie Brabant (arr. Brussel en Leuven) zijn deze cijfers als volgt: op 
het platteland vindt men in 99 gemeenten op de 211 geen personen die gewoonlijk 
Frans spreken. Meer als honderd franssprekenden vindt men te Leuven (2.416 tegen 
28.339 VI), Tienen (735 tegen 9.576 VI), Diest (2.969 tegen 7.968 VI), Halle (169 
tegen 6.996 VI.). Wij laten voorlopig Brussel met zijn latere voorsteden buiten 
beschouwing. 

Deze statistieken, op zichzelf genomen, maken het onbegrijpelijk dat het Frans 
tot in 1873 volledig en onbetwist het openbaar leven en het onderwijs in Vlaanderen 
heeft overwoekerd. Om deze toestand in zijn waar daglicht te zien dienen wij rekening 
te houden met andere omstandigheden. Eerst en vooral met de maatschappelijke en 
politieke betekenis van deze franssprekenden: taaistatistieken dienen inderdaad in 
hun dynamische potentie gezien. In hun geheel genomen, vertegenwoordigen juist 
deze franstaligen de sociaal, ekonomisch, intellektueel en politiek invloedrijke standen 
in Vlaanderen. Deze invloed wordt niet ge- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



200 



kompenseerd door de massa, die daarenboven in Vlaanderen een groter procent 
analfabeten oplevert dan in Wallonië. 

Hij vindt evenmin zijn kompensatie in de inspanning van de flamingantische 
intellektuelen die met eigen middelen een Nederlandse taalkennis en kuituur moesten 
veroveren en daarbij nog een zware handicap te overwinnen hadden in de steeds 
dreigende splitsing van Vlaams en Hollands. De voornaamste faktor voor de grote 
macht van de franstaligen ligt nochtans elders. Eerst en vooral in het feit dat de 
franstalige minderheden gegroepeerd waren in enkele steden en daardoor homogene 
groepen vormden die hardnekkig tegenstand boden aan de Vlaamse Beweging. Ten 
tweede dient rekening gehouden met een feit, dat door de vlaamsgezinden wellicht 
in zijn betekenis werd onderschat nl. de overwegende evolutie van de tweetaligen 
in Franse en niet in Nederlandse richting. De sterkte van de positie der eentalig 
franssprekenden in Vlaanderen of van hen die bij voorkeur Frans spraken, berust 
niet alleen op hun sociaal aanzien. Zij vinden een breed veld van overgang in de 
tweetaligen. Terecht hebben de flaminganten erop gewezen, dat onder deze laatsten, 
zoals hun aantal blijkt uit de statistieken, tal van mensen voorkomen die een zo 
elementaire kennis bezitten van het Frans, dat zij feitelijk in deze rubriek niet thuis 
zouden horen. Terecht werd erop gewezen, dat de Belgische administratie stelselmatig 
zocht het aantal van deze tweetaligen in de statistieken te laten aangroeien, maar het 
is niet minder waar dat in dat getal toch tienduizenden voorkomen waarvan het de 
innigste wens was als verfranst te worden aangezien en die daardoor het onaanzienlijk 
percentage van de eentalig-francofonen zijn werkelijke macht gaven. Nu is het een 
feit, wat trouwens Max Rooses alarmeerde, dat het aantal tweetaligen in Vlaanderen 
voortdurend bleef stijgen. Bij de telling van 1846 had men de vraag gesteld welke 
de gewone omgangstaal was. Vanaf 1866 (de telling van 1856 bevat geen gegevens 
over de talen) werd er gevraagd welke talen men kende, waaronder verstaan werd 
(instrukties van 3 1 dec. 1900) 'se faire comprendre dans le cercle des actes ordinaires 
de sa vie'. De resultaten zijn hier, voor het hele land, 308.491 tweetaligen (Nederlands 
en Frans) in 1866; 423.572 in 1880; 700.997 in 1890, een verhoging die niet alleen 
het gevolg is van de bevolkingsaangroei (4.827.833 in 1866; 6.069.321 in 1890). Dit 
aantal tweetaligen, dat hoofdzakelijk dient gezocht in Vlaanderen, neemt nog toe in 
de volgende jaren. In 1900, op een bevolking van 6.693.548 was het 801.587, in 
1910 was het 871.288 op de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



201 



7.423.784 inwoners. (In 1930, op een bevolking van 8.092.004 was het gestegen tot 
1.045.601). Lodewijk De Raet heeft ook de cijfers van 1910 aan een nauwkeurig 
onderzoek onderworpen voor wat betreft de betekenis van het aantal uitsluitend 
franssprekenden. Hij kwam, voor de vier Vlaamse provinciën tot alleen of meest 
Nederlands sprekend: 2.935.657; alleen of meest Frans sprekend 125.208 <33) . Bij een 
kritische ontleding van het getal 125.208 komt hij tot 48.371 personen die thuis horen 
in de Waalse gemeenten van de Vlaamse provinciën en tot 29.549 personen geboren 
in Frankrijk. Als hij deze twee getallen aftrekt van het geheel, komt hij tot de 
konklusie, dat sedert 1 846 het aantal personen die het Frans als enige of gewone 
omgangstaal gebruiken slechts met 25.000 eenheden gestegen is. Dit laatste getal 
zou aldus de zuivere aanwinst van 64 jaar verfransing vertegenwoordigen. 

Er valt op de berekeningen van De Raet weinig te zeggen. De konklusies ervan 
zijn echter fout indien de stelregel juist is dat tweetaligheid een overgangsvorm is 
naar ééntaligheid en dit is, naar ons oordeel, juist in een gemengd taalgebied d.w.z. 
in een land waar de heersende kuituurtaai de gelegenheid krijgt om haar posities 
steeds verder te konsolideren. Hier ligt voor de Vlamingen de grote betekenis van 
de hoofdstad van het land, die ook hun hoofdstad is, Brussel' 34 '. 

De manier waarop de Vlaamse volkskracht in Brussel wordt ondermijnd en de 
verfransing zich elke dag verder voltrekt niettegenstaande een steeds nieuwe aanvoer 
van Vlaams bloed - vóór 1914 in veel sterkere mate dan dit voor het Waalse element 
het geval is - mag als een fenomeem zonder precedent worden be- 



(33) De vraag werd bij de telling als volgt gesteld: welke taal spreekt gij en welke taal spreekt gij 
het meest? 

(34) Over de toestanden te Brussel en hun evolutie, zie J.M. REMOUCHAMPS. La francisation des 
arrondissements de Bruxelles, Arlon et Verviers au cours d'un demisiècle (1880-1930) 2e 
uitg., 1937; H. AELVOET. Honderdvijfentwintig jaar verfransing in de agglomeratie en het 
arrondissement Brussel (1957); L. LINDEMANS. Proeve van een objectieve talentelling in het 
Brusselse (1951) enH. PICARD. De talentelling in en rond Brussel, in De Vlaamsche Gids, 
xxxix (1955), 5-22. Vgl. voor vroeger A. prayon-van zuylen. De statistiek der talen in 
België, mNederlandsch Museum, 1885, dl. II, 73-104 en 183-209. Een sociologische inleiding 
tot het onderwerp vinden wij in de interessante bijdrage van EDG. VAN CAUWELAERT. Inleiding 
tot een sociologisch onderzoek van de taaltoestanden te Brussel, in Ons Erfdeel, juni 1968, 
4-15. Vgl. ook de brochure Brussel, stad zonder gezicht. Z.pl., z.j. 36 blz. (1967). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



202 



schouwd. Als gevolg van de Franse bezetting, daarna van de heerschappij van een 
verfranste cijnsburgerij die vanaf 1 8 1 5 tot 1 894 de Belgische politiek beheerst, groeit 
deze stad, vooral na 1830, als hoofdstad van een tweetalig rijk uit tot een 
onweerstaanbare verfransingsmachine. De feitelijke verhoudingen vóór 1894 zijn 
van dusdanige aard geworden dat het algemeen stemrecht, meervoudig dan nog ten 
gunste van de verfransende standen, hierin geen verandering meer kon brengen. In 
de Vlaamse strijd van vóór 1914 wordt nog maar betrekkelijk weinig aandacht 
geschonken aan het probleem Brussel en toch was de bedreiging reeds te lezen in de 
resultaten van de volkstelling van 1910 <35) . De Brusselse agglomeratie (19 gemeenten) 
telde in 1846 bij de eerste volkstelling, 211.634 inwoners, waarvan 32,03% 
franstaligen en 66,65% nederlandstaligen. De meeste randgemeenten waren nog niet 
bij Brussel aangebouwd en het grootste gedeelte ervan (namelijk elf) bleef nog 
beneden de 10% franstaligen. In geen enkele gemeente (ook niet Sint-Joost-ten-Node 
met het hoogste getal van 49%) hadden de franstaligen de meerderheid. Volgens de 
gegevens daarentegen van het jaar 1910 was het aantal inwoners gestegen tot 761 .898 
waarvan 48,73% franstaligen. Voor ons is de evolutie duidelijk, nu wij gezien hebben, 
in 1 947, dat dit getal gestegen is tot 70,6 1 % franstaligen op een bevolking van 955 .929 
inwoners, met slechts één gemeente (Evere, 48%) die hiervoor beneden de helft blijft. 
Tevens is het voor ons duidelijk geworden dat de verfransing niet groeit van de 
taalgrens naar de Brusselse kern, maar omgekeerd, wat in zekere mate mede het 
vraagstuk stelt voor het gehele gebied dat bestreken wordt door de agglomeratie. 

Wat wij thans zien in zijn volle omvang was in 1910 nog maar een aanduiding, 
blijkbaar niet sterk genoeg om het probleem in zijn volle draagkracht te zien: een 
ééntalig wordende Franse reuzenhoofdstad voor een naar eentaligheid strevend 
Vlaams achterland. De aandacht werd te zeer afgeleid door de strijd in Vlaanderen 
zelf tegen de franstalige minderheden, dan wanneer de toestanden in Brussel hiervan 
een essentieel onderdeel vormen. De verfranste leidende standen in Vlaanderen waren 
voor de vlaamsgezinden de vijand nummer één die dadelijk in het oog liep, die zij 
elke dag voor zich vonden, terwijl Wallonië deel bleef uitmaken van hun 



(35) Over de strijd der vlaamsgezinden te Brussel vindt men tal van gegevens in de Bibliografie 
van den Vlaamschen Taalstrijd en in de voortzetting ervan De Taalstrijd, hier en elders.) 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



203 



vaderlands begrip. De flaminganten waren er zich van bewust dat de aanwezigheid, 
te midden van hun eigen volk, van een gedenationalizeerde, leidende minderheid 
een eigen problematiek stelde in de nationale strijd die het onmogelijk maakte de 
Vlaamse Beweging te vergelijken met de nationaliteitenstrijd die zij elders in Europa 
met belangstelling volgden. Reeds E. de Laveleye had hier de klemtoon op gelegd. 
Prof. Vercoullie kwam erop terug in zijn voordracht over de Vlaamse universiteit. 
Lod. De Raet drukte dezelfde gedachte uit, waar hij antwoordde op de vraag waarom 
'dan het rechtsgevoel, het besef van eigenwaarde, het stambewustzijn zo gering' 
waren bij ons volk. De oorzaak ervan was voor hem dat de taalgrens hier was zoals 
nergens anders:ze was niet geografisch maar sociaal, horizontaal en niet vertikaal 
en wie sociaal opsteeg was daarbij in drie, soms reeds in twee generaties verfranst 06 '. 

De politiek van de flaminganten werd hierdoor bepaald: door de vernederlandsing 
van middelbaar en hoger onderwijs streefden zij ernaar ofwel door deze dwang de 
leidende standen te assimileren ofwel ze desnoods uit te schakelen en ze te vervangen 
door een nieuwe sociale en intellektuele Vlaamse elite. Deze franstalige minderheden 
vonden tot in 1883 hun wapen en hun organizatie in de staat. Het was voor hen niet 
nodig bonden op te richten, verenigingen te stichten of tot een of andere vorm van 
organizatie of verzet over te gaan. Na 1883 komt hierin verandering. Het zal niet 
lang meer duren vóór de franstalige milieus positie kiezen in de strijd, vóór kringen 
gesticht worden met het doel de vooruitgang van de Vlaamse Beweging te bestrijden. 
Zo zien wij reeds bij de voorbereidende werkzaamheden van de wet De Vigne - 
Coremans tot aanvulling van de wet van 1873, de fransgezinde advokaten in Gent 
een protest naar de Kamers sturen, hierin later gevolgd door hun fransgezinde 
konfraters uit Antwerpen, namens de tuchtraad van de orde der advokaten' 37 '. Te Gent 
gaan in 1893 enkele 'pères de familie' over tot een offensief om een Waalse sektie 
aan het ateneum te bekomen, een initiatief dat door hen weerom opgenomen wordt 
in 1896. De regering ging toen op deze verzoeken niet in <38> . Een rechtstreeks offensief 
van de fransgezinde kringen was in 1891 de oprichting van een Belgische 



(36) L. DE RAET, O.C., 279. 

(37) P. FREDERICQ. Schets van den ontwikkelingsgang der Vlaamsche Beweging, dl. II, 3, n. 2 en 
9. 

(38) Ibid.,n, 149 en m, 13. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



204 



sektie van de Alliance Frangaise, met als doel 'de propager la connaissance et 1'emploi 
de la langue francaise en Belgique et plus spécialement dans la partie flamande du 
pays' (39> . Tot een grote aktiviteit kwam het vooralsnog niet in het Vlaamse land: pas 
in 1898 zal Gent het teken geven met de oprichting van de Société flamande pour la 
vulgarisation de la langue frangaise m . Dit franstalig verweer is eng verstrengeld 
met zowel de Waalse Beweging als met de werking van de organismen voor Franse 
kultuurpropaganda in België (Amitiés frangaises (1904), Congrès Internationaux 
pour la défense et l'extention de la langue frangaise (1905), Ligue nationale pour la 
défense de la langue frangaise (1910), Union pour la défense de la langue frangaise 
d l'université de Gand (1910) e.a.). 

De franstaligen uit Vlaanderen waren er, in 1914, ver van af de strijd op te geven. 
Er waren onder hen een aantal polemisten die ons in hun geschriften de onweerlegbare 
bewijzen geven van een grenzeloos misprijzen voor de volkstaal in Vlaanderen en 
van een psychose van haat tegen al wat in de verste verte flamingant kon genoemd 
worden. Wie een volledig overzicht wenst van de ernstige argumenten en van de 
nonsens, vanaf de bewering dat het Nederlands geen taal is tot aan de beschuldiging 
toe van pangermanisme, leze de encyclopedische brochure uitgegeven door het 
Katoliek Vlaams Sekretariaat over de vervlaamsing van het hoger onderwijs. Van 
al deze argumenten zijn er een drietal die van bijzondere betekenis zijn en die wij 
hier willen onthouden. Het zwaarste argument van de franstaligen was de geestelijke 
degradatie die zij, als het ware, zouden ondergaan door een wereldtaal en een 
wereldkultuur prijs te geven voor een taal met beperkte geografische spreiding, een 
kuituur die, welke ook de waarde ervan mocht zijn, op zichzelf niet kon vergeleken 
worden met de Franse kuituur. Voor al wie in Vlaanderen van huize uit franstalig 
was, moest dit een afstand van een waarde betekenen en kon die alleen 
gerechtvaardigd worden door een dieper inzicht van het volkse in de kuituur door 
de woordkunstenaar; door een dieper sociaal voelen dan het individualisme van deze 
liberaal denkende burgerij over 't algemeen toeliet; door een nationaal- Vlaamse 
opvatting die vreemd was aan het Belgische denken van 



(39) Ibid., II, 82 en ra, 14. 

(40) Vgl. G. VAN SEVEREN. Soixante années de vulgarisation de la langue frangaise en Belgique. 
Z.j. (1958). Over de aktie van deze franstaligen vindt men tal van gegevens bij Fredericq en 
Basse. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



205 



deze leidende stand. Zeer weinigen onder hen zijn tot het inzicht gekomen van deze 
volksverbondenheid die aan eigen taal en kuituur een meerwaarde geeft boven 
onverschillig welke andere. De terugkeer naar het eigen volk in zijn eigen taal en 
kuituur werd daarenboven bemoeilijkt door twee andere argumenten die zo aan elkaar 
gekoppeld zijn dat men ze als versmolten in de geest van de franstalige burgerij kan 
beschouwen. Het eerste is de stelling van de zgn. historische tweetaligheid van 
Vlaanderen' 41 '. De flaminganten hebben de grote betekenis hiervan ingezien en zich 
hardnekkig te weer gesteld tegen deze voorstelling die volgens hen volkomen vals 
was en een zuivere projektie van het heden in het verleden om aan de toestanden die 
zij bevochten de rechtvaardiging toe te kennen van iets dat nog meer was dan een 
historisch recht, nl. een natuurlijke traditie. Ten nauwste met dit argument verbonden 
was de opvatting dat de tweetaligheid van Vlaanderen één van de omstandigheden 
is die de historische Belgische natie tot stand heeft doen komen en dat het behoud 
ervan een essentiële voorwaarde is voor het in stand houden van dit nationaal wezen. 
Hier raken wij de kern van het konflikt. Men wil de flaminganten uit de nationale 
gemeenschap sluiten omdat hun streven erop gericht is deze staat in werkelijkheid, 
door het veroveren van een zelfde eentaligheid in Vlaanderen als in Wallonië, te 
maken tot een plurinationale staat. Het flamingantisme moest, om deze verfranste 
standen te winnen, er niet alleen in slagen hun de kennis van het Nederlands op te 
dringen maar ook hun nationaal bewustzijn te wijzigen. In werkelijkheid was het een 
strijd om de inhoud van de franstalige Belgisch-nationale gedachte. 

In elk kamp zijn extremisten en fanatici. Wij zullen hier, wat de periode vóór 1914 
betreft, deze haatdragende bekampers van de Vlaamse Beweging, in welke schakering 
ook, niet aan het woord laten komen. Wij vinden ze wel weer na 1 9 1 8 (42) . Wij geloven 
echter dat het nuttig is de aandacht te vestigen op een brochure, geschreven in 1913, 
maar, als nog geldig voor haar tijd, pas in 1929 gepubliceerd, nl. het opstel 
Voix-d'outre-tombe. La question 



(41) De historische tweetaligheid van Vlaanderen vormt één van de hoekstenen in de teorie 
uitgebouwd door H. Pirenne in zijn Histoire de Belgique. Zijn opvattingen over de 
tweetaligheid van het graafschap Vlaanderen omstreeks het jaar 1300 zijn bijna woordelijk 
ontleend aan F. funck-brentano. Philippe le Bel en Flandre (1897), 19. 

(42) Vgl. nochtans ELIAS, IV, 423, n. 91. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



206 



flamande (39 blz.) van J. Paul Lippens' 43 '. Hier komt een man aan het woord - volledig 
Frans van opvoeding - hij studeerde daarenboven in Luik - maar die van ontroering 
heeft getrild bij het zien en beleven van een volksvergadering der flaminganten. Hij 
was pijnlijk verrast door de vaststelling dat hij met Waalse arbeiders kon omgaan, 
spreken en medevoelen doch niet met zijn eigen volksgenoten. Hij was een 
kastegenoot van Maurice Maeterlinck die nochtans de voorkeur geeft aan de 
opvattingen van Georges Eekhoud dat het plicht is in eigen taal te schrijven, die 
Loveling, Buysse en Stijn Streuvels hoger ziet in hun volksverbondenheid door de 
taal dan Maeterlinck die over heel de wereld wordt gelezen maar geen weerklank 
vindt bij het eigen Vlaamse volk. En toch staat Paul Lippens, die de Vlaamse 
Beweging bestudeerde en de werken van Fredericq en De Raet heeft gelezen, die 
zich blijkbaar door hun argumenten heeft laten overtuigen, voor een drempel waar 
hij niet over heen kan op zijn weg naar het Vlaamse tehuis: het Frans is zijn 
moedertaal en hij wenst voor de franstalige hogere stand in Vlaanderen de 
verworvenheden van de Franse kuituur te bewaren. Hij houdt vast aan de tweetaligheid 
van die standen, maar besluit dat zij de afsluiting die ze scheidt van het Vlaamse 
volk, dienen te verwijderen door van hun huidige eentaligheid over te gaan naar de 
tweetaligheid. P. Lippens heeft de banden niet kunnen breken die hem verbonden 
met de huiselijke haard en de verworven vreemde moedertaal te midden van het 
eigen volk. Men mag zich aldus, bij al het begrip dat zekere franssprekenden tonen 
voor de Vlaamse taaleisen, geen illuzie maken over de afstand die nog steeds bleef 
bestaan tussen hen en de dragers van de Vlaamse gedachte. Met uitzondering van 
de franstalige schrijver Georges Eekhoud, zijn ons geen voorbeelden bekend van 
franstaligen die overgekomen zijn naar het Vlaamse standpunt. Wij vinden 
ongetwijfeld een zeker begrip voor Vlaamse eisen en zelfs de veroordeling van een 
starre anti- Vlaamse houding in een franstalig orgaan als bijv. Le Bien Public. Wij 
vinden ophefmakende verklaringen ten gunste van de Vlaamse rechtseisen zoals bijv. 
bij Edmond Picard, geboren te Brussel als zoon van een Luxemburgse vader en een 
Vlaamse moeder, maar een overneming van de Vlaamse gedachte is dat op verre na 
niet. Alleen Georges Eekhoud stond in de geest van de Vlaamse Beweging waar hij, 
in het oktobernummer 1902 van de Mercure de France, de jonge Vlamingen ertoe 
aanzette in het 



(43) Ibid., 335. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



207 



Nederlands te schrijven, omdat, wie in Vlaanderen in 't Frans schrijft, zijn 'lecteurs 
naturels' niet bereikt' 44 '. In november 1918, bij de ineenstorting van het aktivisme, 
stond al wat anti- Vlaams was, klaar om tot de aanval over te gaan. De posities van 
de franskiljons waren nog onaangetast en zij vonden in hun hoogoplaaiend patriottisme 
nieuw voedsel voor hun chauvinisme, terwijl de vernederlandsing van de universiteit 
te Gent, tijdens de oorlog, en de aktivistische politiek in het algemeen, thans 
onweerlegbaar schenen te bewijzen dat flamingantisme en pangermanisme als identiek 
dienden beschouwd 45 '. In de grond hadden zij voor zichzelf dit oorlogsargument niet 
nodig: het was alleen maar een, trouwens niet te onderschatten, wapen meer in hun 
arsenaal, bij de heersende duitsvijandigheid. In de mentaliteit van de francofonen 
ten opzichte van de Vlaamse Beweging was er in de grond niets veranderd in 
vergelijking met 1914, tenzij misschien nog een verscherping van de posities. 
Aangezien de strijd van de flaminganten vóór 1914 gekoncentreerd was op de 
vernederlandsing van de Gentse universiteit en omdat openlijk dit strijdobjekt door 
de flaminganten weerom op de voorgrond werd geschoven voor de nabije toekomst, 
is het niet te verwonderen dat het centrum van deze franskiljonse aktiviteit in 
Vlaanderen dient gezocht in Gent, waar zijn voornaamste spreekbuis het liberale 
dagblad La Flandre Libérale was. Reeds op 13 nov. 1918 (46> kwam, met het oog op 
deze strijd, een franskiljons strijdverbond tot stand: de Ligue Nationale pour la 
défense de l'Université de Gand et de la liberté des langues, later omgevormd tot 
Ligue pour l'Unité Beige. Kenmerkend voor deze franskiljonse kringen in Vlaanderen 
en Brussel - zonder hierbij de Waalse openbare mening uit te sluiten - is de gewilde 
en systematische gelijkstelling van flamingantisme en aktivisme. Wij vonden deze 
opvatting al in de kiem bij Leo Van Puyvelde op het einde van de oorlog, toen hij 
verkondigde dat het aktivisme niet dood was. Ze bood het voordeel alle hatelijkheid 
van aktivisme en Duitse bezetting op de rug te schuiven van het flamingantisme, 
want er werd hier geen onderscheid gemaakt tussen minimalisten en Vlaamse 
nationalisten. De eerstgenoemden beproefden tevergeefs het ak- 



(44) Aangehaald L. DE RAET, o.c, 614. 

(45) Een sterk Gents getint beeld, maar toch bruikbaar, bij BASSE, II, 14-27 en 33-37. Vgl. met 
de voorstelling van de huidige situatie bij D. WILMARS. De psychologie van de franstalige 
in Vlaanderen (1966). 

(46) Volgens BASSE, II, 22, n. 4. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



208 



tivisme te omschrijven als en te beperken tot een politiek die zich ten doel stelde 
bepaalde punten van het Vlaams programma te verwezenlijken met de hulp van de 
Duitsers. Voor de aanhangers van de Ligue nationale was aktivisme elke houding 
in taaiopzicht, tijdens of na de oorlog, die van aard was om de gehechtheid aan het 
vaderland te verminderen en de hechtheid van de Belgische staat te verzwakken' 47 '. 
Flamingantisme en aktivisme waren de twee facetten van een beweging die voor hen 
was 'pangermanique, orangiste, hollandophile, anti-beige et séparatiste' <48) . Een 
gematigde, vooroorlogse flamingant, Prof. Leo Van der Essen (Leuven), thans verzeild 
in de wateren van het Comité de Politique Nationale, beschuldigde openlijk de 
frontpartij ervan het werk van de Duitsers voort te zetten. Dit was, volgens hem, 
aktivisme. Leo Van der Essen was een gematigde. Hij ten minste twijfelde niet aan 
de vaderlandsliefde van Van Cauwelaert; hij verweet hem alleen een politicus te zijn 
die de markten afliep met aan de leiband zijn dreigende beer, de frontpartij, om de 
anderen schrik aan te jagen (49) . Enkele Gentse publikaties geven ons daarom veel 
beter en ook veel juister de geest weer van het militante franskiljonisme. Wij verwijzen 
naar H. Van Houtte. Vraagt het Vlaamsche volk eene Vlaamsche universiteit. Een 
antwoord (Gent, 1918, 27 blz. reeds persklaar vóór de wapenstilstand), aan te vullen 
door zijn tweede brochure Oorsprong en Wezen der Vlaamsche Beweging (Gent, 
1919,31 blz.) <50) . De eerste is in ernstige toon gehouden en versast de oude argumenten 
van de tegenstanders van vóór 1914. De tweede is veel hatelijker. Voor hem zijn de 



(47) Zie de citaten in Le danger du programme minimum flamingant pour Vunité de la Belgique 
par un patriote beige (du pays flamand). Brugge, z.j. (1920), 2. 

(48) Ibid, 3-4. 

(49) L. VAN DER ESSEN. Pour la Belgique contre le separatisme. Discours prononcé d la 
manifestation patriotique des étudiants a l'Eden-théatre a Louvain, le 24 mars 1920. Leuven, 
1920. Prof. Van der Essen was toen aanhanger van de politiek van het Comité de Politique 
Nationale. Zijn toenmalige opvatting over de Vlaamse Beweging vindt men terug in zijn 
bijdrage voor het speciaal België-nummer (9 april 1920) van The Times, Franse uitgave door 
Le Flambeau, 1920, 319-329. Hij veranderde daarna zeer sterk van opvattingen. Zie zijn 
oordeel over de naoorlogse Belgisch-nationalistische politiek in Nederlandsche Historiebladen, 
II (1939), 307-309 in zijn artikel De buitenlandsche politiek van België in het bizonder ten 
aanzien van Nederland. 

(50) Er bestaat ook een Franse uitgave van de eerste brochure, met een aanvullende nota. De 
tweede brochure is een overdruk uit het weekblad De Eenheid, II (1919), 5 jan.-2 februari 
1919. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



209 



voornaamste bestanddelen van de flamingantenpartij gevormd door 'overgebleven 
romantiekers, reaktionaire behoudsgezinden, min of meer calvinistisch gezinde 
Groot-Nederlanders, beroepsflaminganten en slecht ingelichte demokraten', waarbij 
dan nog komt 'het schuim der Vlaamse Beweging... de arrivisten of plaatskenszoekers' 
die, zoniet de talrijkste, dan toch de gevaarlijkste groep vormen. Om de flaminganten 
voor te stellen als volksvijanden en als volksuitbuiters, beriep hij zich op het gezag 
van Anseele en Hardyns <51) . Flamingantisme was, volgens hem, een politiek die 
voordelig was voor een aantal beroepsflaminganten en arrivisten, voor een stuk of 
wat open en geheime handlangers van Duitsland, voor de vijanden van de 
vrijheidsgedachte die van het Frans het privilege van de rijken wilden maken om des 
te gemakkelijker het volk te kunnen beheersen. Tot dusver Hubert Van Houtte die 
ook later hoogleraar zou blijven aan de volledig vernederlandste universiteit van 
Gent... Rabiaat anti-Vlaams zijn de drie brochures van A. Gandavus. La question 
flamande jugée par un Flamand (z.j. 12 blz.), Le Flamingantisme et l'Allemagne (z.j. 
12 blz.), Le bilinguisme de la Flandre (z.j. 8 blz.), alle drie verschenen in Gent, kort 
na de wapenstilstand' 52 '. De kern van het betoog is jarenlang in het parlement de tesis 
gebleven van de liberale notaris Amelot, vertegenwoordiger van het liberalisme in 
Oost- Vlaanderen: de universiteit van Gent moet franstalig blijven; Vlaanderen was 
en is tweetalig; het flamingantisme leidt naar de bestuurlijke scheiding en de 
ondergang van België. Het beste voorbeeld dat wij vonden van de 
reaktionair-konservatieve mentaliteit van deze anti-sociale Gentse burgerij is het 
vlugschrift van Baron Pierre Verhaegen. Contre la flamandisation de l'Université 
de Gand (Brussel, 1922, 39 blz.). Om te bewijzen dat Vlaanderen tweetalig is, schakelt 
hij Brussel in bij het Vlaamse land om aldus tot een totaal te komen van 20 procent 
franstaligen! De beweging tot vernederlandsing van de universiteit is volgens hem 
kunstmatig en vooral het werk van 'les demi-savants, les demi-intellectuels, les ratés 
des carrières libérales; beaucoup d'arrivistes, de mécontents, et les envieux qui ont 
repris a leur compte les menées activistes'. Alle Vlamingen, die niet verblind zijn 
door vooringenomenheid of passie, geven er zich rekenschap van dat de ver- 



(51) Vgl. elias, IV, 265 en volg. 

(52) Een goed kenner van Gentse toestanden en verhoudingen na 1918 verklaarde mij met 
zekerheid te weten dat Gandavus de schuilnaam was van een Gents advokaat. Vgl. voor deze 
mentaliteit hierboven n. 42. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



210 



nederlandsing een antidemokratische en antinationale maatregel zou zijn. De 
flamingantische partij wordt door hem bestempeld als 'parti actif, audacieux, fortement 
organisé et dont il faut se garder de sous-évaluer 1'importance, mais parti peu 
nombreux, de composition principalement bourgeoise et dont les revendications ne 
s'identifient nullement avec celles des masses', waarbij dan voor de gelegenheid 
weer eens een beroep gedaan wordt op het getuigenis van Anseele en Hardyns. Hij 
staat trouwens ook op het standpunt dat een hogeschool alleen maar bestemd is voor 
een elite. Daarbij is de Franse taal het cement van de nationale eenheid en was haar 
verspreiding 'un des principaux agents constitutifs de notre nationalité'. 

Dit alles zijn voorzeker extreme vormen van franskiljonisme. Bezadigder mensen 
slaan een mildere toon aan. Een voorbeeld ervan is het boek van O. Vos. L'unité 
Beige en péril (Brussel, 1919, 134 blz.) <53) . Ook hier nochtans blijft de grondslag de 
historische en aktuele tweetaligheid van Vlaanderen, waaraan elke oplossing dient 
aangepast. Wie de aktie en de werking van deze verschillende stromingen nader wil 
bestuderen zal verder de nodige dokumentatie vinden in de franstalige pers in 
Vlaanderen: La Patrie (Brugge), Le Bien Public en La Flandre libérale (Gent), La 
Métropole en Le Matin (Antwerpen)' 54 '. Wij willen in dit verband nog wijzen op een 
typisch voorbeeld, onder vele andere, van franskiljonse mentaliteit, maar dat het 
vermelden waard is, omdat het zich aanbiedt als een streng wetenschappelijk werk 
en daarenboven aan het Belgisch publiek werd voorgesteld door een Vlaming, J. 
Cuvelier, algemeen rijksarchivaris en lid van de Koninklijke Vlaamse Akademie. 
Het gaat om het werk van de Brusselse advokaat J. Des Cressonières, Essai sur la 
question des langues dans l'histoire de Belgique (Brussel, 1919). Er zijn geen 
beledigingen in te vinden aan het adres van de Vlamingen, zelfs niet van de 
vlaamsgezinden. De auteur betoont achting en eerbied voor de Dietse 



(53) Volgens een naamloze aantekening op het door ons gebruikte eksemplaar (in bezit van Mr. 
Frans Van der Eist) is de auteur kanunnik Hoornaert van Brugge. Het eksemplaar draagt een 
opdracht voor H. Van Houtte, vanuit Brugge, 1 sept. 1919. Identiflkatie door het geschrift 
moet aldus mogelijk zijn. 

(54) Het koddige element heeft in deze polemieken niet ontbroken. Zie aldus de potsierlijke 
tweetalige (afwisselend 'Vlaams' en Frans) brochure van de notaris C. DE BOCK uit Sinaai 
De waarheid over het activisme ... (1 9 1 9) en het factum van P. TEMPELS. La langue flamande 
(1919) die voorstelde het k.b. van 21 nov. 1864 over de spelling af te schaffen om terug te 
keren tot de oude Vlaamse taal. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



211 



volkstaal. Meteen echter wordt deze in het Vlaamse land afgesneden van alle 
verbinding met Noord-Nederland en, alsof er geen Koninkrijk der Nederlanden 
bestond waarin deze taal de officiële is, wordt het Vlaams voorgesteld als de 
provincialistische en archaïserende trek van de oude Vlaamse aard. Als de meest 
vanzelfsprekende, natuurlijke en gezonde ontwikkeling - want beantwoordend aan 
de hoogste vereisten van het geestelijk leven - wordt de verfransing van het Vlaamse 
land voorgesteld als een niet af te wenden fataliteit die, per slot van rekening, behoort 
tot de hogere wetten van kuituur en beschaving. Tot een dergelijke geestelijke houding 
kon onmogelijk het begrip doordringen dat deze meewarige sympatie-op-afstand 
voor de taal-van-de-keuken, de hoogste belediging is voor een volk dat naar 
kultuurontplooiing zoekt in eigen taal. Het boek is daarenboven nog typisch door 
zijn overspannen anti-Hollandse houding en zijn ontstellende vereenvoudiging van 
de geschiedenis in het schema van een sedert eeuwen levende Belgische gemeenschap. 

Zo was dus de mentaliteit van het franskiljonisme in Vlaanderen en de heersende 
opvatting in Brussel en Wallonië. Dit waren de opvattingen van een Belgische 
vaderlandsliefde die ook het flamingantisme van het minimumprogramma buiten de 
wet wilde stellen en dagelijks Frans Van Cauwelaert en zijn aanhangers aan de 
vaderlandse schandpaal stelde als een hoop landverraders. Het recht van de 
francofonen in Vlaanderen gold hier als maatstaf van de Belgische vaderlandsliefde. 
Het heeft de minimalisten weinig geholpen, in de eerste jaren na de oorlog, dat zij 
de streep tussen zichzelf en de nationalisten zo dik mogelijk hebben getrokken. Wie 
de stellingen van het franskiljonisme niet wilde aanvaarden, werd door het francofone 
België systematisch, en zeer vaak te kwader trouw, verketterd. Betuigingen van 
vaderlandsliefde hebben nochtans van flamingantische zijde niet ontbroken. Men 
leze er maar eens het verslag op na van de plechtige openingsvergadering van de 
Koninklijke Vlaamse Akademie op 19 oktober 1919, reeds bijna een jaar dus na de 
bevrijding! Men leze het opstel van C. Eeckels over Koning Albert, waarmede 
Dietsche Warande en Belfort zijn nieuwe reeks in 1919 inzette. De vurige 
vaderlandsliefde van juffrouw M.E. Belpaire - die de lijn doortrok van vóór de oorlog 
en zich hardnekkig had verzet tegen een verruiming van de redaktieraad van Dietsche 
Warande en Belfort, waarbij ook namen uit de kringen van de frontpartij werden 
vooropgezet - heeft niet kunnen beletten dat, toen F. De Pillecyn er een kroniek van 
de Vlaamse Beweging in schreef, de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



212 



wallingant J. Destrée, minister van Kunsten en Wetenschappen, de subsidies aan het 
tijdschrift introk ter wille 'van het antinationaal karakter van zekere... bijdragen van 
louter politieken aard' en onder voorwendsel dat het alleen ondersteund werd 'als 
letterkundig en wetenschappelijk werk' (55> . 

7. Overspannen Vlaams patriottisme - Alfons Fierens 

Niettegenstaande hun oprecht patriottisme zijn er nochtans weinig flaminganten 
geweest die het zo ver wilden drijven als Alf. Fierens die zijn verzetspamfletten van 
tijdens de oorlog bundelde onder de titel Het Belgische Vaderland. Een bijdrage tot 
de wijsbegeerte der Vlaamsche Beweging (Grimbergen, 1919, 115 blz.). Het is, wat 
het historisch gedeelte betreft, een geestdriftige uiteenzetting van de teorie van 
Pirenne, waarbij alleen voorbehoud gemaakt wordt voor de historische tweetaligheid 
van Vlaanderen. De Belgische eenheid gaat voor hem terug tot de middeleeuwen, 
waarbij de verscheidenheid tussen Noord-Nederland en het latere België toen reeds 
duidelijk zichtbaar is. Welke scheiding ook in België, zou een aanslag zijn op onze 
geschiedenis en onze normale ontwikkeling remmen. Als gevolg hiervan veroordeelt 
hij de kulturele zelfstandigheid van Vlaanderen en Wallonië. Hij verheerlijkt, tegen 
deze opvatting in, de 'ame beige' die thans omhoog rijst, 'onloochenbaar schoon'. 
Voor de oplossing van het taalvraagstuk, waarbij Fierens echter pleit voor de volledige 
vernederlandsing van Vlaanderen, breekt hij een lans voor eenheid in de 
verscheidenheid door 'wederkerigheid in de taalverordeningen met territorialen 
grondslag'. Dit bracht hem ertoe de motie die aangenomen werd door de Kamer als 
besluit op de interpellatie der drie Van's in mei 1919 - wij zullen er later uitvoerig 
op terugkomen - met vreugde te begroeten: 'de geest die spreekt uit die regelen, 
spreekt ook uit onze verhandeling...'. In heel Vlaanderen werd deze interpellatie en 
de daarop aangenomen motie met bitterheid ontvangen, zodat wij mogen besluiten, 
dat er voor Belgische teorieën als van Fierens geen plaats was in de Vlaamse 
Beweging. Zijn boek is, voor zover wij persoonlijk de literatuur van het onderwerp 
kunnen overzien, de eerste en laatste flamingantische publikatie in Pirennistische 
geest, al bleven er in vele hoofden toch brokstukken hangen die het flamingantisme 
hebben belet Vlaams-nationalisme te worden of 



(55) Vgl. de stukken bij J. PERSYN. De wording van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort, 
o.c., 489 en volg. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



213 



die er Vlaamse nationalisten toe brachten hun nationalistische opvattingen op een 
bepaald ogenblik te verloochenen. 

8. De Wederopbouw van het strijdende Vlaamse leven (1918-1921) 

In de geschetste politieke evolutie van Vlaamse machteloosheid in Loppem, van een 
uitgebreide en blinde repressie van al wat van aktivisme werd verdacht of eenvoudig 
maar beschuldigd, van een hoogoplaaiend patriottisme waarin de toon aangegeven 
werd door een fransdolle en anti- Vlaamse burgerij, gesteund door Wallonië, moest 
het er voor velen de schijn van hebben, dat er van een Vlaamse Beweging gedurende 
jaren geen sprake meer kon zijn. Onze korte schets van de repressie van het aktivisme 
geeft inderdaad maar zeer onvolkomen de atmosfeer van de anti- Vlaamse reaktie 
weer uit de jaren 1919-1 92 1. Onder de mom het aktivisme met wortel en tak voorgoed 
uit te roeien, werd in feite storm gelopen tegen al wat Vlaamsgezind was. Niemand 
ontzag men daarbij. Elke Vlaamse aktie of reaktie werd voorgesteld als aktivisme 
of neo-aktivisme. De Veiligheid van de Staat of de parketten traden willekeurig op 
tegen de manifestaties van Vlaams leven door preventieve maatregelen om ontworpen 
Vlaamse betogingen te verbieden; door willekeurige arrestaties; door tal van 
ondervragingen en huiszoekingen die alleen tot doel hadden af te schrikken en angst 
aan te jagen (56> . Elke vooraanstaande Vlaming werd verdacht gemaakt en in de 
patriottische en fransdolle pers aangevallen. Het voornaamste mikpunt was de leider 
van de katolieke Vlamingen, Frans Van Cauwelaert, van wie het gedrag tijdens de 
oorlog dan toch voor een onbevooroordeeld waarnemer boven elke verdenking zou 
hebeen moeten staan. Naast hem waren ook Franck en Poullet - om niet te spreken 
van 'de man van Stockholm', Cam. Huysmans - evenals vele anderen het voorwerp 
van dezelfde verdachtmakingen. Plaatselijk werd overal de jacht op de flaminganten 
ingezet. Pogingen werden gedaan om de partijen van Vlaamsgezinde elementen te 
zuiveren. Edmond Rubbens, die een schitterende loopbaan tegemoetging in de 
katolieke partij, diende zich voor 



(56) Vgl. BASSE, II, 14-37; WILLEMSEN, 75-83. In de Papieren Dr. Van de Perre, die berusten op 
het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (Antwerpen) vindt men een aantal 
klachten van personen die werden lastig gevallen naar aanleiding van de organizatie van 
Vlaamse vergaderingen. De heer Jo Van de Perre was zo vriendelijk ons de toelating te geven 
deze Papieren Van de Perre te raadplegen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



214 



een ereraad vrij te pleiten van de verdenking van aktivisme voor hij op de lijst van 
de kandidaten voor de Kamer kon worden voorgedragen. In Antwerpen moesten de 
Vlamingen zich met hand en tand inzetten om Dr. Van de Perre op de lijst te houden. 
In Brugge had Jul. Boedt zelf om een ereraad gevraagd in de liberale partij toen hem 
in 1922, in volle Kamer, verweten werd de openingsplechtigheid te hebben 
bijgewoond van de Vlaamse Universiteit tijdens de oorlog <57) . Elke Vlaamse aktie 
was verdacht. Te Gent, waar een dertigtal jonge mannen bijeengekomen waren om 
een Vlaamse Wacht te stichten (21 febr. 1919), overviel de Veiligheid van de Staat 
de vergadering en arresteerde alle aanwezigen. Zij bleven, helemaal willekeurig, 
maandenlang opgesloten in Merksplas <58> . Begin januari 1919 werd de soldaat 
oudstrijder H. Borginon gearresteerd omdat hij het woord voerde op een debatavond 
in Gent en er de idee van zelfbestuur verdedigde. Bij een eerste bijeenkomst van 
oud-strijders, passieven en aktivisten in februari 1919 in Antwerpen, werd de 
vergadering verklikt en de ex-gandavensis Frans Van Gelder ingerekend. In maart 
was het de beurt aan de provinciale sekretaris van het Vlaamse Front te Antwerpen 
die ervan beschuldigd werd aan het hoofd te staan van een geheime organizatie <59) . 
In mei 1919 schreef J. Destrée het in Le Soir. sedert zes maanden leven wij onder 
een onmenselijk stelsel van verklikking, verdachtmaking, willekeurige arrestaties 
en opsluitingen' 60 '. Aan Em. Vandervelde, minister van justitie, werd reeds in december 
1918 het woord in de mond gelegd: 'Wij beleven een tijdperk van bestialiteit'* 61 '. 

En toch brak, onverwoestbaar, overal vrij spoedig weer het 



(57) Zie de uitleg van Jul. Boedt over zijn aanwezigheid op de plechtigheid, basse, II, 34. 

(58) Ons Vaderland, 16 juni 1919. 

(59) J. VERMEULEN. Geschiedkundig overzicht van de werking van het Algemeen Vlaamsch 
Hoogstudentenverbond sinds zijn ontstaan 1919 tot de viering van het He Lustrum 1929. 
Leuven, 1929, 5; H. GRAVEZ. De Vlaamsche Frontbeweging, o.c; Ons Vaderland, 28 maart 
1919. 

(60) Aangehaald Ons Vaderland, 19 mei 1919. 

(61) BASSE, II, 35. Vgl. in Het Vlaamsche Land, 24 mei 1919, het artikel De Regeering en de 
Vlamingen over de ontreddering in Vlaanderen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



215 



Vlaamse leven door <62) . Wij zullen verder zien, hoe dit op het gebied van de eigenlijke 
politiek en van de partijvorming tot uiting kwam. Wij kunnen hier volstaan met de 
opmerking hoe wij, wanneer wij de dagbladen uit de tijd doorbladeren, getroffen 
worden door het groot aantal kortere of langere verslagen over Vlaamse Bonden die 
allerwege tot stand komen en waardoor men weer zoekt aan te knopen bij de 
vooroorlogse traditie van de Vlaamse Beweging. Tijdens de vier jaar bezetting was, 
buiten het aktivisme, het Vlaams verenigingsleven ongeveer volledig stil blijven 
staan. In de eerste maanden na de bevrijding kwam elke vergadering verdacht voor. 
Het zou maanden duren - ten minste tot na de opheffing van de staat van oorlog - 
vóór men weer min of meer rustig kon vergaderen. En toch priemde het leven door 
de harde grond, een logenstraffing voor al wie dit Vlaamse leven als een kunstmatige 
agitatie bestempelde. Wie het eerste jaar na de oorlog heeft beleefd denkt daarbij 
aanstonds terug aan de grote betekenis die Em. Hullebroeck met zijn liederavonden 
en Dr. Oscar De Gruyter met zijn Vlaamse Volkstoneel hebben gehad. 

In april 1919, nam in de Diligentiazaal te Den Haag, Emiel Hullebroeck afscheid 
van zijn vrienden in Nederland om, na meer dan vier jaar afwezigheid, naar 
Vlaanderen terug te keren. Enkele weken later reeds begon hij zijn rondreis met zijn 
liederavonden. Hij sprak om zijn liederen toe te lichten, speelde klavier, zong en 
deed de zaal bij gelegenheid mede zingen. Wij vinden hem reeds op donderdag 15 
mei 1919 in de Brasserie Flamande te Brussel. En van dan af gaat het voort, in steden 
en dorpen, zonder onderscheid van kleur of lokaal. De ene avond - zoals hijzelf vertelt 
- bij Camiel Huysmans die hem, na afloop van de liederavond, naar de deur bracht 
van Frans Van Cauwelaert, omdat hij 's anderendaags optrad in de Burgerskring. 
Nog dezelfde week kwam hij naar een afdeling van het Willemsfonds en op de 
volgende 



(62) Noodgedwongen vormen de dagbladen een zeer voorname bron in de dokumentatie van wie 
hedendaagse geschiedenis schrijft. Elk dagblad geeft meestal een eigen visie van de feiten. 
Bij een werk van algemene aard kan hiermede bezwaarlijk rekening gehouden worden door 
konfrontatie van de teksten. Wij beperken ons meestal tot het aanhalen van één blad, hetgeen 
niet uitsluit dat ook andere bladen hetzelfde feit brengen en soms wel uitvoeriger. Voor onze 
dokumentatie gebruikten wij hoofdzakelijk Ons Vaderland (voor de eerste jaren na de oorlog), 
De Standaard en De Schelde (Volk en Staat). Gebeurtenissen waarvoor geen speciale bron 
wordt aangeduid, gaan in onze dokumentatie meestal terug op de genoemde dagbladen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



216 



zondag was hij te gast bij Staf De Clercq in Kester <63> . In een lijst gepubliceerd op 30 
aug. 1919, vinden wij, voor de volgende maand september, veertien liederavonden 
aangekondigd. Hij zong en met zijn Blauwvoetlied, met zijn lied over de Vlaamse 
Hogeschool richtte hij de sedert maanden gekromde ruggen weer op <64) . Hij zong, 
een jaar lang, tot hij in augustus 1920 voor een toernee naar Zuid-Afrika vertrok om 
in januari 1921 opnieuw zijn werk in Vlaanderen voort te zetten. Al wat Vlaamsgezind 
was, al wie maandenlang in verdrukking of verkropte woede had geleefd, kwam naar 
deze liederavonden, soms een paar uren ver, om hem te horen, om zijn strijdzangen 
mede te zingen en opgemonterd, vol geestdrift en met nieuwe strijdlust, naar huis 
terug te keren. Men kan, voor het Vlaams ontwaken in deze maanden, moeilijk de 
waarde hiervan overschatten. 

Naast hem kwam weldra Osc. De Gruyter met zijn rondreizend volkstoneel' 65 '. Het 
fronttoneel waarvan hij de leiding had, werd op 10 mei 1919, zonder opgave van 
redenen, door de legeroverheid ontbonden. Terug in Vlaanderen besliste De Gruyter, 
mede onder impuls van Jef Goossenaerts, de man met de vele initiatieven, een nieuwe 
troep te vormen waarbij Staf Bruggen, die als krijgsgevangene in het kamp te 
Göttingen een toneelgroep had opgericht, de populairste akteur werd na De Gruyter 
zelf. Ook hier werd kunst van de bovenste plank in stad en dorp uitgedragen' 66 '. Pas 
volgend jaar, in augustus 1920, werd het Vlaamse Volkstoneel definitief opgericht. 
De Vlaamse werking van het Volkstoneel was minder rechtstreeks dan van de 
liederavonden van Hullebroeck, doch ook hier was, voor de Vlamingen uit de streek, 
een opvoering van het Volkstoneel telkens een enige 



(63) J. FLORQUIN. Ten huize van ... (1962), 256. 

(64) Getuigenis van M.E. Tralbout in het Hullebroeck-nummer van De Autotoerist, 24 maart 
1966. 

(65) th. de ronde. Het tooneel in Vlaanderen door de eeuwen heen (1930); C. GODELAINE. Het 
Vlaamsche Volkstooneel (1939); J. BOON in Dietsche Warande en Belfort, 1956; ANT. VAN 
DER PLAETSE. Herinneringen aan het Vlaamse Volkstoneel (1960); Dr. J.O. De Gruyter, 
1885-1929. Zijn levenswerk (1934). 

(66) Volgens L. SCHEPENS in Catalogus ... Stille Getuigen, o.c., 46 zou het Vlaamse Fronttoneel 
voor het eerst op 20 sept. 1919 opgetreden zijn te Maldegem onder de naam van Vlaamse 
Volkstoneel. In 't Getrouwe Maldeghem vindt men voor 21 sept. 1919 (overhandiging van 
het vaandel van v.o.s.) de aankondiging van een lieder- en toneelavond door de kunstkring 
't Daghet in den Oosten, met voordracht door frontsoldaat Staf Bruggen van Antwerpen. 
Mededeling van de heer Jozef Delille te Maldegem. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



217 



gelegenheid om zich weer verenigd, schouder aan schouder te voelen. Het viel wel 
voor dat het publiek aan de opgevoerde stukken een betekenis gaf waaraan de schrijver 
in de verste verte niet kon gedacht hebben. Dat was het geval met Dolle Hans van 
Jan Fabricius, met Staf Bruggen in de titelrol. Het stuk speelt in Indonesië en schildert 
de vernedering en de ondergang van de Nederlands opgevoede halfbloed, officier 
Hans, slachtoffer van de blinde rassenhaat van zijn majoor. Bij een opvering van het 
stuk voor de Vlaamse Oud-Strijders te Kortrijk, schreef de verslaggever van Ons 
Vaderland (26 jan. 1920): 'Dolle Hans is een Indische houthakker' en Michiel Van 
Vlaenderen weet ons te vertellen dat, bij een opvoering in Oostkamp, ook voor v.o.s., 
de toeschouwers het toneel opsprongen om de majoor de keel toe te nijpen. Dezelfde 
getuige beklemtoont sterk, dat het niet artistieke bekommering was, maar wel 
Vlaamsgezindheid, die de mensen in Vlaanderen naar de opvoeringen bracht van het 
Volkstoneel' 67 ', een getuigenis dat ik ten volle kan onderschrijven op grond van het 
milieu waarin ik toen leefde en waar de hoogstudenten, om Vlaamse motieven, de 
opvoeringen van het Volkstoneel organizeerden. 

Het Vlaams verenigingsleven zelf kwam maar moeilijk op dreef, maar uiteindelijk 
zal zich hier, sterker nog dan vóór de oorlog, een geestelijke zelfstandigheid aftekenen 
die zich, waar dit mogelijk was, losmaakt van het Belgisch verenigingsleven waarvan 
de leiding bijna steeds in onverschillige, zoniet vlaams vijandige handen lag. Dit 
mocht natuurlijk als vanzelfsprekend gelden voor de oudere verenigingen zoals het 
Willemsfonds en het Davidsfonds. Het Willemsfonds werd zwaar door de oorlog 
getroffen. De eerste algemene vergadering had pas op zondag 30 nov. 1919 plaats. 
Prof. Vercoullie werd er aangeduid om tijdelijk het voorzitterschap waar te nemen. 
Wat de vereniging in de eerste plaats geknakt had, was het betrekkelijk groot aantal 
Vlaamse vrijzinnigen die in het aktivisme gestaan hadden en waarbij meteen talrijke 
krachten voor het Willemsfonds na de oorlog wegvielen. Daarbij kwam, in vele 
Vlaamse liberale kringen, een opvallend gemis aan Vlaamse strijdvaardigheid aan 
de dag: de liberale partij was de grote vaandeldrager van het Belgisch patriottisme 
en deze toestand heeft zonder twijfel ook zijn weerslag gehad in liberale Vlaamse 
kringen. Wij zagen reeds 



(67) FLORQUIN, o.c, III, 63. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



218 



hoe Paul Fredericq in zijn rektorale rede in 1919, de vernederlandsing van de Gentse 
universiteit afschreef van zijn programma. Drukkend heeft vooral op het Willemsfonds 
de politieke onmacht van de Vlaamse liberalen in de partij gewogen, zoals wij verder 
de gelegenheid zullen krijgen om uiteen te zetten. Een rol van grote betekenis kon, 
als gevolg van dit alles, het Willemsfonds in de jaren 1920-1940 niet meer spelen. 

Anders was het gesteld met het Davidsfonds m Ook hier was de toestand in 1919 
nochtans zeer kritiek. Er bleven na de oorlog amper een paar duizend leden over, 
zodat men zelfs van bevriende zijde aan de voorzitter, Prof. Em. Vliebergh, de raad 
gaf alles op te doeken. De hoogleraar, lichamelijk haast volslagen lam maar geestelijk 
nog zeer strijdvaardig, wilde hier niet van weten. Hij zette hardnekkig door met, als 
algemeen sekretaris, Flor. Van der Mueren (1919-1923) en, na diens benoeming aan 
de universiteit te Gent, E. Amter. Het Davidsfonds zal er zeer vlug weer bovenop 
raken. In 1929 telde de vereniging bij de 55.000 leden. 

Op wetenschappelijk gebied leefden ook weldra de Vlaamse Wetenschappelijke 
Kongressen op. Einde 1919 (27-28 dec.) kon alleen nog maar het Vlaams Natuur- 
en Geneeskundig Kongres bijeenkomen. Op dit kongres riep Dr. Van de Perre enkele 
vooraanstaande Vlamingen bijeen om te onderzoeken hoe men de werkzaamheden 
van de vroegere Hogeschoolkommissie weer zou kunnen hervatten. Er werd beslist 
einde januari 1920 een bredere vergadering te beleggen en reeds op 9 januari 
verstuurde Dr. Van de Perre zijn uitnodigingen tot toetreding' 69 '. In december 1919 
hadden de overige kongressen verstek laten gaan. Dit was niet meer het geval in 
1920. Op 20-21 september vergaderden opnieuw de drie vooroorlogse kongressen 
in Gent: het me Vlaams Filologenkongres, het XlXe Vlaams Natuur- en Geneeskundig 
kongres en het Vllle voor rechtswetenschappen. Prof. Daels sprak er de openingsrede 
uit: een hulde aan de gesneuvelde jongens <70) . Indien de filologen maar langzaam op 
dreef ge- 



(68) Men kan de ontwikkeling van het Davidsfonds volgen in het Verslag over de Jaarvergadering 
dat regelmatig werd uitgegeven. Van het Willemsfonds verschenen geen verslagen tussen 
1914 en 1966. Vgl. echter de publikaties Ons 7 5-jarig Jubelfeest (1851-1926), uitgave nr. 
309 (jaar 1926), aan te vullen door Eeuwfeest van het Willemsfonds 1851-1951, Gent, 1951. 

(69) Papieren Borginon. De kommissie kwam tot stand maar zou pas einde 1921 akticf worden. 
basse, li, 161 en 165. 

(70) Tekst bij F. DAELS. Voor mijn volk, o.c, I, 57. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



219 



komen waren, dan was dit nog meer het geval met de letterkundigen. Pas op 13 maart 
1921 vergaderde, voor de eerste maal sedert 1914, in Antwerpen de Vereniging van 
Vlaamse letterkundigen. 

Van zeer grote betekenis voor de groei en de verspreiding van de Vlaamse gedachte 
waren de stichting van Vlaamse Oud-Strijdersbonden en de organizatie van jaarlijkse 
bedevaarten naar de graven van Vlaamse gesneuvelden' 71 '. Reeds tijdens de oorlog, 
in de kringen van de frontbeweging en ook daarbuiten, werd gedacht aan de oprichting 
van oud-strijdersbonden. Dat hing samen, zowel met de verwachting van de leiders 
der frontbeweging, dat de oud-strijders na de oorlog de leiding van de Vlaamse 
Beweging zouden nemen, als met de overweging, aan Belgischpatriottische zijde, 
dat men hier, voor de eerste maal in de geschiedenis van de staat, de 
gemeenschappelijke lotsbestemming van Walen en Vlamingen zou kunnen 
verheerlijken in de solidariteit van de strijd en van de overwinning. Reeds in januari 
1919, in de bovengenoemde brief van F. De Pillecyn aan J. Charpentier, schreef De 
Pillecyn dat de grootste bezorgdheid van het ogenblik naar zijn oordeel de oprichting 
was van oud-strijdersbonden met een degelijk orgaan en dat hij hoopte dit 'binnen 
een paar dagen' in handen te hebben. Wat hij met dit laatste bedoelde en wat hij 
verwachtte, is ons niet duidelijk. Wel weten wij dat v.o.s. reeds kort nadien gesticht 
werd door Ad. Debeuckelaere, H. Borginon en Dr. Jef Verduyn. Laatstgenoemde 
werd belast met de uitbouw van de organizatie, omdat Debeuckelaere en Borginon 
de politieke aktie op zich genomen hadden <72> . Reeds op zondag 6 april 1919 kon men 
in Ons Vaderland de tekst vinden van de voorlopige statuten van de 
Oud-Strijdersbonden. Twee zaken vallen hierbij op: ten eerste dat er in dit ontwerp 
van reglement niets te vinden is over een Vlaams programma dat verband zou 
gehouden hebben met de frontbeweging. Art. 3 van deze voorlopige statuten stelt 
ten doel voort te strijden voor de stoffelijke, politieke, sociale en ekonomische 
belangen van de oud-strijders en van de families van gesneuvelde makkers, de 
onderlinge ver- 



(71) Wij kregen tal van gegevens over v.o.s. van de heer Germ. Lefever, aan de hand van een 
bijna volledige kollektie van het weekblad van het Verbond. De brochure van B. degol. 
V.O.S. tot de jongeren. Referaat gehouden op het landelijke tongres 1964. Z.pl. z.j., niet 
gepagineerd, 32 blz. mag door de historicus verwaarloosd worden. 

(72) Mededeling Borginon. H.J.E. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



220 



broedering aan de IJzer ontstaan te behouden en te bevorderen en de nagedachtenis 
van de gesneuvelden in ere te houden. Ten tweede - en hier zien wij duidelijk de 
eigen geest van deze Vossenbonden (zoals ze weldra in de volksmond genoemd 
werden) tot uiting komen - de beslissing niet aan te sluiten bij de nationale federatie 
van de oud-strijders, om zelfstandig te blijven tegenover de regering. Men gaat nu 
vrij vlug over tot de uitbouw van de organizatie. Zo vinden wij de stichting van v.o.s. 
te Gent op 29 mei 1919, van de gouwbond te Antwerpen de 1ste juni (de sprekers 
waren J. Verduyn en Arm. Suis, laatstgenoemde een gewezen lid van de 
legervergadering); op 9 juni voor Brabant, met als sprekers Borginon en Staf De 
Clercq. Op 13 juni verschenen in Ons Vaderland de statuten van wat genoemd werd 
de 'Vlaamse Afdeling van de Nationale Oud-Strijdersbond' . Er bestond toen inderdaad 
ook een Waalse afdeling. Samen vormden ze de Nationale Oud-Strijdersbond, wat 
blijkbaar enige verwarring tot gevolg had met de bijna gelijknamige Belgische 
patriottische bond (Fédération Nationale des Anciens Combattants - Nationale 
Oud-Strijdersbond = F.N.C. / N.S.B.). Ook in deze standregelen werd het doel 
omschreven als volgt: 'de vriendschapsbanden te onderhouden tijdens de oorlog 
aangeknoopt, onderlingen bijstand in te richten, onze rechten en belangen te 
verdedigen als Vlaamse Oud-Strijder' <73) . In februari 1920 werd v.o.s. als vereniging 
zonder winstoogmerk opgericht. Deze Vlaamse oud-strijdersbonden groeiden overal 
in het Vlaamse land uit tot kernen van radikaal flamingantisme, maar het Verbond 
schijnt zich wel op de vlakte gehouden te hebben in dit opzicht, wat weldra tot kritiek 
aanleiding zal geven. Op een vergadering te Brussel (15 aug. 1920) van de 
bestuursleden van de Vossenbond, wierp een van de aanwezigen de vraag op of de 
tijd niet gekomen was om de Vossenorganizatie in Vlaamse richting te sturen, vermits 
v.o.s. toch demokratisch en Vlaamsgezind was. Een paar jaar later zal het vraagstuk 
tot een krisistoestand leiden met als gevolg een kordate Vlaamse koerswending. 

De organizatie van Vlaamse oud-strijdersbonden, in sterk antimilitaristische geest 
en volledig vreemd aan de patriottische opzet van de F.N.C./N.S.B. -bonden, moest en 
werd dan ook door al wie niet Vlaamsgezind was, opgevat als een vijandige daad van 
fla- 



(73) Op 1 aug. 1919 verschenen, samen, nrs. 1 en 2 van het weekblad van het Verbond. Het droeg 
de titel Nationaal Oud-Strijders-Verbond. De V.O.S. Tolk van den Vlaamschen 
Oud-Strijdersbond. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



221 



minganten. Nog erger zou dit aspekt van het nabeleven der IJzertragedie de geesten 
treffen, naarmate jaarlijks de bedevaart naar de begraafplaats van bekende of 
vooraanstaande figuren uit de Vlaamse aktie aan het front tot een steeds grootser en 
meteen ook verbitterder manifestatie werd. Het is zeer klein begonnen: te Steenkerke 
op 4-6 sept. 1920 met een hulde aan Joe English <74) . Het erekomitee was nog heel 
ruim opgevat: naast juffrouw M.E. Belpaire, Hugo Verriest, Floris Prims en Frans 
Van Cauwelaert treffen wij er Cyr. Verschaeve aan, Prof. Daels, Osc. De Gruyter, 
Jef Goossenaerts, Em. Hullebroeck, E.H. Paul Vandermeulen en Joris Van Severen. 
Op de vooravond van de plechtigheid hield Arth. De Groeve een voordracht. Op 
zondagmorgen volgde, na de mis, een bezoek aan het graf. Er was een korte toespraak 
door oud- aalmoezenier Karei Elebaers. In de namiddag werd te Veurne een 
kongresvergadering gehouden waarop o.a. Prof. Daels het woord voerde <75) en daarna 
de opvoering plaats had van Dolle Hans door de toneelgroep van de Leuvense 
studenten, 's Maandags bezochten de aanwezigen de graven van de IJzervlakte. Het 
was alles zeer sober en a.h.w. nog in besloten kring, voor enkele honderden 
deelnemers, meestal oud-strijders. 

Het volgende jaar (18 sept. 1921) zien wij de bedevaarders te Steenstrate, voor 
een hulde aan de legendarisch geworden gebroeders Edw. en Frans Van Raemdonck. 
Prof. Daels hield er een korte toespraak' 76 '. Reeds klinkt uit zijn mond het later zo 
scherpe 'Wij klagen aan...': het offer dat onze Vlaamse jongens brachten en dat werd 
uitgebuit tot hun eigen verdrukking. Wij klagen aan: de plechtige belofte van volledige 
gelijkheid in rechte en in feite werd niet gehouden... Het was een aanklacht op grond 
van de gebondenheid tussen de levenden en de doden. De toespraak was echter nog 
zeer kort en op geen stukken na zo heftig als zijn latere, grote redevoeringen. 

Uit dit klein begin groeiden de grote Ijzerbedevaarten die elk jaar een hoogtepunt 
betekenden in de Vlaamse solidariteit en strijdvaardigheid, ofschoon grote groepen 
van de bevolking o.a. de socialistische arbeiders zich ongeveer volledig afzijdig 
hielden. 



(74) Er bestaan, vanaf 1924 (vijfde Bedevaart), jaarlijkse, officiële verslagboeken over de 
Ijzerbedevaart. Achteraf werd een verslagboek uitgegeven voor de eerste vier bedevaarten, 
samen. Tal van publikaties werden, met betrekking tot de Ijzerbedevaarten en Vlaamse 
gesneuvelden, uitgegeven door het Uzerbedevaartkomitte. 

(75) Tekst bij F. daels, o.c, i, 54. 

(76) Ibid., I, 60-62. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



222 



Het werden hoe langer hoe meer - hoewel nooit officieel en uitgesproken - 
manifestaties van de radikale vleugel van de Vlaamse Beweging. Uit de eerste 
bezoeken aan de graven van de gesneuvelden groeide zeer vlug de ambitie om een 
eigen dodenmonument op te richten. Toen het hoog boven de vlakte van de IJzer 
oprees, kon men misschien nog wel zeggen dat Vlaanderen geen land, geen volk, 
geen staat was, maar hier had het toch bevestigd dat het zijn eigen doden had, die in 
het teken van het Alles voor Vlaanderen - Vlaanderen voor Kristus gevallen waren. 
Het offer van de IJzer kreeg, door het uitblijven van rechtsherstel, aldus een zuiver 
Vlaamse betekenis. Zo oordeelden wij erover in 1930 en wij vinden geen reden om 
op dit ogenblik de betekenis van de Ijzerbedevaarten anders te zien (77> . 

Wij stellen verder vast hoe, in de jaren 1919-1921, de eerste verenigingen weer 
tot stand komen op zuiver Vlaamse grondslag, een tendens die in de volgende jaren 
nog veel duidelijker aan het licht komt. Reeds in september 1920, ter gelegenheid 
van de wetenschappelijke kongressen, kwam een Vlaams Verbond voor leraars van 
het Middelbaar onderwijs tot stand. Het had, vanaf 1921, een eigen orgaan O.M.O. 
(= Ons Middelbaar Onderwijs). Het is levenskrachtig gebleken en speelde een rol 
van betekenis in de uitvoering van de vernederlandsing in het officieel middelbaar 
onderwijs. Op 27 maart 1921 kwam, een opvolger van de vooroorlogse bonden van 
het staatspersoneel, tot het leven het Verbond van het Vlaams Personeel der Openbare 
Besturen (V.V.P.O.B.) dat dadelijk over een eigen maandschrift beschikte. Het Verbond 
was bijzonder aktief in het opsporen en aanklagen van de wantoestanden in de 
openbare besturen en van de sabotage van de nieuwe taal wetten. Een geschiedenis 
van de taalwetgeving op de besturen en van de toepassing ervan is niet te schrijven 
zonder de dokumenstatie aangebracht door het Verbond. 

Een andere vereniging, geroepen tot een grote bloei, wordt in deze jaren reeds 
aangekondigd: de Vlaamse Toeristenbond. In Ons Vaderland van 29 juni 1919 
verscheen een oproep om de zaak aan te pakken. Er werd aan herinnerd dat juist vóór 
de oorlog een Vlaamse Toeristenbond op het punt stond van wal te steken en dat op 
1 aug. 1914 het eerste nummer van het orgaan ervan zou verschijnen. Deze eerste 
oproep is blijkbaar voorlopig zonder weerklank gebleven, maar de gedachte ging 
niet verloren. In het nummer van 4 juni 1921 van hetzelfde blad vinden wij een 
nieuwe 



(77) Vlaanderen door de Eeuwen heen, 2e uitg., I, 72. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



223 



oproep: alwie belang stelde in de oprichting van een V.T.B. werd verzocht zich in 
verbinding te stellen met een voorlopig komitee dat deze mogelijkheid aan het 
onderzoeken was. Deze oproep was ondertekend door Chr. De Does, Fr. Henderickx 
en Const. Leurs. Ditmaal was men blijkbaar de juiste weg ingeslagen en had men de 
geknipte mensen gevonden: op 29 jan. 1922 werd de Vlaamse Toeristenbond 
opgericht. Hij kende dadelijk een grote bijval, wat zeer begrijpelijk is voor wie de 
toestanden kent in de Touring Club de Belgique en de mentaliteit die daar heerste. 
Men was het nog niet vergeten in Vlaanderen dat, tijdens een boottocht van Oostende 
naar Antwerpen, ingericht door de Touring Club, het Comité de Politique Nationale 
de gelegenheid had gekregen te manifesteren boven de pas van de Wielingen, er 
annexionistische redevoeringen uit te spreken en Belgische vlaggetjes in het water 
te werpen, als symbolische inbezitneming (16 juli 1921)! 

Wij kunnen alleen maar de grote verenigingen vermelden die tevens levensvatbaar 
zijn gebleken. Daarnaast zou, voor elke stad en elk groter dorp, moeten kunnen 
nagegaan worden wat tot stand werd gebracht (zie in dit verband reeds de lijsten van 
de liederavonden en de Volkstoneelopvoeringen), ook in het kader van het partijwezen 
(wij bedoelen hier vooral de katolieke verenigingen) om een volledig beeld te kunnen 
schetsen van deze moeilijke maar toch taaie wederopbouw van het Vlaamse leven 
na 1918. Wij dienen daarbij alleen nog de aandacht te vestigen op het ontstaan van 
twee dagbladen die, veel sterker dan de traditionele pers, de klemtoon legden op de 
Vlaamse strijd en in de echte betekenis van het woord flamingantische d.w.z. strijdend 
Vlaamse dagbladen waren. Het eerste is De Standaard, reeds ontworpen vóór 1914. 
Het eerste nummer ervan verscheen op 4 dec. 1918 in Brussel, met een oplage van 
zesduizend eksemplaren <78) . Het hoofdartikel-manifest was geschreven door Frans 
Van Cauwelaert. Het blad zou 'katoliek, vaderlandslievend, Vlaamsgezind en 
demokraat' zijn. Op dat ogenblik geloofde Van Cauwelaert nog aan de mogelijkheid 
van een breed Vlaams front. Hij verklaarde daarom ook verder: 'De Vlaamse gedachte 
is het gemeenschappelijk bezit en belang van alle oprechte Vlamingen, en deze 
gemeenschap moet ook haar uitdrukking vinden in de organizatie van onze strijd. 
Het is een zaak van overleg onder alle vlaamsgezinden, zonder onderscheid van kleur 
en opinie, om deze eenheid een 



(78) M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c, 71, n. 108. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



224 



vaste onderbouw te geven'. De Standaard, eerst in de handen van Van Cauwelaert, 
later in die van Gust. Sap, heeft een overwegende rol gespeeld in de ontwikkeling 
van de Vlaamse Beweging en daardoor ook in de geschiedenis van de Belgische 
politiek tussen de twee wereldoorlogen. Het valt te betreuren dat, naar aanleiding 
van zijn vijftigjarig bestaan, dat machtig geworden dagbladenconcern niet de traditie 
gevolgd heeft van enkele andere grote ondernemingen door de publikatie van een 
degelijke historische studie over zijn ontstaan, groei en politiek... Naast De Standaard 
dient ook De Schelde vermeld. Na de oorlog verscheen in Antwerpen een lokaal, 
Vlaamsgezind dagblad Het Vaderland dat, om verwarring te vermijden met een 
gelijknamig vlaamshatend blad te Brussel met dezelfde titel, omgedoopt werd tot 
De Schelde (15 april 1919). Het was radikaal Vlaamsgezind, niet partijgebonden. 
Toen Ons Vaderland 'tolk van Het Vlaamse Front' een langzame dood begon te 
sterven, werd De Schelde de strijdbanier van de Antwerpse frontpartij en werd het 
blad aldus ook over Vlaanderen verspreid bij de Vlaamse nationalisten. Laten wij 
dit overzicht besluiten met te verwijzen naar een verschijnsel dat nog sterker dan 
vóór de oorlog, een stempel zal drukken op de Vlaamse strijd nl. het ontstaan in de 
grote en in tal van middelgrote steden van Vlaamse Huizen, vaak schijnbaar neutraal, 
in de grond meestal Vlaams-nationaal. Zo werd reeds op 7 sept. 1919 in Gent de 
S.V Uilenspiegel (in de volksmond kreeg het lokaal weldra de naam 'den Uil') 
gesticht. Onder de stichters treffen wij aan J. Van Severen, Osc. Dambre, Osc. De 
Gruyter, Jef Goossenaerts en Hil. Gravez. De eerste plechtige opening van de 
drankgelegenheid had plaats op 24 dec. 1919, die van de feestzaal op 11 juli 1920. 
Te Antwerpen was intussen Malpertuus gesticht (febr. 1920) en te Brugge Hulsterlo 
(8 mei 1920). Het voorbeeld zou op tal van andere plaatsen gevolgd worden. In 
Brussel bestond, op de Grote Markt, reeds van vóór de oorlog een Vlaams Huis. 

Terwijl het flamingantisme aldus op elk gebied weer levensrecht opeiste, ging ook 
de bron, waaruit zoveel radikalisme vóór de oorlog gegroeid was, opnieuw aan 't 
borrelen: de studentenbeweging. De hoogstudenten traden dadelijk uit hun lokale 
afzondering door een verbond te stichten op 'de grondslagen van godsvrede'. Dit 
was het Algemeen Vlaams Hoogstudentenverbond (a.h.v.h.). Tot 1926 heeft het 
geduurd vóór het A.V.H.V. zich uitdrukkelijk bekende tot het nationalisme, maar de 
geest 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



225 



was er van stonden aan. De lijst van de voorzitters in de eerste tien jaar spreekt voor 
zichzelf: Hil. Gravez, Alb. Pil, Fr. Strubbe, Andr. Devos, Jef Vermeulen, Ger. Iserbyt, 
P. Beeckman, Roger Soenen, Pol Van Houteghem en Geert De Rycker. Zij stonden 
allen bekend als nationalist en slechts één onder hen ging later over naar de katolieke 
partij. Het initiatief tot oprichting van het A.V.H.V. schijnt genomen te zijn in Gent, 
begin februari 1919, terwijl dan de stichting plaats had op 4 april' 79 '. Dit verbond was 
een overkoepelend organisme zonder specifieke eigen werking, zodat de zelfstandige 
afdelingen van de verschillende hogescholen de eigenlijke dragers gebleven zijn van 
het universitaire leven. Het Katoliek Vlaams Hoogstudentenverbond van Leuven 
(k.v.h.v.) trad hier ongetwijfeld het sterkst op de voorgrond. De eerste vergadering 
van 'het Verbond' te Leuven had plaats op 3 jan. 1919 en ook te Gent ging men 
dadelijk aan het werk. Begin april had te Leuven een vergadering plaats van het 
Verbond, waarop Hil. Gravez niet alleen de stichting aankondigde van het A.V.H.V. 
maar tevens verklaarde dat de exgandavenses als volwaardige leden in het Verbond 
werden opgenomen. Ook Borginon voerde het woord op deze vergadering en deed 
er de namen toejuichen van Jul. Persyn, L. Dosfel, Jef De Cock en Dr. A. Depla, alle 
vier hoogleraren getroffen door de repressie. Op 1 mei kwam ook aan de Universiteit 
in Brussel een Vlaams Hoogstudentenverbond tot stand. Het oude 't Zal wel gaan' 
te Gent volgde, eerder met lome voeten, de verdere ontwikkeling van dit Vlaams 
studentenleven. 

Zoals reeds gezegd, heeft het A.V.H.V. zelf geen eigenlijke werking gehad, maar 
het bestaan ervan was toch van belang, omdat het een officieel erkend orgaan was 
van de Vlaamse studentenwereld en dus ook de spreekbuis. Tekenend was in dit 
opzicht de positie door de studenten ingenomen tegenover enkele vraagstukken van 
de tijd: de amnestie, de vervlaamsing van Gent en de Grootnederlandse gedachte. In 
zake amnestie zagen wij reeds hoe in het A.V.H.V. de ex-gandavenses op gelijke voet 
werden gesteld met de studenten aan de andere universiteiten. Het is dan ook niet te 
verwonderen dat de studenten reeds zeer vroeg aan de aktie voor amnestie hebben 
deelgenomen. In een volgende paragraaf zullen wij de gelegenheid hebben hierop 
terug te komen. Wat het probleem Gent betreft, was van meet af aan te zien welke 
de houding van de studenten zou zijn: het was Gent of niets. Reeds 



(79) J. VERMEULEN. Geschiedkundig overzicht, o.c, voor wat voorafgaat. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



226 



in juli 1919 werd door het A.v.H.v. een motie goedgekeurd om de vernederlandsing 
te eisen, waarbij tevens verklaard werd dat de studenten elke andere oplossing en 
niet het minst de oprichting van een nieuwe Vlaamse hogeschool zouden bestrijden. 
Dit was de eerste aankondiging van de boycotaktie die in 1923 op touw gezet werd 
tegen de zgn. Nolf-universiteit. 

In Grootnederlands opzicht wilden de studenten, te midden van de anti-Nederlandse 
agitatie van het Comité de Politique Nationale, weerom aanknopen met de traditie 
van de vooroorlogse Grootnederlandse kongressen. Er werd beslist te Leuven, op 20 
maart 1920 en volgende dagen, een Grootnederlands studentenkongres te beleggen. 
Het was het, in de wereld van de studenten befaamd geworden, 'zolderkongres'. 
Onder druk van vlaams vijandige machten of uit vrees voor incidenten, werden al de 
daartoe geschikte zalen in Leuven aan de studenten geweigerd. Toen stak de Belgische 
Boerenbond een reddende hand uit en stelde de zolder van zijn groot pakhuis ter 
beschikking. Leuven kreeg, met zijn leger van gendarmes, het uitzicht van een bezette 
stad. Aan de Nederlandse studenten werd, aan de grens, de toegang tot het Belgisch 
grondgebied ontzegd. Slechts een handvol onder hen bereikten Leuven. Op de grote 
slotvergadering van het kongres voerden o.a. Cyr. Verschaeve, gevraagd als 
feestredenaar, het woord en Frans Van Cauwelaert die verklaarde naar Leuven 
gekomen te zijn om zijn solidariteit met de studenten te betuigen. De inrichters hadden 
Verschaeve verzocht om te spreken Over de toekomst van de Vlaamse Beweging. 
Dit onderwerp mocht niet behandeld worden omdat het 'uiteraard politiek zou zijn', 
zoals de spreker zelf mededeelde bij zijn improvizatie Over Kultuurgemeenschap m . 
Deze slotvergadering eindigde met o.a. de Brabanconne gespeeld door de Leuvense 
studentenfanfare. Die voorwaarde had de Boerenbond gesteld voor het 
terbeschikkingstellen van de zolder. Ik was, als eerstejaars, op deze vergadering 
aanwezig. Vele studenten bleven zitten tijdens de uitvoering van het nationaal lied. 
Mij is nochtans de herinnering bijgebleven dat de meerderheid opgestaan is. 
Vermoedelijk is het de laatste Brabanconne die door de Verbondsfanfare in de jaren 
tussen beide wereldoorlogen werd gespeeld. Dit Grootnederlands kongres knoopte 
weer aan met de oude traditie. In de volgende jaren werd deze hooggehouden, om 
de beurt in Vlaanderen en in 



(80) VERSCHAEVE. Verzameld Werk, VII, 160-178. Vgl. VANSINA. Verschaeve getuigt, o.c, 392-394. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



227 



Nederland (aldus in 1921 te Delft). Enige bestreving tot politieke hereniging van de 
Nederlanden was aan deze kongressen nog volkomen vreemd. 

De hoogstudentenwereld was in 1919-1921 een bonte mengeling van politieke 
kleuren en schakeringen. De hogescholen waren vier jaar gesloten en nu bevond zich 
daar het zeer gemengd publiek van verschillende generaties. Er waren in de eerste 
plaats, de oud-strijders die reeds een gedeelte van hun universitaire studies achter de 
rug hadden (bijv. onder de vooraanstaande figuren H. Borginon, Hil. Gravez, Alb. 
Pil, Frans Strubbe, Joris Van Severen en tal van anderen die in de frontbeweging 
gestaan hadden) en waarvan een gedeelte alleen nog maar naar de universiteit kwam 
om in ijltempo de laatste eksamens af te leggen, dank zij een bijzondere gunstregeling 
voor oud-strijders. Naast hen stonden ook ouderen, maar die in het bezet gebied 
gebleven waren en reeds twee of driejaar zaten te wachten op de opening van de 
universiteiten. De oudsten onder hen hadden nog een glimp gezien van de 
vooroorlogse jongstudentenbeweging. De jongsten, evenals de eerstejaars van januari 
1919, verloren tijdens de oorlog alle kontakt met de studentenbeweging of stonden, 
integendeel, reeds in de schaduw van het aktivisme. Een uitgesproken nationalistische 
stroming bestond er bijgevolg nog niet aan de universiteiten, al kunnen wij wel 
zeggen dat de radikale stroming toen reeds stilletjes aan de studentenwereld begon 
mee te sleuren. 

Wij staan hiermede aan de bron zelf: de flamingantische vorming van de scholieren 
of jongstudenten. Reeds dadelijk na de wapenstilstand werd hier door de ouderen 
'verzamelen' geblazen. In december 1918 riep Filip De Pillecyn, uit naam van het 
Algemeen Katoliek Vlaams Studentenverbond (A.K.V.S.) de jongstudenten op om 
de oude gildevaandels weer boven te halen. Tijdens de paasvakantie 1919 (Pasen 
viel op 20 april) verschenen opnieuw de oude, vooroorlogse studententijdschriften 
De Vlaamsche Vlagge en De Student. In Antwerpen hadden A.K.V.S. -groepen vanaf 
bewuste paasvakantie een eigen blad Storm dat later in handen van Ernest Van der 
Hallen overging die het omdoopte tot De Storm. Omstreeks dezelfde tijd hebben de 
eerste studentengouwdagen weer plaats. In West-Vlanderen, te Torhout, naar 
aanleiding van een Firmin Deprez -hulde, op woensdag 23 april. Spraken er o.a. Dr. 
Van de Perre, Ad. Debeuckelaere en Pater Callewaert. Vele jongstudenten kregen 
hier voor de eerste maal kontakt met de frontgeneratie. De volgende dag had in Oost- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



228 



Vlaanderen de gouwdag plaats, waarop scholieren, seminaristen en studenten elkaar 
vonden. Ook hier traden als sprekers op de oud-strijders Prof. Daels, Dr. Gravez en 
Frans Strubbe, allen nog in uniform. Edmond Rubbens werd er aangesteld als 
hoofdman voor de gouw. In de Kempen had een geslaagde gouwdag plaats te 
Herentals (25 april). Men hoorde er roepen 'Dosfel uit het gevang' ! Op 8 sept. hield 
het A.K.v.s. een landdag te Lokeren, geleid door hoofdman F. De Pillecyn. Op 21 
sept. vinden wij een gouwdag voor Brabant te Ruisbroek, met als sprekers Pater 
Callewaert, Staf De Clercq en houthakkers. Het A.K.v.s. groeide weer. Welke weg 
zou het opgaan? Op dat ogenblik is er nog geen breuk tussen het Vlaamse front en 
de groep Van Cauwelaert. Wij zullen verder de gelegenheid hebben, bij de ontleding 
van de politieke verhoudingen, vast te stellen dat deze, zichtbaar door het zelfstandig 
optreden van het Vlaamse Front bij de verkiezingen van november 1919, door velen 
nog niet als definitief werd beschouwd. Het bestuur van het A.K.V.S., vergaderde op 
4 maart 1920, besprak doel en richting van de studentenbeweging. Men trok er de 
lijn door van de oude traditie: het doel van de studentenbeweging werd er omschreven 
als de vorming van diepovertuigde Vlaamse werkers, als opvoeding door eigen kracht 
en eigen werk, waarbij de bonden zich niet uit te spreken hadden voor een politiek 
programma' 81 '. Op 22 aug. 1920 had te Mechelen een studentenkongres plaats in de 
lokalen van het St.-Romboutskollege. Het bestuur van het A.K.V.S. dat naar aanleiding 
hiervan vergaderde, besloot het tijdschrift De Blauwvoet als officieel orgaan aan te 
nemen. Een principieel artikel hierin legde de richtlijnen vast voor de beweging: de 
eenheid van de organizatie dient gevrijwaard op grondslag van breedheid van 
gedachten; neutraliteit op godsdienstig gebied is te verwerpen; al te grote bezorgdheid 
om maatschappelijke vraagstukken is niet de taak van de studentenjeugd en de 
Vlaamse aktie mag zich evenmin laten opslorpen door andere aktiviteiten die met 
een specifiek doel tot stand komen bij de jeugd, zoals bijv. de padvinderij' 82 '. 

Het was evenwel zichtbaar dat er voorlopig toch twee stromingen bestonden in 
de jongstudentenbeweging zoals dit vóór de oorlog reeds het geval was. Dit kwam 
ook nu weer, zoals toen, tot uiting 



(81) Ons Vaderland, 7 maart 1920; M. CORDEMANS. Dr. Aug. Laporta en De Student (1959), 601. 

(82) M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c, 97. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



229 



in de geest en in de inhoud van De Vlaamsche Vlagge en van De Student. In het 
eerste nummer van De Vlaamsche Vlagge (paasvakantie 1919) wijst Cyriel Verschaeve 
de richting aan. Zijn parool luidt: eendracht en zelfstandigheid. Passieven en 
Aktivisten dienen tot het verleden te behoren: 'handelden de aktivisten alleen uit 
liefde tot Vlaanderen, dan zijn zij daarom voor een Vlaming edel, dank- en 
liefdewaardig; willen, wie passief waren, eindelijk hun lijdzaamheid afleggen en nu 
aktief zijn, dan zijn ze eerlijk, bewijzen ze dat er geen lafheid in hun lijdzaamheid 
lag en zijn ze welkom in 't Vlaamse leger'. Voor allen is thans het doel: 'Vlaanderen 
vrij in 't vrije België. Zelfstandig Vlaanderen met zelfstandig Wallonië binnen een 
vrijer, beter, groter België! ' De Vlaamsche Vlagge, in de handen gebleven van 'de 
Swighenden Eede' <83) , zette verder haar Vlaams-nationalistische campagne door; 
'principieel weigeren wij aan alle niet- Vlamingen medezeggenschap in Vlaamse 
aangelegenheden. En dat princiep drukken wij uit met 't woordje zelfbestuur'. De 
Student was voorzichtiger. In het nummer dat verscheen in de zomervakantie van 
1920 (aug.-sept), stond een opzienbarend, ongetekend artikel Over Zelfbestuur. Het 
was geschreven door Th. Van Tichelen (Dr. Laporta was op 29 mei 1919 gestorven). 
De inhoud ervan was zeer genuanceerd, maar de konklusie ondubbelzinnig: De 
Student ziet geen verschil van principe, alleen van metode tussen de voor- en 
tegenstanders van zelfbestuur. Er is dus plaats voor beiden in de studentenbeweging. 
Hun taak is Vlaanderen kultureel en ekonomisch sterker maken. De schrijver 
waarschuwde echter tegen aansluiting bij het Vlaamse Front omdat het neutraal was: 
allen, zonder uitzondering dienen in de katholieke rangen te blijven. Geen katolieke 
student mocht aldus de katolieke werking verlaten, maar geen deur ook mocht voor 
hem gesloten worden, welke ook zijn Vlaamse opvatting was. Dit was voorzeker 
een zeer vrome wens, waar in de werkelijkheid de katolieke partij haar rangen dicht 
gesloten hield om elke infiltratie van de zelf -bestuursgedachte te voorkomen! 

Een vaste lijn was op dat ogenblik nog niet getrokken door het A.K.V.S. De strijd 
is echter ingezet rondom de katolieke Vlaamse studentenbeweging die wij zichtbaar 
zien evolueren in radikale richting. Toch was bij deze radikalen ongerustheid: Berten 
Pil, de zeer populaire en zeer gezagvolle voorzitter van het Verbond 



(83) Voor al wat De Vlaamsche Vlagge betreft, verwijzen wij naar Het Vlaggeboek (1926). 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



230 



te Leuven, vond het nodig in Ons Vaderland te waarschuwen (22 nov. 1920) tegen 
de geruchten die de ronde deden dat men zou pogen de hand te leggen op de 
studentenbeweging om het radikalisme af te remmen. Hij deed vooral een beroep op 
de hoogstudenten- fronters om de gedachte van zelfbestuur hoog te houden. Aan de 
andere kant ziet de oude Pol De Mont, hoofdredakteur geworden van De Schelde, 
met vertrouwen de toekomst tegemoet. Hij begroet met geestdrift de nieuwe 
studentenbeweging. 'Wij staan, zo schreef hij op 23 maart 1921 aan Dr. Van de Perre, 
aan den vooravond van de val van een versleten regiem in zake Vlaamse Beweging 
en van de opkomst van een geheel nieuw. De jeugd is eindelijk geworden, wat 
Rodenbach en ik in 1877-1880 reeds poogden haar te maken' (84) . 

Zware beproevingen staan echter deze studentenbeweging te wachten, die zich 
een paar jaren later officieel op het nationalistische standpunt stelt. In vele kringen 
blijft men wantrouwig, vijandig zelfs. Dat was het niet, wat de geestelijke overheid 
voor de jeugd wenste! In een voordracht (1 sept. 1921) voor de Nederlandse 
vakantieleergangen te Leuven over De opvoedkundige rol der Katholieke Vlaamsche 
studentenbeweging (ook separatim, 1922, 27 blz.) heeft Edmond Rubbens - om ze 
te weerleggen - al de argumenten samengevat die naar voren gebracht werden tegen 
de studentenbeweging: - aan de oorsprong ervan ligt een daad van opstand tegen de 
Overheid en deze rebellie wordt nog steeds verheerlijkt en blijft een bron van fierheid; 

- de beweging staat onafhankelijk van de Overheid en zelfs wantrouwig tegenover 
haar; - zij maakt van de studenten dwepers; - zij is in strijd met de diep kriste lijke 
vorming daar zij het ras- en stambewustzijn van de studenten voortdurend opjaagt; 

- ze heeft geen leiders die tegenover de Overheid verantwoordelijk zijn en de 
organizatie ervan ontsnapt stelselmatig aan alle kontrole; - ze is eenzijdig en rukt de 
studenten uit hun evenwicht om al hun aandacht op te vorderen voor de taalkwestie. 
Bij de samenvatting van deze argumentatie die zeer goed de mentaliteit weergeeft 
van de diepere motieven van de strijd tegen de studentenbeweging waarvoor de 
Katolieke Aktie een welgekomen voorwendsel zal zijn, dient voorlopig alleen 
opgemerkt, ten eerste, dat hier nog geen sprake is, rechtstreeks althans, van het 
'vaderlands' argument; ten tweede, dat Edmond Rubbens zelf, in de weerlegging 
van de aangevoerde argumenten, zeer duidelijk stelling neemt voor de zelfstandigheid 



(84) Papieren Van de Perre. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



231 



van de studentenbeweging: 'de studentenbeweging kan haar zelfstandigheid niet 
opgeven zonder haar eigen karakter en haar stuwkracht te verliezen'* 85 '. Intussen zijn 
er toch grieven genoeg tegen haar opgestapeld om aan te tonen dat de strijd van de 
geestelijke overheid tegen deze studentenbeweging niet onverwacht kwam en in de 
grond maar de voortzetting was van een vijandschap die teruggaat tot de tijd van 
Rodenbach zelf. 

In zijn pogingen om de jongstudenten van de katolieke onderwijsinrichtingen te 
groeperen om ze tot katolieke Vlaamsgezindheid op te voeden, stootte het A.K.v.s. 
daarbij op de konkurrentie van een nieuwe vorm van jeugdbeweging: de padvinderij 
(boyscouts). Deze was ontstaan in Engeland, waar zij opgericht werd in 1908 door 
lord Baden-Powell (Robert Stephenson Smyth). Ze groeide uit tot een 
wereldbeweging. Reeds in 1910 werden in Nederland de eerste katolieke 
padvindersgroepen gevormd. België volgde in 1913. Na de oorlog ging een nieuw 
initiatief uit van Gent met Aug. De Schrijver en als geestelijke animators Pater J. 
Jacobs S.J. en Fr. De Hovre <86> . De beweging liep in Vlaanderen maar moeilijk van 
stapel; er bleef jarenlang een reukje aanhangen van franskiljonisme, trouwens niet 
helemaal zonder reden. De Vlaamsche Vlagge had er aanstonds positie tegen gekozen. 
Op het bovengenoemde studentenkongres in Mechelen (22 aug. 1920) werd de 
diskussie over het vraagstuk ingeleid door E.H. Ant. Brijs. Men kwam er tot geen 
definitief besluit, daar men van oordeel was dat het vraagstuk niet rijp was. Een 
maand later kwam de padvinderij opnieuw ter sprake op het katoliek sociaal kongres 
te Hasselt (25-26 sept. 1920). Het probleem werd er ingeleid door E.H. Cuypers van 
St. Truiden. Intussen had het bestuur van het A.K.V.S. reeds een terechtwijzing 
gestuurd op het verslag van de landdag te Mechelen met als wachtwoord dat, indien 
de bonden machteloos stonden tegenover de padvinderij in hun rangen, zij moesten 
aansluiten bij de Vlaamse en niet bij die van Baden-Powell. 

Wij stellen inderdaad vast dat, in de kringen van het Vlaamse Front, een 
gelijkaardige tendens te vinden is voor de organizatie van een Vlaamse Padvinderij, 
waarvoor aanknopingspunten misschien reeds te vinden zijn vóór de oorlog en 
alleszins tijdens de oorlog. Begin augustus 1919 wordt, op een vergadering van het 



(85) Vgl. het opstel van EDM. RUBBENS in Onze Jeugd, 1920, 321 over de studentenbeweging. 

(86) M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c, 98. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



232 



Vlaamse Front in Antwerpen, een oproep gedaan voor het feest van de padvinders 
dat zou plaats hebben op 16 augustus. Op zondag 30 november 1919 werd, bij de 
grote manifestatie naar aanleiding van de verkiezing van vijf volksvertegenwoordigers 
van het Vlaamse Front, 's morgens de vlag van de Vlaamse Padvinders plechtig 
overhandigd. Begin juni 1920, naar aanleiding van een bezoek van de Vlaamse 
Padvinders van Antwerpen, wordt in Uilenspiegel te Gent een vergadering belegd 
om over te gaan tot de stichting aldaar van een eigen groep. De volgende dag wordt 
een groep gesticht te Brussel (13 juni). Op 31 oktober 1920 had een eerste Vlaams 
padvinderskongres plaats in Leuven. Er waren afgevaardigden uit Leuven, Brussel, 
Diest, Brugge en Antwerpen. Beslist werd een eenheidsorganizatie op te richten 
onder de benaming De Vlaamse Padvindersvereniging met als orgaan De Vlaamsche 
Padvinder. De vereniging werd gesticht op de grondslag van godsvrede en 
anti-militarisme; ze verklaarde buiten de politieke partijen te staan. Een grote toekomst 
heeft deze padvinderij niet gekend en zij heeft evenmin een rol van betekenis gespeeld 
in de vorming van een flamingantische jeugd. Hetzelfde kan trouwens gezegd worden 
van de Belgische Padvinderij, aangesloten bij de organisatie van Baden-Powell. Het 
Vlaamse vormingselement speelde er geen rol, ook niet nadat, vanaf 1 jan. 1930, de 
omvorming van de eenheidsorganizatie op federale grondslag werd doorgedreven 
en het Vlaams Verbond der Katolieke Scouts (V.V.K.S.) tot stand kwam. Toch zijn 
ook hier enkele flinke krachten gevormd, maar dat was pas het geval op het einde 
der jaren dertig toen, mede door de federalistische omvorming van de Belgische 
federatie, het V.V.K.S. ook aan doelbewuste Vlaamse vorming ging doen. 

Gelijklopend met de strijd van the A.K.V.S. was de Vlaamse aktie in het 
rijksonderwijs. Reeds in april 1919 vinden wij een oproep van de Van Maerlants 
zonen van het ateneum in Brugge, om de studentenbond Jong Vlaanderen weerom 
op te richten. Blijkbaar was de tijd hier nog niet rijp voor. Toch verscheen einde juni 
1919 opnieuw het tijdschrift De Goedendag dat verklaarde op het standpunt te staan 
van het Vlaamse Front. De recensent van Ons Vaderland (15 juli) was niet opgetogen 
over de inhoud ervan en vond het zeer zwak in vergelijking met de paasnummers 
van De Vlaamsche Vlagge en De Student. Weldra ging van het ateneum van 
Antwerpen het initiatief uit om opnieuw De Vlaamse Bond op te richten. Men vond 
het tijd de bestaande 'Carolus', vereniging die men beschouwde als een kind van de 
omstandigheden 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



233 



dat nu wel mocht insluimeren, op te doeken. Een eerste oproep tot aansluiting 
verscheen in Ons Vaderland van 11 mei 1920. Hij werd gevolgd, op 27 augustus, 
door een oproep van Karei Peeters voor de stichtingsvergadering op 2 september van 
een verbond Jong Vlaanderen voor de leerlingen uit het middelbaar en normaal 
onderwijs. Hij tekende deze oproep namens De Vlaamse Bond van het ateneum te 
Antwerpen. Met Kerstmis 1920 had het eerste kongres van Jong Vlaanderen plaats 
in die stad. De oproep hiertoe was ondertekend, uit naam van het hoofdbestuur, door 
Jan Timmermans. Karei Peeters en Jan Timmermans hebben beiden een belangrijke 
rol gespeeld in het Vlaams nationalisme. De geest van het Verbond was die van het 
jonge, nieuwe Vlaanderen uit de eerste jaren van het Vlaamse Front: internationaal, 
antimilitaristisch en Grootnederlands. Het vond de bijval van het tijdschrift Ter 
Waarheid van J. Van Severen dat De Goedendag het beste studentenorgaan vond 
dat ooit in Vlaanderen verscheen' 87 '. Het is waar dat, in ditzelfde nummer, Ter 
Waarheid aansloot bij het artikel van V. J. Brunclair in het Clarté-orgaan Opstanding 
'Weg met de blauwvoeterij ' en over de blauwvoeterij schreef dat deze haar dienst 
gedaan had en niets anders meer was als zielloze en onvruchtbare romantiek... 

Wij besluiten dit overzicht van de jeugdbeweging in Vlaanderen met een bescheiden 
eresaluut aan de katolieke Vlaamse meisjesbeweging. Ze heeft zeer hoge 
verwachtingen gewekt en veel entoesiasme bij de toenmalige studenten. Men geloofde 
aan de belijdenis van het lied der Vlaamse meisjes, waarvan de tekst geschreven 
werd door Wies Moens: 'wij hebben zo lang vergeten, maar keren tot Vlaanderen 
weerom'. Willem Meyboom (= Flor. Couteele) schreef in ragfijn proza zijn 
Laats laapstertje (einde 1919) om de wederopstanding van de meisjesbeweging te 
begroeten. Deze was pas vóór de oorlog ontstaan' 88 '. Tijdens de oorlog viel elke 
werking van de bonden stil, met uitzondering misschien van Klimop te Antwerpen. 
Zoals voor de studentenbonden van het 



(87) Ter Waarheid, I, 162. 

(88) Vgl. elias, iv, 351; A. dosfel-tysmans. Dekatholieke Vlaamsche Meisjesbeweging (1924); 
M. BRUGHMANS. De katholieke Vlaamse Meisjesbeweging (1920); E. RUBBENS. Een modern 
sprookje. Dekatholieke Vlaamsche Meisjesbeweging (1922). Voorde geschiedenis van deze 
meisjesbeweging kunnen wij verder verzenden naar het tijdschrift Gudrun, XXV (1953), nrs. 
3-4-5, waarin verschillende opstellen hierover verschenen, alsmede naar twee korte opstellen 
van LUTG. DOSFEL, ibid., XXXII, nrs. 2 en 3 : Beknopte geschiedenis van de meisjesbeweging. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



234 



A.K.V.S. gebeurde, werd ook hier voor de paasvakantie 1919 tot verzameling 
opgeroepen. Wij lezen, in Ons Vaderland van 15 april 1919, een oproep van Maria 
Laporta uit Lier, voorzitster van de Landsbond, om opnieuw de Landsbond en de 
gouwbonden op te richten. Er werd daartoe inderdaad tijdens deze vakantie besloten. 
In de zomervakantie die hierop volgde, op 11 aug. 1919, werd de eerste landdag 
gehouden te Gent. Wij zien er als spreker optreden Pater Callewaert, Mia Cappuyns, 
Maria Brughmans, Hil. Gravez en als grote feestredenaar Cyr. Verschaeve <89) . Op de 
openingsvergadering was uit naam van het bestuur verklaard, dat de meisjes Vlaamse 
nationalisten waren en dat voor hen dit nationalisme verbonden was met hun 
rooms-katoliek geloof. Korte tijd daarna verscheen het eerste nummer van het orgaan 
van de beweging, het tijdschrift Gudrun. Men kan er de verdere groei en ontwikkeling 
van de meisjesbeweging in volgen. Het is niet overrompelend geworden, wat ook 
goed te begrijpen valt indien wij rekening houden met de toestand van volledige 
verfransing in de kostscholen voor meisjes en met de geest van het onderwijzend 
personeel aldaar, de verfranste - of kortom Franse - kloosterzusters: in 1927 telde 
men, voor geheel het Vlaamse land, slechts zeven katolieke Vlaamse 
opvoedingsinrichtingen voor meisjes. In Oost-Vlaanderen, Brabant en Limburg was 
er geen enkel te vinden; in de provincie Antwerpen waren er twee, in West- Vlaanderen 
daarentegen vijf 90 '. Toch telde de landsbond in 1921 honderdtien aangesloten bonden 
met hun vijfduizend leden en zouden op de landdag te Brugge (augustus 1921) 
tweeduizend meisjes aanwezig geweest zijn (91> . Er kwam daarna blijkbaar een 
inzinking. Toen Jeanne De Bruyn in 1926, voor het zevende kongres van de Katolieke 
Vlaamse Landsbond de inventaris opmaakte van de katolieke Vlaamse 
meisjesbeweging, stelde zij vast dat men, in de eerste maanden van de nieuwe werking 
een grote bloei had gekend, maar dat de aktie daarna verflauwd was. De sympatie 
voor de beweging was niet meer zo algemeen. De werking van de Landsbond werd 
in dit verslag omschreven als een taak van zelfontwikkeling. Men wilde de meisjes 
opvoeden in godsdienst en zedenleer, in sociale aktie, in opvoedkunde en 
karaktervorming, in schoonheidsleer. De meisjes stonden ook 



(89) Vgl. VERSCHAEVE. Verzameld Werk, VII, 150. 

(90) Volgens gegevens van Mevrouw Dosfel, in Jong Diets chland, 5 aug. 1927. 

(91) Volgens M. BRUGHMANS in het verzamelwerk Dr. L. Reypens. Persoon en gedachte (1965), 
10. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



235 



vooraan in de aktie voor amnestie. De Landsbond bleef buiten alle partijpolitiek maar 
volgde - volgens zijn standregels - 'in zijn leiding de evoluerende Vlaamse 
gedachte' (92) . 

In Jong Dietschland (5 aug. 1927) verscheen over de 'Landsbond voor katolieke 
vrouw en meisjes', van de hand van Mevrouw Ang. Dosfel-Tysmans, een artikel dat 
vrij juist de geest weergeeft van de beweging. Wij kunnen haar betoog als volgt 
samenvatten. De aktie van de Landsbond is eerder een innerlijke dan een 
propagandistisch optreden naar buiten. Wat wij willen is de meisjes Vlaams maken. 
Wie zich aanmeldt als lid is wel Vlaamsgezind, maar niet Vlaams, dit als gevolg van 
de verfransing van de kostscholen. Vele bonden waren tot hiertoe (1927) eerder 
studiekringen waarin aan opvoeding van het Vlaams bewustzijn weinig of geen tijd 
besteed werd. De Landsbond heeft dan ook vorig jaar de hierna volgende besluiten 
genomen: 1 in alle bonden dient systematisch de geschiedenis van de Vlaamse 
Beweging bestudeerd; 2 op elke vergadering moet door de meisjes zelf gesproken 
worden over de gebeurtenissen op Vlaams gebied; 3 de leden zullen Vlaamse liederen 
aanleren en samen zingen. De meisjesbeweging beoogt speciaal ' Vlaamse moeders 
vormen'. Men verwijt ons soms - gaat de schrijfster verder - dat wij aan politiek 
doen. Wij staan erbuiten maar ons gezond verstand zegt ons dat, om volledig Vlaams 
te worden, ons volk ook politieke zelfstandigheid nodig heeft. Men verwijt ons ook, 
dat wij buiten de sociale aktie staan. Die werkt echter in de breedte, niet in de diepte. 
Wij daarentegen arbeiden voor de toekomst' 93 '. Hoofdzaak is voor ons aan ons volk 
zijn stambewustzijn weer te schenken. Toen mevrouw Dosfel dit artikel schreef was 
het bestuur van de Landsbond in handen van mevrouw Dosfel-Tysmans (voorzitster), 
mevrouw Nora Devroe-Puype (schrijfster) en mevrouw Gravez-Haegens 
ondervoorzitster. Zij waren alle drie uitgesproken Vlaamse nationalisten. 



(92) Zevende Congres van de Katholieke Vlaamsche Landsbond. Antwerpen, 4-6 juli 1926. 
Volledig verslag, 65-75. Mevrouw Dosfel, over deze voorstelling van zaken door ons 
bevraagd, kon zich niet akkoord verklaren met de opmerking dat de aktie van de Landsbond 
verflauwd was. Zij schrijft de onmiskenbare achteruitgang toe enerzijds aan de werking van 
andere organizaties waardoor de Vlaamse meisjes aangetrokken werden (vooral in de sociale 
sektor), anderzijds aan de steeds duidelijker geformuleerde nationalistische positie van de 
Landsbond, die als gevolg had dat de Belgicistische elementen wegvielen en de organizatie 
door de geestelijke overheid feller werd bekampt. 

(93) Vgl. in hetzelfde Jong Dietschland, 19 aug., de kritiek van Prof. Fr. Fransen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



236 



De Vlaamse meisjesbeweging was bijgevolg een vorming, in kleine kring, van een 
zeer beperkte groep. De grote verdienste ervan is geweest, dat zij bewuste Vlaamse 
vrouwen heeft gevormd die, als Vlaamse moeders, ervoor gezorgd hebben dat in 
menig gezin eindelijk een Vlaamse atmosfeer ontstond waarin de vrouw niet meer, 
zoals maar al te vaak vroeger gebeurde, de flamingantische student terugvoerde naar 
het peil van de pantoffelheld die door zijn vrouw de verfransing van zijn eigen 
huiskring moest beleven. Daarom, zoals bij de aanvang: ons eresaluut! 

Naast de Landsbond ontstonden, in het milieu van het Vlaamse Front, kort na de 
oorlog op verschillende plaatsen nationalistische Roza De Guchtenaerekringen voor 
vrouwen en meisjes. Zij kenden geen grote verspreiding en zijn spoedig ten onder 
gegaan. Een eigen karakter had in Antwerpen de Vereniging voor Vrouw enbelangen, 
waarvan de stichtingsvergadering werd voorgezeten door juffrouw Mertens. Het was 
een feministische beweging om de rechten van de vrouw te verdedigen en ze valt als 
dusdanig buiten het kader van onze studie, al was het Vlaamse Front er vlug bij om, 
met het oog op de aanstaande verkiezingen, aan de vereniging te vragen een 
feministisch programma op te stellen waarmede het Vlaamse Front wilde rekening 
houden bij het ontwerpen van zijn eigen programma' 94 '. 

Dat, bij dit ontwakend Vlaams leven, er opnieuw met de traditie van de Vlaamse 
optochten en meetings van vóór de oorlog werd aangeknoopt, zal wel niemand 
verwonderen. Er was geen andere weg dan de grondwettelijke en de Vlaamse 
Beweging bezat nog genoeg strijdbaarheid om de noodzakelijkheid te voelen van 
bijeenkomsten, vaak rumoerig en zonder een andere zichtbare weerslag dan een 
korter of langer verslag in de sympatizerende kranten. Wij kunnen, bij deze agitatie, 
zonder meer een drietal bomaanslagen voorbijgaan die in Gent en in Leuven in de 
loop van het jaar 1919 plaats hadden. Er waren geen slachtoffers, ze veroorzaakten 
niet veel schade en ze vormden ook geen onderdeel van een terroristische agitatie of 
organizatie. Ze waren het werk van enkele frontsoldaten die nog in de atmosfeer 
leefden van de pas verlaten loopgraven. Dat de flaminganten, soms in 
bondgenootschap met de socialisten, erin geslaagd zijn verschillende meetings van 
het Comité de Politique Nationale te beletten of overhoop te zetten, hebben wij reeds 
aangestipt. Zodra de front- 



(94) Ons Vaderland, 25 aug. 1919. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



237 



soldaten gedemobiliseerd waren, zetten zij een aktie voort die zij, nog in uniform, 
begonnen waren: zowat overal traden zij als sprekers op bij de studenten, begonnen 
zij hun streek te bewerken door volksvergaderingen te organizeren. Een scherpe lijn 
tussen 'nationalisten' en 'belgicisten' was in Vlaanderen nog niet te trekken. Wij 
vinden, 18 mei 1919, op een volksvergadering in Oetingen in het Pajottenland, als 
spreker de oud-strijders Staf De Clercq en Frans Van Nijvel, naast Fons Sevens die 
als burger terugkwam uit gevangenschap in Duitsland en pas na zijn getuigenis in 
het proces Borms onmogelijk zal worden in de Vlaamse rangen. Wij beleven in juni 
1919 de organizatie te Pamel van een Vlaamse hoogdag, waarop o.a. Dr. Van de 
Perre, Frans Van Cauwelaert, Dr. Gust. Borginon en Staf De Clercq het woord 
voerden. Het zijn maar een paar voorbeelden uit een algemene aktie. Ter gelegenheid 
van de 1 1de juli 1919 worden in tal van steden en dorpen guldensporenherdenkingen 
ingericht, ook te Brussel. Kenschetsend is dat het meestal kunstavonden waren. In 
de hoofdstad stond deze onder leiding van Em. Hullebroeck. Te Aalst echter spraken 
in open lucht, op de grote markt, o.a. Jul. Hoste jr., Ad. Debeuckelaere en Staf De 
Clercq. Te Antwerpen had een optocht plaats die geopend werd door soldaten in 
uniform en te paard: het maakte een sterke indruk op de tijdgenoten. Vlaanderen zelf 
stelde dit alles meestal in het teken van de koninklijke oproep van 1914: 'Vlamingen, 
gedenkt den Slag der Guldensporen! ' 

Dit zijn alle plaatselijke manifestaties. De eerste werkelijk landelijke betoging 
waren, voor zover wij konden nagaan, de Rodenbachfeesten te Roeselare, op 13-14 
sept. 1919, naar aanleiding van de terugkeer van Rodenbachs standbeeld dat tijdens 
de oorlog, om veiligheidsredenen, verwijderd was en naar Gent overgebracht. Op 
de vooravond zong Hullebroeck en sprak Verschaeve, scherp en bitter. Op de 
studentenvergadering, zondagmorgens, spraken Frans Van Cauwelaert en H. Borginon, 
de eerste veel heftiger dan de tweede. Zij werden beiden hartstochtelijk toegejuicht, 
's Middags had een optocht plaats en werden de betogers toegesproken door Pater 
Callewaert, Dr. Van de Perre, Ferd. Rodenbach, Osc. De Gruyter, A. Hans en Ward 
Hermans. Dat alles gebeurde op de vooravond van de verkiezingen: het stond reeds 
vast, dat het Vlaamse Front als zelfstandige partij in enkele arrondissementen zou 
opkomen. Bij de opening van het nieuwe parlementair jaar (1919-1920) werd de 
strijd scherper, zowel in onderlinge tegenstelling als tegen het aanvallend 
franskiljonisme. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



238 



Jarenlang bleef bij de Brusselse flaminganten de herinnering naleven aan de 
franskiljonse meeting in het Beursgebouw, op 5 juni 1920, die door de Vlamingen 
werd uiteengeslagen. Veertien dagen later poogden zij dit te herhalen, op een meeting 
in de zaal Patria, maar ditmaal waren de bebloede koppen aan Vlaamse zijde. Diepe 
beroering verwekte in Vlaanderen enkele dagen later het bericht dat Pater Callewaert 
door zijn oversten 'verbannen' was naar Ierland. Pas een jaar later kwam hij terug. 

De elfde-juli feesten van 1920 werden tragisch door hun bloedig verloop te 
Antwerpen' 95 '. Burgemeester Jan De Vos had alle optochten in de stad verboden. Zijn 
collega van het aangrenzende Borgerhout gaf toestemming voor een openluchtmeeting 
die aldaar plaats had vóór het gemeentehuis en waar Jul. Hoste de menigte toesprak. 
Na de afloop hiervan zakte een deel van de betogers af naar Antwerpen. Op de Grote 
Markt gaf schepen Strauss - die de afwezige burgemeester verving - aan de politie 
bevel de manifestanten uiteen te drijven. Zij boden weerstand. Een politieagent trok 
zijn revolver en vuurde. De negentienjarige student Herman Van den Reeck werd 
dodelijk getroffen. Hij overleed twee dagen later in het ziekenhuis. Op 17 juli had 
zijn begrafenis plaats. Er was te Antwerpen een zee van volk, samengestroomd uit 
alle hoeken van Vlaanderen. Alle partij geschillen waren weggevallen. De hoeken 
van het baarkleed werden opgehouden door Ad. Debeuckelaere, Staf De Clercq, Van 
Opdenbosch, Boud. Maes, Herman Van Puymbrouck, Alb. Pil, naast Cam. Huysmans, 
Dr. Van de Perre, Julius Hoste en Anna Mortelmans. Fr. Van Cauwelaert en H. 
Borginon waren afwezig; zij waren als advokaten weerhouden op het Hof van Assisen 
waar dezelfde dag L. Dosfel werd veroordeeld. Bij het open graf werden lijkreden 
gehouden door Herman Van Puymbrouck, C. Huysmans, Dr. Van de Perre, Anna 
Mortelmans, Alb. Pil, de jonge Frans Daeseleire uit naam van de katolieke studenten, 
de jonge Jan Timmermans uit naam van de vrijzinnige studenten. Heel Vlaanderen 
was hier verenigd voor een laatste hulde aan de eerste flamingant die tijdens een 
betoging viel voor zijn Vlaams ideaal. Zijn nagedachtenis werd verheerlijkt door de 
jonge dichters P. Van Ostayen, Marnix Gijsen en Wies Moens. Het Vlaamse Front, 
waarvan Herman Van den Reeck lid was, schonk zijn naam aan de volksuniversiteit 
die kort daarna werd geopend. 



(95) Voor wat volgt J. VAN NEERVOORD. Rond de Guldensporenviering te Antwerpen in 1920. 
(Op de omslag Ter nagedachtenis van wijlen Herman Van den Reeck) z.j. (1920). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



239 



Het beeld van het Vlaamse ontwaken dat wij in de voorgaande bladzijden hebben 
geschetst, zou zeer onvolledig zijn, indien wij hier niet tevens de aandacht vestigden 
op de nieuwe geest die dit Vlaamse leven in menig opzicht bezielde. Er waren 
ongetwijfeld - en wij verwijzen hier naar het vierde deel van onze Geschiedenis van 
de Vlaamse gedachte - vele aanknopingspunten te vinden met de beweging van vóór 
de oorlog. In menig geval moest alleen maar de afgebroken draad weer opgeraapt 
worden. Vrij dikwijls is dit echter geschied in een nieuwe geest die zich niet beperkte 
tot het Vlaams radikalisme dat uitgroeide tot Vlaams-nationalisme, ook bij wie in 
de oude partijen bleven staan of er, na een kort asiel in het Vlaamse Front, naar 
terugkeerden. 

Wij hebben erop gewezen hoe een aantal talentvolle jongeren in het aktivisme 
stonden of ten minste aan de zelfkant van deze revolte. Zij kwamen nu, samen met 
de jongere IJzergeneratie, aan het woord. Zij brachten, met hun Vlaamsgezindheid, 
ook een nieuwe geest en een nieuwe boodschap. Het was, om de terminologie van 
de tijd te gebruiken 'een drang naar menselijkheid, broederschap, gerechtigheid en 
wereldvrede' (%) . Vlaanderen was arm aan geestelijke krachten die hun eigen taal 
voldoende beheersten: de nieuwe geest kwam dan ook bijna alleen tot uiting op het 
gebied van de letteren en de schone kunsten' 97 '. Hier kreeg men de indruk van een 
werkelijke hernieuwing. Op literair gebied: Paul Van Ostayen (reeds tijdens de oorlog 
Music-Hall - 1916; Het Sienjaal - 1918); Wies Moens (De Boodschap - 1920; 
Celbrieven - 1921); Achilles Mussche (zijn verzen werden pas later gebundeld in 
De Twee Vaderlanden - 1927); Marnix Gijsen (= J.A. Goris) met een ophefmakende 
Loflitanie van den heiligen Franciscus van Assisi - 1920, waarin hij vroeg hem een 
vaderland te schenken om te beminnen. Dit waren de meest vooraanstaande figuren 
uit een jongere generatie die, naast de oudere Van Nu en Straksers en naast Felix 
Timmermans, de aktivist, op slag beroemd door zijn Pallieter (1916), meteen haar 
nieuwe houding tegenover het leven bepaalde, ook tegenover de Vlaamse strijd. Is 
het niet kenschetsend dat de vier genoemde jongeren ook medewerkers waren aan 
Ons Vaderland, het blad van het Vlaamse Front? De meest talentvolle en kritische 
geest onder hen, Marnix Gijsen, zou dan ook de grootste onder de Van Nu en 
Straksers, Karei Van de Woestijne, 



(96) Aldus Ach. Mussche bij florquin, o.c, II, 100. 

(97) Zie verder voor het geestesleven, V. LEEMANS. Geestesleven in Vlaanderen na de eerste 
wereldoorlog in Album Prof. Fern. Van Goethem (1964), 607-614. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



240 



scherp aanvallen. Hij stelde de estetische dichters aan de kaak zoals Jan Van Nijlen, 
Aug. Van Cauwelaert, Firmin Van Hecke, Maur. Roelants, Rich. Minne, Karei 
Leroux, e.a. die de moed niet hadden 'om in het barre flamingantische leven te staan' 
maar door taalaristokratie of artistieke verwantschap gedreven, langzaam om Karei 
Van de Woestijne heen gingen staan, die zo het symbool werd 'van al wat afzijdig 
stond aan het diepste wezen van zijn volk' <<,8) . In dezelfde geest rekende Flor. Couteele 
af met het kultuurflamingantisme in het tijdschrift Vlaamsche Arbeid, 1 92 1 . Het was 
een opstel dat hij, jong aktivist, reeds in het najaar van 1918 geschreven had' 99 '. Het 
maakte diepe indruk op vele jongeren, ook op mij. De Antwerpse jongeren van deze 
groep vonden een paar jaren hun orgaan in het tijdschrift Ruimte (1920), een reaktie 
tegen het huiselijk karakter van de literatuur en het ultra-individualisme. De strekking 
was breed humanitair en anti-oorlog <100) . De inleiding tot het eerste nummer werd 
geschreven, in de gevangenis, door Herman Vos. Het was een aanval tegen de vorige 
generatie: 'een vorig geslacht - zo luidde het - zag in Vlaanderen de redding van de 
eigen kuituur in een individueel zich vol uitleven van alle gezonde krachten... 
tegenover een dieper sociologisch inzicht heeft die individualistisch-anarchistische 
gedachte geen stand kunnen houden'. In januari 1921 verscheen in Gent het tijdschrift 
Ter Waarheid waarvan de redaktie oorspronkelijk berustte bij J. Van Severen en 
Ach. Mussche. Het verdedigde kordaat de frontpartij op politiek gebied en wilde 
verder een beeld brengen van het nieuwe Europa door boekbesprekingen, kronieken 
en de publikatie van brede fragmenten in hun oorspronkelijke tekst (Frans, Duits, 
Engels). Aanvankelijk was het radikaal Vlaams, demokratisch en nationalistisch. Na 
een paar jaren zal het, door de eerste metamorfoze in het politieke denken van Van 
Severen, van karakter veranderen, zodat er ook een breuk ontstond met Ach. Mussche 
die tevens het Vlaamse Front de rug toekeerde om weldra over te gaan naar de 
socialistische partij. Ter Waarheid is in 1924 gevallen, nadat het volledig van karakter 
en strekking veranderd was. Een derde avant-garde tijdschrift was Het Overzicht 
(1921) onder leiding van Fern. 



(98) M. GYSEN. Karei Van de Woestijne (1920), 26. Zie ook zijn opstel De ontwikkelingsgang der 
jongste letteren, in Vlaamsche Arbeid, juni-juli 1920. 

(99) Opgenomen in het Dagboek van een arrivist, z.j. ( 1 93 1 ). 

(100) M. Gysen bij florquin, o.c., II, 81 . Vgl. verder F. van passel. Het tijdschrift Ruimte 
(1920-1921) als brandpunt van het humanitair expressionisme (1958). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



241 



Berckelaers (die later uitweek naar Parijs en er bekendheid verwierf onder de naam 
van Michel Seuphor) en Geert Pijnenburg' 101 '. Ook dit begon met een manifest in 
radikaal Vlaamse overtuiging: 'wij staan in ons Vlaams-zijn met een breed-voelend 
en sterk denkend nationalisme: het zelf-zijn van ons volk in Groot-Nederland ligt op 
de rechte weg naar internationalisme'. 

In de eerste twee of driejaar na de oorlog stelt men bij vele jongere Vlamingen 
een sterke invloed vast van de Clarté-groep, waarvan Henri Barbusse, de beroemd 
geworden schrijver van de schrijnende oorlogsaanklacht Ze Few (1917) de geestelijke 
leider was geworden. De groep werd genaamd naar zijn boek Clarté (1919) en had 
een diepe invloed in Vlaanderen, ofschoon het hier tot geen vaste organisatie gekomen 
is. Ons Vaderland (22 febr. 1920) publiceerde een manifest van de Vlaamse 
Clarté-groep waarin opgeroepen werd tot solidariteit met de Russische kommunisten 
en tot aansluiting bij de derde internationale, terwijl men anderzijds voor Vlaanderen 
het recht op zelfbeschikking opeiste. Reeds drie maanden later echter werd, door de 
ex-gandavensis, Richard Declerck, bourgeois-aanhanger van de richting Clarté, in 
dit zelfde blad (22 mei 1920) de beweging heel wat kritischer bekeken. Hij stelde 
vast, dat de Clartébeweging van H. Barbusse, G. Duhamel en Rom. Rolland, ook 
genaamd 'de internationale der Gedachte' in menig intellektueel frontersmilieu ingang 
gevonden had. De Clartégroep bevorderde een sterk internationalistisch en 
anti-chauvinistisch denken. Toch waren de meeste fronters afzijdig gebleven van de 
Vlaamse Clartégroepen. De oorzaak hiervan was te zoeken in het feit dat deze groepen 
zich vereenzelvigd hadden met het kommunisme en met de nog embryonale 
kommunistische partij. Een voorbeeld hiervan: het blad van de kommunisten was 
het orgaan van de Clartégroepen geworden. Een dergelijke identifikatie lag niet in 
de bedoeling van de stichters van de beweging. 

Tot zover de kritiek van Rich. Declerck. De stempel van de Clarté-beweging die 
toen op zijn eigen denken gedrukt werd, heeft hem 'links' doen staan in het Vlaamse 
Front en uiteindelijk (1931) - samen met verscheidene anderen - doen overstappen 
naar de socialistische partij. Het orgaan van de Vlaamse Clartégroepen was het 
weekblad Opstanding, terwijl de jongeren reeds 



(101) M. Seuphor beschreef de Vlaamse atmosfeer te Antwerpen rond 1920 in zijn roman Les 
évasions d'Olivier Trickmansholm. Vgl. hierover P. DE VREE in De Tafelronde, dec. 1958. 
Volgens picard, li, 285. Vgl. ook florquin, o.c, iv. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



242 



hun eigen tribune gevonden hadden in Staatsgevaarlijk. Toen de korrespondent van 
Ons Vaderland (8 sept. 1919) het manifest van deze laatste publikatie besprak, met 
een oproep om aan te sluiten bij de 'Geestesinternationale', wist hij blijkbaar nog 
niets af van het bestaan van deze groepen. 

De tijd van het individualisme scheen in 1919 voorbij. Men was 
radikaal-vlaamsgezind (over nationalisme werd nog niet zo veel gesproken), tegen 
de oorlog en het patriottisch-Belgisch paradevertoon, solidair met de opkomende 
vierde stand, sterk demokratisch en internationalistisch. De vooroorlogse generatie 
van de Boomgaard-mensen, die de band tussen de Vlaamse Beweging en de Vlaamse 
letterkunde hadden willen verbreken, deed een vergeefse poging tot voortzetting van 
deze beweging, met het tijdschrift Het Roode Zeil. Zij gaven er zich vlug rekenschap 
van, dat de tijd van de gedetacheerde houding tegenover het leven en de mensen niet 
meer mogelijk was na 1918 zoals in de tijd van De Boomgaard 102 *. Dat het oude niet 
volledig uitgestorven was, zal wel voor iedereen duidelijk zijn, maar toch doen in 
deze tijd de ouderen met Diets che Warande en Belfort en De Vlaams che Gids zeer 
oubollig aan. Alleen Vlaamsche Arbeid deed, onder Jozef Muls, een poging om zich 
aan de nieuwe tijd aan te passen 003 '. 

Dit overzicht van de nieuwe literaire stromingen in het teken van de tijd, mag ons 
niet over het hoofd doen zien, dat er toch ook in kringen, die van natuur uit meer 
konservatief mogen geacht worden, een nieuwe wind waaide. Wij vestigen in dit 
verband de aandacht op het tijdschrift Onze Jeugd { 1920) uitgegeven door de Vlaamse 
Dominikanen en waarin uitgesproken nationalistische leiders zoals L. Dosfel, Cyr. 
Verschaeve, Od. Spruytte, Pater Callewaert, Wies Moens, Victor Leemans e.a. aan 
het woord komen (104) en op het Vlaamsen Opvoedkundig Tijdschrift van Alb. De 
Coene en Fr. De Hovre dat reeds vanaf oktober 1 9 1 9 zijn baanbrekend en vernieuwend 
werk kon inzetten. Van belang 



(102) André De Ridder bij FLORQUIN, o.c, II, 137. Zie ook de aanval van KAREL VAN DEN OEVER 
in zijn opstel Na vijfjaren in Vlaamsche Arbeid, april-mei 1920. 

(103) Zie inhet eerste nummer (nov.-dec. 19 19) het opstel van JOZEF MULS. AanNieuw Vlaanderen. 

(104) Van de vele opstellen in Onze Jeugd tekenen wij aan: OD. SPRUYTTE. Christelijke beginselen 
en methode in de studie van het nationalisme (1922, blz. 449); ID., Christelijke beginselen 
en nationalisme (mei 1923); V. LEEMANS. De politieke groepen onder de Duitsche jeugd 
(1924, blz. 275); W. MOENS. De gedachtenwereld van de Vlaamsche jongeren (1924, blz. 
301). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



243 



is het ook nog, hier te wijzen op de oprichting van het weekblad Het Vlaamsche Land 
(Pasen 1919) dat, eerst zonder grote weerklank" 05 ', een gezaghebbend orgaan werd 
toen Thomas Van der Schelden (= L. Dosfel) er de Vrije Tribune in handen kreeg 
en alles wat in Vlaanderen gebeurde of geschreven werd, begon af te wegen, en te 
toetsen aan zijn katolieke en vlaams-nationale principes 006 '. 

De historicus van beroep mag hier evenmin voorbijgaan aan het begin van 
hernieuwing in het historisch beeld van de Nederlandse volksgemeenschap, waarvan 
in de jaren 1919-1921 de eerste sporen zichtbaar zijn en dat later zeer sterk zijn 
stempel zal drukken op het Vlaamse geestesleven. Wij bedoelen hier het eerste 
kontakt van Vlaanderen met het werk van Prof. P. Geyl. Reeds op 10 maart 1920 
werd, in een korrespondentie uit Nederland, in Ons Vaderland de aandacht gevestigd 
op drie lezingen die Pieter Geyl in Londen gehouden had en op wat hij daar, bij het 
slot van zijn derde konferentie, zegde over de Vlaamse Beweging. Deze lezingen 
(Holland and Belgium) worden weldra gepubliceerd en een uitvoerige bespreking 
ervan verscheen in bewust dagblad, op 5 dec. 1920. Toen in 1921 een Nederlandse 
vertaling ervan in Vlaanderen van de pers kwam, werd er op 3 1 december opnieuw 
in dat orgaan uitvoerig de aandacht op gevestigd. Intussen was P. Geyl op het vierde 
Filologenkongres in Mechelen (6-7 aug. 1921) reeds opgetreden met een lezing over 
De Nederlandse historici en de scheuring der Nederlanden op het einde der 16e 
eeuw. Hiermede begon zich in de historische wereld van Vlaanderen een ander beeld 
van onze geschiedenis af te lijnen dat de verhouding België-Nederland in het verleden, 
ging zien in een volledig verschillend perspektief van dat van Huizinga - Colenbrander 
en van Pirenne. 

Het zou ons niet moeilijk vallen, naast dit geestes- en literaire leven, de brede waaier 
open te vouwen van het artistieke waarvan de nieuwe vormen en scheppingen de 
trots werden van de jonge generatie en soms aanleiding gaven tot heftige diskussies 
die 



(105) Eerste nr. op zaterdag 19 april 1919. Het blad stond eerst sterk onder de invloed van Fr. Van 
Cauwelaert en Dr. Van de Perre. Begin 1922 begon de medewerking van Dosfel die zijn 
stempel op het blad drukte, al verschenen zijn artikelen onder de 'Vrije Tribuun'. 

(106) Voor een diepere studie verwijzen wij, als eerste oriëntering, naar de bibliografische studies 
van Rob. Roemans. Zie ook R. ROEMANS. De literairhistorische bedrijvigheid in Vlaanderen 
na den oorlog (1938). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



244 



weerklank vonden over de grenzen heen van ons taalgebied. Men denke hier bijv. 
aan de Kruisweg van Alb. Servaes (1919), de houtsneden van Fr. Masereel en de 
schilderijen van C. Permeke. Het zijn slechts drie namen uit een schitterende falanks 
van onbetwist grote kunstenaars, waarnaast wij zonder moeite nog een dozijn anderen 
zouden kunnen zetten. Het verband echter tussen dit artistieke leven en de strijd van 
de Vlaamse Beweging is, door de aard zelf van de uitdrukkingsmiddelen, zo moeilijk 
vast te leggen dat wij deze artistieke opbloei hier alleen maar kunnen vermelden als 
blijk van een Vlaamse levenskracht die men aan alle kanten trachtte onder de domper 
te houden waar het ging om het woord (de taal) en de gedachte (de Vlaamse strijd). 

9. De eerste aanloop van de beweging voor amnestie 

Een eigen plaats in de Vlaamse agitatie werd weldra ingenomen door een steeds 
sterker aanzwellende amnestiecampagne voor de veroordeelde aktivisten <107) . Ze dient 
gezien als een van de symptomen van een nieuwe Vlaamse strijdvaardigheid en van 
de groeiende macht van de Vlaamse gedachte. Tussen het proces van Robert De 
Waele (23 jan. 1919) en dat van Pater Stracke (22 mei 1922) ligt een tijdspanne die 
van grote betekenis was voor de houding van menig flamingant tegenover de 
aktivisten. Verschillende omstandigheden hebben hiertoe bijgedragen. Zonder twijfel 
in grote mate de manier waarop de processen tegen de aktivisten werden gevoerd en 
de wijze waarop enkele vooraanstaanden onder hen zich daarbij hebben verdedigd. 
Meer als één onder hen trad op als openbare aanklager tegen de wantoestanden in 
de staat, tegen de politiek van de Belgische regeringen die zij verantwoordelijk stelden 
voor hun eigen aktivistisch verweer. Terwijl de dagbladen een te kort verslag of een 
eenzijdige voorstelling van de processen zouden kunnen geven hebben, zorgden de 
veroordeelden of hun vrienden dadelijk voor een uitgave van het proces of van de 
zelfverdediging van de veroordeelden. Er was de fiere zelfverdediging van Roza De 
Guchtenaere. Zij verklaarde vooraf dat zij niet in beroep zou gaan tegen het vonnis 
van de krijgsraad en noemde haar rechters 'onwettig, kwaadwillig en onkundig'. 
Verder krijgen wij het opzienbarend proces Borms, dat een aanklacht werd tegen het 
onrecht door de Belgische staat Vlaanderen aangedaan en waar de voorzitter vergeefse 



(107) Nuttige overzichten bij Een Witboek van het Vlaamsche idealisme (1921) en A. JONCKX. 
Belgica juris contemptrix (1932). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



245 



pogingen deed om vooraanstaande getuigen zoals Pater Callewaert, aalmoezenier 
Jan Bernaerts en Cyr. Verschaeve te bewegen zich tegen Borms uit te spreken. In de 
loop van dit proces deed Verschaeve zijn bekende uitspraak over het verraad dat hij 
omschreef als het verkopen van een hogere liefde voor lagere doeleinden, een definitie 
die met geen mogelijkheden toe te passen viel op de beklaagde. Dosfel, die voorzeker 
de politiek van Borms niet goedkeurde, schreef over dit proces dat Borms schoner 
uit het geding kwam dan hij erin ging <108) . Er was het proces van Dosfel zelf, door 
heel het katolieke Vlaanderen met spanning gevolgd, met een indrukwekkend défilé 
van getuigen die hun grote achting en waardering voor de beklaagde kwamen 
uitspreken. Er was op dat proces het opzienbarende getuigenis van generaal Drubbel 
- later gelogenstraft door de getuige als een verkeerde interpretatie van zijn woorden 
door de verslaggevers - maar dat door de korrespondent van Ons Vaderland werd 
weergegeven als een opzettelijk in het vuur sturen, bij het laatste offensief, van de 
regimenten die door het opstandig flamingantisme het meest waren aangetast, zodat 
de oneer werd uitgewist in het bloed <109> . Er was het proces van de jonge Anna 
Mortelmans die een scherpe aanklacht voordroeg tegen de aktivistenvervolging. Er 
was, nog in mei 1922, het proces tegen Pater Stracke dat ook weer diep het katolieke 
Vlaanderen beroerde' 1 10) . 

Naast de processen troffen de menselijke tragedies de verbeelding. Jan Hainaut 
pleegde, na de dood van zijn vrouw, zelfmoord in de gevangenis (1 febr. 1920); de 
alom geachte Marten Rudelsheim stierf in de gevangenis (10 sept. 1920). Zijn 
begrafenis groeide uit tot een manifestatie van eerherstel. Er was, voor al de jongeren, 
de lijdensweg van de jeugdige dichter Wies Moens, waarvan de Celbrieven een zeer 
diepe indruk nalieten. 

Het aktivisme heeft zich niet in stilte laten kapot maken. Het kreeg zijn gelegenheid 
tot verweer omdat de eerste wereldoorlog 



(108) ARTH. DE BRUYNE. Lod. Dosfel, o.c, 325. 

(109) Ons Vaderland, 9 juli 1920. Vgl. arth. de bruyne, o.c., 338. H. Borginon, die in het proces 
pleitte voor Dosfel, deelde ons persoonlijk mede dat het getuigenis van generaal Drubbel op 
het ogenblik niet de vreselijke indruk maakte van een opzettelijk in het vuur zenden van 
half-muitende troepen. Het was een konstatatie, met de zelfvoldoening van de militair die 
verder fier mag zijn op zijn troepen... 

(110) M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c., 92-93, over het artikel van deze laatste 'mDe Standaard, 
28 mei 1922. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



246 



machtsimperialismen tegenover elkaar stelde en geen konflikt was van tegengestelde 
wereldopvattingen, al hebben de geallieerden wel beproefd ook in deze richting hun 
propaganda kracht bij te zetten. Het kreeg de gelegenheid zich te verdedigen 
aangezien, na de oorlog, zowel de passieven als de aanhangers van de frontbeweging 
die het extremistisch aktivisme veroordeelden, diep ontgoocheld werden door de 
wijze waarop de belofte van gelijkheid in rechte en in feite door de nieuwe 
machthebbers werd opgevat. Zegde Van Cauwelaert niet, op het kongres van de 
Katolieke Vlaamse Landsbond in 1 928, toen hij er aangevallen werd door Prof. Daels 
en zijn aanhangers: 'de beloften, welke aan de Vlamingen werden gedaan, werden 
ook niet gehouden tegenover mij' (111) ? Het aktivisme stond, anderzijds, tijdens de 
oorlog niet alleen met zijn kerngedachte van de Vlaamse zelfstandigheid. Dat was 
ook de opvatting geweest van de leiders van de frontbeweging die na 1918 deze idee 
hebben verder gedragen en hierdoor - langzamerhand, zoals wij ertoe de gelegenheid 
zullen krijgen verder uiteen te zetten - gedreven werden naar een toenadering tot de 
aktivisten. Het aktivisme vond uiteindelijk, ofschoon misschien in de eerste plaats, 
zijn gelegenheid tot verweer in de schromelijke onrechtvaardigheden van een repressie 
die maar al te vaak de schijn kreeg van een anti- Vlaamse reaktie en dit feitelijk in 
grote mate ook was. 

Het baart geen verwondering dat, onder deze omstandigheden, zeer vroeg en hoe 
langer hoe luider, reeds in de eerste jaren na de oorlog een beweging voor amnestie 
kon ontstaan. In zijn Troonrede (22 nov. 1919) had de Koning verklaard dat amnestie 
niet denkbaar was 'voor de drijverijen van hen, die op het pijnlijk uur dat de toekomst 
van het land in gevaar was, tot doel hadden het helemaal ten val te brengen' . In haar 
antwoord, verklaarde de Kamer zich akkoord met deze opvatting, uit naam van 's 
lands eer en van de publieke moraliteit. Het Vlaamse land zou deze weigering niet 
aanvaarden. Het zou nog wel een tijdje duren voor de kreet 'amnestie' weerklonk 
bij iedere Vlaamse betoging, maar er was toch reeds vanaf de eerste dagen protest 
tegen de manier van optreden bij de aktivistenvervolging. Reeds in de eerste dagen 
dat het verscheen, protesteerde het nieuwe katolieke dagblad De Standaard, orgaan 
van het tweespan Van Cauwelaert- Van de Perre, niet tegen de vervolging van de 
aktivisten, maar tegen de wijze waarop de repressie werd gevoerd. Men diende - 



(111) Volledig Verslag, 59. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



247 



pleitte het blad - voorzichtig te zijn om geen personen lastig te vallen die onschuldig 
waren en er moest ook gelijk recht bestaan, zonder onderscheid van taal of ras. Voor 
de rijksambtenaren en -bedienden vroeg het blad de samenstelling van ereraden 
waarin ten minste één persoon zou zetelen die op de hoogte was van de Vlaamse 
Beweging 0 12) . Te Brussel, waar een Vlaamse Studiekring bestond onder voorzitterschap 
van Aug. Vermeylen richtte deze kring een vertoogschrift tot de eerste minister om 
te waarschuwen tegen het onrecht dat Vlaamsgezinde personen, vooral ambtenaren, 
aangedaan werd onder voorwendsel van aktivisme. Als gevolg van het optreden van 
deze studiekring kwam in februari 1919 een verweerkomitee tot stand om de 
verdediging van deze personen op zich te nemen. Op een meeting in Antwerpen 
verklaarde K. Huysmans dat, als men de aktivisten achter slot en grendel zette, dit 
dan ook diende te gebeuren met anderen (113) . Dit waren geen verdedigingen van het 
aktivisme, maar toch aanklachten tegen het systeem van repressie die zouden leiden 
tot de veroordeling van dit laatste. Filip De Pillecyn ging reeds een stap verder. In 
december 1918 ondertekende hij, namens het A.K.V.S., een oproep tot de jongstudenten 
om de oude gildevaandels weer boven te halen en zich eendrachtig te scharen om 
het A.K.V.S. Hij verklaarde niet de stroming te willen verdedigen die het lot van 
Vlaanderen wilde koppelen aan de macht van Duitsland, maar reikte toch de hand 
'aan de studenten die gedurende de oorlog hadden geijverd naar de lijnen van ons 
programma'* 114 '. Ons Vaderland, het orgaan van de frontsoldaten, protesteerde in 
januari 1919 tegen het voornemen om de exgandavenses uit te sluiten van verdere 
studies aan de rijksuniversiteiten. Hartversterkend was voor vele aktivisten de 
brochure van Const. Eeckels Gerechtigheid! Gerechtigheid! (2de druk, Brussel, 32 
blz.). De tekst ervan is gedateerd 11 febr. 1919, maar de brochure is blijkbaar nog 
een tijdje blijven liggen voor ze werd uitgegeven. Het is geen pleidooi voor amnestie, 
maar wel een eis tot onderscheid bij de beoordeling van de aktivisten en een werkelijke 
verdediging en verheerlijking van Dosfel. Merkwaardig zijn de bladzijden waarin 
hij de psychologie beschrijft van een deel van de aktivisten. De toorn van de 
vlaamsgezinden - aldus zijn betoog - werd ontstoken door het verbreken van de gods- 



(112) De Standaard, 7 dec. 1918. 

(113) basse, li, 39-40. Voor Cam. Huysmans, De Standaard, 25 dec. 1918. 

(114) ARTH. DE BRUYNE, O.C., 283. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



248 



vrede door de fransgezinde Belgische pers. Zij zagen geen uitkomst. Zij zagen onze 
regering zichtbaar afhankelijk worden van de Verbondenen, vooral van Frankrijk. 
Zij zagen hun hardnekkigste bevechters als hoogste ambtenaren bij de ministeries. 
Zij zagen dat de regering zich uitbreidde met beslist vijandige personen. Gramschap 
zonder uitzicht groeit licht tot wanhoop. Sommigen geloofden, dat nu het uur geslagen 
was. Hun streven was niet tegen de regering gericht, hun doel was niet het land te 
verkavelen, maar de regering bij haar terugkeer in een onverdeeld land voor voldongen 
feiten te stellen. Zij geloofden dat Duitsland, volgens iedereen militair niet te verslaan, 
in eigen belang dit verworvene zou doen bekrachtigen. Zij zijn zelfs later tot het 
uiterste gebleven, om het veld niet vrij te laten voor de extremisten. 

Naast de reeds vermelde manier waarop enkele aktivisten zich verdedigden op 
hun proces, werden reeds van hun kant aanklachten geschreven tegen de 
onrechtvaardigheden in de vervolging tegen hen op touw gezet. Zo krijgen wij, in 
april 1919, onder schuilnaam Démophile, de publikatie van een reeks open brieven 
aan de Koning: Lettres d'un patriote d sa Majesté le roi Albert (Brussel, gedat. april 
1919, 52 blz.). Het was daarenboven een pleidooi voor de unionisten in het aktivisme, 
waarbij gewezen werd op het verschil in hun eigen houding en die van de Polen en 
de Tsjechen die heel wat radikaler geweest waren in hun politiek. 

Op het buitengewoon kongres van de socialistische leraren en onderwijzers van 
20-21 april 1919 werden wel in principe de tuchtmaatregelen tegen de leden van het 
onderwijzend personeel aanvaard, maar werd tevens toch geprotesteerd tegen het 
willekeurig optreden van de besturen. De veroordeling van Roza De Guchtenaere 
was voor Boudewijn Maes (tijdens de oorlog uitgesproken anti-aktivistisch en die 
ook moeilijkheden had met de Duitsers), de gelegenheid om een geestdriftig artikel 
te schrijven in Ons Vaderland, over deze vrouw, 'een edel Vlaams figuur'. Op het 
kongres van de Belgische socialisten (april 1919) werd door Jacquemotte, de 
aanvoerder van de linkse vleugel, een motie voorgedragen voor amnestie voor alle 
politieke gevangenen, burgers en soldaten. J. Destrée steunde deze motie, doch onder 
voorbehoud dat de 'verraders' zouden uitgesloten blijven. Met deze restriktie werd 
ze aangenomen 015 *. Const. Eeckels, diep gegriefd door al wat hij rond zich zag 
gebeuren, luchtte (3 mei 



(115) Ons Vaderland, 1 mei 1919. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



249 



1919) zijn hart in een brief aan juffrouw Belpaire: 'Beschaving! Recht! Menselijkheid! 
Nieuw België!... Om kasseien op te breken, en achter barrikaden te vechten en te 
vallen, maar dan ten minste toch vrij, met een teug vrije lucht in de doorboorde 
longen' <116> . Kort na het Borms-proces, beweerde Le Bien Public (Gent) op de 
Rodenbachfeesten te Roeselare, na de redevoeringen van Van Cauwelaert en Van 
de Perre, te hebben horen roepen 'Leve Borms' <117) ! 

Intussen werd de jeugd bewerkt. De Gentse hoogstudenten kwamen in februari 
1919 bijeen, samengeroepen door het Katoliek Vlaams Hoogstudentenverbond 
(k.v.h.v.) om te besluiten tot de oprichting van een A.v.H.v. Ter vervanging van de 
afwezige voorzitter H. Gravez werd de vergadering voorgezeten door een 
ex-gandavensis. In de geest van de oproep van Philip De Pillecyn van december 
1918, nam in maart 1919, de katolieke Oostvlaamse gouwbond van het A.K.V.S. het 
besluit dat de ex-gandavenses dienden opgenomen te worden in de gilden en dat de 
gilden die dit weigerden zouden uitgesloten worden. De Leuvense gouwbond trof 
een gelijkaardige beslissing 018 '. Op de stichtingsvergadering van het A.V.H.V. in 
Leuven (15 apri. 1919) verklaarde de voorzitter Gravez dat ook de ex-gandavenses 
in het Verbond werden opgenomen. Toen De Vlaamsche Vlagge opnieuw verscheen 
(Pasen 1919) zagen wij Cyr. Verschaeve erin schrijven over aktivisten en passieven, 
alsof laatstgenoemden misschien wel het meest verdacht waren. In De Student 
(kerstnummer 1920) schreef Ph. De Pillecyn een artikel over amnestie waarin de 
repressie bestempeld werd als 'de weerwraak van deze staat, schuldig aan kronisch 
misdrijf tegen de Vlaamse volksziel' 019 '. Begin 1920 richt Alb. Pil, voorzitter van 
het K.V.H.V. te Leuven, een brief aan de Paus om Z.H. te vragen tussenbeide te komen 
ten einde de uitsluiting van de ex-gandavenses uit de universiteit te Leuven ongedaan 
te maken 020 '. 

Het is niet gemakkelijk uit te maken hoe diep de weerslag van dit alles was op de 
openbare mening. Toch valt het op dat in juli 1920 Dosfel aan een vriend kon 
schrijven, dat zelfs makke Davids- 



(116) J. PERSYN. De wording van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort, o.c., 439. 

(117) th. heyse. Le procés de l'activisme, 29. 

(118) De Vlaamsche Hoogeschool te Gent... Verweerschrift... Hou ende Trou, o.c, 34-35. 

(119) M. CORDEMANS. Dr. Aug. Laporta, o.c, 604. 

(120) E.E. BALDUCK. Berten Pil, o.c, 119. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



250 



fondsafdelingen moties goedkeurden voor amnestie 021 '. Intussen hadden de Vlaamse 
'gebroodroofden' zich in een Kring Recht voor Allen verenigd' 122 '. Zij zullen, in de 
volgende jaren, bij de openbare opinie het onrecht aanklagen hun aangedaan en 
onafgebroken blijven ijveren voor bestuurlijke amnestie. Op 22 juli 1 920 richtten zij 
een brief aan de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers om de vernietiging 
te vragen van de uitspraken waardoor zoveel onschuldigen werden getroffen. Zij 
gaven in 1921 een drietalig Memorandum van de Vlaamsche Gebroodroofden uit 
om 'recht voor allen' te vragen 023 '. Toen Dosfel om gezondheidsredenen in voorlopige 
vrijheid gesteld werd (19 dec. 1920) ging, op initiatief van E.H. Eug. Van de Perre, 
een verzoekschrift rond tot gratie. Men verzamelde 36.000 handtekeningen. Frans 
Van Cauwelaert had vroeger beloofd het verzoekschrift aan de Koning te 
overhandigen. Toen hij hieraan herinnerd werd, beweerde hij geen tijd te hebben en 
raadde hij Eug. Van de Perre aan het zelf op te sturen 024 '. Het dagblad De Schelde 
stelde (17 dec. 1920) de eis van volledige amnestie maar dan als een daad van 
grootmoedigheid of barmhartigheid. Toen Ph. De Pillecyn zijn reeds vermelde 
brochure schreef over het Proces van den Veiligheidsdienst, vroeg hij amnestie voor 
'de grote broederschap van Vlaanderen: die gaat van de kerkhoven in 
West- Vlaanderen tot de cel van Dosfel; die omvat allen die streden met zuiver 
gemoed'. 

Einde 1920 kwam in Antwerpen een Dameskomitee voor Amnestie tot stand, 
onder voorzitterschap van Mevrouw Pil- Van Gastel. Toen dit werd opgericht, zetelden 
reeds meer als een jaar vier vertegenwoordigers van het Vlaamse Front in de Kamer 
van Volksvertegenwoordigers. Aanstonds na hun verkiezing deed het gerucht de 
ronde, dat zij het inzicht hadden een wets- 



(121) ARTH. DE BRUYNE, O.C., 349. 

(122) Er was een bond tot stand gekomen onder de benaming Bond der Vlaamse Gebroodroofden 
en Verongelijkten. De Antwerpse tak had als leus: 'Recht voor Allen'. Op zeker ogenblik 
werd beslist de Bond te noemen: Recht voor Allen. Bond... etc. 

(123) Willekeur en Onrecht - Mesures arbitraires et injustes (1920), 58 blz.; Memorandum van de 
Vlaamsche gebroodroofden aan de onderteekenaars der Haags che Conventie, z.j., 27 blz. 
Volgens Een Witboek, o.c, VII, is het van 1920; wij vonden het pas in Ons Vaderland, 2 
maart 1921. De hierboven aangehaalde uitgave is niet gedateerd. 

(124) ARTH. DE BRUYNE, O.C, 367. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



251 



voorstel voor algemene amnestie in te dienen. Vanuit Nederland drong Hugo Van 
den Broeck dadelijk aan bij volksvertegenwoordiger H. Borginon om dit niet te doen 
onder de gegeven omstandigheden. Hij was van oordeel dat een dergelijk initiatief 
schadelijk zou zijn voor de Beweging en de aktivisten zelf: wel drong hij aan op 
agitatie in het parlement bijv. door een interpellatie over de geldigheid van de Haverse 
besluitwetten' 125 '. Het is inderdaad opvallend, dat de agitatie van de frontgekozenen 
in het parlement zich wel sterk heeft laten gelden op het gebied van de militaire 
amnestie, maar dat hun houding heel wat meer gereserveerd was op het politieke 
vlak. Een dergelijke houding was zeker en vast niet alleen ingegeven door taktische 
overwegingen maar ging ook terug op het door ons nog te behandelen vraagstuk van 
de houding van de leiders van het Vlaamse Frotn tegenover de aktivistische politiek 
zelf. 

Het was duidelijk, einde december 1920, dat het vraagstuk weldra ook op het 
politiek-parlementaire vlak zou gedragen worden. De politici zien het probleem zich 
aftekenen op de horizont van hun elektoralisme. Een der eersten buiten de kringen 
van het Vlaamse Front die kordaat stelling nam voor amnestie, was Cam. Huysmans. 
Naar aanleiding van een heftig debat in de Kamer over 'aktivistische en orangistische 
drijverijen' (de interpellatie Hubin van 17 febr. 1920) eiste De Volksgazet amnestie 
voor de gestrafte soldaten, voor de meeste gevangenen, amnestie voor en 
wederindienstneming van de honderden gestraften der openbare besturen' 126 '. De 10de 
juli trad Cam. Huysmans op in Gent, als redenaar ter gelegenheid van een algemeen 
Vlaams Guldensporenfeest, waarop de Gentse afdeling van zijn eigen partij ontbrak. 
Hij verklaarde er, dat de tijd voor amnestie aangebroken was" 27) . 

De Katolieke Vlaamse Kamergroep besprak - vermoedelijk voor de eerste maal - 
de kwestie van de amnestie op zijn vergaderingen van 22 en 28 okt. 1920' 128 '. Men 
kwam tot geen konklusie. In de loop van de bespreking had H. Baels, 
volksvertegenwoordiger 



(125) H. Van den Broeck aan H. Borginon, 12 dec. 1919. Papieren Borginon. 

(126) Volgens Ons Vaderland, 15 maart 1920. 

(127) Ibid., 14 juli 1920. 

(128) Wijlen Mevrouw Phil. Van Isacker stelde ons zeer welwillend, uit de nagelaten papieren van 
haar echtgenoot, de bewaarde notulen der vergaderingen van de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep ter beschikking. Wij hebben ze voor onze studie zeer uitvoerig gebruikt. De 
verzending ernaar geschiedt onder vermelding: Papieren Van Isacker. Deze notulen bevinden 
zich thans bij Mr. Frans Van Isacker, te Muizen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



252 



voor Oostende, doen opmerken dat bij hem de beste krachten zich uitspraken voor 
amnestie. De groep nam, zoals gezegd, geen beslissing maar hij zou weldra uit zijn 
inertie wakker geschud worden. K. Huysmans en E. Doms, socialistische 
volksvertegenwoordigers (Antwerpen en Leuven) dienden een aanvraag tot 
interpellatie in 'over de toestand van zekere burgers die het voorwerp geweest waren 
van disciplinaire maatregelen in de administratie, of die door de rechtbanken 
veroordeeld waren en over de opportuniteit om ze te laten genieten van het voordeel 
van genademaatregelen'. De interpellatie stond op de dagorde van de Kamer van 18 
jan. 1921. De Katolieke Vlaamse Kamergroep kwam op 17 januari bijeen om over 
het vraagstuk te beraadslagen. Van Cauwelaert verklaarde akkoord te gaan met het 
voorwerp van de interpellatie. Er werd door de groep - zo betoogde hij - vroeger 
beslist geen uitspraak te doen over het vraagstuk van de amnestie. De toestand was 
echter sedertdien veranderd. Een komitee van propaganda voor amnestie werd 
opgericht, de vergaderingen hiervoor kenden bijval en er viel slechts gering verzet 
in de publieke opinie vast te stellen. Ook de houding van de pers was gewijzigd en 
onder deze omstandigheden diende het probleem opnieuw onderzocht. De vraag 
mocht gesteld worden of de regering geen wetsontwerp voor amnestie zou indienen, 
waarbij natuurlijk uitzonderingen konden voorzien worden. In de verdere loop van 
de bespreking zette Van Cauwelaert zijn standpunt nader uiteen; men zou er zich toe 
kunnen beperken te verklaren dat het ogenblik nakend was om amnestie te verlenen, 
maar dat deze niet algemeen hoorde te zijn <129) . 

In de loop van zijn interpellatie trok Huysmans de wettelijkheid in twijfel van de 
Besluit- Wetten van Havere <130) , waarop de aktivistenvervolging gesteund was, en 
bepleitte hij amnestie voor de aktivisten die te goeder trouw dwaalden. Doms 
behandelde het geval van de ambtenaren en onderwijzers die uit hun ambt ontzet 
waren. In zijn tussenkomst stelde Van Cauwelaert de vraag of de repressie van het 
aktivisme, zoals ze gevoerd werd na de oorlog, de veiligheid van de staat en de 
nationale eendracht 



(129) Papieren Van hacker. 

(130) Ook Van Cauwelaert sprak in zijn tussenkomst over de pijnlijke indruk die het Hof van 
Kassatie had verwekt door na de oorlog de Besluit- Wetten geldig te verklaren die het tijdens 
de oorlog niet had willen erkennen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



253 



hadden verhoogd. Hij verklaarde niet ja te durven antwoorden. Hij verzocht de 
regering een wetsontwerp voor amnestie in te dienen dat zich ook tot politieke 
misdrijven uitstrekte. In afwachting vroeg hij de uitgesproken straffen te herleiden 
volgens één zelfde maatstaf. Hij verlangde ook dat de regering ruim gebruik zou 
maken van haar recht tot voorwaardelijke invrijheidstelling en eindelijk dat er een 
einde zou gemaakt worden aan de politieke vervolgingen. Voor de administratieve 
gevallen wenste hij de instelling van een kommissie die alle gevallen opnieuw zou 
onderzoeken in een geest van verzoening. In de loop van deze interpellatie deed 
minister Vandervelde een berucht geworden uitspraak met zijn 'vingt mille fois non' 
wat amnestie betrof. Hij verklaarde er zich echter wel toe bereid gratiemaatregelen 
te treffen en voorstander te zijn van voorwaardelijke en voorlopige invrijheidstelling. 
De Waalse socialist Destrée sprak in dezelfde zin. 

Bij zijn tussenkomst in de Vlaamse Kamergroep had Van Cauwelaert gewezen 
op de verandering van atmosfeer en de groei van een beweging voor amnestie. Er 
heeft inderdaad, in de loop van het jaar 1920, een kenmerkende evolutie plaats. In 
het begin van het jaar was er reeds op brede schaal een steunaktie geweest voor de 
kinderen Hainaut: een zuiver menselijk gebaar van solidariteit met de onschuldige 
slachtoffers van de repressie. Toen in Noord-Nederland een komitee tot stand kwam 
om gelden in te zamelen voor de getroffen families van de aktivisten in Vlaanderen, 
schreef priester Paul Vandermeulen een Open Brief met het voorstel een kommissie 
in het leven te roepen om hulp te verlenen aan de 'gebroodroofden' en de families 
van de gevangenen' 131 '. Ons Vaderland steunde dadelijk dit initiatief door de steunlijst 
voor de kinderen Hainaut af te sluiten en die te vervangen door een algemene met 
de typische benaming 'Het Martelaars fonds'. Het is één van de etappen in de evolutie 
van het Vlaamse Front naar de solidariteit met het aktivisme in zijn Vlaams-nationale 
doeleinden. 

In de loop van het jaar zou dit menselijk gebaar van solidariteit uitgroeien tot een 
eis van herstel van het rechtsevenwicht door verlening van amnestie. Het gaat hier, 
buiten de kern van de Vlaamse nationalisten in het Vlaamse Front, in geen enkel 
opzicht om een betuiging van solidariteit met het aktivisme, maar, zoals wij schreven, 
om het herstel van een verbroken rechts- 



(131) Ons Vaderland, 31 jan. 1920. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



254 



evenwicht. Men redeneerde - of voelde - daarbij als volgt: het aktivisme vond in een 
grote mate zijn oorsprong in de fout van de staat en de bestraffing had niet alleen 
geen rekening gehouden met deze gedeelde schuld, doch ze was ook door duizenden 
gevoeld als een wraakneming die de grenzen van het recht was te buiten gegaan. 
Van het stadium van de moties voor amnestie ging men daarbij over naar dat van de 
agitatie waar het Vlaamsnationalisme de drijvende kracht van werd. 

Enkele dagen vóór de interpellatie Huysmans-Doms verscheen een bericht dat er 
- naast het bovengenoemde dameskomitee van Mevrouw Pil- Van Gastel - een Comiteit 
tot bevordering van amnestie was gevormd. Vermeld werd de toetreding van juffrouw 
Belpaire, Prof. L. Scharpé, Prof. Em. Vliebergh, Hugo Verriest, Jozef Muls, Prof. 
Daels, Stijn Streuvels (132) . Het gaat hier waarschijnlijk om een voorbarig bericht, al 
lag er een kern van waarheid in. Inderdaad: op 13 febr. 1921 schreef Prof. Scharpé 
aan Dr. Van de Perre dat hij hem, na hun afspraak van de dag tevoren, een aantal 
eksemplaren stuurde van een oproep om leden te werven voor een komitee voor 
amnestie, met het doel tot een volkspetitionnement te komen. Volgens de tekst van 
deze oproep werd de vorming medegedeeld van een inrichtend komitee, waarvan 
Scharpé de samenstelling zag als volgt: voorzitter Prof. Vliebergh (deze tekende 
reeds op 14 febr. de oproep), leden H. Lebon, A. Deswarte, Jul. Hoste, Prof. Daels, 
Dr. J. Verduyn, als schrijver Dr. Van de Perre. De oproep van het komitee zou aldus 
gemotiveerd worden: wij die buiten het aktivisme stonden 'zijn diep overtuigd dat 
het ogenblik gekomen is, in 's lands belang van zo ruim mogelijk opgevatte amnestie 
en, vanwege de Vorst, voor edelmoedig gebruik van zijn genaderecht, ten gunste 
van hen die veroordeeld werden voor politieke misdrijven'. Er schijnt omstreeks 
dezelfde tijd ook een plan tot petitie bestaan te hebben bij Hoste, Deswarte en 
Vermeylen aangezien Scharpé aan Van de Perre deed opmerken dat, met een 
formulering als hierboven aangehaald, er geen reden meer bestond om een afzonderlijk 
petitionnement op touw te zetten' 133 '. 

Er is van deze grootscheepse aktie blijkbaar niets terecht gekomen. Intussen werd 
dan toch de agitatie voortgezet. Op zondag, 16 jan. 1921, twee dagen vóór de 
interpellatie Doms-Huysmans, werd in Antwerpen een grote meeting belegd in de 
Hippodroom- 



(132) Ibid., 14 jan. 1921. 

(133) Papieren Van de Perre. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



255 



zaal waar het woord gevoerd werd door Mevrouw Pil- Van Gastel, A. Hans, H. Van 
Puymbrouck en Mr. Edm. Van Dieren. Na afloop ervan had een optocht plaats door 
de stad. Naar aanleiding van de interpellatie Huysmans-Doms kwam een delegatie 
van het dameskomitee uit Antwerpen naar Brussel om aan de voorzitter van de Kamer 
en de minister van justitie een verzoekschrift tot amnestie te overhandigen. Dit 
Antwerpse dameskomitee voor amnestie deed insgelijks een beroep op de 
internationale publieke opinie. Het schreef een open brief aan de befaamde Italiaanse 
strafrechtdeskundige Enrico Ferri en verscheidene brieven aan de Deense schrijver 
Georg Brandes 'in wien wij weten dat het geweten van Europa spreekt', zoals in de 
brief werd gezegd. In de tweede brief aan deze laatste (1 mei 1921) werd door het 
komitee het feit aangeklaagd, dat de politieke gevangenen slechts in vrijheid werden 
gesteld vóór het einde van hun straftijd indien zij de verbintenis wilden aangaan voor 
verscheidene jaren van alle politieke aktiviteit af te zien. Toen Em. Vandervelde in 
het dagblad Le Peuple reageerde om dit betoog als tendentieus voor te stellen, richtte 
het komitee een derde open brief aan Brandes (18 aug. 1 92 1 ) met heel de uiteenzetting 
van de feiten. Toen Wies Moens vrij kwam, stuurde hij insgelijks (23 aug. 1921) een 
lange brief aan Brandes met het verhaal van zijn lotgevallen: een schrijnende aanklacht 
tegen onbegrip en willekeur! 

Ook het Algemeen Vlaams Verbond sloot aan bij deze aktie voor amnestie. Het 
nam in april 1921 een motie aan voor amnestie, met de lijst van 57 bonden die deze 
reeds ondertekenden. Minder dan een maand later kon het deze lijst aanvullen met 
de naam van 40 nieuwe toetredingen. Diepe indruk maakte de brochure van Ph. De 
Pillecyn Amnestie (Brugge, z.j., 23 blz.). Ze werd uitgegeven na de interpellatie 
Huysmans-Doms. Het juridisch gedeelte en de meeste beschouwingen leverde Dosfel. 
Priester Eug. Van de Perre had enkele wijzigingen voorgesteld en Frans Van 
Cauwelaert zou er zijn instemming mede betuigd hebben (134) . Zoals de titel aangeeft, 
ging het hier niet om een probleem van begenadiging zoals voorgesteld door Em. 
Vandervelde, minister van justitie, maar werkelijk om amnestie. Alle argumenten 
die tot dan toe hiervoor aangevoerd waren, werden erin samengebundeld: - het was 
de verbittering over het geleden onrecht dat aanleiding gaf tot het aktivisme; - de 
wettelijkheid van de Besluit-wetten 



(134) ARTH. DE BRUYNE, O.C., 368. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



256 



kon betwist worden; - deze Besluit- wetten hadden aanleiding gegeven tot een 
tegenstrijdige en al te strenge toepassing; - art. 1 18bis van het Strafwetboek was 
onduidelijk; - het repressieapparaat was een onding; - er werd met de bedoeling van 
de beklaagden geen rekening gehouden; - de staat had zich op een onrechtvaardige 
wijze aangesteld als burgerlijke partij' 135 '. 

Het vraagstuk van de amnestie zou, van dan af, een etterende wonde blijven in de 
Belgische politiek en herhaaldelijk tot heftige straatbetogingen en tot politieke 
krisissen leiden. Het was meer dan een agitatie van de Vlaamse nationalisten voor 
het beperkte eigen publiek. Het werd een onderdeel van de Vlaamse agitatie, een 
voedingsbodem voor Vlaamse ontevredenheid en de bom zou uiteindelijk barsten te 
Antwerpen, bij de Bormsverkiezing van 9 dec. 1928, die een keerpunt werd in de 
geschiedenis van de Vlaamse Beweging. 

Voorlopig heeft men, in de politieke kringen, het belang van het vraagstuk nog 
niet ingezien. Op parlementair vlak dient hier alleen nog gewezen op het initiatief 
van H. Heyman ten voordele van de Vlaamse onderwijzers die tijdens de oorlog hun 
akte behaalden voor de eksamenkommissies van Gent, Laken en Vorst. Deze werd 
niet geldig verklaard, doch de houders ervan werden toegelaten tot een nieuw eksamen 
in één proef (Wet van 23 aug. 1921). Dit pijnlijke vraagstuk was hiermede slechts 
gedeeltelijk van de baan en het gevoel van onrechtvaardigheid bleef: de diploma's 
van de Waalse onderwijzers 1917-1918 (na de bestuurlijke scheiding) werden door 
de regering van meet af aan erkend onder voorwendsel dat zij niet afgeleverd waren 
door eksamenkommissies waarin ook aktivisten zetelden. 

10. De Oude Kamer (1918-1919) 

Wij willen thans, op de achtergrond van deze anti-Vlaamse agitatie en van dit 
wederoplevend flamingantisme, de evolutie schetsen van de parlementaire strijd en 
de daarmede samenhangende politieke problemen' 136 '. De Vlaamse impuls is in deze 
jaren inderdaad beslist niet uitgegaan van de regering of de partijen aan het bewind. 
Niet de politiek heeft het Vlaamse leven bepaald, maar omgekeerd. In de jaren die 
volgen zal dan verder 



(135) Vgl. ook de kritiek van basse, n, 103-114. 

(136) Wij verwijzen hierbij naar de Algemene bibliografie en meer in het bijzonder naar de werken 
van Höjer en Luykx. Ook, voor de Vlaamse Beweging, naar de werken van Basse en 
Willemsen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



257 



de tegenstelling tussen de flamingantische wil en de flamingantische politieke onmacht 
tot een scherpe krisistoestand leiden. 

Van het vooroorlogse parlement was in Vlaams opzicht niets te verwachten. Het 
zal niet lang onze aandacht vragen. Deze Kamer heeft haar overgangstaak vervuld 
en gedaan wat men ervan verwachtte: op 9 mei 1919 kon de wet uitgevaardigd worden 
die, met het oog op de aanstaande verkiezingen, het zuiver algemeen stemrecht op 
21-jarige leeftijd invoerde. Op Vlaams gebied was het initiatief van de regering 
beperkt tot de oprichting van een kommissie 'belast met de studie over de inrichting 
van een overgangsregime, dat aan de studenten die het zullen aanvragen, moet toelaten 
hun studiën in 't Vlaams aan te vangen in de fakulteiten en Bijzondere Scholen voor 
Burgerlijke Genie en van Kunsten en Manufakturen der Universiteit Gent' <137) . Deze 
kommissie stelde aan de regering voor de Vlaamse leergangen, waarvoor professoren 
beschikbaar waren, met november 1919 in te richten. Er kwam niets van terecht. Wel 
werd door minister A. Ruzette een wetsontwerp ingediend tot oprichting van een 
Vlaamse Hogere Landbouwschool. Dit werd door de Kamers aangenomen, met de 
bepaling dat deze zou gevestigd worden in Gent. Met de universiteit had deze school 
niets te maken <138) . Op het vlak van het parlementair initiatief gaat de aandacht verder 
alleen nog naar de grote interpellatie der drie Van's (Van de Vyvere, Van de Perre, 
Van Cauwelaert) die van 14 tot 22 mei 1919 doorging en die sterk de openbare opinie 
in Vlaanderen beroerde, als een voorteken van de Vlaamse wil tot voortzetting van 
de strijd (139) . Aanleiding ertoe was het verbod om een reeks Vlaamse boeken nog 
verder door de Spoorwegen te laten vervoeren, o.a. de gedichten van Rodenbach en 
de Kritiek der Vlaamse Beweging van Aug. Vermeylen. De aanval werd ingezet 



(137) Koninklijk Besluit van 6 aug. 1919 {Staatsblad, 9 augustus). 

(138) Wet van 15 nov. 1919 (Staatsblad, 1-2 dec. 1919) en K.B. van 26 mei 1920 (Staatsblad, 19 
juni 1920) Vgl. ook nog een beschikking over de taalkennis van de tijdelijk genoemde 
auditeurs bij de militaire rechtbanken in de wet van 17 sept. 1919 (Staatsbald, 20 September). 

(139) Kort tevoren had Fr. Van Cauwelaert een Open Brief aan de Koning geschreven in De 
Standaard, 20 april 1919, die ook als pamflet werd verspreid. Hij sprak hierin van de schuld 
der regering die er verantwoordelijk voor was dat zich in de schoot van het Vlaamse volk 
een proces van ontbinding voltrok, 'het proces der zedelijke onthechting van de Vlaamse 
ziel tegenover de Belgische staatseenheid'. De interpellatie werd ook onder vorm van brochure 
verspreid: De Vlaamsche Interpellatie 14-15-21-22 mei 1919. Brussel, 159 blz. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



258 



door Al. Van de Vyvere die een uiteenzetting gaf van het Vlaams programma. Hij 
stelde dit voor als volgt: - de nationale eenheid is niet onverenigbaar met 
decentralizering, met specializatie van de diensten, met het in 't leven roepen van 
bijzondere taairegimes voor elk van de territoriale distrikten of eenheden; - 
vernederlandsing van de universiteit te Gent; - in de administratie uitvoering van een 
decentralizering van het taairegime, zodat ieder gewest een bestuurlijke eenheid 
uitmaakt. De centrale administratie dient tweetalig te zijn, waarbij een verplichte 
tweetaligheid van het personeel moet vervangen worden door een specializatie der 
diensten; - in het leger gewestelijke aanwerving en indeling, met het Nederlands als 
voertaal, doch - volgens zijn eigen opvatting althans - met vrije taalkeus voor de 
milicien. De redevoering van Van de Vyvere was een klare formulering van de 
minimumeisen van de Vlaamse Beweging. De oud-minister had zijn uiteenzetting 
betrekkelijk rustig kunnen doen. Toen Dr. Van de Perre, die vooral handelde over 
de wantoestanden in het leger tijdens de oorlog, aan het woord kwam, werd hij 
voortdurend en heftig onderbroken. Tijdens zijn spreekbeurt kwam het tot een fel 
incident tussen Van Cauwelaert en de Waalse socialist Hubin. Naar aanleiding van 
het berucht geworden memorandum aan de Engelse konsul, verweet Hubin aan Van 
Cauwelaert de misdaad te hebben begaan de tussenkomst van een vreemde regering 
te vragen in een nationale kwestie. Van Cauwelaert stelde zich heftig te weer. Als 
derde spreker had hij het hoofdzakelijk over de praktijken van de Belgische 
Veiligheidsdiensten, maar zijn rede werd in grote mate een zelfverdediging. Aan te 
tekenen valt dat, bij de behandeling van het probleem van de vernederlandsing der 
besturen, Van Cauwelaert verklaarde, dat de Vlamingen de eersten zouden zijn om 
te eisen dat de rechten van alle burgers zouden geëerbiedigd worden en dat wie 
gebruik wilde maken van de Franse taal ook dit recht zou hebben. De interpellanten 
vonden weinig of geen steun buiten de vlaamsgezinden in de eigen partij. Zij werden 
ervan verdacht uitsluitend elektorale doeleinden na te streven. Van socialistische 
Vlaamse zijde kwam alleen Debunne (arr. Kortrijk) tussen om te verklaren dat hij 
wel partijganger was van een Vlaamse universiteit, maar met behoud van de bestaande 
franstalige in Gent. Bij de Waalse socialisten toonde alleen Troclet enig begrip. Hij 
verklaarde geen oplossing te zien 'buiten een algemene en bestuurlijke hervorming, 
die steunen moet op het zelfbestuur van beide grote gewesten en op de beginselen 
der demokratie'. Men vindt in de andere Waalse reakties 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



259 



reeds de kern weer van de Waalse socialistische houding in de volgende jaren: ze 
aanvaarden wel, dat de Vlaamse Beweging in haar wezen demokratisch is en dus 
rechtvaardig, maar zij willen geen afbreuk doen aan het unitaristische België, zijn 
verblind door hun Frans kultuur-imperialisme en vrezen voor de minorizering van 
Wallonië 040 '. 

Eerste minister Delacroix vond dat alles goed was en dacht dat er alleen nog maar 
geleidelijk een Vlaamse hogeschool moest komen naast de bestaande Franse in Gent. 
Het debat werd besloten met de aanneming van een nietszeggende motie: de meeste 
vlaamsgezinden stemden tegen. Van Cauwelaert reageerde zijn woede af in De 
Standaard (27 mei). De regering - schreef hij - heeft voor ons afgedaan. Ze 
veroordeelde de door ons voorgestelde vernederlandsing als onverenigbaar met de 
eenheid van België, 'ze heeft de oorlog aan het Vlaamse volk verklaard'. Ze heeft 
zich schuldig gemaakt aan woordbreuk, want wat in de Troonrede staat is niet voor 
een dubbele uitleg vatbaar. Mannen van Vlaanderen, het woord is nu aan u... 

11. De politieke ontwikkeling (1918 - 16 nov. 1919) 

Van Cauwelaert deed een beroep op het Vlaamse volk. Twee nieuwe politieke 
verschijnselen vergen op hetzelfde ogenblik onze aandacht in verband met de 
voorbereiding van een Vlaamse politieke aktie. Het eerste is de mislukte poging om 
alle Vlaamsgezinde krachten te bundelen in een Algemeen Vlaams Verbond op grond 
van een minimumprogramma. Het tweede is het ontstaan van een zelfstandige 
Vlaamse partij, waarvan de kern gevormd werd door de oude frontbeweging met 
twee hoofdmotieven: de zelfstandigheidsgedachte ('zelfbestuur') en de godsvrede. 

Reeds op 27 nov. 1918 had te Brussel, onder voorzitterschap van Aug. 
Vermeylen (141) , een vergadering plaats van passieven, waarop beslist werd, in 
overeenkomst met het Vlaams-Belgisch Verbond tijdens de oorlog gesticht, over te 
gaan tot een federatie van Vlaamse kringen ten einde de strijd voort te zetten. Begin 
december werd in deze zin een oproep gericht tot alle vlaams- 



(140) Voor de politiek van de socialistische partij konden wij gebruik maken van de 
licentiaatsdissertatie van M. VAN HAEGENDOREN (thans Claeys-Van Haegendoren). Een 
onderzoek naar de politieke houding der Belgische Werkliedenpartij en vooral der Vlaamse 
socialisten tegenover de Vlaamse Beweging van 1919 tot 1929 Univ. Leuven, 1963. Hier, 
blz. 45 en volg. 

(141) Deze gaf, onmiddellijk na de oorlog, zijn eigen standpunt bekend in de brochure Quelques 
aspects de la question des langues en Belgique (1918). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



260 



gezinden van de gematigde richting' 142 '. Begin januari 1919 kwam een Vlaams Fonds 
tot stand om het nodige geld in te zamelen voor de propaganda. In maart 1919 
beweerde het Verbond al de toetreding van 70.000 leden ontvangen te hebben. Op 
6 juli 1919 werd in Brussel tot de formele oprichting overgegaan van een Algemeen 
Vlaams Verbond met het minimumprogramma als aktie-basis. Tot het hoofdbestuur 
ervan behoorden Dr. Van de Perre, Dr. Gust. Borginon, Julius Hoste, A. Vermeylen, 
Em. Vliebergh, H. Van Tichelen, Maur. Sabbe, F. Toussaint en Jef Mennekens <143> . 

Nog vóór het Verbond officieel tot stand gekomen was, stootte het op de tegenstand 
van de Vlaamsgezinde bisschop van Luik, Mgr. Rutten. Deze veroordeelde de bond 
als neutraal en gaf de raad over te gaan tot de oprichting van katolieke Vlaamse 
bonden. Wat het programma van het Verbond betreft, maakte de bisschop voorbehoud 
in het vraagstuk van de volledige uitsluiting van het Frans als voertaal in het 
middelbaar onderwijs. Ook inzake de legerkwestie wilde hij afwachten of de overheid 
hier tot geen billijke oplossing kon komen. Frans Van Cauwelaert nam de verdediging 
op zich van het Verbond, in een open brief gericht aan Mgr. Rutten. Er was hier, 
volgens hem, een misverstand in het spel. 'De bedoeling van het Algemeen Vlaams 
Verbond is op de eerste plaats om door alle Vlaamse verenigingen, die het 
beginselprogram van het Verbond aanvaarden, afgevaardigden te doen kiezen, die 
op hunne beurt ene voldoende gezaghebbende vertegenwoordiging van de Vlaamse 
gedachte zullen samenstellen om de onmiddellijke en praktische doeleinden en 
formulen te bepalen, naar welke de Vlaamse Beweging in al hare vertakkingen zich 
zal richten'. Onder deze voorwaarden bleven de aangesloten verenigingen volledig 
zelfstandig en vielen de bezwaren van Monseigneur weg tegen zijn onzijdigheid. 
Van Cauwelaert begroette van zijn kant met vreugde de stichting in Limburg van 
een Katoliek Vlaams Verbond en sprak verder de hoop uit, dat de ervaring zou 
bewijzen dat er geen bezwaren konden rijzen tegen de volledige vernederlandsing 
van het middelbaar onderwij s (144) . In zijn elfde -juliartikel in De Standaard 



(142) Zie ook de meeting te Antwerpen, met o.a. Van Cauwelaert en Van de Perre op 26 dec. 1918. 
De Standaard, 27 dec. 1918. 

(143) basse, li, 51-53. 

(144) Ons Vaderland, I april 1919; De Standaard, 6 april 1919. Separatim Brief van Mgr. M.H. 
Rutten over den Vlaamschen strijd. Open Brief aan Mgr. Rutten Mr. Dr. Frans Van 
Cauwelaert. Brussel, 1919, 16 blz. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



261 



deed Van Cauwelaert een warme oproep tot aansluiting bij het Verbond. 

Dit Algemeen Vlaams Verbond heeft in geen enkel opzicht de taak vervuld die 
Van Cauwelaert omschreven had in zijn open brief aan Mgr. Rutten. Het heeft nog 
enkele jaren stand gehouden en van tijd tot tijd een teken van leven gegeven door 
het aannemen van een motie, maar het werd geen politieke macht <145) . Op de vooravond 
van de verkiezingen van 16 nov. 1919 gaf het een klein pamflet uit (Aan den 
Vlaamschen Kiezer, 7 blz.) om zijn programma bekend te maken, om iedereen aan 
te zetten te strijden in zijn eigen partij en alleen zijn stem te geven aan de kandidaten 
die eerlijk en voluit het Vlaamse recht verdedigden. Tot een bestendige organisatie 
en een werkelijk politiek overleg buiten en boven de partijen is het nooit gekomen. 
Wij kunnen gerust dit Algemeen Vlaams Verbond als een mislukt experiment 
afschrijven. 

De Vlaams-nationalistische partij, genaamd het Vlaamse Front' 146) , heeft daarentegen 
een rol van niet te onderschatten betekenis gespeeld in de ontwikkeling van de 
Vlaamse Beweging tussen beide oorlogen 047 '. Ze is zonder twijfel rechtstreeks ontstaan 
uit de frontbeweging, al lag het wis en zeker niet in de bedoeling van de leidende 
elementen aan het front om na de oorlog een nieuwe politieke partij te stichten. Het 
is zelfs zeer twijfelachtig of, begin 1919, toen overgegaan werd tot een groepering 
van de Vlaamse elementen die de zelfstandigheidsgedachte als banier droegen, het 
de opzet van de voormannen was deze beweging te doen uitgroeien tot een werkelijke 
partij. Reeds zeer vroeg zijn, op het plaatselijk vlak, kontakten ontstaan tussen 
aktivisten en frontsoldaten. De sporen van deze eerste samenwerking zijn moeilijk 
te achterhalen, omdat deze eerste aktie nog in het duister moest geschieden en de 
deelnemers zich elke dag aan arrestatie blootstelden. Wij hebben, in dit verband, 
reeds gewezen op de arrestatie van de Jonge Wachters te Gent. Ook te Antwer- 



(145) Wij vonden er nog moties van in 1929, indien het wel om hetzelfde Algemeen Vlaams 
Verbond gaat! De Standaard, 10 april en 3 nov. 1929. 

(146) De officiële naam is Het Vlaamse Front. In de volksmond werd dit de Frontpartij. 

(147) Onze uiteenzetting is opgebouwd op de verslagen en berichten in Ons Vaderland dat nog 
slechts zeer uitzonderlijk wordt aangehaald. Een aantal artikelen uit de tijd toen het blad nog 
niet overal in het land verspreid was, werd gebundeld in de reeks Storm en Drang (1919, 4 
deeltjes). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



262 



pen greep de Veiligheid van de Staat in. Al in december 1918 kwamen enkele jonge 
aktivisten weer bijeen om te beramen hoe men de Vlaamse aktie zou kunnen 
voortzetten. Hun eerste kontaktman met niet aktivisten was Mr. H. Picard, tijdens 
de oorlog geïnterneerd in Nederland. De deelnemers aan deze tweede vergadering 
werden verklikt en door de Veiligheid verhoord. Na korte tijd hadden opnieuw 
vergaderingen plaats waar wij voor de eerste maal frontsoldaten ontmoeten, nl. Anton 
Van Gelder waarvan de broeder, Frans, student geweest was aan de Vlaamse 
universiteit. Anton had deel uitgemaakt van de frontbeweging. Langs hem om duidde 
de legerleiding de man aan die te Antwerpen belast werd met de oprichting van het 
Vlaamse Front. Dat was Herman Van Puymbrouck die de hele oorlog had 
doorgebracht in Frankrijk. Het heeft dan nog weken geduurd vooraleer het Vlaamse 
Front naar buiten kon optreden. Op 30 maart 1919 kondigde Ons Vaderland aan, dat 
waarschijnlijk reeds de volgende week een bestendig, voorlopig sekretariaat van het 
Vlaamse Front zou geopend worden. Dit was inderdaad het geval. Op 14 april had 
dan de officiële stichting plaats. Toen op zondag 4 mei een algemene vergadering 
plaats vond en er een motie werd aangenomen tegen de willekeurige afzetting van 
tal van ambtenaren en bedienden, luidde de aanhef ervan: 'de Vlaamse soldaten deel 
uitmakend van het Vlaamse Front...'. Een eerste meeting werd gehouden op zondag 
1 juni 1919 in de zaal Apollo, met als sprekers, onder voorzitterschap van Herman 
Van Puymbrouck, Staf De Clercq, de houthakker Pol Davidts en Ir. Mare. 
Steenbrugghe die aangekondigd werd als voorzitter van het Vlaams-Belgisch Verbond 
in Sheffield tijdens de oorlog. Wij zien hoe sterk in dit alles het oud-strijderselement 
werd op de voorgrond geschoven. Dit gebeurde ook nog op andere plaatsen. Wij 
vinden, parallel met de ontwikkeling in Antwerpen, het hele land door voorbereidende- 
of stichtingsvergaderingen. Te Aalst sprak, op 27 maart, oud-strijder Jef De Winter, 
op een vergadering van een Kristen Vlaams Verbond, over de eis tot zelfbestuur. In 
het Pajottenland had einde april een bijeenkomst plaats te Ternat, waar Staf De Clercq 
en H. Borginon optraden als redenaars en beslist werd, dat er een Vlaamse 
frontvereniging zou worden gesticht. In Gent had op 2 juni een vergadering plaats 
van het Algemeen Vlaams Verbond waarop besloten werd toe te treden tot het 
Vlaamse Front en voortaan op te treden als Gentse tak ervan. Te Brugge had de eerste 
vergadering plaats op 15 juni. Te Brussel had op 22 juni de stichting plaats van de 
tak Brussel en 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



263 



omgeving (sprekers: P. Finné, Ad. De Beuckelaere, Staf De Clercq en een 
houthakker). Te Mechelen had de stichting plaats op 20 juli, te St. Niklaas op 14 
augustus. Daar zou de vergadering alleen bijgewoond zijn door soldaten en 
oud-soldaten. In hoever reeds van een organizatie en centrale leiding kan gesproken 
worden is al bij al niet erg duidelijk. Wanneer het Vlaamse Front als dusdanig gesticht 
werd, is ons evenmin duidelijk. Een redakteur van Ons Vaderland (1-2 jan. 1920) 
vond in zijn notitieboekje, voor de maand januari 1919, de stichting van het Vlaamse 
Front te Gent, door elf personen. In een oproep voor een vergadering die te Antwerpen 
diende plaats te hebben de 30ste aug. 1919, worden als de leiders van het Vlaamse 
Front genoemd: H. Borginon, politiek leider van Ons Vaderland, Ad. Debeuckelaere, 
hoofdsekretaris en Herman Van Puymbrouck, voorzitter van de Antwerpse tak. Wij 
hebben er reeds de aandacht op gevestigd hoe de nieuwe groepering aansloot bij de 
frontbeweging en er ook een beroep op deed. Dit is niet alleen zichtbaar in de leiding 
van de partij en in haar uiterlijke manifestaties, doch ook in het dagblad Ons 
Vaderland 'tolk van het Vlaamse Front' en in een reeks publikaties van Ons 
Vaderland, uitgeverij. Het blad maakt nog zeer sterk de indruk een oud-soldatenblad 
te zijn. Tussen de publikaties die in 1919 verschenen treffen wij o.a. aan de Open 
Brieven van de Vlaamsche Frontpartij in het jaar 191 7, de Stemmen der Vlaamsche 
Dooden aan den Uzer (door Verschaeve eerst gepubliceerd in Ons Vaderland) en 
een nieuwe uitgave van de Catechismus van den Vlaamschen Nationalist, insgelijks 
van Verschaeve. 

Het is, vanaf januari 1919, in verschillende artikelen van Ons Vaderland duidelijk 
af te lezen dat het de bedoeling was een nieuwe partij te stichten. Wij vestigen in dit 
verband vooral de aandacht op een drietal artikelen: op 15 jan., op 1-3 april (tegen 
Van Cauwelaert) en op 27 april. In het artikel van 1 april, gericht tegen een artikel 
van Van Cauwelaert, in De Standaard, over de Vlaamse Beweging in verband met 
de partijpolitiek, stelt de schrijver die zijn opstel ondertekent Uzer (pseudoniem van 
wie tijdens de oorlog schreef als woordvoerder van de Legerleiding) de eis tot vorming 
van één partij, een zuiver Vlaamse die de verovering van de Vlaamse volksrechten 
vooraan op haar programma zou zetten. Zoals voor het vraagstuk zelfbestuur, dienen 
ook hier alle vooraanstaande Vlamingen hun keus te doen. Van Cauwelaert schijnt 
er een te hebben gedaan en 'het is een ontgoocheling voor zijn verkleefdste vrienden' 
die nochtans blijven hopen dat het slechts een voorlopige is, omdat de steller ervan 
overtuigd is 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



264 



dat Van Cauwelaert 'het Vlaamse leger niet in den steek zal laten'. 

Reeds op 3 mei verscheen in Ons Vaderland, in de Antwerpse kroniek, een oproep 
om bij de aanstaande verkiezingen onafhankelijke Vlaamse en demokratische lijsten 
voor te dragen. Tijdens de interpellatie der drie Van's (14-22 mei) kondigde Van de 
Perre aan, dat de frontpartij in verschillende arrondissementen eigen kandidaten zou 
voordragen bij de eerstkomende verkiezingen. In Ons Vaderland waren toen sedert 
verschillende weken reeds, toetredingsformulieren afgedrukt met het programma 
waarop de leden zich verbonden: - een zuiver Vlaamse partij, buiten alle bestaande 
groepen om; - het doel van de partij: een betere ordening van het staatsleven op 
grondslag van zelfbestuur; - deze gedachte van de zelfstandigheid moet tot stand 
komen in de wetgeving (de Vlaamse aangelegenheden beredderd door de Vlamingen 
alleen), in het bestuur (de uitvoerende macht toevertrouwd aan ministers en beambten 
die rechtstreeks van de Vlaamse volkswil afhangen); - een Vlaams nationaal 
onderwijs, met om te beginnen de onmiddellijke vernederlandsing van de Gentse 
Universiteit; - de volledige vernederlandsing van het gerecht; de oprichting van 
Vlaamse regimenten met gewestelijke indeling. 

Het ware verkeerd de stichting van deze Vlaams nationale partij, die de bestaande 
politieke of wereldbeschouwelijke tegenstellingen in Vlaanderen wilde overbruggen, 
te zien als een voortijdige doorbraak van wat men in onze dagen de politieke 
'verzuiling' genoemd heeft. Dit wordt duidelijk door een nader onderzoek van het 
begrip godsvrede dat mede aan de basis lag van de nieuwe partij en gezien werd in 
het licht van een terugkeer naar de oude partijen. Volgens H. Borginon zou zijn 
houding alsdan ingegeven zijn door het voorbeeld van de groep van dcJustice Sociale 
van H. Carton de Wiart, in de strijd om de katolieke partij te veroveren voor de 
kristen-demokratie <148) . In het boven-genoemde artikel van IJzer (1 april) wordt zeer 
duidelijk gewezen op het tijdelijk karakter van de nieuwe partij: wij prediken geen 
onzijdigheid ten opzichte van zedelijke of godsdienstige overtuigingen, 'wel de 
godsvrede onder de Vlamingen, totdat de gevaarvolle samenzwering tegen het 
voortbestaan van onze volkseigenaardigheid voorgoed zal verijdeld zijn door de 
verovering van zelfbestuur'. In een hoofdartikel over Godsvrede (Ons Vaderland, 5 
mei 1919) werd hier nogmaals het aksent op gelegd: het 



(148) Mededeling Borginon (jan. 1966). H.J.E. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



265 



is maar een tijdelijk verbond, 'een voorlopig samenstrijden'. In het uitvoerig 
kiesprogramma van het Vlaamse Front, werd godsvrede als eerste punt vooropgezet, 
doch met de duidelijke verklaring, dat het maar een tijdelijke voortzetting was van 
een godsvrede die de bestaande status-quo wilde behouden. 

De bedoeling bij de eerste stichters van de nieuwe partij was dus blijkbaar tot de 
vorming te komen van een voorlopig Vlaams front om het onontbeerlijke middel tot 
verovering van het Vlaamse rechtsherstel te bereiken nl. zelfbestuur. De 
zelfstandigheidsgedachte is de kern van de nieuwe partij. De omschrijving ervan was 
duidelijk genoeg om voor politiek-denkende mensen een principieel onderscheid te 
vormen met het Vlaams Verbond. Dit was voor vele, radikaal vlaamsgezinden, nog 
niet het geval. Wij zullen verder kunnen vaststellen dat deze vlottende toestand nog 
maanden lang heeft bestaan en men daarbij op Dr. Van de Perre rekende als 
bemiddelaar. Er werden ook tussen de leiders van het Vlaamse Front 
(Debeuckelaere-Borginon) en de feitelijke leiders van het Algemeen Vlaams Verbond 
(Van Cauwelaert en Hoste) in de loop van de maand augustus 1919 besprekingen 
gevoerd over een mogelijk, gezamenlijk optreden bij de verkiezingen. Van Cauwelaert 
bood aan Debeuckelaere en Borginon verkiesbare plaatsen aan op de katolieke lijsten. 
De uitgenodigden waren bereid op dit aanbod in te gaan, zij verklaarden zich ook 
bereid in de Kamer de partijdiscipline bij de stemmingen te aanvaarden, maar zij 
stelden daarbij als voorwaarde dat het Vlaamse Front het recht zou behouden verder 
propaganda te maken voor zelfbestuur <149> . Dit was voor Van Cauwelaert niet 
aanvaardbaar omdat het rechtstreeks indruiste tegen zijn eigen opvattingen en 
bedoelingen. 

Het Vlaamse Front zou dus afzonderlijk opkomen bij de aanstaande verkiezingen. 
Dit betekende nog geen volledige breuk met de Vlaamse Belgicisten, zoals de 
aanhangers van het minimumprogramma later zullen genoemd worden, in tegenstelling 
tot de Vlaamse nationalisten. Naar aanleiding van een spreekbeurt te Antwerpen, 
waar Van Cauwelaert zelfbestuur had verworpen, schreef Ons Vaderland in een 
hoofdartikel, dat de twee voornaamste vleugels van het Vlaamse leger niet tegen 
elkaar mochten opgesteld staan. Ze moesten zijde aan zijde strijden en 'alles wat de 
broederlijke verstandhouding voor goed belemme- 



(149) ld. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



266 



ren kon, worde uit de weg geruimd' (150) . Wij vinden dezelfde geest weer in het 
hoofdartikel (2 okt.) over de aanstaande verkiezingen: 'nu staan daar nog Vlaamse 
Front en Vlaams Verbond neven mekaar, maar de verkiezingen kunnen zo uitdraaien 
en de eendrachtige werking in het parlement zal wel mee daartoe bijdragen om de 
twee kampen in nauwer voeling te brengen met mekaar' (151) . Doordat deze stemming 
nog een tijd bleef bestaan na de verkiezingen van 16 nov. 1919, is het dan ook pas 
twee jaar later, in nov. 1921, dat het Vlaamse Front (de 'frontpartij') als definitief 
gevestigd kan beschouwd worden. 

Intussen was er voor het Vlaamse Front geen andere uitweg dan te kapituleren, of 
zelfstandig op te treden bij de verkiezingen. De frontleiding verkoos het laatste. In 
gesloten gelederen van fronters en aktivisten die niet al te zeer aangebrand waren, 
zou dit niet kunnen gebeuren. F. De Pillecyn was reeds overgegaan naar de redaktie 
van De Standaard, Gustaaf Sap werd kandidaat op de katolieke lijst in Roeselare-Tielt, 
Leo Vindevogel, een zeer vooruitstrevend en radikaal flamingant aan het front, stond 
op de lijst der katolieke partij te Oudenaarde-Ronse; de ex-gandavensis Arth. Muiier 
had zich aangesloten bij de katolieken en zijn medestudent L. Craeybeckx zou dit 
later doen bij de socialisten. Op de katolieke lijsten kwamen op verscheidene plaatsen 
oud-strijders op, bekend om hun Vlaamsgezindheid. Het Vlaamse Front stond nog 
zonder werkelijke organizatie, zonder geld en meestal zonder kandidaten. Het werd 
een zoeken naar bondgenootschappen. Te Antwerpen was dit niet nodig: men voelde 
er de wind in de zeilen. Op 30 augustus 1919 had een grote meeting plaats in El 
Bardo, een bekende Antwerpse zaal in het centrum van de stad. Van Puymbrouck, 
Debeuckelaere en Borginon voerden er het woord, terwijl namens Turnhout ook een 
kort woord werd gesproken door Jos. Strijckers. Er werd een motie aangenomen met 
eenparigheid van stemmen op negen na, dat het Vlaamse Front zou opkomen overal 
waar de toestand daartoe gunstig was. Een paar dagen tevoren (28 sept.) had 
Debeuckelaere gesproken op een provinciaal kongres in Gent, waarop beslist werd 
over de hele provincie kartel te vormen met de kristen-demokraten (Daensisten). Te 
Brussel, waar de Katolieke Vlaamse Bond met de associatie zou dienen te breken, 
had Borginon reeds vóór 15 augustus een samenwerking met het Vlaamse Front 
voorgesteld, op basis van 



(150) Ons Vaderland, 1 sept. 1919. 

(151) Vgl. ook, verzoenend, Borginon, ibid., 21 en 22 sept. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



267 



het behoud van de zelfstandigheid van elke groep <152) . Uiteindelijk kwam er niets van 
terecht. De afgescheurde Vlaamse katolieken zouden er zelfstandig opkomen onder 
de naam van Kristene Volkspartij, met als kopman Em. Van Dievoet. Te Antwerpen 
voerde Debeuckelaere de lijst aan van de frontpartij; te Mechelen fungeerde Anton 
Van Gelder, uit Antwerpen, als lijsttrekker; te Brussel was Staf De Clercq eerste 
kandidaat en te Leuven de houthakker Pol Davidts; in Oost- Vlaanderen stond 
Borginon op de tweede plaats te Aalst en was Boud. Maes eerste kandidaat te Gent. 
Het Vlaamse Front kwam aldus overal op in Antwerpen, Brabant en Oost-Vlaanderen. 
In West- Vlaanderen werd het een ongelukkige geschiedenis. Men kwam op te Brugge 
en te Oostende. Te leper werd een kartellijst gevormd met Alb. Pil als kandidaat van 
het Vlaamse Front. In Roeselare-Tielt en in Kortrijk was er geen lijst. Ook in Limburg 
was het Vlaamse Front niet opgekomen. Onder deze zeer ongunstige omstandigheden 
werd de strijd aangebonden in een vrij korte verkiezingscampagne. 



(152) Papieren Borginon. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



6 



[Tweede deel] 

Lijst van afkortingen* 



A.C.J.B. 

A.C.V. 
A.C.W. 

A. V.N.V. 

B. V.O.S. 

J.V.K.A. 

K.A.J. 

K.C.V.V. 

K.V.N.V. 

K.V.O.H.V. 

K.V.V. 

N.A.S. 

NAVEA 

SABAM 

V.E.V. 
V.N.J. 
V.N.V. 



Association de la Jeunesse Catholique 
Beige 

Algemeen Christelijk Vakverbond 

Algemeen Christelijk Werkersverbond 

Algemeen Vlaams Nationaal Verbond 

Bond van Vlaamse Oud-Soldaten 
(dochterorganizatie van V.O.S.) 

Jeugdverbond voor Katolieke Aktie 

Katolieke Arbeidersjeugd 

Katolieke Christelijke Volkspartij voor 
Vlaanderen (Gent) 

Katoliek Vlaams Nationaal Verbond 
(West- Vlaanderen) 

Katoliek Vlaams 
Oud-Hoogstudentenverbond 

Kristelijke Vlaamse Volkspartij 
(Antwerpen) 

Nationaal Arbeiderssyndikaat (Verdinaso) 

Nationale Vereniging voor 
Auteursrechten 

Société des auteurs beiges - Belgische 
auteursmaatschappij 

Vlaams Ekonomisch Verbond 

Vlaams Nationaal Jeugdverbond 

Vlaams Nationaal Verbond (Staf De 
Clercq) 



* Vgl. deeli,blz. 11. 



H.J. Elias, 



Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



7 

Hoofdstuk 1 1 De nieuwe aanloop 

1. De verkiezingen van 16 november 1919 

Deze verkiezingen, de eerste op basis van het zuiver algemeen stemrecht, brachten 
een machtsverschuiving tot stand in de verhouding van de partijen waarover wij in 
de volgende paragrafen uitvoeriger zullen handelen. Wij beschouwen ze vooralsnog 
alleen van uit een Vlaams partijstandpunt. Bij de katholieken was er ontegensprekelijk 
een ernstige vooruitgang in Vlaams opzicht. Onder druk van de Katolieke Vlaamse 
Bonden hadden de kandidaten zich zowat overal akkoord verklaard met de eisen van 
het minimumprogramma. Dat er iets veranderd was, zou men dadelijk na de 
verkiezingen merken door de stichting van een schijnbaar machtige Katolieke Vlaamse 
Kamergroep. In Antwerpen waren Van Cauwelaert en Van de Perre gekozen. Te 
Brussel had de Kristelijke Volkspartij twee zetels veroverd. Er vielen ook spijtige 
nederlagen te noteren. In Brugge was Prof. L. Scharpé niet gekozen, evenmin als 
Edm. Rubbens te Dendermonde en te Oudenaarde Leo Vindevogel. Al bij al waren 
in het Vlaamse land de konservatieve en franskiljonse associaties in het defensief 
gedrongen. Bij de socialisten kon men zonder twijfel ook in Vlaams opzicht een 
ernstige vooruitgang bespeuren. Niet alleen door het toegenomen aantal 
volksvertegenwoordigers, maar ook door de gezindheid van een aantal onder hen 
die Huysmans als hun leidsman zouden erkennen en niet de Vlaams-onverschillige 
Anseele. Het Vlaamse Front van zijn kant kraaide viktorie: het behaalde meer als 
zestigduizend stemmen en zag vijf volksvertegenwoordigers gekozen! Een 
nauwkeurige ontleding van de cijfers herleidt dit totaal tot 45.863, al zijn hier dan 
de cijfers van Aalst (11.559) en leper (3.392) bij de berekening weggevallen' 1 '. In 
het arrondis- 



(1) De verkiezingsuitslagen werden door ons ontleend aan het in de algemene bibliografie 

vernoemde Atlas des Elections. Zij werden, voor de uitslagen van de Vlaams-nationalistische 
partij, voor ons bewerkt door de heer Stan De Bruyn die hierover een uitvoerige studie in 
handschrift heeft. Vgl. ook J. DHONDT. De verkiezingsuitslagen in het Vlaamse land tussen 
1919 en 1954, in het tijdschrift Socialistische Standpunten, 11 (1955), 278-288. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



8 



sement Antwerpen behaalde de partij 7.836 stemmen (5,84%), in Brussel 6.390 (Staf 
De Clercq was er juist met de hakken over de sloot). Procentueel was op het platteland 
de toestand hier vrij gunstig: 7.73%. Met het getal van vijf volksvertegenwoordigers 
was het ook niet heel en al in orde. Te Aalst was Van Opdenbosch de kandidaat van 
de 'Kristene Volkspartij' en het scheelde geen haar of de tweede 
volksvertegenwoordiger moest zijn zetel afstaan. Er bestond inderdaad een elektorale 
overeenkomst waarbij de zetels in de provincie voor het kartel dienden verdeeld te 
worden als volgt: eerste, een kristendemokraat; tweede, een fronter (Maes); derde, 
een kristendemokraat. Onder deze voorwaarden moest Borginon de plaats ruimen 
voor de kristendemokraat Jan De Neve uit Aalst. De kristendemokraten vroegen aan 
Borginon (21 nov.) zijn schriftelijk ontslag om dit te kunnen voorleggen aan de 
vergadering waarop zou beslist worden of men al dan niet op uitvoering van het 
akkoord stond. Hij weigerde op deze procedure in te gaan: er moest een beslissing 
genomen worden zonder schriftelijk ontslag zoniet zou hij dadelijk zelf zijn ontslag 
aan de Voorzitter der Kamer aanbieden. Jan De Neve heeft toen al zijn krachten 
ingespannen om de eigen partijgenoten tot zijn standpunt over te halen: hij wenste 
niet naar de Kamer te gaan en wilde Borginon erin. Zo is het dan ook geschied 2 ' De 
Frontpartij stond aldus in de Kamer maar met vier volksvertegenwoordigers 
(Debeuckelaere, De Clercq, Borginon en B. Maes). Al bij al waren de resultaten 
behaald door het Vlaamse Front niet zo slecht, maar van een doorbraak die de 
twijfelaars en de weifelaars in haar krachtige stroming zou meetrekken was voorlopig 
geen sprake meer. 

2. De nieuwe balans der krachten 

Bij het overzicht van de reservekrachten waarop de Vlaamse Beweging in 1914 voor 
de toekomst nog kon rekenen, zagen wij drie faktoren: de demografie, de uitbreiding 
van het kiesrecht en de dynamiek van de Vlaamse gedachte' 3 '. In 1914 waren er 
slechts weinige flaminganten die als een doorslaggevende faktor de groeiende 
industrializering zagen van Vlaanderen, met uitzondering natuurlijk van de grote 
verwachtingen die gebouwd wer- 



(2) Papieren Borginon. 

(3) Vgl. ELIAS, IV, 360. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



9 



den op het Kempens kolenbekken (eerste steenkolen pas in 1917 opgehaald). Wij 
willen thans onderzoeken in welke mate demografie, kiesrecht en ekonomische 
ontwikkeling aan deze flamingantische verwachtingen hebben beantwoord. De 
dynamiek van de Vlaamse gedachte vormt, als vanzelfsprekend, het voorwerp van 
onze hele studie. 

In demografisch opzicht had Vlaanderen in 1918 een voorsprong op Wallonië en 
het heeft die in de volgende jaren behouden. In 1921 waren de verhoudingen in de 
bevolkingscijfers als volgt: Vlaamse provincies met arrondissement Leuven 3 .540.523 ; 
Waalse provincies met arr. Nijvel 2.845.193; arrondissement Brussel 1.093.124. Dit 
maakt een totaal van 7.478.840. In 1939 waren deze proporties, op een totaal van 
8.396.276 inwoners, aldus: 4.157.661 (Vlaanderen), 2.960.768 (Wallonië) en 
1.277.847 (arr. Brussel) (4) . In de bevolkingsevolutie behield Vlaanderen zijn 
betrekkelijk gunstige positie in het geboortenoverschot op het sterftecijfer. In 1938 
was dit in heel het Vlaamse land (met weglating van het arr. Brussel) ruim boven 
het gemiddelde van het Rijk. In heel Wallonië, met uitzondering van Luxemburg, 
ligt het sterftekoëfficiënt alsdan hoger als dat van de geboorten. Alleen Luxemburg 
had een geboortenoverschot, maar dit lag dan nog lager als het gemiddelde van het 
Rijk. De procentuele bevolkingsaangroei, van 1920 tot 1928 was: West-Vlaanderen 
20,1; Oost- Vlaanderen 7,7; Antwerpen, 23,1; Limburg 39,0 en het arr. Leuven 13,7. 
In Wallonië bereikte alleen de provincie Luik met 12,6 een hoger procent als het 
laagste in Vlaanderen' 5 '. 

Deze verhouding in de bevolking had ook haar weerslag op die in het aantal kiezers. 
In 1921 was ze als volgt: Vlaanderen 1.008.670; Wallonië 900.691; arr. Brussel 
317.436 wat in 1939 geworden was respektievelijk 1.271.231; 999.126 en 396.984. 
Deze cijfers geven een merkelijk overwicht aan Vlaanderen op Wallonië, al wordt 
dit, wat de taalverhoudingen betreft, grotendeels gekompenseerd door het 
franssprekend gedeelte van de kiezers uit het arrondissement Brussel, wat de meeste 
Walen niet na- 



(4) LUYKX. Politieke Geschiedenis, o.c., 310. Deze cijfers waren als volgt op 12 dec. 1965: 
Vlaanderen (met arr. Halle- Vilvoorde en de zes randgemeenten) 5.264.558; Wallonië 
3.168.755; Brusselse agglomeratie 1.065.921. In deze getallen zijn 623.894 vreemdelingen 
begrepen. 

(5) G. EYSKENS. Vlaamsche Volkskracht van heden, 1940, 11-12. Deze studie is een overdruk 
uit het boek Over Vlaamsche Volkskracht. Uit de geschriften van Lod. De Raet. Met een 
inleiding door Max Lamberty en slotbeschouwingen over ' Vlaamsche Volkskracht van beden ' 
door G. Eyskens, 1939. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



10 



men waar het ging om wat zij beschouwden als specifieke Waalse belangen. Deze 
verhoudingen hadden, hoewel onvolmaakt, hun weerslag op het aantal 
volksvertegenwoordigers. Deze verhoudingen waren als volgt. In 1919, voor 186 
zetels, Vlaanderen 88; Wallonië 72; arr. Brussel 26. In 1926, voor 187 zetels, gaf dit 
respektievelijk 88, 73 en 26, maar na de zetelaanpassing als gevolg van de 
tienjaarlijkse telling van 1930, werden deze getallen 96 (Vlaanderen), 76 (Wallonië) 
en 30 (Brussel). 

Deze demografische en elektorale verhoudingen hebben een heel sterke weerslag 
gehad op het politieke klimaat in België, vooral na 1930. Bij de bespreking van de 
bestuurstaalwet van 1921 was het reeds zichtbaar dat de Walen vreesden 
geminoriseerd te worden in België. Deze angst werd met de jaren groter en hij werd 
vanzelfsprekend niet verminderd door de verklaringen van zekere 
Vlaams-belgicistische leiders die beweerden het federalisme van de Vlaamse 
nationalisten te verwerpen omdat de Vlamingen hierdoor hun kans zouden verspillen 
om Brussel weerom te veroveren en om in België de leiding in handen te nemen <6) . 
Vele flaminganten hebben hun minimalistische voormannen in deze opvatting gevolgd 
en hun politiek gesteund, tot op de dag dat zij ontdekten hoe de openbare mening er 
in Wallonië op reageerde door een eis van federalisme of eerder nog van pariteit der 
twee ongelijke delen in de eenheidsstaat. 

Wat de Walen misschien nog meer getroffen en geschokt heeft, was de vaststelling 
dat het 'arme Vlaanderen' tussen de twee wereldoorlogen een hogere welstand begon 
te veroveren, terwijl Wallonië ontegensprekelijk erop achteruit ging of op zijn minst, 
ter plaatse trappelde. Dat Vlaanderen in zijn opgang nog sterk ten achteren was op 
Wallonië speelde voor de Waalse agitatoren geen rol <7) . De periode 1918-1940 is 
inderdaad, in haar ge- 



(6) Vgl. in dit opzicht reeds de unitaristische positie ingenomen door Lod. De Raet. ELIAS, IV, 
83. 

(7) Wij volgen in onze uiteenzetting hoofdzakelijk EYSKENS, o.c. Daarnaast het werk van F. 
baudhuin (algemene bibliografie) en de studie van R. van genechten. Vlaanderens 
economische ontwikkeling na den oorlog (1928), een bewerking van een artikel verschenen 
in het Tijdschrift voor economische geographie (Den Haag, 1927). Vgl. ook van hem België 
en Vlaanderen's economische ontwikkeling, in het verzamelwerk Vóór - 1830 - Na, o.c. 
47-49. Men kan verder raadplegen: K. PINXTEN. Het Kempisch Steenkolenbekken (1ste uitg. 
1927 - te lezen in 2de uitg. 1939); M. van caeneghem. Das flamische Bankwesen, in 
Süddeutsche Monatshefte, mei 1929, 588-591; K. BAHRENS. Flanderns Kampf urn die eigene 
Scholle, 1930; L. WAUTERS. De economische ontwikkeling in Vlaanderen sedert 25 jaar, in 
Economisch en Sociaal Tijdschrift, febr. -april 1955. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



11 



heel genomen, voor Vlaanderen een tijdvak geweest van groeiende welvaart en 
ekonomische opgang. De langzame maar aanhoudende verschuiving van het 
ekonomisch zwaartepunt van het zuidelijk naar het noordelijk gedeelte van het land, 
voornamelijk naar Antwerpen, Brabant (Brussel!) en Limburg, reeds zichtbaar bij 
het begin der eeuw, houdt aan en wordt sterker. Alles bij elkaar genomen kunnen 
we zeggen dat de Waalse nijverheid sedert 1896 gekenmerkt wordt door een 
kontraktietendens, terwijl zich voor het Vlaamse land het tegengestelde verschijnsel 
voordoet. Dit is goed merkbaar in de stijging van het aantal industriearbeiders in 
Vlaanderen, in vergelijking met Wallonië. In dit laatste gewest is dit van 1896 tot 
1937 gestabilizeerd op ongeveer 400.000. In Vlaanderen is het, in dezelfde jaren, 
gestegen van 184.000 naar 400.000 terwijl ook Brussel een nijverheids-centrum 
werd, met een aantal werklieden, overwegend Vlamingen, dat steeg van 110.000 tot 
200.000. Procentueel viel aldus Wallonië van 55,9 (1896) op 49,9 (1910) en 
uiteindelijk 40,0 (1937). Vlaanderen steeg intussen van 27,4 over 33,3 naar 40,1 (8) . 

Niettegenstaande deze merkbare groei van de nijverheid in Vlaanderen, blijft de 
betekenis van de landbouw er nochtans zeer groot, maar het uitzicht ervan verandert 
grondig. Volgens de landbouwtelling van 1939, waren op een totaal van 662.382 
personen, bestendig werkzaam in de landbouw, er (afgerond) 308.000 in Vlaanderen, 
106.000 in Brabant en 248.000 in Wallonië. Het kenmerk van dit landbouwbeeld in 
Vlaanderen is het kleine landbouwbedrijf en de intensieve bewerking. Sedert 1918 
werd een grote inspanning gedaan om de intensieve kuituur van industriegewassen 
en de kwaliteitsproduktie van de veeteelt, de tuinbouw en de fruitteelt op te voeren. 
In dezelfde richting werkte ook een betere marktorganizatie. Bij dit veranderd uitzicht 
van de landbouw in Vlaanderen dienen nog een paar kenmerken onderstreept waarvan 
wij verder de grote betekenis zullen zien voor de emancipatie van de Vlaamse boer: 
vooreerst het feit dat, als gevolg van de mechanizering van de landbouwexploitaties 
en van de 



(8) Volgens een nota van de Conseil Economique Wallon, bij M.P. HERREMANS. La Wallonië. 
Ses griefs, ses aspirations, 1951, 123. Vgl. ookK. PINXTEN. Het goed recht van Vlaanderen 
op een actieve overheidspolitiek in Vrijheid en Recht. Orgaan van de Christelijke Unie van 
leraars bij het Rijksonderwijs, VI, nr. 4, 15 april 1955, 4-26, hier blz. 6. In 1947 was de 
verhouding (Brabant niet inbegrepen) 37% voor Wallonië en 43% voor Vlaanderen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



12 



stijging van de lonen, het aantal tewerkgestelden in de agrarische sektor voortdurend 
verminderde en een gedeelte van deze krachten afgeschoven werd naar de industrie 
en de steden. Ten tweede dat op zijn minst een derde van het grondbezit niet in 
handen was van de landbouwers, maar van de kasteelheren en van de burgerij uit het 
platteland en uit de steden. Ten derde dat, als kompensatie voor deze afhankelijkheid 
die in het verleden zo zwaar op de pachter gewogen had, een betere pachtwet de boer 
beschermde tegen het gevaar van willekeurige pachtopzegging (wet van 7 maart 
1929). De groeiende welvaart van de boerenstand in Vlaanderen is, na 1918 en tot 
bij de krisis van 1930, zichtbaar in de deposito's van de Middenkredietkas van de 
Belgische Boerenbond 380.000 goudfranken (1900); 16 miljoen goudfranken (1913); 
229 miljoen (1920) en 750 miljoen (1926) <9) . 

Deze ekonomische ontwikkeling had tot gevolg dat het volk van Vlaanderen 
welvarender en ook geestelijk meer ontwikkeld werd, waardoor het ook vrijer en 
zelfstandiger kon gaan denken en handelen. In ruime mate werd hier ook toe 
bijgedragen door de Belgische wetgeving op het gebied van onderwijs en sociale 
hervormingen, ook zelfs door de taalwetgeving. Na 1918 werd de wet op het lager 
onderwijs (leerplicht) van 19 mei 1914 streng toegepast en ging het analfabetisme 
snel achteruit. Door de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, werd later 
de doorstroming van de lagere naar de middelbare school vergemakkelijkt voor de 
minder begaafde elementen die vroeger struikelden over de taalbarrière. In de 
doorstroming naar de Universiteit bleef het nederlandstalig gedeelte van de 
studentenbevolking nochtans ten achteren op het franstalige. De sociale wetgeving 
anderzijds had een grote invloed op de geestelijke verheffing van het volk. Wij 
vermelden hier alleen maar de wet Vandervelde op het alkoholgebruik (30 aug. 1919) 
en die tot invoering van de achturendag en van de 48-urige werkweek (14 juni 
192 if>) 

De voortschrijdende industrializering van Vlaanderen, die meer werkgelegenheid, 
hogere lonen en meer onafhankelijkheid bracht aan de fabrieksarbeiders, had in 
Vlaams opzicht een paar zeer duistere schaduwzijden. Naast zuiver ekonomische 
nadelen en gevaren (te groot aantal kleine en marginale bedrijven - lagere lonen in 
Vlaanderen als in Wallonië - te groot aantal forensen - gemis 



(9) F. BAUDHUIN, II, 185. 

(10) Voor de sociale wetgeving verwijzen wij naar S.H. SCHOLL (algemene bibliografie), III, 
165-208. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



13 



aan basisbedrijven), lag er op het gebied van de verfransing van Vlaanderen een 
grote bedreiging in deze industrializering besloten, doordat in de voornaamste handels- 
en industriesektoren het kapitaal verfranst was en Brussel, het verfransende, een 
financiële macht geworden was die heel België beheerste. Uit een onderzoek, kort 
na de tweede wereldoorlog ingesteld, van de financiële positie van Brussel, blijkt 
dat aldaar 56% van al de Belgische maatschappijen, waarvan de waarden ter Beurs 
gekwoteerd worden, gevestigd zijn en dat 57% van de beheerdersmandaten van deze 
maatschappijen in de handen zijn van personen die in de hoofdstad of hare omgeving 
wonen. Daarbij wordt meer als drie vierde van alle kapitalen, in België geïnvesteerd 
in banken en maatschappijen, beheerd vanuit Brussel. Dit was ook het geval voor 
bijna al de Belgische maatschappijen gevestigd in de kolonie en in het buitenland, 
en voor meer als een derde van de kapitalen der maatschappijen gevestigd in 
Vlaanderen en in Wallonië. Zelfs het beheer van de import- en exporthandel en de 
scheepvaartondernemingen werd naar Brussel verlegd 01 '. 

De verfransingspolitiek die in Vlaanderen gevoerd werd door deze verfranste 
financiën was vooral dreigend in het Limburgs kolenbekken waarop nog steeds de 
grootste verwachtingen werden gebouwd, niettegenstaande het uitblijven van de 
industrializering waarop men gehoopt had. De aandacht van de vlaamsgezinden 
moest hier wel op gevestigd worden en weldra werd alarm geklept. Op het kongres 
van de Katolieke Vlaamse Landsbond in 1925 werden niet minder dan vier referaten 
voorgedragen over het vraagstuk van de ekonomische ontwikkeling van de Kempen 
en werd ook het probleem van de verfransing behandeld dat er dreigde mede samen 
te hangen. Kort vóór de tweede wereldoorlog werd de openbare opinie in Vlaanderen 
gealarmeerd met de slagzin: 'Vlaanderen, het kolonizatiegebied' (12) . Daarenboven 
dreigde de grote uitbreiding van het toerisme aan de kust een bron van verfransing 
te worden. 

Naast de politieke druk die de vlaamsgezinden op deze toestanden konden 
uitoefenen, vooral op het gebied van het schoolwezen, hebben zij ook, na 1918, 
getracht zich te verweren tegen deze ver- 



(11) Volgens een nota van de Conseil Economique Wallon (20 mei 1947) bij HERREMANS, o.c., 
133. Vgl. G. EYSKENS, o.c, 36-38 en 44-45. 

(12) 

Vgl. de brochure Vlaanderen het Colonisatiegebied, 2 de uitg., febr. 1938, 55 blz., uitgave 
van het K.V.O.H.V., Brussel. Verder ook K. PINXTEN. Limburg een colonisatiegebied, 1939. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



14 



fransing van en door het kredietwezen, door een groepering van Vlaamse ekonomische 
krachten in het Vlaams Ekonomisch Verbond (V.E.V.) in 1926 en door de oprichting 
van Vlaamse banken en kredietinstellingen. Zij verkeerden in de waan, kort vóór de 
krisis van 1930, ook in dit opzicht, een macht te worden. In de Vlaamse Beweging 
was, in de jaren die voorafgingen, de slagzin verspreid van de 'word-rijk-politiek' <13) . 
Deze financiële opgang werd alsdan vertegenwoordigd door drie groepen: de zgn. 
'groep van Leuven', de groep van de Handelsbank in Gent en de groep van het 
Algemeen Beleggingskantoor. 

De voornaamste van de drie was de groep van Leuven. Aan de oorsprong ervan 
ligt de Volksbank van Leuven, gesticht in 1889, maar waarvan de groei pas begint 
na 1918. Het kapitaal van de bank werd, in 1924, gebracht op 40 miljoen en, in het 
kader van een algemene tendens in het Belgische bankwezen, begon ook de Volksbank 
deel te nemen aan de kapitaalvorming, de kapitaalverhoging en de opslorping van 
een reeks kleinere Vlaamse kredietinstellingen: de Bank voor Handel en Nijverheid 
te Kortrijk (een deel van de kliënteel ging naar de Bank van Roeselare), de Bank van 
Ronse, de Gentse Bank voor Handel en Nijverheid, de Algemene Bankvereniging 
(opgericht te Antwerpen in 1921), de Burgersbank van Geraardsbergen, de Crédit 
Général du Brabant Wallon. Het jaar 1928 ziet dan de fusie van de Volksbank met 
de Algemene Bankvereniging. Deze laatste, filiaal, slorpt de moederbank op. 
Tegelijkertijd had een provinciale koncentratie plaats in Oost- Vlaanderen, door de 
oprichting in 1928 van de Bank van Oost-Vlaanderen, voortgekomen uit de 
versmelting van de Gentse Bank voor Handel en Nijverheid, de Bank van Ronse, de 
Burgersbank van Geeraardsbergen, de Volksbank van Wetteren en de Beleggingsbank 
van Aalter. In 1930 werd deze Bank van Oost- 



(13) Naar een bekend woord van de Franse staatsman en historicus Fr. Guizot. Het wordt meestal 
aangehaald als 'Enrichissez vous' dan wanneer het oorspronkelijk gezegde luidde: 'Enrichissez 
vous par le travail et 1'épargne'. Door de promotors van de halve slogan in Vlaanderen werd 
bedoeld de verovering van ekonomische macht. M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c, 280 
eist het vaderschap voor zich op in de tijd toen hij hoofdredakteur was van De Standaard. 
Zie inderdaad De Standaard, 15 en 18 mei 1927. Sterke ophef maakte in dit verband een 
artikel van M. GYSEN in het studententijdschrift Ons Leven: Philologische opmerkingen over 
dewoorden 'arrivisme' en 'arrivist', overgenomen in De Standaard, 19dec. 1927. Vgl. [FL. 
COUTEELE.] Dagboek van een arrivist. Antwerpen, z.j. (193 1). Het Dagboek verscheen in 
Jong Dietschland vanaf 25 april 1929. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



15 



Vlaanderen opgeslorpt door de Algemene Bankvereniging die op dat ogenblik meer 
als 200 zetels of agentschappen had in het Vlaamse land. Ze was een bank van eerste 
rang geworden. De versmelting van de Volksbank van Leuven met de Algemene 
Bankvereniging was geschied met de medewerking van de Middenkredietkas van 
de Boerenbond. Deze bereikte in 1 93 1 haar hoogtepunt: 1 .200 miljoen fr. opgenomen 
door 1.089 Raiffeisenkassen en 700 miljoen fr. rechtstreeks bij haar geplaatst. 

De tweede groep was die van de Handelsbank in Gent, gesticht einde 1918. In 
maart 1925 ontstond hieruit de Fondsenbank in Brussel en later ook de Landbank, 
insgelijks daar. Tot de groep van de Handelsbank behoorden de vijf maatschappijen 
van de verzekeringsgroep Noordstar-Boerhave. De Handelsbank kontroleerde 
verschillende industriële maatschappijen, vooral in de textielbranche. 

De derde groep is vertegenwoordigd door het Algemeen Beleggingskantoor, 
gesticht in 1925 te Antwerpen. Tal van bekende namen uit Vlaanderen waren aan 
de stichting verbonden. Haar vertegenwoordigers speelden een leidende rol in het 
V.E.V. De Algemene Verzekeringsmaatschappij Mercator, gesticht op 24 jan. 1920, 
met Dr. A. Van de Perre als voorzitter van de Raad van Beheer, werd door zekere 
auteurs ten onrechte beschouwd als behorende tot de groep van het Algemeen 
Beleggingskantoor. Dit was slechts tijdelijk het geval voor Mercator-Leven, gesticht 
op 12 dec. 1927, door overname van de portefeuille Leven van Mercator. Voorzitter 
van de beheerraad der Levensverzekeringsmaatschappij Mercator was Frans Van 
Cauwelaert. 

Dit opkomende Vlaamse bankwezen vervulde de Vlamingen met trots en versterkte 
hun zelfvertrouwen. Velen dachten reeds dat het gebeurd was: Vlaams kapitaal in 
Vlaamsgezinde handen! In feite was het nog zeer bescheiden, bijna onbeduidend in 
vergelijking met de verfranste wereld van de Brusselse financie die eveneens in deze 
jaren tot fusies en tot koncentraties overging. Deze bescheiden Vlaamse financiële 
macht werd dan nog in de krisis van 1 930 gebroken. De Handelsbank en het Algemeen 
Beleggingskantoor gingen ten onder. De Boerenbond zelf werd maar gered door een 
staatsussenkomst die men aan de andere groepen niet gegund had, karig aan de 
kapitalistische droom van Anseele, de Banque Beige du Travail. Toen het bankwezen 
gereorganizeerd werd, kwam als Vlaamse bank de Kredietbank voor Handel en 
Nijverheid tot stand die de successie overnam van de Algemene Bankvereniging. 
Deze nieuwe Vlaamse bank vertegenwoor- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



16 



digde, in 1938, slechts 4% van alle Belgische banken (14> ! De Société Générale en de 
Banque de Bruxelles beheersten, met hun beiden, meer dan 50% van het kredietwezen 
in België. Dit beeld van het Vlaamse bankwezen dient, volledigheidshalve, aangevuld 
door een geslaagd experiment van gewestelijke bank: de Bank van Roeselare, gesticht 
in 1924 als een bank voor middenstandsbelangen, die de krisis van 1930 overleefde 
en tot op heden is blijven bestaan als de Bank van Roeselare en West- Vlaanderen. 

Wij hebben, in de voorgaande bladzijden, slechts in zijn grote trekken het beeld 
weergegeven van de ekonomische groei van Vlaanderen en van zijn ontgoocheling 
op financieel gebied. Wij zullen de gelegenheid hebben hier herhaaldelijk op terug 
te keren in het verhaal van de politieke geschiedenis in deze tijdsspanne, om erop te 
wijzen hoe dit ekonomisch aspekt van de Vlaamse ontvoogding steeds meer en meer 
op de voorgrond komt en hoe het ook de Waalse reakties heeft bepaald. Het was 
echter nodig dit globaal te zien om de juiste betekenis ervan te begrijpen en ook de 
oorsprong van veel Vlaamse wrok die hoe langer hoe meer vóór 1940 de opvatting 
deed veld winnen, dat slechts een politieke hervorming van de staat kon verhelpen, 
niet alleen aan de grote karentie van de taalwetten, maar ook aan een 'kolonizatie' 
van Vlaanderen door Brussels, verfransend kapitaal, gesteund op Brusselse en Waalse 
politieke macht. 

3. De positie van de partijen (nov. 1919-nov. 1921) 

Bij een onderzoek van de politieke konstellatie van het land is het eerste verschijnsel 
dat ons treft de zeer grote rol die de liberale partij heeft gespeeld en die, op het eerste 
gezicht, niet in verhouding is tot haar numerieke sterkte (hoogtepunt: 34 
volksvertegenwoordigers in 1919, dieptepunt: 23 in 1936 als gevolg van de opgang 
van L. Degrelle). Dit sproot voort uit het feit, dat geen enkele van de zgn. traditionele 
partijen tussen 1919 en 1940 over een meerderheid heeft beschikt in het parlement 
en een homogene regering aldus uitgesloten was. De liberale partij had een opening 
naar links (antiklerikale invloeden) en een naar rechts (konservatieve strekking en 
franskiljonisme)' 15 '. Ze heeft van deze uitzonderlijke positie zeer handig gebruik 
gemaakt bij zover dat zij alleen maar in de 



(14) Aldus F. CollininJ. FLORQUIN. Ten buize van..., o.c, III (1966), 188. In 1964 was dat aandeel 
gestegen tot 14%. Ibid. 

(15) Voor wat de doktrinaire positie van de liberale partij betreft, leze men de uitstekende 
uiteenzetting van R. FENAUX. Paul Hymans, o.c, 401-455. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



17 



oppositie gestaan heeft onder het zeer kortstondig ministerie Al. Van de Vyvere 
(mei-juni 1925), onder het ministerie Poullet-Vandervelde (juni 1925-mei 1926) en 
het eveneens zeer kortstondig ministerie Pierlot (21-27 febr. 1939). De liberale partij 
is het die, bij de samenstelling van alle regeringen steeds de sterkste hinderpaal was 
voor de verwezenlijking van het Vlaams minimumprogramma. Ze was een bolwerk 
van franskiljonisme, beheerst door de zeer anti-Vlaamse federatie van Brussel waar 
P. Hymans, Alb. Devèze en meer op de achtergrond Ad. Max de leidende figuren 
waren. Zij vonden steun bij PE. Janson, gekozene voor Doornik maar die te Brussel 
woonde. Elke Vlaamse eis tot rechtsherstel vond de liberale partij op zijn weg. De 
liberale volksvertegenwoordigers en senatoren uit het Vlaamse land waren, op weinige 
uitzonderingen na, de vertegenwoordigers van de verfranste burgerij. De schaarse 
Vlaamsgezinde liberalen waren ongeveer machteloos in de partij: L. Franck, de 
'kraaiende haan' heeft na de oorlog blijkbaar geen werkelijke belangstelling meer 
gehad voor de Vlaamse zaak. Wel had, op een liberaal kongres (31 aug. 1919) Jul. 
Hoste verklaard, dat de liberale partij in Vlaanderen zou Vlaams zijn of niet zijn, 
vooral met de invoering van het zuiver algemeen stemrecht, maar de partij werd niet 
Vlaams en bij de verkiezingen van 1929, 1936 en 1939 was het aantal liberale 
volksvertegenwoordigers in het Vlaamse land kleiner als dat van de Vlaamse 
nationalisten (hoogtepunt van de liberale partij in Vlaanderen: 1919 met 15 
volksvertegenwoordigers; dieptepunt 1929 en 1932 met negen). De Vlaamsgezinde 
liberalen mochten moties aannemen zoveel als ze wilden: zij vormden geen politieke 
macht. Prof. Geyl zag de toestand heel klaar in toen hij, na een bezoek aan M. Sabbe 
in mei 1931, zijn gesprak met de konservator van het Plantinmuseum als volgt 
kommentarieerde: de Vlaamsgezinde liberalen zijn politiek volslagen machteloos. 
De pogingen om een zelfstandige politieke macht te vormen kwamen telkens faliekant 
uit. Anderzijds kunnen de Vlaamsgezinde volksvertegenwoordigers op de 
gemeenschappelijke lijst zich niet te weer stellen tegen de Brusselse invloeden. Het 
enige waartoe zij in staat zijn is zich te desolidarizeren van de anti-Vlaamse 
betuigingen van de partij, ten einde de Vlaamsgezinde liberale middenstanders 
(voornamelijk in Antwerpen) niet van zich af te stoten <16) . 



(16) Tekst in De Standaard, 12 april 1967, uit een artikel van A.W. WILLEMSEN in Ons Erfdeel. 
De propagandabrochure van G. ALBERT. Vijftig jaar liberalisme in Vlaanderen, z.pl. z.j., 117 
blz., uitgegeven naar aanleiding van de herdenking der stichting van het Liberaal Vlaams 
Verbond, vijftig jaar geleden (1913), kan de armoede van het politiek Vlaams liberalisme 
niet verbergen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



18 



In de socialistische partij heeft de Vlaamse invloed zich sterker doen voelen' 17 '. Het 
socialisme was in Vlaanderen een niet te onderschatten macht geworden na de 
invoering van het zuiver algemeen stemrecht (24 volksvertegenwoordigers op een 
totaal van 70 voor heel het land). In het socialisme in Vlaanderen stelde zich geen 
vraagstuk van francofonen, buiten het arr. Kortrijk dat een Waals gedeelte omvatte. 
Te Gent drukte op de partij nog wel de onverschilligheid van Anseele, maar over 't 
algemeen zijn anders de socialistische volksvertegenwoordigers als Vlaamsgezind 
te beschouwen. Tegenover deze Vlaamse socialisten stond echter het Waalse blok 
en in overwegende mate ook het Brusselse, in 1919 beslist afwijzend tegenover de 
Vlaamse Beweging. Dit francofone blok te hebben gewonnen voor een socialistisch 
partijprogramma, waarin ook de eisen van het Vlaamse minimumprogramma werden 
aanvaard, was de grote verdienste van Camille Huysmans. 

Hij werd geboren te Bilzen (Belgisch Limburg) op 26 mei 1871 en door zijn 
grootvader, landmeter van het kadaster en liberaal, opgevoed 18 '. Als kleine jongen 
werd hij een slachtoffer van de schoolstrijd in 1879: hij bleef, bij de aanvang ervan, 
de enige leerling van 'de school zonder God' en werd door zijn vroegere 
schoolmakkers ernstig mishandeld. De herinnering hieraan is hem steeds bijgebleven 
en is niet vreemd geweest aan zijn scherp antiklerikalisme. Als politicus wist hij er 
zich boven te stellen, maar de kinderwrok bleef bestaan. Gevormd in het middelbaar 
onderwijs aan het koninklijk ateneum te Tongeren, studeerde hij verder in de 
Germaanse talen aan de Ecole des Humanités te Luik. Hij werd, reeds vroeg, lid van 
de Belgische Werkliedenpartij. Na enkele jaren leraarschap ging hij over naar de 
journalistiek en vandaar naar de politiek. Hij werd in 1908 gemeenteraadslid te 
Brussel en werd aldaar tot volksvertegenwoordiger gekozen in 1910. Hij was een 
overtuigd flamingant, een van de drie 'kraaiende hanen'. Wij hebben, hierboven, 
zijn aktiviteit geschetst tijdens de oorlog. 



(17) Vgl. hier de dissertatie van M. VAN HAEGENDOREN, o.c. en haar groot werk (algemene 
bibliografie). 

(18) Vgl. R. ROEMANS en H. VAN ASSCHE. Camille Huysmans. Een levensbeeld gevestigd op 
persoonlijke getuigenissen en eigen werk (1961); [J. KUYPERS] . Het werk van Kamiel 
Huysmans (1928); KJ. TIMMERMANS. Camille Huysmans (z.j., rond 1928 in de kollektie 
Vlamingen van betekenis, dl. VIII. De binnentitel luidt: Kamiel! of het leven en streven van 
C. Huysmans.) Voor de Vlaamse politiek van K. Huysmans vóór 1914, zie ELIAS, IV, 276. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



19 



Toen in 1919 de grond onder zijn voeten te warm werd in de socialistische partij te 
Brussel, ging hij als volksvertegenwoordiger over naar Antwerpen waar men Dr. 
Terwagne over boord wilde werpen. Met Huysmans, samen met het algemeen 
stemrecht, brak een nieuwe tijd aan voor het socialisme in Antwerpen en Vlaanderen. 
Hij werd de leidende figuur van een Vlaamsgezind socialisme in de partij. Hij was 
een sterke persoonlijkheid en een enig figuur in de politieke fauna van België. Wie 
deze lange, magere man, met het grote voorhoofd en de op- en neerspringende 
adamsappel - zo dankbaar begroet door al de karikaturisten - eenmaal had gezien en 
gehoord, kon hem niet meer vergeten. Hij was geen redenaar, wel een handig, kwiek 
en gevreesd debater. Hij deed zich voor als een spotter en een cynicus. Of hij het in 
de grond van zijn hart ook was, wordt betwijfeld door mensen die dicht bij hem 
gestaan hebben. Hij beet in ieder geval steeds heftig van zich af en onderscheidde 
zich in dit opzicht van Van Cauwelaert die zich veel gemakkelijker door zijn 
aanvallers in het defensief liet dringen. Hij kende de kunst om door een bijtende 
opmerking, door een sarkastische uitval de tegenstander te ontwapenen, om door 
zijn spot de lachers op zijn hand te krijgen. Zeer eerlijk was dit steeds niet. Hij durfde, 
meester van het podium, zelfverzekerd argumenten naar voren brengen waarvan men 
later - pas later, toen het onmiddellijk effekt bereikt was - kon vaststellen, dat het 
zuivere bluf geweest was, een eenvoudig quod gratis affirmatur gratis negatur (wat 
zonder bewijs bevestigd wordt, kan zonder bewijs geloochend worden), op het randje 
af van de bewuste leugen. Hendrik De Man, die hem op zijn weg ontmoette in zijn 
strijd voor het Plan van de Arbeid, was er niet over te spreken en schold hem, zeer 
onrechtvaardig, uit voor 'charlatan'. In zijn politieke loopbaan bleef hij ver van alle 
financiële ambities buiten zijn politieke ambten en niemand heeft hem ooit kunnen 
beschuldigen van enig kompromis in dit opzicht. 

Huysmans was een overtuigd flamingant, maar dan toch binnen zekere grenzen. 
Reeds vóór de oorlog verklaarde hij zich voorstander van de kulturele autonomie. 
Wat hij hiermee juist bedoelde, heeft hij nooit duidelijk uiteengezet. Zeker geen 
wetgevende scheiding, ook niet in het departement van Openbaar Onderwijs. Hij 
had angst voor een 'klerikale' overheersing in Vlaanderen en wilde onder geen 
voorwaarden de Waalse socialisten loslaten, omdat dezen de waarborg waren voor 
het leven van de Vlaamse socialisten. Hij verklaarde het uitdrukkelijk, bij de 
interpellatie Hubin (kamerzitting van 2 maart 1920): ik wil mij niet afscheiden 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



20 



van mijn Waalse vrienden; wij hebben ze nodig om in Vlaanderen ons 

vrij makings werk voort te zetten en ook indien zijzelf wilden afscheuren, dan nog 

zou ik weigeren. 

Als flamingant heeft hij een rol van betekenis gespeeld in de socialistische partij. 
Hij heeft de Waalse socialisten uiteindelijk in 1929 tot een 'kompromis der Belgen' 
gebracht om het taalvraagstuk op te lossen. Dit kon hij bereiken, omdat hij in 
Vlaanderen zelf een aantal Vlaamsgezinde socialisten wist aan te trekken en te leiden. 
In de Oude Kamer (1918-1919) zetelden maar vier socialisten voor heel het Vlaamse 
land. In 1919 waren er 24 volksvertegenwoordigers. In de loop van de volgende jaren 
wordt het hoogtepunt bereikt in 1925 (27 volksvertegenwoordigers) en, na de 
aanpassing van de zetels, in 1936 achtentwintig. Er waren onder hen een aantal 
overtuigde vlaamsgezinden: in de Senaat Aug. Vermeylen en Alb. Deswarte; in de 
Kamer 'de bank van Antwerpen' met vooraan W. Eekeiers, verder D. Bouchery, E. 
Doms, Frans Gelders en Aug. Balthazar. Gesteund door dezen heeft Huysmans het 
akkoord der Walen over het kompromis ook kunnen bereiken, omdat hij als 
taai-flamingant ver stond van alle extremisme en nog een ruime plaats voorzag voor 
de Franse taal in het onderwijs in Vlaanderen. Wat hij verwezenlijkte als minister 
van Openbaar Onderwijs nl. de vernederlandsing met behoud van een derde Frans, 
beantwoordde zonder twijfel aan zijn diepste overtuiging. Zijn houding en zijn politiek 
hebben het, in de jaren na de oorlog, aan jongere radikalen en aktivisten mogelijk 
gemaakt over te gaan naar het socialistische kamp. De bekendste onder hen is L. 
Craeybeckx, die hem later opvolgde als burgemeester van de stad Antwerpen. Ook 
in Gent was Anseele hierdoor geen onoverkomelijke struikelblok meer. Een groep 
jongere intellektuelen schaarden zich om Ach. Mussche die de frontpartij verlaten 
had (1<)) . Zij kregen hier nochtans geen vat op de politiek, al werden zij gesteund door 
Aug. Balthazar die in krijgsgevangenschap te Göttingen vrij dicht bij het aktivisme 
had gestaan. Laatstgenoemde was echter zeer voorzichtig in zijn politiek tegenover 
de oude Anseele en had ook, persoonlijk, geen groot prestige. 

Het kompromis dateert van 1929. Het heeft Huysmans jarenlange, taaie inspanning 
gekost om ertoe te komen. In de jaren 1919-1921 werd in dit opzicht nog niet veel 
bereikt. Op het 30ste partijkongres (19-21 april 1919) was het vraagstuk te berde 
gebracht door 



(19) 



De laatste literaire bijdrage die wij van hem vonden in Ons Vaderland is op 27 maart 1921. 
H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



21 



de Brusselse federatie, maar de landelijke raad was van oordeel dat de taalkwestie 
niet kon behandeld worden zonder voorafgaande studie en stelde voor het probleem 
te bespreken bij het verslag over de algemene politiek. Intussen publiceerden de 
Antwerpse socialisten, op de vooravond van de verkiezingen hun Vlaams programma 
(27 sept. 1919) <20> . De partij zelf had nog geen standpunt ingenomen. De zaak was 
verwezen naar een speciaal kongres. Op het beperkt socialistisch kongres van 11-12 
december werd de voorkeur uitgesproken voor een Nederlandse universiteit naast 
de Franse te Gent. Een motie Eekeiers voor de vernederlandsing van Gent, werd 
verworpen door Walen en Brusselaars met de steun van de federaties van Gent en 
Kortrijk. 

Bij de behandeling van de taalwet op de besturen in de Kamer, was de houding 
van de Waalse socialisten zeer afwijzend, zoals wij verder zullen zien. Er was, op 
de vooravond van de verkiezingen, nog geen het minste dynamisme uitgegaan in 
Vlaams opzicht van de socialistische partij als dusdanig en een akkoord tussen 
Vlaamse en Waalse socialisten over een gemeenschappelijk programma in dit opzicht 
scheen nog een verre toekomstdroom. Over de kommunistische partij, opgericht op 
22 mei 1921, dient in verband met de Vlaamse Beweging, niet gesproken. In latere 
jaren zal ook hier het vraagstuk wel een oplossing moeten krijgen, maar van grote 
betekenis kon dit niet zijn: de kommunistische partij heeft, tussen de twee 
wereldoorlogen in, nooit een kamerzetel kunnen veroveren in het Vlaamse land. 

Indien de balans volkomen negatief is voor de liberale partij en voorlopig nog maar 
zeer beperkte vooruitzichten bood aan de socialistische kant, zo was dit niet het geval 
voor de katolieke partij. Hier was Vlaamse stuwkracht en werd men bovendien zeer 
heftig en, elektoraal, gevaarlijk door de Vlaamse nationalisten in de rug gepord. Het 
minimumprogramma vond er gezagvolle en knappe 



(20) Het Vlaamsch programma der Antwerps che socialisten, vastgesteld op 27 sept. 1919 (met 
een toelichting door C. Huysmans). Wij hebben dit socialistische verkiezingspamflet niet 
gezien, maar in De Volksgazet (30 sept.-l oktober 1919) verscheen als hoofdartikel 'De 
bespreking van het Vlaamse vraagstuk in de federatie der W.P. van Antwerpen' met het 
voorgestelde programma dat eenparig werd goedgekeurd. Het is het verslag van de vergadering 
waarop het programma werd besproken. In zijn inleidend woord deelde de voorzitter, W. 
Eekeiers, mede dat Antwerpen en Gent niet tot een overeenkomst waren geraakt over het 
vraagstuk van de Vlaamse hogeschool. De federatie van Gent bleef bij haar standpunt: geen 
vervlaamsing maar een nieuwe hogeschool. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



22 



verdedigers, waarbij Frans Van Cauwelaert met hoofd en schouders boven zijn 
flamingantische partijgenoten uitstak. 

Frans Van Cauwelaert (voor de burgerlijke stand Jan Frans) werd geboren te 
O. -L.-V. -Lombeek in het Brabantse Pajottenland op 18 jan. 1880 <21) . Hij behoorde 
tot een welgestelde boerenfamilie. Zijn humanioraopleiding kreeg hij in het befaamde 
klein seminarie te Hoogstraten, een nest van flamingantisme in een natuurlijk verzet 
tegen het verfranst onderwijs. Hij was een schitterend leerling. Van Hoogstraten ging 
het naar Leuven. Hij studeerde er tomistische wijsbegeerte aan het toen 
wereldbefaamde instituut onder leiding van D. Mercier, de latere kardinaal. Deze 
studies konden nergens toe leiden in het praktisch leven, tenzij tot een professoraat 
in de wijsbegeerte. Tijdens dit eerste verblijf te Leuven werd hij de grote 
studentenleider en medestichter van het A.K.V.S. De ambitie van Van Cauwelaert 
was een professoraat te Leuven. Ofschoon hij sekretaris geweest was van Mercier, 
schijnt deze hem niet gewenst te hebben als professor in Leuven, zelfs niet in België 
(nl. te Luik). Na een paar jaar studie in het buitenland, werd hij hoogleraar in de 
wijsbegeerte te Fribourg (Freiburg) in Zwitserland, zonder voeling te verliezen met 
Vlaanderen. In 1910, toen men te Antwerpen in de Nederduitse Bond moest voorzien 
in de opvolging van Edw. Coremans, haalde Dr. Van de Perre de jonge hoogleraar 
over om zich als kandidaat-volksvertegenwoordiger te laten voordragen. Hij werd 
gekozen. Daarna keerde hij terug naar Leuven om er in 1913 het diploma van doctor 
in de rechten te behalen en zich in Antwerpen te vestigen als advokaat. Als pas 
verkozen volksvertegenwoordiger zette hij in de Kamer de traditie voort van de 
Nederduitse Bond en trad er op de voorgrond bij de behandeling van de school- en 
van de legerwet, niet steeds tot voldoening van de radikalen in de Beweging. Hij was 
de derde en jongste van de 'kraaiende hanen'. Stond hij in het volle licht voor zijn 
flamingantische aanhangers, die in hem de redding en de toekomst van Vlaanderen 
hebben begroet, dan was hij in de katolieke partij toch nog maar een aankomeling, 
'een belofte' zonder groot gezag. 

De oorlog bracht Van Cauwelaert op de voorgrond. Hij behoorde tot de groep van 
de passieve Vlamingen, maar bleef strijdend 



(21) Bibliografie bij ELIAS, IV, 396. Vgl. verder F. VAN CAUWELAERT. Hoe ik burgemeester van 
Antwerpen ben geworden, in Dietsche Warande en Belfort, 1960, 387-394; H. BORGINON. 
Er had een andere Van Cauwelaert kunnen zijn, in De Maand, mei 1962, 212-216. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



23 



Vlaams. Wij hebben hierboven zijn politiek geschetst: een onverbiddelijk tegenstander 
van het aktivisme, niet alleen in zijn taktische opzet, maar ook in de politieke 
kerngedachte ervan, de Vlaamse zelfstandigheid; weerbarstig tegenover de 
frontbeweging waarvan de leiders zich van hem losmaakten. Zij waren aanhangers 
van de zelfstandigheidsgedachte. Hij kwam voor alle Vlamingen op de voorgrond 
van de Vlaamse aktie doordat hij, heel de oorlog door, het mikpunt was van de 
aanvallen, zowel van de aktivisten als van de Belgische nationalisten. Hij keerde uit 
de oorlog terug met wat hij dacht een macht te zijn, het Vlaams-Belgisch Verbond. 
Hij kreeg dadelijk een werkelijke macht in handen door het dagblad De Standaard. 
Thans stond hij ook met een vaster omlijnd programma: het zgn. minimumprogramma 
van het Vlaams-Belgisch Verbond. In zijn politieke loopbaan is er een opvallend 
vaste en konstante lijn te vinden die wij reeds uitgestippeld zien in zijn eerste politieke 
voordracht, in 1905, voor het Davids fonds. Hij is nooit afgeweken van de twee 
volgende principes: de trouw aan de eenheid van de katolieke partij en het 
onverbiddelijk verzet tegen elke gedachte van scheiding als grondslag van een 
Vlaamse aktie. Hij is de felste tegenstander geweest die het Vlaams nationalisme, 
vanaf zijn doorbraak in het bezet gebied en aan het front, heeft gekend. In de trouw 
aan beide beginselen, werd elke ontsporing, gevaarlijk voor zijn eigen toekomst, 
vermeden. 

Zoeken we inderdaad naar de motieven die de houding en de politiek van Van 
Cauwelaert in dit opzicht hebben bepaald, dan vinden we deze zowel in zijn opvatting 
over de Vlaamse Beweging als in zijn karakter en ambities. Hij heeft zijn filosofische 
opvatting over de Vlaamse Beweging als hoofdzakelijk een kuituurbeweging reeds 
vastgelegd vanaf zijn leiderschap in de studentenbeweging en, op de vooravond van 
zijn politieke loopbaan, in zijn voordracht over Zelfkultuur als maatschappelijk 
hervormingsmiddel. De Vlaamse Beweging is voor hem een strijd tot innerlijke 
hervorming van de Vlaamse mens <22) . Het zwaartepunt ligt voor hem niet zozeer in 
de Kamers (verovering van de politieke macht) als daarbuiten, bij het volk zelf en 
in het privé-initiatief. Hij stelde, tegenover de Vlaamse zelfstandigheidsgedachte, 
die streefde naar politieke zelfbeschikking, een reeks formules die afwisselden met 
de tijd maar in hun essentie steeds gericht waren op het behoud van de Belgische 
eenheid: tijdens de oorlog was 



(22) ELIAS, IV, 107 en volg. Vgl. Vrij België, 26 nov. 1915. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



24 



deze formule 'de bestuurlijke aanpassing', in de eerste jaren erna wordt dit het 
'grondwettelijk zelfbestuur' (autonomie van provinciën en gemeenten), later nog de 
formule van de aanstelling van staatssecretarissen. Hij wist dit alles met veel retoriek 
te omgeven en daarbij, voor zijn Vlaamse toehoorders, steeds een beroep te doen op 
het heil van Vlaanderen als zijn enig en hoogste doel. Het valt echter niet te ontkennen, 
dat deze filosofische en politieke opvatting over de Vlaamse Beweging volledig 
beantwoorden aan het karakter en de ambities van Van Cauwelaert. Hij was door de 
natuur buitengewoon rijk begaafd. Lichamelijk was hij een imponerende 
persoonlijkheid, met zijn rijzige gestalte, zijn mooie baard en fonkelende ogen. 
Geestelijk stond hij hoog boven de middelmaat. Hij was daarbij van een grote 
welsprekendheid. Hij behoorde tot de beste redenaars van het hele Nederlandse 
taalgebied. Volledig intellektueel gevormd in het Frans, beheerste hij deze taal 
voortreffelijk, zonder erin nochtans de welsprekendheid te bereiken die hij in zijn 
moedertaal bezat. Hij was een van de zeldzame mensen die werkelijk als perfekt 
tweetalig mocht beschouwd worden. Daarbij was hij zich zeer bewust van zijn waarde, 
sterk egocentrisch en niet zonder zekere ijdelheid. Hij zag zich aan als de leider van 
de katolieke Vlaamse Beweging en toonde zich uiterst gevoelig waar het zijn prestige 
als dusdanig betrof. Tegenspraak prikkelde hem. Hij was er de man niet naar om 
breed overleg te plegen, maar wilde gevolgd worden. Een konversatie met hem werd 
onvermijdelijk voor hem een monoloog. Dit was reeds het geval toen hij, 
volksvertegenwoordiger, opnieuw te Leuven kwam studeren. 

In zijn verdere leven is het ook zo gebleven. Ik herinner mij de ontstemming van 
een delegatie uit de textielnijverheid die hem, in 1934, als minister van Nijverheid, 
om een onderhoud had verzocht om de moeilijke situatie van de textielbedrijven met 
hem te bespreken. Deze heren hadden ternauwernood de gelegenheid hem het 
voorwerp van hun bezoek te doen kennen. Hij ontnam hun dadelijk het woord, hield 
een lange uiteenzetting over het onderwerp en dankte de delegatie die de kans niet 
kreeg haar eigen wensen voor te dragen. Hij was er diep van overtuigd, dat een man 
van zijn waarde niet thuis hoorde in de oppositie: zijn plaats was aan de hoogste 
toppen. Hij heeft alles verkregen wat hij wenste: burgemeester van Antwerpen, 
staatsminister, minister, eerste burger van het land in zijn hoedanigheid van voorzitter 
van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Slechts één erepost kon hij niet bereiken: 
hij is nooit eerste minister geworden. Wij zijn er, 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



25 



voor ons persoonlijk, van overtuigd dat dit de enige erepost is in de Belgische cursus 
honorum die hij niet bereikte ter wille van zijn flamingantisme: een ministerie Van 
Cauwelaert was voor franskiljons en Walen ondenkbaar en onaanvaardbaar. Dat hij 
geen man van jarenlange oppositie kon zijn hangt ook samen met zijn karakter. Hij 
was geen 'harde'. Men kon hem op het vlak van de Belgische politiek gemakkelijk 
in de hoek dringen en hij was te vlug bereid tot kompromissen. De eerste 
ontgoocheling voor zijn Vlaamse vrienden was in 1906 zijn houding tegenover de 
'Instructions Collectives' van de Belgische bisschoppen over de vernederlandsing 
van het onderwijs: hij was de enige leek om de verdediging ervan op zich te nemen (23) . 
De zorg om de eigen toekomst was hier niet vreemd aan. Hij had als doctor in de 
tomistische wijsbegeerte geen vooruitzichten indien de kardinaal hem daarbij niet 
in het zadel hielp (24) . Typisch was ook zijn houding in 191 1-1912 toen Ph. Van Isacker 
door hem ertoe aangezet werd een plaats als hulpbibliotekaris in het parlement aan 
te vragen. Toen men daarbij op moeilijkheden stootte, gaf hij aan Van Isacker de 
raad af te zien van zijn Vlaamse taalgrensaktie om benoemd te kunnen worden (25) . 
Hij had daarenboven een zeer sterke zin voor verantwoordelijkheid tegenover zijn 
gezin en aarzelde niet hierop de klemtoon te leggen als dit nodig was om zijn 
toegevingen goed te praten. Dr. Depla heeft het argument van de jongere Van 
Cauwelaert meer als eens gehoord. Hij verklaarde het te kunnen aanvaarden maar 
volgens hem had Van Cauwelaert, onder deze omstandigheid, als eerlijke Vlaming, 
het leiderschap in de Vlaamse politiek moeten neerleggen' 26 '. Het is zeker dat Van 
Cauwelaert, indien hij niet onverschillig was voor eerbewijzen en ook niet vrij van 
persoonlijke machtshonger, evenmin onverschillig stond tegenover 'het slijk der 
aarde'. Hij heeft, tijdens zijn burgemeesterschap, ook hier een voldoende 
maatschappelijke standing weten te veroveren. Het was in de jaren van de 
'wordrijk-politiek' en hij werd niet alleen medegesleurd in de stroming maar trachtte 
er ook zijn rol in te spelen. Het werd een jammerlijke mislukking die hem op een 
bepaald ogenblik ertoe bracht ontslag 



(23) ELIAS, IV, 188. 

(24) Volgens een verklaring van zijn houding tegenover Jef Goossenaerts die dit later mededeelde 
aan H. Borginon. Mededeling Borginon. H.J.E. 

(25) Vgl. elias, iv, 396, n. 32. 

(26) J.A. SPINCEMAILLE in Over Dr. Depla, kollektieve brochure inde reeks Branding, sept. 1927, 
blz. 27. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



26 



te geven als minister. Zijn politieke carrière was sterk in gevaar. Hij was daarbij 
echter persoonlijk ver gebleven van financieel geknoei en er kon hem geen misbruik 
van zijn openbare ambten worden aangewreven, zodat hij deze diepste beproeving 
politiek zeer vlug ongeschonden te boven kwam. 

Indien Van Cauwelaert in zijn politiek te vlug en tot te veel kompromissen bereid 
was, kan dit niet beweerd worden van zijn verhouding tot de Vlaamse nationalisten. 
Hij had het reeds in 1918 gezegd, in zijn dispuut met Borginon: hij zou zich met de 
zweep niet laten drijven waar hij niet heen wilde. Hij heeft niet opgehouden het 
Vlaams nationalisme te bevechten, ook toen hij er, in de jaren dertig, gevaar bij liep 
de steun van de Katolieke Vlaamse Landsbond te verliezen en het front der Leuvense 
professoren met Nieuw Vlaanderen tegen zich kreeg. Toen stond hij sterk genoeg in 
de katolieke partij en in de Belgische politiek om ook dat erop te wagen. Elk 
kompromis met de nationalisten zou voor hem de betekenis gekregen hebben van 
de mislukking van zijn eigen politiek en zijn Vlaams leiderschap. De man van 
kompromissen stond hier als een onwrikbare rots. In een van de episodes van zijn 
leven, waar hij de gelegenheid had een tegenstander te vloeren voor een Vlaams 
publiek, op het kongres van de Katolieke Vlaamse Landsbond in 1 928 waar hij heftig 
werd aangevallen door Prof. Daels, verklaarde hij een grote vergadering belegd te 
hebben te Antwerpen, kort na de oorlog, waar hij een oproep gedaan had tot alle 
Vlamingen van goeden wil en ook aan de frontpartij een eerlijk bondgenootschap 
had aangeboden, maar - voegde hij er patetisch aan toe - ieder maal dat wij onze 
hand hebben uitgestoken, spuwde men erin! Wat Van Cauwelaert zegde was juist, 
maar zeker is het toch dat hij nooit een hand heeft toegestoken tot een 
bondgenootschap met de frontpartij, tenzij men daardoor zou verstaan een eenvoudige 
terugkeer naar de katolieke partij, met een in-bewaring-geven van de portefeuille 
'zelfbestuur' in de vestiaire, tegen inruiling voor een paar leiders van een verkiesbare 
plaats op de katolieke lijst. Dat het hem anderzijds wel mogelijk was 
bondgenootschappen en kompromissen te sluiten op een verengd minimumprogramma 
bewijst, na de open brief aan Mgr. Rutten die wij reeds besproken hebben, de zeer 
slap-flamingantische houding van een gedeelte der leden van de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep. In verband hiermede dient toch opgemerkt dat men van Vlaams 
nationalistische zijde, in de eerste jaren na de oorlog, onrechtvaardig is geweest toen 
men hem het verwijt toestuurde de moed niet te hebben om de regering te doen 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



27 



vallen op zijn Vlaamse eisen. De waarheid is dat hij het wel beproefd heeft, maar 
door de Katolieke Vlaamse Kamergroep niet werd gevolgd. Niet hij was toen de 
machtige man, de leider die men volgde. Dat kon zo schijnen op openbare 
vergaderingen, op de hoogfeesten van het katoliek flamingantisme, maar achter de 
schermen werd de politiek in de eerste plaats nog bepaald door Van de Vyvere, 
Poullet en ook Helleputte. Wij zullen herhaaldelijk de gelegenheid krijgen om dit te 
bewijzen. 

Toen Van Cauwelaert na de oorlog terugkwam, werd in de katolieke Vlaamse 
burgerskringen te Antwerpen zijn leiderschap dadelijk aanvaard. In augustus 1919 
verdween voorgoed de Nederduitse Bond, met de onmogelijk geworden naam. In de 
plaats ervan kwam de Antwerpse Volksbond, onder voorzitterschap van H. Lebon. 
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 24 april 1921 kwam Van Cauwelaert, eerste 
kandidaat van de Volksbond, als derde voor op de katolieke lijst na de kandidaten 
van de Associatie (nr. 1) en van die van de kristelijke arbeiders (nr. 2). De uitslag 
van de verkiezingen gaf 15 katolieken, 14 socialisten, 13 liberalen en 3 fronters. 
Tegen de verwachtingen van deze laatsten in had men ze voor geen enkele van de 
mogelijke kombinaties nodig. Zij telden niet mee. Toen op een bepaald ogenblik de 
liberalen bleven wrokken om hun nederlaag en de katolieken zich keerden naar de 
socialisten, weigerde Ryckmans van de katolieke associatie, aangeduid als toekomstig 
burgemeester, zijn partij te volgen. Onder deze omstandigheden werd Van Cauwelaert, 
eerder toevallig, voorgedragen als burgemeester en, na lang aarzelen van minister 
Carton de Wiart, ook benoemd (28 okt, staatsblad van 3 nov). 

Hier had de leider van de katolieke, minimalistische flaminganten, de voet in de 
stijgbeugel. Hij bleef burgemeester tot na de gemeenteraadsverkiezingen van 1932, 
toen de socialisten het bondgenootschap opzegden. Hij was toen reeds tot minister 
van Staat benoemd (193 1). De vraag is opgeworpen: heeft dit burgemeesterschap de 
flamingantische leider niet te zeer opgeslorpt en in zijn Vlaamse strijd aldus geremd? 
De vraag werd nog anders gesteld, en door vrienden van hem: heeft het 
burgemeesterschap hem niet zo sterk gebonden aan officieel machtsvertoon, heeft 
het niet zo sterk zijn ijdelheid gestreeld en zijn ambitie voor de toekomst gevoed, 
dat hij voor Vlaanderen verloren was als de leider van een oppositie die meer zou 
verkregen hebben, indien ze niet zo onvoorwaardelijk aan de verleidingen van de 
macht had toegegeven? Wij kunnen de vraag niet beantwoorden. Er zijn teveel 
tegenstrijdige aspekten in de figuur van Van Cauwelaert die om een 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



28 



uitleg vragen en te weinig is ons nog bekend van wat achter de schermen gebeurde. 
Te veel getuigenissen zijn verdacht van partijdigheid, zowel bij zijn volgelingen als 
bij zijn vijanden. Toch kan men één zaak niet loochenen: hij is tot het einde toe een 
oprecht flamingant gebleven. Hem werd daarbij de vreugde niet onthouden de 
ineenstorting te beleven van het Vlaams nationalisme dat zijn bitterste vijand geweest 
was. Hij beleefde ook, reeds voor en verder na de oorlog, de vlaams-nationale 
kapitulatie van een paar vooraanstaanden uit het nationalistisch kamp, die hem, het 
meest principieel, jaren lang hadden bestreden. 

Van Cauwelaert had, tijdens de oorlog, aan de leiders van de frontbeweging beloofd 
samen met hen, indien nodig, na de oorlog op de barrikade te staan. Mogelijk is het 
dat enkelen onder de 'frontratten' dit toen werkelijk in de letterlijke zin van het woord 
hebben opgenomen. Er werd aan het front wel eens gedacht aan de mogelijkheid van 
een staatsgreep na de oorlog, indien deze eindigde met een vrede door vergelijk op 
de IJzerlinie' 27 '. Van Cauwelaert heeft hier zeker en vast nooit aan gedacht. De 
barrikade was voor hem de strijd op de tribune van het parlement en ook daarbuiten. 
Wij hebben gezien hoe hij in dit opzicht reeds vanaf de Troonrede positie genomen 
heeft en hoe deze aanval in het parlement ingeleid werd door de interpellatie van de 
drie Van's, buiten de Kamer door De Standaard en het mislukte Algemeen Vlaams 
Verbond. Na de verkiezingen van november 1919, stonden de kansen voor het Vlaams 
minimalisme gunstiger in de katolieke partij als in de andere partijen, al zou er nog 
hard moeten gevochten worden. Tijdens de oorlog hadden twee bekende 
vlaamsgezinden, Al. Van de Vyvere en Georges Helleputte, zich in het ministerie 
weten te handhaven, terwijl minister Poullet overkwam naar Vlaamse zijde. De 
Antwerpse volksvertegenwoordigers Van Cauwelaert en Van de Perre waren sterk 
op de voorgrond getreden. In het eerste ministerie Delacroix (21 nov. 1918-17 nov. 
1919) waren er drie Vlaamsgezinde ministers weggevallen, maar zij bleven de Vlaamse 
zaak trouw. Wij zagen Van de Vyvere in de bres bij de interpellatie van de drie Van's. 
Wij vinden Helleputte als voorzitter van het eerste katoliek Vlaams kongres te 
Antwerpen (23-24 mei 1920). Op zondag 11 aug. 1919 sprak Pr. Poullet voor het 
minimumprogramma op een vergadering van de Associatie te Leuven en de week 
daarop op een grote volksverga dering aldaar waar hij het woord voerde samen met 
Van de Vy- 



(27) Mededeling Borginon. H.J.E. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



29 



vere en Van Cauwelaert <28> . Bij de verkiezingen van nov. 1919 was de katolieke partij 
nog maar een los verband van verschillende belangengroepen. Een Vlaamse 
belangengroep bestond er niet en er is van katolieke Vlaamse zijde ook geen poging 
gedaan om deze te vormen. Van Cauwelaert beweerde, veertig jaar later, dat het in 
1919-1920 niet moeilijk zou geweest zijn een katolieke Vlaamse partij op te richten, 
maar dat men dit bewust van de hand gewezen had, omdat men ervan overtuigd was 
het minimumprogramma niet te kunnen verwezenlijken, indien het tot een scheuring 
kwam in de katolieke partij <29) . Het valt, naar ons oordeel, zeer te betwijfelen of deze 
mogelijkheid tot vorming van een katolieke Vlaamse partij heeft bestaan, tenzij als 
een alliantie van de groep Van Cauwelaert met het Vlaamse Front, waarbij het een 
open vraag blijft wie, in de katolieke rangen, Van Cauwelaert zou gevolgd zijn. Reeds 
vroeg (juni 1919) kwam er aldus in West-Vlaanderen, mede onder invloed van Gust. 
Sap, die geen carrière wenste te zoeken in de oppositie, een akkoord tot stand tussen 
het Katoliek Vlaams Verbond en de Associatie, op grond van het minimumprogramma 
dat iedereen verklaarde te aanvaarden. Te Antwerpen onderschreven Van Cauwelaert 
en Van de Perre het manifest van de Antwerpse volksvertegenwoordigers dat 'het 
zgn. minimumprogramma... ons volledig Vlaams program' noemde, omdat er niets 
afkon, maar ook omdat het in tegenstelling stond tot de eis van zelfbestuur' 30 '. Toen 
waren reeds alle bruggen met het Vlaamse Front opgeblazen. Tegen de mogelijkheid 
om een katolieke Vlaamse partij tot stand te brengen buiten een alliantie met het 
Vlaamse Front, pleit ook de duidelijke evolutie in de katolieke rangen tot vorming 
van een partijfederatie op grond van de zich duidelijk aftekenende groepsbelangen. 
Deze tendens kreeg een vaste vorm op 14 sept. 1921 door de stichting van de 
Belgische Katolieke Unie, toen nog Katoliek Verbond van België geheten (31) . 

De katolieke partij werd hierdoor een standenpartij, verdeeld in vier groeperingen: 
de Fédération des Cercles (de Associaties met sterk franskiljonse inslag), de 
Boerenbond, de Kristelijke Federatie van de Middenstand en het Algemeen Kristelijk 
Werkersverbond (A.C.W.), zelf op zijn beurt een overkoepelende organizatie 



(28) L. MOYERSOEN, O.C., 361. 

(29) J. FLORQUIN, o.c, n, 227-228. 

(30) Ons Vaderland, 7 okt. 1919. 

(31) M. CORDEMANS. Edmond Rubbens, o.c, 152. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



30 



van de kristelijke arbeidersbeweging. Het zwaartepunt lag in deze groeperingen 
vanzelfsprekend in de verdediging van het groepsbelang. In welke mate werd hier 
het minimumprogramma van het Algemeen Vlaams Verbond ook in dit streven 
opgenomen? Het antwoord op deze vraag wordt ons gegeven op het kongres van de 
Katolieke Vlaamse Landsbond in 1926. Hier kwamen vertegenwoordigers van de 
verschillende standen aan het woord om toe te lichten wat op Vlaams gebied door 
deze standenorganizaties werd gepresteerd. De franstalige burgerij van de Fédération 
des Cercles trad er natuurlijk niet op: het was een grote remmende kracht. Voor de 
drie andere standen was de inventaris vlug opgemaakt. Voor de Middenstand en de 
Boerenbond viel er niets te vermelden, buiten het feit dat zij Vlaams waren. Wel kon 
de Boerenbond hier ook nog verwijzen naar art. 3 van het programma, aangenomen 
op de algemene vergadering van 9 juni 1919: 'volkomen gelijkstelling, in rechte en 
in feite, der beide landstalen inzake onderwijs, van hoog tot laag, bestuur, gerecht 
en leger', maar van een aktie om dit artikel in de werkelijkheid om te zetten, viel 
niets te bespeuren. Voor het A.C.W. gaf de voorzitter, H. Heyman eveneens als taak 
het opwekken van het Vlaams bewustzijn bij de arbeiders en als praktische bijdrage 
hiertoe het medevieren van de elfde-julifeesten, het steunen en aannemen van moties 
voor Vlaamse eisen, het feit dat de kristendemokratische volksvertegenwoordigers 
en senatoren optraden voor de verdediging van deze Vlaamse eisen <32) . Herhaaldelijk 
is inderdaad op de kongressen van het A.C.W. het Vlaamse vraagstuk behandeld. Wij 
zullen, bij tijd en wijle, hierop terugkeren. Toen in 1920 - nog vóór de stichting van 
het A.C.W. - een brochure verscheen over de werking van de kristelijke vakbeweging 
vanaf de wapenstilstand tot op 31 maart 1920, was hierbij in 'Ons Standpunt' geen 
speciaal punt over de Vlaamse Beweging opgenomen en hield men zich bij de 
algemene formulering: 'wij hebben evenveel rasbewustzijn als de beste flaminganten 
of wallonisanten'. Toen op 17-18 juli 1921 het A.C.W. ontstond uit het vroegere 
Algemeen Demokratisch Verbond, kon men er onder art. 2 van het programmaontwerp 



(32) In het Volledig verslag van het zesde kongres van de Katholieke Vlaamsche Landsbond, 
1926. Over kristen-demokratie en Vlaamse Beweging, vgl. S.H. SCHOLL, o.c, iii, 284-290. 
Over de positie van H. Heyman, tweede voorzitter van het A.C.V. en eerste voorzitter van 
het A.C.W., zie zijn boek Grepen in het sociaal leven. Eene reeks sociale studiën (1919), 
hoofdstuk iv over sociale beweging en Vlaamse Beweging. Vgl. over hem, vóór de oorlog, 
elias, iv, 254-255. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



31 



lezen: de gelijkheid van Walen en Vlamingen in feite. Men mag echter de betekenis 
van het A.C.W. niet overschatten. Het was het overkoepelend organisme voor het 
Algemeen Kristelijk Vakverbond (A.C.V.), de mutualiteiten, de werkliedenbonden, 
de vrouwengilden en de arbeidersjeugd (de zgn. Kaj otters). Het zwaartepunt lag hier 
bij het A.C.V. en dat heeft zich om de Vlaamse aktie niet bekommerd. Het A.C.W. 
zelf kwam pas tot meer leven in 1927 toen P.W. Segers sekretaris werd te Brussel 
en tot opdracht kreeg een politiek sekretariaat in te richten. Niettegenstaande deze 
restrikties dient nochtans onderstreept dat in de kristendemokratie een Vlaamse geest 
heerste. Zonder allen flamingant te zijn, was de groep leidende priesters en leken 
toch uitsluitend samengesteld uit Vlamingen. Het A.C.W. met zijn vertakkingen is 
echter zeer sterk partijgebonden gebleven, wat ook de uitdrukkelijke wil was van 
het Belgisch episkopaat dat zijn invloed in deze richting door de reeds genoemde 
priesters kon laten gelden. Wij zullen, in de loop van deze studie, kunnen vaststellen 
hoe enkele plaatselijke pogingen tot een akkoord met de Vlaamse nationalisten 
vastliepen en hoe, bij de ontwikkeling van de vakbondorganizaties van deze 
nationalisten, dit tot een heftige bekamping ervan door de groepen van het A.C.W. 
heeft geleid. 

In de Katolieke Unie was aldus geen plaats voor een flamingantische groepering 
en Van Cauwelaert wenste er ook geen tot stand te brengen. Over welke middelen 
beschikten dan de vlaamsgezinden om hun wil in de partij door te zetten? Wij zien 
er drie: het dagblad De Standaard, de Katolieke Vlaamse Landsbond en de Katolieke 
Vlaamse Kamergroep. De politiek van De Standaard, een degelijk opgestelde krant, 
werd bij zijn oprichting en in de eerste jaren die erop volgden, bepaald door het 
tweespan Van de Perre-Van Cauwelaert. De houding van Dr. Van de Perre werd 
voor de Vlaamse nationalisten een ontgoocheling. Hij had, tijdens de oorlog, het 
volle vertrouwen blijven genieten van de leiders van de frontbeweging. Erna zagen 
vele radikaalgezinden in hem de man die enerzijds de katolieke Vlaamse Beweging 
in een radikaler richting (zelfbestuur) zou voortstuwen en die anderzijds de brug zou 
vormen in de toenadering tussen katolieke minimalisten en katolieke Vlaamse 
nationalisten, ook nog na de eerste breuk van aug. -november 1919. Bij de interpellatie 
der drie Van's, had Van de Perre een uitgesproken nationalistische geloofsbelijdenis 
afgelegd, (desnoods tegen de staat en voor het volk), maar deze verklaring verbond 
nergens toe aangezien hij er dadelijk aan toevoegde dat een konfliktsituatie zuiver 
hypotetisch was. Vóór de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



32 



verkiezingen van november 1919, naar aanleiding van de campagne die tegen hem 
gevoerd was door de Associatie, verklaarde hij uitdrukkelijk aan de zijde te staan 
van Van Cauwelaert, nu en voor de toekomst 03 '. Toch bleef men veel van hem 
verwachten. Een diepe ontgoocheling was het voor zijn talrijke aanhangers toen hij, 
te Antwerpen gekozen, nog vóór de bijeenkomst van de Kamers, zijn ontslag als 
volksvertegenwoordiger indiende. Hij wilde hierdoor een einde maken aan de politieke 
intriges die het gevolg waren van een elektorale verbintenis. Er was overeengekomen 
dat, indien H. Marck niet gekozen werd - wat het geval was - een van de andere 
gekozenen dadelijk zijn ontslag zou indienen om het Marck mogelijk te maken te 
zetelen. Wij vinden de weerklank van deze desillusie in een brief van Ernest Claes 
en ook de motivering ervan: 'wij zagen in u den tussenpersoon voor ene mogelijke 
samensmelting, of ten minste dan toch samenwerking, tussen Vlaams- Verbonders 
en Fronters. Nu is er niemand die dat zal kunnen, dat weet ge toch ook wel' <34) . Toen 
Dr. Van de Perre in De Standaard (26 sept. 1920) een vrij pessimistisch artikel 
schreef, als antwoord op een artikel van Ern. Claes in de 'Vrije Tribune', reageerde 
deze hierop in een lange, privé-brief aan de dokter. Hij wees erin op de vooruitgang 
van de zelfbestuurgedachte. Hij beweerde dat de redakteuren zelf van De Standaard 
ervoor gewonnen waren en - voegde hij eraan toe - 'ik twijfel er geen ogenblik aan 
of gijzelf zijt het'. Hij vroeg hem een beperkte vergadering te beleggen om het 
vraagstuk van het herstel van de eenheid onder de katolieke Vlamingen te bespreken: 
er was toch eenheid van opvatting over het doel en alleen maar verschil van inzicht 
over de middelen om dat doel te bereiken' 35 '! Ern. Claes stond niet alleen met zijn 
aandringen bij Van de Perre. In oktober 1920 begon de student med., oud-strijder 
Gerard De Coninck - hij speelde later een bescheiden rol in de nationalistische aktie 
in West-Vlaanderen - te korresponderen met Dr. Van de Perre. Toen deze laatste 
hem antwoordde dat hij Van Cauwelaert niet zou loslaten, schreef De Coninck hem 
terug om te smeken zich toch niet te laten meeslepen, want Van Cauwelaert was toch 
maar een leider die moest geleid worden! De Coninck beweerde te schrijven uit naam 
van een tiental studenten te Gent: zij waren ervan overtuigd, dat Van de Perre in zijn 
hart bij hen stond en er ook open- 



(33) Ons Vaderland, 18 okt. 1919. 

(34) Ern. Claes aan Van de Perre, 24 nov. 1919. Papieren Van de Perre. 

(35) Ern. Claes aan Van de Perre, 27 sept. 1920. Ibid. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



33 



lijk zou voor uitgekomen zijn, indien hij nog maar jonger geweest was (36> . Ook pater 
Ferdinand Peeters cap. schreef omstreeks deze tijd aan Van de Perre over de 
toestanden in Brugge en de verzoening tussen het Vlaamse Front en het Vlaams 
Verbond, die er volgens hem in de lucht hing <37) . Het was verloren aandringen. Ons 
Vaderland (25 dec. 1920) verweet uiteindelijk aan Van de Perre zijn invloed in 
Vlaanderen te gebruiken om de overwinning van de nationale gedachte te vertragen 
en, tegen zijn temperament in, een 'slaptivistische politiek' te volgen. Nog een jaar 
later zou de nationalistische ontstemming tot uiting komen in een 'Open Brief' van 
Dries Devos in het Leuvense studententijdschrift Ons Leven m . 

Verschillende omstandigheden hebben de houding van Dr. Van de Perre hier 
bepaald. Ten eerste, zonder twijfel, zijn grote vriendschap en bewondering voor 
Frans Van Cauwelaert. Ten tweede zijn eigen, rotsvaste overtuiging dat Vlaanderen 
niet rijp was voor zelfbestuur omdat elke basis van ekonomische onderstruktuur 
ontbrak. Ten slotte drukte wellicht ook op hem het feit, dat zijn gezondheid geknakt 
was en dat hij de toekomst vrij pessimistisch inzag. Onder deze omstandigheden was 
van De Standaard niet veel anders te verwachten dan als spreekbuis te dienen voor 
Van Cauwelaert. In dienst van deze politiek, zweepte de krant de Vlaamse gemoederen 
op en droeg ze krachtig bij tot het wederontwaken en aktiveren van het Vlaams 
bewustzijn. Dit blad was de wachter op de toren die dagelijks waarschuwde voor 
gevaar en alle wantoestanden aan de kaak stelde; die radikaal en dreigend optrad uit 
naam van een volk dat vastbesloten was niet langer te dulden nog achteruitgesteld 
te worden in de staat; het was de bewerker van de Vlaamse openbare mening en gaf 
zijn steun aan Vlaamse akties en agitatie. Dit alles echter binnen de grenzen die Van 
Cauwelaert getrokken had: waar er aanleiding toe bestond kwam steeds een scherpe 
afwijzing van elke Vlaams-nationalistische politiek, een verwerping van alle 
afscheidingspolitiek in de katolieke partij. Telkens als puntje bij paaltje kwam, in de 
beslissende weken die de verkiezingen voorafgingen, stond De Stan- 



(36) Papieren Van de Perre, vanaf oktober 1920. Laatste schrijven op 20 jan. 1921. G. De Coninck 
maakte deel uit van het bestuur van het A.V.H.V., tak Gent, in het jaar 1921-1922. Ons 
Vaderland, 28 mei 1921. 

(37) Brief van 4 nov. 1921. Papieren Van de Perre. 

(38) Vgl. Ons Vaderland van 8 en van 22 dec. 1921. Het antwoord van Van de Perre in De 
Standaard, 19 dec. 1921. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



34 



daard tegen elke Vlaams-nationalistische formatie, om alle katolieke Vlaamsgezinde 
kiezers op te roepen eendrachtig op de katolieke partij te stemmen. Bij deze, voor 
buitenstaanders wel eens kronkelende politiek, kwam ook, zeer vaak, bij de talrijke 
nederlagen die werden geleden, het verkondigen van een optimisme dat de wrok om 
de nederlaag moest verdoezelen en trachten te doen vergeten. 

De Standaard bereikte het intellektuele, flamingantische publiek in Vlaanderen. 
De betekenis ervan in de vorming van de flamingantische publieke opinie is aldus 
niet te onderschatten. Van Cauwelaert wenste daarnaast een openbare manifestatie 
van de Vlaamse macht in dienst van zijn politiek. Hij zag de betekenis en het voordeel 
in van een georganizeerde 'pressiegroep' die voor hem een podium kon worden om 
heel Vlaanderen toe te spreken en te leiden. Deze rol werd vervuld door de Katolieke 
Vlaamse Landsbond. Deze was opgericht in augustus 1919, juist op het ogenblik dat 
de onderhandelingen mislukt waren met de vertegenwoordigers van het Vlaamse 
Front, tot vorming van een politiek eenheidsfront. Een voorlopige raad werd reeds 
samengesteld op een vergadering te Brussel, op 28 september. Wij vonden geen 
spoor van enige aktiviteit van de Landsbond vóór de verkiezingen van november 
1919. Het programma van de Landsbond steunde op de belofte van gelijkheid in 
rechte en in feite. Deze moest en kon verwezenlijkt worden door de volledige 
vernederlandsing van onderwijs, gerecht en openbare besturen; door de indeling van 
het leger in Vlaamse en Waalse eenheden; door de wederinrichting van de centrale 
besturen zodat alle aangelegenheden die het Vlaamse land betreffen rechtstreeks in 
het Nederlands afgehandeld worden 09 '. Een eerste katoliek Vlaams kongres had plaats 
in Antwerpen op 23 mei 1920. Het was een soort studiedag, waarvan de 
werkzaamheden verdeeld waren over zeven afdelingen. Het kongres stond onder 
erevoorzitterschap van Mgr. Rutten en onder voorzitterschap van G. Helleputte. Het 
volgende jaar - eveneens met Pinksteren - werd een tweede kongres bijeengeroepen 
te Hasselt. Een huidebetoging ter ere van Mgr. Rutten was voorzien. Deze liet echter 
weten dat hij 'om persoonlijke en andere redenen' verhinderd was te komen. Het 
was weldra in Vlaanderen bekend dat de nuntius te Brussel aan Mgr. Rutten verbod 
had gegeven naar Hasselt te gaan. De verontwaardiging was groot. Het incident werd 
ook besproken in de 



(39) De Standaard, 12 okt. 1919. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



35 



vergadering van de Katolieke Vlaamse Kamergroep (3 juni 1921). Helleputte 
bevestigde, dat de afwezigheid van Mgr. Rutten het gevolg was van de tussenkomst 
van de nuntius. Hij was van oordeel dat er, namens de groep, een brief diende 
geschreven te worden aan de nuntius en dat dit ook een einde zou maken aan de 
tussenkomsten van Rome in Vlaamse aangelegenheden. Van de Vyvere verklaarde 
met de nuntius gesproken te hebben en hem de vraag te hebben gesteld wat hun, 
katolieke Vlamingen, ten laste werd gelegd. Het antwoord luidde: Rome keurt het 
separatisme af. Van de Vyvere had hem gewezen op zijn vergissing en op de 
verwarring die hier bestond met de frontpartij. De groep besliste hierop een briefte 
sturen' 40 '. Het was niet de eerste botsing tussen de katolieke Vlamingen en de 
geestelijke overheid. Wij hebben hierboven reeds gewezen op de houding van Mgr. 
Rutten zelf tegenover de oprichting van het Algemeen Vlaams Verbond en tegenover 
zijn programma. In januari 1921 deed zich nog een pijnlijker incident voor. Het 
Katoliek Vlaams Sekretariaat had een petitie op touw gezet om aan de bisschoppen 
de verdere vernederlandsing van het katoliek onderwijs te vragen. Kardinaal Mercier 
reageerde hierop vlijmscherp door een dergelijke aktie te veroordelen als een 
ongeoorloofde inmenging van de leken in de leiding van het onderwijs, wat tot de 
uitsluitende bevoegdheid van de bisschoppen behoorde. Ook dit voorval gaf aanleiding 
tot een pijnlijke bespreking in de Katolieke Vlaamse Kamergroep (2 maart 1921) 
die, op voorstel van Poullet, besliste een delegatie naar Mechelen te zenden om uitleg 
te vragen (41> . Enkele dagen daarna kreeg men kennis van een brief door de Paus 
gestuurd aan de Belgische bisschoppen die op de katolieke vlaamsgezinden een zeer 
ongunstige indruk maakte <42) . Dit alles werpt een schril 



(40) Papieren Van hacker, 3 juni 1921. Op 22 mei had Ons Vaderland, aan de hand van een 
korrespondentie in het Noordnederlandse Algemeen Handelsblad dit bericht over de 
tussenkomst van de nuntius medegedeeld. 

(41) Ons Vaderland, 22 jan., 22 en 24 febr. 1921; De Standaard, 24 april 1921; Papieren Van 
Isacker, 2 maart 1921. Reeds in 1919 had Kardinaal Mercier een verzoekschrift van gelijke 
aard door priesters-leraars afgewezen. De Standaard, 29 juni en 7 sept. 1919. 

(42) Tekst in La Libre Belgique en Handelsblad, 1 3 maart 1 92 1 . Ook De Standaard bracht een 
vertaling. Wij zagen het Handelsblad. De pauselijke brief, d.d. 10 febr. 1921 is een aanmaning 
tot behoud van de eendracht onder de burgers, tot terughoudendheid van de geestelijkheid, 
met het oog op haar plicht 'nooit de werkdadigheid harer gewijde zending te kompromitteren' . 
Het was geen veroordeling van de Vlaamse Beweging, maar in het licht van de bestaande 
verhoudingen in België, zeer makkelijk uit te leggen als een goedkeuring van de houding 
der bisschoppen en als een veroordeling van wat de franskiljonse pers aan de kaak stelde als 
het 'rabiate' flamingantisme van de 'petits vicaires'. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



36 



licht op de moeilijkheden waarmede de katolieke Vlamingen, trouw aan de politiek 
van Van Cauwelaert, te worstelen hadden al was dit, per slot van rekening, nog vrij 
onschuldig in vergelijking met de manier, waarop de katolieke Vlaamse nationalisten 
door de bisschoppen zouden worden aangepakt, niet steeds tot ongenoegen van wie 
beweerde een aanhanger te zijn van de politiek van Van Cauwelaert... 

De Katolieke Vlaamse Landsbond had geen rechtstreekse invloed op de politiek. 
De Katolieke Vlaamse Kamergroep echter wel. Bij de opening van de parlementaire 
zittijd 1919-1920 was deze groep van Vlaamsgezinde katolieke 
volksvertegenwoordigers tot stand gekomen met het doel overleg te plegen over de 
te volgen taktiek in de Kamers tot verwezenlijking van het minimumprogramma (43> . 
Deze Kamergroep omvatte zeer verschillende elementen. Zonder twijfel meerdere 
volksvertegenwoordigers voor wie de Vlaamse kwestie maar van zeer bijkomstig 
belang was. Anderzijds een reeks mannen die trouw in de bres gestaan hebben voor 
de Vlaamse zaak. Wij zullen ze verder aan het werk zien. De Katolieke Vlaamse 
Kamergroep is in de eerste jaren van haar bestaan vaak zeer zwak geweest in haar 
houding. Als een der grote oorzaken hiervan kunnen wij van nu afaan wijzen op de 
leidende rol die Poullet, Van de Vyvere en Helleputte erin gespeeld hebben. In de 
standenorganizatie was, - wij hebben er reeds op gewezen, - geen plaats voor een 
Vlaamse groep en wij zagen ook dat men deze van Vlaamse zijde niet wenste. Een 
jaar vóór de Katolieke Unie op deze basis tot stand kwam, was in de Katolieke 
Vlaamse Kamergroep de vraag opgeworpen (vergadering van 28 okt. 1920) of het 
Verbond van de Katholieke Arrondissementsbonden de organizatie moest worden 
van de katolieke partij of alleen moest te maken hebben met uitsluitend Vlaamse 
belangen. Heyman verdedigde er met klem de stelling dat de katolieke partij de 
samenvoeging diende te zijn van de vier standengroepen: er waren andere 
vraagstukken als het Vlaamse, maar alle groepen moesten het Vlaams programma 
aanvaarden. Men had toen beslist, ook Poullet en Van Cauwelaert hadden in deze 
zin gesproken, het Verbond 



(43) Programma in De Standaard, 21 jan. 1920. De reeds genoemde Papieren Van hacker brengen 
notulen van 22 okt. 1920 tot 3 dec. 1930. Wij hebben de indruk dat de verzameling niet 
kompleet is. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



37 



zijn eigen karakter te laten bewaren' 44 '. Meteen zweefde de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep enigszins in het luchtledige: ze beantwoordde aan geen struktuur in de 
partij en de leden waren in de eerste plaats aan hun standenbelangen gebonden. Om 
de zwakheid van deze Kamergroep verder te begrijpen moet men ook rekening 
houden met de regels die het parlementair spel beheersen. Een enkeling is buiten de 
partij machteloos. Erin is hij gebonden aan de partijdiscipline. Ook de leden van de 
Katolieke Vlaamse Kamergroep hebben deze wet ondergaan. Het was voorzeker een 
van de oorzaken van hun machteloosheid in de jaren 1919-1928. Zij waren vooreerst 
gebonden door de solidariteit in de schoot van de katholieke partij, wat reeds 
kompromissen tot gevolg moest hebben. Over 't algemeen is deze samenhorigheid 
bewaard gebleven, al zijn er hier en daar bij de verkiezingen toch dissidenties geweest, 
ofwel van katoliek konservatieve, ofwel van kristendemokratische zijde. Er is ten 
tweede de solidariteit tegenover de regering. Voorwaarde en tevens gevolg van het 
bestaan der twee- of drieledige regering was een kompromis, waarbij geven en nemen 
de kunst bewees van wie met de grootste buit ging lopen. Er komt ten derde - niet 
te onderschatten in het politieke leven - de persoonlijke ambitie bij om minister, zelfs 
eerste minister te worden. De geschiedenis 1919-1940 bewijst dat alleen 'gematigden' 
in deze richting een kans kregen. Velen hebben aldus aan de eigen ambitie de 
mogelijkheden opgeofferd om een oppositiedreiging ruimer te exploiteren. De 
mogelijkheid om een regering te doen vallen op de taalkwestie heeft bijna de hele 
tijd door in de handen gelegen van de Katolieke Vlaamse Kamergroep. Er werd door 
Van Cauwelaert gebruik van gemaakt om toegevingen af te dwingen. Ze werd 
blijkbaar nooit te baat genomen om de samenstelling van een katoliek-liberale regering 
(bij een drieledige regering had men hun stemmen niet nodig) afhankelijk te maken 
van een radikale Vlaamse hervorming. Al wat, tot aan de Borms verkiezing in 1928, 
door het parlement kwam, was lapwerk dat door een volgende legislatuur diende 
overgedaan. 

Naast, en weldra scherp tegenover de Landsbond en de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep, stond de groepering van de Vlaamse nationalisten, het Vlaamse Front, 
in de volksmond de 'Frontpartij' 



(44) Papieren Van hacker. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



38 



of de 'Fronters' <45) . Men had hier, in de propaganda, veel op met de uitslagen van de 
verkiezingen van 1919. Het werd een vaste traditie, bij de beoordeling hiervan, vast 
te houden aan de meer als zestigduizend stemmen behaald zonder organizatie, zonder 
geld, na een bijna geïmprovizeerde verkiezingscampagne. Wij hebben gezien hoe 
dit voor ongeveer een vierde overdreven was. Toch kon deze uitslag een betrekkelijk 
sukses genoemd worden en in Ons Vaderland weerklonk dan ook dadelijk een oproep 
om de strijd voort te zetten. L. Scharpé, Edm. Rubbens en Leo Vindevogel kregen 
in de krant (21 nov.) een 'Open Brief' om hun te vragen of ze nu niet tot het besef 
gekomen waren dat zij beter op de lijsten van het Vlaamse Front zouden gestaan 
hebben. Leo Vindevogel reageerde dadelijk met de verdediging van zijn eigen 
opvatting, nl. de strijd voor de overwinning van de Vlaamse Beweging dient gevoerd 
in de eigen partij (46) . Hij kreeg als antwoord dat men in de bestaande partijen niet kon 
optreden voor zelfbestuur en dat er geen enkel land aan te wijzen was waar de 
nationale beweging had gezegevierd zonder de oprichting en de strijd van een eigen 
nationale partij. Doorzetten werd het wachtwoord en het hoofdartikel van Ons 
Vaderland riep reeds op 23 nov. 1919 zijn aanhangers op tot uitbouw van de 
organizatie. 

De beslistheid om voort te vechten in eigen formatie kon niet verbergen, dat er 
twijfel was bij sommige voormannen, dat er desertie was onder de troepen. Naar 
buiten is het niet zeer duidelijk geworden, maar er bestaan toch aanduidingen. H. 
Borginon, het politieke brein van de partij, aarzelde niet het als zijn mening uit te 
spreken, dat de frontpartij haar taak had volbracht en maar diende 



(45) Zie een korte mededeling in Ons Vaderland, 13 okt. 1921 : de officiële naam van de partij is 
Het Vlaamse Front. Tijdens de oorlog - aldus het blad - ontstond het woord 'frontpartij', 
maar na de wapenstilstand werd dit 'Het Vlaamse Front'. De uiteenzetting die volgt, steunt 
in hoofdzaak op Ons Vaderland. Van belang is ook, sedert 13 jan. 1921, het weekblad De 
Ploeg dat De Stormram opvolgde als orgaan van het Vlaamse Front te Antwerpen. De Ploeg 
stond onder redaktie van Herman Vos, hield stand tot einde 1925 en werd toen vervangen, 
vanaf januari 1926, door het weekblad Ons Vaderland. 

(46) Typisch voor de positie van L. Vindevogel is zijn brief (21 aug. 1919) waarin hij aan Alf. 
Sevens vroeg samen met hem op te treden op een meeting te Ronse, maar erop aandrong de 
aktivisten niet aan te vallen en zoveel mogelijk onverlet te laten. Hij vroeg hem tevens zich 
niet uit te spreken tegen zelfbestuur. A. SEVENS. Activisme, Frontisme en Vlaamsche Beweging, 
z.j. (1931), 21. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



39 



te verdwijnen' 47 '. L. Dosfel verwierp reeds zeer vroeg het godsvredestandpunt van 
het Vlaamse Front en werd zelfs een tijd medewerker aan De Standaard^. Tegenover 
P. Van Ostayen die, als socialist, in een 'Open Brief' aan Huysmans, partij koos voor 
de Frontpartij (49> , stond de stille uittocht van een reeks andere jongeren die naar de 
katolieke partij of het socialisme overgingen. Terwijl van verschillende zijden nog 
gedacht werd aan een verzoening tussen het Vlaamse Front en het Katoliek Vlaams 
Verbond, waarbij men vooral rekende, zoals wij hierboven gezien hebben, op Dr. 
Van de Perre, werden nochtans de verhoudingen tot de groep Van Cauwelaert met 
de dag scherper. Naar aanleiding van de interpellatie Hubin, verscheen in Ons 
Vaderland (7 maart 1920) een hoofdartikel waarin de ontgoocheling uitgesproken 
werd over de houding van Van Cauwelaert die ervan beschuldigd werd mede te 
wandelen 'in de processie van de voorzichtigen'. De toon van het officieel orgaan 
van het Vlaamse Front wordt met de dag scherper, vooral na de ondertekening van 
het Frans-Belgisch militair akkoord. De uitspraak van Helleputte over de veroordeling 
van Dosfel (elke rechtbank zou niet anders gekund hebben als hem te veroordelen, 
verklaarde hij), de aanvallen van Van de Vyvere en Van Cauwelaert tegen het Front 
droegen hier sterk toe bij. Leden van het Vlaamse Front gingen meetings overhoop 
zetten, waarop Van Cauwelaert het woord voerde. Deze laatste beet zo scherp van 
zich af, dat Herman Van Puymbroeck hem een 'Open Brief' schreef die niet minder 
heftig was en de verwijdering zeer schel belicht. 'U lastert de Frontpartij, schreef 
hij, u valt vies van de Frontpartij, u trapt op de Frontpartij, u gebruikt en misbruikt 
de Frontpartij, u verkettert de Frontpartij, u stampt haar in een hoek als een dode en 
haalt haar weer te voorschijn als een spook. De Frontpartij bestaat volgens u, uit 
snaken, die veel zeggen maar weinig doen, uit schreeuwers, baardeloze kerels, 
machiavellistische verraders... De Frontpartij beoefent een noodlottige, misdadige 
scheuringspolitiek' <50) . Toen de Vlaams- Verbondsgroepen een betoging ontwierpen 
te Brussel - ze werd trouwens door burgemeester Max ver- 



(47) Volgens een brief van Ad. Henderickx aan Borginon, 16 aug. 1928. Papieren Borginon. Dit 
gesprek had plaats in de gevangenis. Henderickx werd in vrijheid gesteld op 4 mei 1921. 

(48) A. DE BRUYNE. L. Dosfel, o.c., 370. Ook M. CORDEMANS. E. Rubbens, o.c., 191. 

(49) Brief van P. Van Ostayen d.d. 25 maart 1920 in het weekblad De Toorts (Noord-Nederland), 
24 april 1920. 

(50) Ons Vaderland, 4 okt. 1920. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



40 



boden - om druk uit te oefenen op de regering voor de vernederlandsing van de 
besturen en van de universiteit te Gent, verklaarde de partijraad van het Vlaamse 
Front, hier niet te kunnen aan deelnemen. Wij hebben - zo luidde het hier - 'geen de 
minste reden om te verduiken, dat wij er aan houden tussen ons nationalistisch streven 
en andere stromingen, in de Vlaamse Beweging, de scheidingslijn zeer duidelijk te 
trekken... tussen de nationalistische opvatting en de gedachtengang van dezen die 
weigeren de noodzakelijkheid te erkennen van zelfbestuur voor Vlaanderen, is de 
kloof niet te overbruggen, omdat het verschil niet van kwantitatieven, maar van 
essentiëlen aard is' <51) . Op de vooravond van de verkiezingen van november 1921, 
verklaarde H. Borginon op een meeting in Antwerpen, dat samenwerking tussen het 
Vlaamse Front en de Vlaamse Belgicisten hoe langer hoe minder zou voorkomen: 
het minimum van de Vlaamse Belgicisten werd nu toch steeds verder geminimaliseerd. 

Het Vlaamse Front heeft nochtans in deze j aren 1919-1 92 1 geen sterke werfkracht 
ontwikkeld. Het bleef trouwens met zijn programma in het vage hangen. Op het 
eerste kongres van de partij (Brussel, 1 1 april 1920) droeg Dr. Oscar De Gruyter een 
referaat voor met een schets van federale organizatie <52) . Op een debatavond in 
Antwerpen (2 febr. 1920) had H. Borginon zijn positie in dit verband reeds 
gepreciseerd. Hij verwierp de opvatting van een zelfstandige Vlaamse staat (o.a. nog 
steeds ter wille van het Duitse gevaar), zag Groot-Nederland als al te ver af, verwierp 
het bilateralisme van Remouchamps en prak zich uit voor een bondsstaat. Dit is, 
tussen de twee wereldoorlogen, de opvatting gebleven van de 'gematigde' 
nationalisten. Het vraagstuk van het antimilitarisme gaf, op het kongres te Gent op 
23 jan. 1921, aanleiding tot een vinnige diskussie. Het voorstel van B. Maes tot 
eenzijdige ontwapening werd met een verpletterende meerderheid verworpen. Bij 
dit alles was nochtans het probleem van de godsvrede de grote struikelblok. Wel was 
op een beperkt kongres (20 maart 1921) het verslag Van Puymbrouck aangenomen 
dat een oplossing bracht voor het schoolvraagstuk door het Nederlandse stelsel van 
gelijkheid tussen bijzonder en staatsonderwijs te doen aanvaarden. De moeilijkheid 
lag echter dieper. Deze generatie was in haar diepste gemoed nog partijgebonden, 
op grond van levensbeschouwingen die hun uitdrukking vonden in de drie grote 
staats- 



(51) Ibid., 28 juli 1921. 

(52) Vgl. ibid., van 26 april tot 30 juni. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



41 



partijen, zodat hier geen blijvende plaats was voor het Vlaamse Front. Dit werd reeds 
vroeger aanvaard en dit bleef, ook toen het partijkarakter zich sterker affirmeerde. 
Er werd dan ook door de tegenpartij - en ook door ultramontaanse katolieken in eigen 
rangen - storm gelopen tegen de godsvrede, wat Ons Vaderland (hoofdartikel, 25 
juli 1920) ertoe bracht het tijdelijk karakter van de partij te onderstrepen: op het 
ogenblik dat, onder drang van de zelfstandigheidsgedachte gepropageerd door het 
Vlaamse Front, én de katolieke én de socialistische partij in Vlaanderen zich 
losscheuren uit de eenheidspartijen om zelfstandig te worden en zelfbestuur in hun 
programma op te nemen, is de taak van het Vlaamse Front vervuld. Op dat ogenblik, 
niet vroeger, zal elk voor zich beslissen bij welke partij hij wil aansluiten. Dit is tot 
in 1933 het standpunt gebleven van de aanhangers van de godsvrede. Voor het overige 
was de algemene geest die de partij beheerste samen te vatten in de woorden 
demokratie, antimilitarisme en internationalisme In het verkiezingsprogramma van 
1921 kon men ook het voorstel tot nationalizering van het Kempens kolenbekken 
vinden <53) . 

Van zeer grote betekenis was, in de jaren 1919-1921, de toenadering tussen het 
Vlaamse Front en het aktivisme. Ze zal, vanaf 1922, leiden tot een sterk doordringen 
van een radikaal-aktivistische geest in de nationalistische beweging. De verdediging 
van de aktivisten, in de reeds door ons geschetste beweging voor amnestie, had 
daarbij in de rangen van het Vlaams-nationalisme een heel andere betekenis als in 
de andere partijen. Voor de Vlaamse nationalisten werden de aktivisten 
revolutionairen, helden en tevens voortrekkers die alleen maar het ongeluk hadden 
tot de overwonnelingen te behoren. Na enkele jaren werd het principe zelf van hun 
aktie aanvaard en waren de modaliteiten ervan vergeten. 

De leiders van de frontbeweging waren er, in november 1918, ver van af de 
nalatenschap van het aktivisme zonder meer te willen aanvaarden. Het zou ten hoogste 
een aanvaarding zijn onder voorrecht van boedelbeschrijving. Wij beschouwen als 
dusdanig de reeks artikelen die door Dosfel geschreven werden in Ons Vaderland 
(jan. febr. 1919) en daarna gebundeld in de eerste reeks van Storm en Drang. Ze 
bevatten een afwijzing van de politiek van 



(53) Ibid., 23 okt. 1921. Vgl. het pamflet De Waarheid omtrent de frontpartij z.^A. z.j., vermoedelijk 
vóór de verkiezingen van 1921 met het programma van de partij. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



42 



Jong- Vlaanderen en ook van de Raad van Vlaanderen, een veroordeling van de reis 
naar Berlijn en van 'het onvergeeflijk manifest aan het Duitse volk', een 
hartstochtelijke verdediging van de Vlaamse hogeschool tijdens de oorlog. Bij de 
aanvang van het proces Borms, schreef H. Borginon een zeer kritisch artikel waarin 
Borms gezien werd als de man die, te goeder trouw, zich laten gebruiken had door 
'een vijandelijke macht die de knechting van Vlaanderen onder Pruisische 
heerschappij nastreefde', maar die dan toch geen verrader was en met zuivere handen 
stond (54> . Wij geloven niet dat, in de loop van de jaren, het oordeel van Borginon over 
het aktivisme is gewijzigd. Bij de volgelingen was het anders en Ons Vaderland gaf 
er het voorbeeld van. Bij de campagne voor amnestie, bij de verdediging van de 
slachtoffers van de repressie, gaat het hier om meer als menselijke motieven, om 
meer als het herstel van een verbroken rechtsevenwicht. Reeds op 1 8 febr. 1919 lezen 
wij dat het aktivisme dient gezien in Europees perspektief, dat men hierbij moet 
denken aan de Donaumonarchie en aan Ierland. De aktivisten werden staötóverraders 
om geen vo/feverraders te moeten zijn <55) . Nog geen acht dagen na het artikel van 
Borginon over Borms, verscheen in dit zelfde Ons Vaderland (11 sept.) een 
hooggestemd artikel: vóór de veroordeling sprak ons hoofd, nu spreekt ons hart en 
'gij zijt een held, ge hebt ons gedwongen u te bewonderen, ge hebt door uw alles 
opofferende liefde, uw schone onbaatzuchtigheid en uw edele moed de laatste 
scheiding doen vallen die ons van u verwijderd hield'. Toen de 
volksvertegenwoordigers van het Vlaamse Front, in november 1919, een 
Memorandum gingen aanbieden aan de Vredeskonferentie in Versailles, beriepen 
zij zich hierin zowel op de frontbeweging als op het aktivisme om te bewijzen dat 
het Vlaamse volk zelfstandigheid wenste. Na de verkiezingen van november 1919 
wordt de drang om het aktivisme te verdedigen, sterker. E.H. Paul Vandermeulen 
schreef aan Borginon een brief om aan te dringen op een verandering in de taktiek. 
Hij herinnerde hem aan een artikel dat hij maanden geleden gezonden had aan Ons 
Vaderland en dat Borginon toen afgewezen had als ontijdig. Hij vond het nu, na de 
verkiezingen, 'plicht positie te kiezen ten voordele van de eerlijke aktivisten'. De 
beste krachten moeten hier voor Vlaanderen gered worden, ook indien men desnoods 
daarbij zou zwijgen over het aktivisme: 'langer zwijgen ware 



(54) Ons Vaderland, 7 sept. 1919. Juiste samenvatting bij WILLEMSEN, 122. 

(55) Overgenomen in Storm en Drang, o.c, 1, 36-38. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



43 



zwakheid en ondankbaarheid'' 56 '. Op een vergadering in Brussel (vermoedelijk op 
14 dec. 1919), waren Borginon en Debeuckelaere nog zeer terughoudend geweest 
in hun politiek tegenover het aktivisme, terwijl daarentegen Maes, De Gruyter en 
Goossenaerts zeer kordate woorden hadden gesproken' 57 '. Wij zagen reeds hoe 
Verschaeve tegenover het vraagstuk stond in De Vlaamsche Vlagge. In de Kamer (9 
maart 1920) verdedigde B. Maes het aktivisme als een idealistische dwaling en een 
taktische fout, als een misrekening, maar 'in hoofdzaak altijd, gepleegd met drijfveren, 
inzichten en bedoelingen van het onbaatzuchtigste, edel karakter'* 58 '. Naar aanleiding 
van dit kamerdebat verscheen enkele dagen later (30 maart) in Ons Vaderland een 
merkwaardig hoofdartikel waarin de scheidingslijn tussen het Vlaamse Front en het 
Vlaams Verbond getrokken werd in het licht van beider oordeel over het aktivisme, 
dit aan de hand van de verklaring van Maes in de Kamer. Minimum - was de konklusie 
van het artikel, dat onder het opschrift 'Eenzaam' verscheen - staat niet meer naast 
maximum, maar ertegen en wij zullen voortaan onze eigen weg gaan: eenzaam, want 
samenwerking met het Vlaams Verbond zal voortaan wel niet onmogelijk, maar toch 
uiterst moeilijk zijn. Op 22 juni verscheen dan een artikel over de grote betekenis 
van het aktivisme waardoor een ontwikkeling, die anders tientallen jaren zou gevergd 
hebben, thans in een paar jaar geschied was: 'er werden fouten bedreven door de 
aktivisten... maar de fouten dat is het bijkomende en die zullen lang vergeten zijn 
als heel Vlaanderen de grote verdienste van het aktivisme zal erkennen, want het 
aktivisme heeft aan Vlaanderen een politiek programma, een politiek ideaal 
geschonken; het jonge Vlaanderen weet nu dat er voor hem geen heil is buiten de 
politieke zelfstandigheid'. Toen Herman Vos vrij kwam (einde 1920) werd hij te 
Antwerpen de hoofdredakteur van De Ploeg waarin hij zowel campagne voerde voor 
de amnestie als voor de rehabilitatie van het aktivisme' 59 '. 

Toch vonden de uitgeweken aktivisten in Nederland dat de verhoudingen nog ver 
van ideaal waren. In de ogen van de buitenwereld was er voor hen nog een slagboom; 
voor henzelf was het, indien geen slagboom, dan toch een waas van misverstand dat 



(56) Vandermeulen aan Borginon, 23 nov. 1919. Papieren Borginon. 

(57) Godfried Persyn aan Borginon, 17 dec. 1919. Ibid. 

(58) Volgens het verslag in Ons Vaderland, 10 maart 1920. 

(59) willemsen, 157-159. Het eerste nummer van De Ploeg verscheen op 13jan. 1921 en vermeldt 
3ste jaargang, nrs. 1 en 2. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



44 



nog bestond tussen de twee vleugels van het nationalistische kamp. Vandaar de wens 
om de naam Vlaamse Front te laten vallen om alleen nog van Vlaamse nationalisten 
te spreken' 60 '. Een paar jaar later schreef Ant. Jacob aan Gerretson over 'de verhouding 
aktivisten-oudfrontsoldaten, die nog al te dikwels een latente tegenstelling blijkt te 
zijn die bij de aktie hindert' (61> . 

De oorzaak van deze wrijvingen lag in feite elders. Ze dient gezocht in de pogingen 
die door de uitgeweken aktivisten in Nederland, waar zij een tak vormden van de 
Hollands- Vlaamse Vereniging, werden ondernomen om de hand te leggen op de 
nationalistische beweging en de leiding ervan tot zich te trekken. Deze politiek was 
reeds ingezet begin 1919 met de publikatie van een halfmaandelijks tijdschrift 
Vlaanderen. Als gevolg van transporten verkoopmoeilijkheden veroorzaakt door de 
Belgische Veiligheid die de verspreiding ervan in het Vlaamse land wilde onmogelijk 
maken, veranderde deze publikatie herhaaldelijk van titel. Het werd achtereenvolgens 
Ontvoogding, Pro Flandria, De Vlaamsnationale gedachte, Het Groote Bedrog (62) . 
Hierin werd herhaaldelijk scherpe kritiek uitgeoefend op de politiek van het Vlaamse 
Front - een voorsmaak van de politiek van het weekblad Vlaanderen, vanaf mei 1922. 
Ons Vaderland beet een paar maal heftig van zich af. Op 9 april 1920, in een 
hoofdartikel als antwoord op bepaalde aanvallen in Vlaanderen en het weekblad De 
Toorts, was de toon zeer schamper. De redakteuren van deze bladen, zo konk het, 
zijn eenzijdig en oordelen vanop een afstand. Zij sporen aan tot gewelddadig optreden, 
maar zitten zelf op veilige afstand. Zij kunnen geen ballast uitwerpen en op geen 
enkel punt schuld bekennen. Waarom zijn niet velen hier gebleven om voor hun 
daden te getuigen? Deze verwijten waren zeer scherp en het was dan ook maar een 
doekje voor het bloeden, waar de redakteur verklaarde De Standaard af te keuren 
en de manier waarop deze oude strijdgenoten bekampte, daar waar hij zelf veel in 
de houding van de uitgeweken aktivisten kon begrijpen. Het ging zover dat Ons 
Vaderland zelfs tussenbeide kwam (26 jan. 1921) om Van Cauwelaert te verdedigen 
tegen Pro Flandria (jan. 1921). Van Cauwe- 



(60) In het tijdschrift De Vlaamsch-nationale Gedachte (Noord-Nederland), aug-1921, 5. Vgl. in 
Ons Vaderland, 21 aug. 1920, een artikel Weg met het nationa. lisme! Hoog de 
nationaliteitsgedachte! waarin de suggestie verworpen wordt dat de fronters zich Vlaamse 
nationalisten zouden noemen: woorden als nationalisme blijven best uit ons repertorium 
geweerd. 

(61) Brief d.d. 20 sept. 1921, aangeh. willemsen, 157. 

(62) Volgens A. JONCKX, Belgica, o.c, 139, n. 1. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



45 



laert was geen verrader. Niet hij heeft zich vergist, maar wij toen wij oratorische 
gaven verwarden met politieke. Vaak werd beweerd, maar niet bewezen, dat hij 
schuld zou hebben aan de aktivistenjacht. Karakterzwakheid is nog geen misdaad 
en indien Van Cauwelaert een propagandist is van eerste gehalte, dan is hij nochtans 
geen leider. Wij voor ons wensen verder in de Vlaamse Beweging geen zo sterke 
tegenstelling als tijdens de oorlog tussen aktivisten en passieven en de steller van 
het artikel eindigde met een oproep tot de uitgeweken aktivisten: roeit de wrok uit 
die uw zielen verbittert! De polemiek bleef voorlopig beperkt tot de twee groepen, 
maar vanaf het jaar 1922 zullen de aktivisten hun greep op de vlaams-nationalistische 
beweging versterken en zullen de twisten in Vlaanderen zelf de rangen splitsen. 

Het ging anders, op politiek terrein, niet zo schitterend voor het Vlaamse Front. 
Zijn parlementaire vertegenwoordiging was niet alleen zeer klein, maar daarenboven 
ook zeer zwak. Alleen H. Borginon treedt op de voorgrond. B. Maes ontpopte zich 
als een demagoog - één ogenblik zeer populair - maar hij bleek weldra ongeschikt 
te zijn voor de politiek. Ad. Debeuckelaere is nooit geschikt gebleken voor 
parlementair werk en Staf De Clercq tastte voorlopig zeer voorzichtig het terrein af. 
De nieuwe volksvertegenwoordigers haalden zich reeds dadelijk de hele Kamer op 
de hals door - nog vóór de opening van het parlement - naar Versailles af te reizen 
om er aan de vredeskonferentie een memorandum af te geven ten einde de politieke 
zelfstandigheid voor Vlaanderen op te eisen in het kader van de Belgische staat <63) . 

Toen op 24 april 1921, in al de plaatsen waar de toestand gunstig scheen, het 
Vlaamse Front opkwam bij de gemeenteraadsverkiezingen, werd het een mislukking. 
Alleen in Antwerpen kon men, met 1 1 .055 stemmen en drie gemeenteraadsleden op 
een zeker resultaat wijzen <64) . Te Gent behaalde het Front 3.132 stemmen, even meer 
als het liberale Help u Zelve dat het ook op eigen krachten had gewaagd en 3.047 
stemmen behaalde. Geen van beide partijen had een gekozene. Te Brussel liep het 
op een volledig fiasko uit (871 stemmen). Te Aalst was het Front niet opgekomen 
en had de weg vrij gelaten voor het Daensisme. Te Brugge haalde het kartel met de 
kristendemokraten twee zetels. In het Pajottenland kon Staf De Clercq een mooi 
sukses boeken in enkele ge- 



(63) Tekst in Ons Vaderland, 30 nov. 1919. Vgl. BASSE, II, 70. 

(64) De vrouwen hadden nog geen stemrecht voor het parlement, wel voor de 
gemeenteraadsverkiezingen, vanaf 1921. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



46 



meensten, zoals o.a. Kester, Oetingen, Pepingen en Hei-Kruis, een gunstig voorteken 
voor de komende algemene verkiezingen. 

Men ging deze verkiezingen met veel moeilijkheden en met lood in de schoenen 
tegemoet. Men beschikte over geen pers. Op 28 juli 1921 kondigde Ons Vaderland 
aan, dat het voortaan nog slechts tweemaal per week zou verschijnen. Het blad 
slabakte sedert maanden. Het was herhaaldelijk van formaat veranderd en de druk 
liet vaak zeer veel te wensen over. Als informatieblad kon het niet eens meer de 
algemene ontwikkeling van de Vlaamse Beweging volgen en een leidend orgaan kon 
deze tolk van het Vlaamse Front niet genoemd worden. De Schelde, onder 
hoofdredaktie van Pol De Mont, was te sterk Antwerps gebonden en had geen standing 
als dagblad. Deze afwezigheid van een algemeen dag- of weekblad werd slechts 
gedeeltelijk ondervangen door de gewestelijke weekbladen. Slechts twee ervan 
verdienen op dit ogenblik een speciale vermelding: het reeds genoemde De Ploeg te 
Antwerpen (januari 1921) en De Vlaming van Roeselaere-Thielt (30 sept. 1921 - 
vanaf nieuwjaar 1923 De West Vlaming). Tal van moeilijkheden rezen op bij de 
samenstelling van de lijsten. Te Aalst, waar ze reeds op 14 juli 1921 bijeenkwamen 
om een nieuw kartel te bespreken, sleepten de onderhandelingen maanden aan om 
te eindigen op een mislukking. De kristendemokraten hadden o.a. als voorwaarde 
gesteld, dat het kartel niet alleen in Oost- Vlaanderen zou gesloten worden, maar ook 
in West-Vlaanderen. Het Vlaamse Front had deze voorwaarde eerst aanvaard, doch 
het bleek achteraf dat dit kartel in West-Vlaanderen niet kon tot stand komen <65) . Ons 
Vaderland kondigde (3 nov. 1921) de mislukking ervan aan met de motivering van 
het antivlaams verleden van de voorgestelde kristendemokraten in deze provincie. 
Het Front zou te Aalst alleen opkomen met als hoofd van de lijst Frans D'Haese. Te 
Gent had men graag Boud. Maes weggewerkt die, volgens Borginon, voor de politiek 
totaal ongeschikt was en er onmogelijk geworden was <66) , maar Maes bleef 
lijstaanvoerder. In Antwerpen zat men eveneens in moeilijkheden. De partij wilde 
Debeuckelaere aan het hoofd van de lijst plaatsen te Brugge om West-Vlaanderen 
mede naar omhoog te trekken. Antwerpen verzette zich, maar een scheidsraad nam 
de opgeworpen bezwaren niet aan. Er was in de Scheldestad blijkbaar geen geschikte 
kandidaat te vinden. Men wendde zich tot Borginon. Van ver- 



(65) Papieren Borginon. 

(66) Brief van Borginon, 14 aug. 1921, ibid. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



47 



schillende zijden werd bij hem sterk aangedrongen om een kandidatuur te Antwerpen 
- beschouwd als een zekere kamerzetel! - te aanvaarden. Onder anderen schreef 
Cyriel Verschaeve hem een zeer dringende brief, waarin hij erop wees dat hij in de 
Kamer het best het Front vertegenwoordigde en dat niemand er hem kon vervangen' 67 *. 
Borginon weigerde hardnekkig en wilde alleen een tweede plaats aanvaarden in 
Brussel om er Staf De Clercq te steunen. Hij voegde er aan toe, dat zijn kandidatuur 
er misschien een tweede zetel kon doorhalen. Te Antwerpen werd dan uiteindelijk 
een 'poll' gehouden, waaruit Hendrik Picard als eerste kandidaat te voorschijn kwam. 
Deze was een flink advokaat en een innemend man, maar voor de politiek had hij 
blijkbaar weinig aanleg. In West- Vlaanderen had men, in het arrondissement leper, 
een zeer populaire lijstaanvoerder, onderwijzer Butaye, oud-strijder, waarop men 
rekende om het 'kworum' te bereiken, d.i. de kiesdeler nodig om van het voordeel 
van de apparentering te kunnen genieten' 68 '. In Roeselare-Tielt werd, toen op het 
laatste ogenblik Godfried Persyn zich terugtrok, de lijst aangevoerd door J. Van 
Severen. In het arr. Oostende- Veurne-Diksmuide had Jer. Leuridan, die eerst 
geweigerd had, onder druk van Verschaeve uiteindelijk aanvaard' 69 '. Te Brugge was 
Debeuckelaere lijstaanvoerder. Wij hebben reeds vermeld dat hij, enkele dagen voor 
de verkiezingen, beschuldigd van landverraad, werd in hechtenis genomen. Het zag 
er werkelijk, op de vooravond van de verkiezingen, niet schitterend uit voor het 
Vlaamse Front... 

4. De strijd in het Parlement (1919-1921) 

Wij zijn herhaaldelijk reeds in de gelegenheid geweest een kort licht te werpen op 
de aktiviteit van het parlement 1919-1921, o.a. in verband met de 
Belgisch-Nederlandse betrekkingen, het Frans-Belgisch militair akkoord en met de 
campagne voor amnestie, in zover dit alles rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking 
had op de Vlaamse Beweging. Het ogenblik is aangebroken, als afsluiting van de 
geschiedenis van deze periode 1919-1921, om te onderzoeken wat er, in Vlaams 
opzicht, vanaf de verkiezingen van 



(67) Brief van Verschaeve (niet gedateerd) en antwoord van Borginon, 9 aug. Papieren Borginon. 

(68) Over het kiesstelsel, zie luykx, o.c, 544. 

(69) Zie de brief van 28 sept. 1921 van J. Leuridan aan J. Goossenaerts in de Papieren Borginon. 
Ook H. DEMOEN. Jeroom Leuridan, o.c., 383-384. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



48 



16 nov. 1919 tot bij de ontbinding vóór die van 20 nov. 1921, werd verwezenlijkt. 
In de grond valt hier, als parlementair sukses, slechts één feit van betekenis te 
behandelen: de aanneming van de wet van 31 juli 1921 op het taalgebruik in de 
besturen. 

De Kamer die gekozen werd op 16 nov. 1919 was een grondwetgevende Kamer, 
m.a.w. een Constituante. Haar eerste en voornaamste opdracht was een herziene 
grondwet uit te werken, aangepast aan de nieuwe toestanden' 70 '. In grote trekken kan 
de politieke evolutie als volgt geschetst worden. Geen enkele van de drie partijen 
beschikte over een regeringsmeerderheid. De katolieken vielen in de Kamer van 99 
op 73 zetels, de liberalen van 45 op 34 terwijl de socialisten van 40 zetels opklommen 
naar 70. Onder deze omstandigheden was alleen een koalitieregering mogelijk. De 
voorkeur ging, in de gegeven naoorlogse omstandigheden, naar de voortzetting van 
een drieledige regering. Ze werd tot stand gebracht in het tweede ministerie Delacroix 
(2 dec. 1919-3 nov. 1920). In de loop van de besprekingen die de vorming van die 
regering voorafgingen, hadden de liberalen zich verzet tegen Poullet, die zij als 
neo-aktivist bestempelden. Toen bekend werd dat hij minister van binnenlandse 
zeken zou worden, deelde een delegatie van de partij (waaronder L. Franck) aan de 
kabinetsformateur mede dat de liberale partij in dergelijk geval geen deel zou uitmaken 
van de regering. Men vond een tussenoplossing: Poullet werd minister van het 
ongevaarlijk departement van spoorwegen (met posterijen, telegrafie en telefonie). 
Voor dit tweede ministerie Delacroix zal onze aandacht moeten gaan, wat de Vlaamse 
zaak betreft, naar de bespreking van de regeringsverklaring, de interpellatie Hubin 
over de aktivistische en orangistische propaganda (febr. -maart 1920) en naar de eerste 
behandeling van de bestuurstaalwet, in de Kamer aangenomen op 6 aug. 1920. De 
liberalen waren ontstemd over deze laatste wet, over dit flamingantisch sukses in de 
Kamer en de houding van de regering bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Begin 
augustus had een ernstig politiek incident plaats. De socialistische, Antwerpse 
dokwerkers weigerden Franse wapens en munitie, in transit naar Polen waar de 
Russische legers opmarcheerden naar Warschau, over te laden. De regering besliste 
aan dit wapenvervoer een einde te maken. Dit besluit was genomen tijdens de 
afwezigheid van P. 



(70) Wij verwijzen, voor de algemene ontwikkeling van de parlementaire geschiedenis naar het 
boek van LUYKX en vooral naar dat van HÖJER (algemene bibliografie). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



49 



Hymans, minister van buitenlandse zaken, die ontslag nam toen de ministerraad, op 
uitzondering na van Janson, weigerde op zijn beslissing terug te keren. P. Hymans 
gaf ontslag, en wij hebben, bij de behandeling van het Frans-Belgisch militair akkoord, 
reeds gezien hoe Janson alleen maar aanbleef om de ondertekening van dit laatste 
mogelijk te maken. Het lot van het kabinet Delacroix was bezegeld. Liberalen en 
socialisten stelden de lijst op van hun oude of nieuwe eisen. Het liberaal kongres 
(16-18 okt.) stelde de verdere medewerking aan het ministerie afhankelijk o.a. van 
het behoud van de franstalige universiteit te Gent. Reeds op 25 aug. had de regering 
beslist ontslag te nemen maar dit pas aan te bieden na de terugkeer van de Koning, 
die juist op het punt stond te vertrekken naar Brazilië voor een officieel bezoek. Het 
werd dan ook ingediend bij zijn terugkeer. Paul Segers, pas benoemd tot voorzitter 
van de Fédération des Cercles ter vervanging van de oude Ch. Woeste, wees het 
aanbod tot vorming van een nieuw ministerie van de hand. H. Carton de Wiart nam 
de taak op zich (20 nov. 1920-20 nov. 1921). In Vlaams opzicht moet, buiten de 
regeringsverklaring, onze aandacht hier gaan naar de interpellatie Doms-Huysmans 
over de amnestie en naar de verdere behandeling van de bestuurstaalwet (wet van 
31 juli 1921). Van betekenis op regeringsvlak waren ook de gevolgen van de reeds 
behandelde gemeenteraadsverkiezingen te Antwerpen en de benoeming van Frans 
Van Cauwelaert tot burgemeester (28 okt. 1921). Het ministerie Carton was op dat 
ogenblik reeds erg gehavend uit de grondwetsherziening gekomen en bijna gevallen 
op het vraagstuk van de nieuwe belastingen, nl. de invoering van de omzetbelasting. 
De liberalen kozen het gunstig ogenblik uit om de regering te doen vallen. Aanleiding 
was de aanwezigheid van minister Anseele op een socialistische betoging in La 
Louvière, waar een vlag met gebroken geweer in de stoet werd gedragen. Minister 
Devèze eiste het ontslag van Anseele. Eerste minister Carton de Wiart koos de partij 
van Devèze met als gevolg dat al de socialistische ministers ontslag namen (19 okt. 
1921). De verkiezingsstrijd was ingezet. Carton de Wiart, die graag de last van de 
benoeming van Van Cauwelaert tot burgemeester aan zijn opvolger zou overgelaten 
hebben, nam dan toch uiteindelijk nog een beslissing vóór de verkiezingen. De zaak 
werd vooraf besproken in de ministerraad. De liberale ministers stemden tegen, maar 
verklaarden te zullen aanblijven indien hun stemming werd bekend gemaakt, wat 
dan ook gebeurde. De Antwerpse liberale federatie aanvaardde deze toestand niet. 
Zij eiste van minister L. Franck, Antwerps gekozene, 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



50 



dat hij ontslag zou nemen. Franck ging op dit ultimatum in. Zijn ontslag trok dat van 
alle andere liberale ministers met zich. Zij bleven nog alleen aan om de lopende 
zaken af te handelen. Zo ging men naar de stembus op 20 nov. 1921. 

Indien wij deze politieke ontwikkeling van dichterbij beschouwen en de betekenis 
afwegen die de Vlaamse Beweging in de jaren 1919-1921 heeft gehad, dan kunnen 
we bezwaarlijk zeggen dat deze van een overwegend belang is geweest voor het 
leven van het land. De nieuwe regering Delacroix (2 dec. 1919-3 nov. 1920) maakte 
het zich gemakkelijk bij de regeringsverklaring: het onderzoek van het taalvraagstuk 
zou door de regering worden toevertrouwd aan een speciale parlementaire kommissie. 
In de loop van de bespreking eiste Devèze waarborgen voor het behoud van de 
franstalige universiteit te Gent, terwijl Van Cauwelaert er over klaagde dat de regering 
geen rekening hield met de Vlaamse wensen. De vertegenwoordigers van het Vlaamse 
Front kwamen wel even aan het woord maar raakten verstrikt in de parlementaire 
procedure waar ze nog geen ondervinding van hadden. B. Maes kon de grote 
redevoering, die hij klaargemaakt had, niet uitspreken. Hem bleef de troost over ze 
onder brochurevorm te laten verspreiden' 70 . Toen het op stemmen aankwam, bleek 
het dat 19 katolieke vlaamsgezinden geen vertrouwen genoeg hadden in de regering. 
Zij zochten hun toevlucht in de onthouding. Op 20 jan. 1920 legde Delacroix zijn 
voorstel neer tot instelling van een kommissie belast met de studie van het 
taalvraagstuk. Met zitten en opstaan werd dit voorstel op 29 januari door de Kamer 
aangenomen. Het was een woelige zitting. De Walen beproefden herhaaldelijk de 
Vlamingen te beletten Nederlands te spreken. Bij de stemming bleven de katolieke 
Vlamingen en de Vlaamse nationalisten zitten. 

Wie zich een gedachte wil vormen van de stemming die in deze jaren in de Kamer 
heerste, moge zich getroosten de debatten te lezen van de interpellatie Hubin 'over 
de maatregelen welke de regering voornemens is te treffen om de aktivistische en 
orangistische propaganda die tot de ontwrichting der nationale eenheid leidt, tegen 
te gaan en te beteugelen' (zittingen van 17 en 24 febr. en van 2 en 9 maart 1920). 
De Waal Hubin was een van de oude socialistische voorvechters. Hij was tijdens de 
oorlog officier ge- 



(71) B. MAES. Antwoord van de frontpartij op de regeeringsverklaring van 16en december 1919. 
Gent, 1919, 16blz. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



51 



worden en kwam er uit terug als een vurig Belgisch patriot. Hij was zeer opvliegend 
van aard. In de Kamer werd hem daarbij zeer veel toegelaten, omdat men overtuigd 
was van zijn eerlijkheid en omdat men wist dat hij in de grond een goed mens was. 
In de loop van zijn interpellatie viel hij zowel Poullet en Van Cauwelaert aan als 
Debeuckelaere, terwijl hij heftig was in zijn uitlatingen tegen Nederland. Alle grote 
tenoren kwamen verder aan het woord. Helleputte sprak een lange redevoering uit 
om de klemtoon te leggen op het onderscheid tussen het Vlaams Verbond en het 
Vlaamse Front, die voor Hubin en de meeste Walen maar één pot nat waren. Men 
hoorde verder kortere of langere tussenkomsten van o.a.B. Maes, Van Cauwelaert, 
Huysmans, Borginon, Troclet en Doms. Het geheel bood het schouwspel van 
ontketende hartstochten en laat de indruk na van de grootste politieke verwaaring. 
Ons Vaderland (11 maart) vond dat de interpellatie Hubin een sukses geweest was 
voor het Front en een eerherstel voor de aktivisten. In feite had ze bewezen hoe 
eenzaam de vertegenwoordigers van het Vlaamse Front in de Kamer stonden en hoe 
hartstochtelijk zij door iedereen aan de vaderlandse schandpaal werden gesteld. De 
schijnbaar zo dwaze interpellatie Hubin had voor een deel toch haar doel bereikt: de 
verwijdering tussen Vlaams Verbond en Vlaamse Front nog verhaasten. 

De voornaamste gebeurtenis in het bestaan van dit tweede ministerie Delacroix 
was de bespreking en de goedkeuring door de Kamer van de wet op het gebruik van 
de talen in het bestuur' 72 '. Het is de eerste grote taalwet uit de periode 1918-1940. 
Het ligt niet in onze bedoeling telkens uitvoerig en op de voet de parlementaire 
debatten te ontleden die tot deze taalwetten hebben gevoerd. De parlementaire techniek 
laat zoveel kunstgrepen toe om de oorspronkelijke tekst van een ontwerp of een 
voorstel te ontzenuwen, dat een volledig verhaal ervan alleen past in een 
monografische behandeling van het onderwerp. Wij zullen ons telkens dienen te 
houden aan de grote trekken die de machtsverhoudingen in het parlement weergeven. 

Een wetsvoorstel over het gebruik van de talen in bestuurszaken werd ingediend 
door L. Pussemier c.s. op 4 febr. 1920. Het was, in zijn grote trekken, het 
oorspronkelijk wetsvoorstel van Jan De Laet dat door de Kamers verminkt werd tot 
de taalwet van 1 878. Het werd verwezen naar de Taaikommissie waar een tegenvoor- 



(72) Wij konden de hand niet leggen op de dissertatie van W. REUSCH. Die Sprachengesetzgebung 
auf dem Gebiet der Verwaltung in Belgien (1935). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



52 



stel Van Cauwelaert op art. 1 werd aangenomen. De uiteindelijke tekst van de 
kommissie schonk aan de meeste Vlamingen voldoening. Ook Ons Vaderland (26 
juli) verheugde zich over deze tekst, ofschoon met de motivering dat het 'een 
beslissende stap' was naar zelfbestuur' 73 '. De regering verklaarde deze tekst te 
aanvaarden. De bespreking in de Kamer nam een aanvang op 3 augustus en reeds 
op 6 augustus werd de tekst van de nieuwe wet aangenomen, met 95 stemmen voor 
en 43 tegen, bij 9 onthoudingen. De Vlaamse katolieken, enkele Vlaamse liberalen, 
enkele Waalse katolieken, de Vlaamse socialisten alsook de Waalse socialist C. 
Demblon en de Frontpartij stemden voor. Voor de toekomst dient hier genoteerd dat 
een amendement Borginon, dat de nietigheid voorzag van de stukken opgesteld in 
strijd met de wet en ook sankties voor de betrokken ambtenaren, met zitten en opstaan 
werd verworpen. Van Cauwelaert had zich met klem tegen dit amendement verzet 
omdat hij het als overbodig beschouwde in de atmosfeer van vervlaamsing die de 
wet zou scheppen. Vermoedelijk was dit slechts een flamingantisch voorwendsel om 
niet te moeten bekennen dat een wet met sankties geen kans maakte. Bij het Waals 
en liberaal verzet tegen de wet, waren bij de Walen duidelijk de vrees voor 
minorisering en de onwil om Nederlands te leren tot uiting gekomen. De liberalen 
van hun kant waren tegen de wet, aangezien zij die voor overbodig hielden (volgens 
hen wenste slechts een kleine minderheid in Vlaanderen verandering in de bestaande 
toestanden), omdat zij partijgangers waren van de taalvrijheid en daarbij ook overtuigd 
van de superioriteit van de Franse taal. Dat het spook van de Flamenpolitik daarbij 
werd opgeroepen, zal wel niemand verwonderen. De tekst, door de Kamer 
aangenomen, was goed, maar dit was slechts een voorspel: het woord was thans aan 
de Senaat. 

Bij de vorming van de regering Carton de Wiart (20 nov. 1920-20 nov. 1921) viste 
de Katolieke Vlaamse Kamergroep voor een goed gedeelte achter het net. Op de 
vergadering van de groep, op 17 november, bracht Helleputte verslag uit over zijn 
onderhoud met Carton de Wiart. Deze had hem verklaard dat de wet op de besturen 
ongewijzigd zou blijven en dat het lot van de regering eraan verbonden was. Wat de 
universiteit betreft werd ook beloofd in het tweedejaar Nederlandse leergangen in 
te richten. Voor de vertegenwoordiging van de groep in de regering bleef 



(73) Zie nochtans de kritiek in de nrs. van 29 en 3 1 juli, van 1 en 3 aug. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



53 



echter maar één plaats over en hiervoor was Van de Vyvere aangeduid. Van 
Cauwelaert, hierin gesteund door Marck, vroeg, naast Ruzette, nog twee plaatsen. 
Van de Vyvere verdedigde de deelneming aan de regering in de gestelde voorwaarden: 
Carton gaf de bestuurstaalwet die men er in de oppositie niet zou doorhalen; hij gaf 
alles wat een kabinetsformateur onder de huidige omstandigheden kon geven. Zonder 
groot entoesiasme legde de vergadering zich neer bij dit standpunt met 17 stemmen 
voor, 12 tegen bij één onthouding' 74 '. 

De regeringsverklaring bleef in het vage. Carton de Wiart beloofde de 
bestuurstaalwet in de Senaat te zullen verdedigen, maar hij voegde er niet aan toe, 
dat hij dit tot een kabinetskwestie zou maken. Hij verklaarde ook dat er zou 
aangevangen worden met de inrichting van een hoger onderwijs in het Nederlands. 
Hij kreeg, in tegenstelling met zijn voorganger Delacroix, een vertrouwensvotum 
vanwege de katolieke Vlamingen. 

De definitieve aanvaarding van de bestuurstaalwet op 29 juli 1921 vormt, in Vlaams 
opzicht, de hoofdbrok in de geschiedenis van dit ministerie. Het werd een ellendige 
en voor de Vlamingen hoogst vernederende sukkelgang. Nauwelijks was de wet op 
6 aug. 1920 aangenomen in de Kamer of een breed offensief werd er tegen ingezet. 
Reeds vanaf de eerste vergadering van de Senaatskommissie belast met het onderzoek 
van de tekst van de Kamer (op 14 sept. 1920) deed het gerucht de ronde dat men 
grondige wijzigingen mocht verwachten. Toen de tekst van de Senaatskommissie 
einde december bekend werd, was de verontwaardiging in Vlaanderen groot. De 
Katolieke Vlaamse Kamergroep besprak op 1 en 18 febr. 1921 de wijzigingen door 
de Senaatskommissie aangebracht. Op 2 maart vergaderde de groep nogmaals om 
zijn houding te bepalen. Van Cauwelaert trok ten aanval. Hij stelde voor krachtdadig 
op te treden bij de regering en verder uit te zien naar de te treffen maatregelen. Indien 
de groep niet kreeg wat hij begeerde, moest hij zijn vrijheid tegenover de regering 
terugnemen. Er werd alleen beslist bij Carton de Wiart erop aan te dringen dat men 
de wet wilde hebben vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 24 april <75) Op 23 maart 
begon de bespreking in de Senaat. Volgens een aantal senatoren was de verminkte 
tekst nog te radikaal: het regende amendementen. In de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep had, op 7 april, een tamelijk 



(74) Papieren Van hacker. 

(75) Ibid.. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



54 



zonderling incident plaats dat wel geen rechtstreeks verband houdt met de taalwet, 
maar toch kenschetsend is voor de heersende ontstemming. Minister Van de Vyvere 
deelde vertrouwelijk mede, dat Frankrijk met geweld zou optreden tegen Duitsland 
in verband met de herstelbetalingen en stelde de vraag: wat moet België doen en 
welk is het standpunt van de groep? Er had een lange bespreking plaats. In de loop 
hiervan stelde Poullet voor dat indien de Belgische regering wilde ingrijpen, de groep 
de dadelijke invoering van de gelijkheid voor Vlaanderen moest eisen nl. het 
neerleggen van wetsontwerpen betreffende de vier punten: Gent, het leger, het 
onderwijs en het bestuur. In 1914, ging Poullet verder, heeft de keizer van Rusland 
gelijkheid aan Polen beloofd, maar de Polen hebben de onvoorzichtigheid begaan 
geen waarborgen te vragen. Dit was een alleszins verrassend betoog in de mond van 
een minister van Le Havre, die het K.B. had ondertekend over de befaamde en beruchte 
'volledige gelijkheid in rechte en in feite'! Helleputte waarschuwde dadelijk tegen 
een dergelijke politiek: Vlaanderen was Polen niet en men zou de openbare mening 
tegen zich hebben. Volgens het verslag over deze vergadering zou niemand nog het 
woord gevoerd hebben, ook Poullet niet <76) . Dit was een intermezzo. De taalwet zelf 
kwam ter tafel in de groep, op de vergadering van 1 juni 1921 . Van Cauwelaert wilde 
de regering doen vallen. Carton de Wiart, betoogde hij, heeft de kabinetskwestie niet 
gesteld in de Senaat. Wij moeten bij de eerste gelegenheid het ministerie in de 
minderheid stellen: een dergelijke houding zal zeer voordelig zijn voor onze zaak. 
Hij kreeg er echter zijn standpunt niet door. Poullet wierp zijn gezag in de schaal. 
Hij deed opmerken dat het tot hiertoe de socialisten waren die het meest bekomen 
hadden, omdat zij ook gedreigd hadden. Hij ging er mee akkoord om te dreigen, 
maar wij kunnen de Senaat niet doen terugkeren op zijn standpunt en lopen derhalve 
gevaar niets te krijgen. Van Cauwelaert, niet gevolgd in zijn voorstel, liet voortaan 
de zaak vlotten. Er kan niet uitgemaakt worden of deze houding ook verband hield 
met de ontwikkeling van de gemeentelijke politiek in Antwerpen waar het vaststond, 
reeds vóór de stemming in de gemeenteraad van 22 juli 1921 waar het schepencollege 
werd verkozen, dat Van Cauwelaert zou voorgedragen worden als burgemeester van 
de stad en zijn benoeming nu afhing van Carton de Wiart die, naast de funktie van 
eerste minister, ook nog die uitoefende van minis- 



(76) Ibid. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



55 



ter van binnenlandse zaken. Misschien zullen de tot dusver zorgvuldig gesloten 
archieven een antwoord op deze vraag geven. Wij, persoonlijk, zijn geneigd 
ontkennend te antwoorden op grond van ons reeds uiteengezet standpunt over de 
machteloosheid van Van Cauwelaert in de Katolieke Vlaamse Kamergroep, tegenover 
Helleputte, Poullet en Van de Vyvere. Wij zijn eerder geneigd te geloven dat Van 
Cauwelaert besefte dat de slag verloren was en dat hij op een grotere politieke 
Vlaamse macht diende te wachten om opnieuw aan te vallen. Het ongeluk was dat 
Van Cauwelaert geen nederlaag kon bekennen en het kleinste stapje vooruit steeds 
wilde doen aanvaarden als een grote overwinning' 77 '. 

Men stond inderdaad maar een kinderstap vooruit toen begin juni 1921 het 
onttakelde ontwerp van de Senaat (daar aangenomen op 13 mei) naar de Kamer 
terugkeerde. De bespreking duurde hier slechts enkele dagen (26-29 juli). De tekst 
van de Senaat werd aangenomen met 74 stemmen tegen 57 bij 14 onthoudingen. De 
meeste Walen hadden tegen gestemd en ditmaal ook de vertegenwoordigers van het 
Vlaamse Front. Van de ministers in funktie hadden er eveneens drie tegen gestemd: 
Destrée, Devèze enNeujean. Buiten minister Jos. Wauters hadden slechts twee Walen 
de wet goedgekeurd: M. Levie en C. Demblon. De nieuwe wet steunde op twee 
principes: de territorialiteit in het taalgebruik in de besturen en de eentaligheid van 
de beide landsgedeelten. De oorspronkelijke tekst van de Kamer die deze regeling 
toepaste op de besturen van staat, provincie en gemeente 'alsmede de besturen staande 
onder toezicht van de staat of door deze ingericht, de staatsbedrijven en de vergunde 
ondernemingen, zoals de Nationale Bank, de Maatschappij der Buurtspoorwegen, 
de Nationale Maatschappij voor drinkwatervoorziening enz....' werd uiteindelijk 
vervangen door 'de besturen van de staat, van de provinciën en van de gemeenten 
alsmede de ondergeschikte openbare overheden' . Er werd daarbij, in de nieuwe tekst, 
ook voorzien dat de provinciale raden en de gemeentebesturen aan de bij de wet 
bepaalde taal ook de andere landstaal zouden mogen voegen. Bij de opsomming van 
de gemeenten der Brusselse agglomeratie waren 



(77) Volgens F. MAES. De regering Renkin en de taalwetten van 1932 in De Gids op 

maatschappelijk gebied, maart 1963, 227-243 vormden de taalwetten steeds het onderdeel 
van een kompromis op regeringsvlak en werden zij meestal bekomen in ruil voor andere 
maatregelen. In zekere zin is deze opmerking gegrond, maar de bewijsvoering is in dit geval 
niet overtuigend al dient er wel rekening gehouden te worden met het synkronisme van 
bepaalde wetten. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



56 



St.-Pieters-Woluwe en St.-Stevens-Woluwe gekomen. Er was tevens voorgeschreven 
dat de lijst van deze gemeenten bij K.B. zou kunnen uitgebreid worden. In de 
gemeenten waar, volgens de laatste tienjaarlijkse volkstelling, de meerderheid een 
andere taal spreekt als die van de taalgroep waartoe de gemeente behoort, beslist de 
gemeenteraad welke de taal is van zijn inwendige diensten en van zijn 
korrespondentie. Verplichte tweetaligheid werd voorgehouden voor de berichten en 
mededelingen aan het publiek gericht in de gemeenten waar dit wordt aangevraagd 
bij verzoekschrift ondertekend door 20 t.h. van de kiezers of ten minste 15.000 in de 
gemeenten met meer dan 70.000 kiezers. Er stonden in de wet zoveel uitzonderingen; 
er waren zoveel achterpoortjes aangebracht; de administratieve sankties bij overtreding 
waren zo denkbeeldig, dat de wet niet werd toegepast en dat men zelfs openlijk tot 
sabotage ervan durfde aansporen. Deze wet heeft veel Vlaamse ontevredenheid 
gekweekt. Het zou niet lang duren vooraleer, in katolieke Vlaamse kringen, de zo 
haastig weggewuifde sankties werden gevraagd. Op 26 maart 1926 werd op een 
algemene vergadering van de Katolieke Vlaamse Landsbond door Ir. Arth. Cornelis 
van het V.V.P.O.B. gewezen op de onduldbare toestanden in Vlaams opzicht in de 
administratie; op het kongres van de Landsbond (30 juli 1927) werd door 
postontvanger De Pue, van ditzelfde Verbond, een motie voorgedragen om de nodige 
sankties te eisen (78) . 

Bij de wet van 31 juli 1921 (Staatsblad van 12 aug.) dient nochtans de aandacht 
gevestigd op enkele bijzonderheden die haar onderscheiden van de vroegere 
wetgeving, buiten het reeds vermelde principe van territorialiteit en van eentaligheid. 
In de eerste plaats is dit niet meer een wet die uitsluitend van toepassing is op het 
Vlaamse land. Het is er een op het gebruik én van het Nederlands én van het Frans 
(het Duits viel weg). Ten tweede geldt ze niet meer alleen voor de staatsbesturen 
doch voor alle besturen (het opgeven van de zgn. autonomie van provincie en 
gemeente). Ten derde geldt ze niet alleen voor de betrekkingen met het publiek, maar 
ook voor de besturen onderling. Ten vierde schrijft ze voor de Walen, die een openbaar 
ambt in Vlaanderen bekleden en in voeling komen met het publiek, de verplichting 
voor Nederlands 



(78) Vgl. DE PUE in het Standaard-Jaarboek (1922): Commentaar van de wet op het gebruik der 
talen in bestuurszaken. Dezelfde op het 8ste kongres van de Katolieke Vlaamse Landsbond. 
Volledig Verslag, 129. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



57 



te kennen <79) Dit zijn kenmerken die vooral verdragend zijn voor de toekomst. De 
aandacht dient er ook op gevestigd dat in deze wet voor het eerst de tienjaarlijkse 
talentelling administratieve gevolgen kreeg. Dit stelsel werd later uitgebreid en bracht 
- nog sterker dan vroeger - heftige betwistingen mede over de objektiviteit en de 
waarde van deze talenstatistiek die uiteindelijk in het gevecht zal sneuvelen. 

Buiten de taalwet op de besturen vallen, onder de regering Carton de Wiart, nog 
enkele maatregelen te noteren in verband met de verwezenlijking van het 
minimumprogramma. In de sektor van het onderwijs werd de toestand beheerst door 
de wet van 1883, maar de achtereenvolgende ministers hebben hier niet steeds 
dezelfde interpretatie aan gegeven. Een overzicht van de toestand vereist telkens een 
onderscheid niet alleen in de tijd maar ook in de ruimte. In 1921 werden door minister 
J. Destrée verschillende maatregelen getroffen die tot gevolg hadden, dat de toestand 
er in grote trekken uitzag als volgt. In Antwerpen, Brugge en Tongeren werd de 
zevende (voorbereidende) klas van het ateneum vernederlandst, met behoud van een 
Franse parallelklas. Deze laatste werd toegankelijk gesteld voor al de leerlingen op 
voorwaarde van ondertekening door de huisvader van een verklaring waarin hij toegaf 
dat zijn zoon niet de voorwaarden verenigde voorgeschreven door art. 7 van de wet 
van 12 mei 1910 over het onderwijs in de moderne talen. Daarnaast werden de 
middelbare scholen van Brugge, Lokeren, Maaseik, St. Niklaas en de middelbare 
meisjesscholen in Lier en in Mechelen grotendeels vernederlandst. Deze proef werd 
ten dele doorgedreven, zodat de toestand zeer verward was en een volledig overzicht 
bezwaarlijk kan worden gegeven <80) . 

Op het gebied van het hoger onderwijs kwam men geen stap verder, na de opening, 
op 19 oktober 1920, van de Vlaamse Landbouwhogeschool te Gent. Wij zagen reeds 
hoe de eerste regering Delacroix was vastgelopen met haar poging om een begin te 
maken met de inrichting van Nederlandse leergangen te Gent. Onmiddellijk na de 
verkiezingen van 1919 had Van Cauwelaert het vooroorlogse wetsvoorstel tot 
vernederlandsing van Gent 



(79) In de loop van het jaar 1 927 publiceerde het V.V.P.O.B. een brochure De strijd voor de 
toepassing van de bestuurlijke taalwet. 

(80) Vgl. De vervlaamsching van het onderwijs, ed. Vlaamsch Studiecomité, 1931, blz. 10 en 
volg. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



58 



weerom ingediend (24 dec. 1919). Het raakte niet verder als de formaliteit van de in 
overwegingneming (29 jan. 1920) en een eerste bespreking in de afdelingen van de 
Kamer. Ook Van Cauwelaert drong niet aan, omdat hij dacht dat men best eerst zou 
trachten de taalwet op de besturen te doen aannemen aangezien er hier meer kans 
bestond op een overwinning als met het voorstel tot vernederlandsing van Gent. 
Minister Destrée nam zelf het initiatief en diende, op 22 maart 1 92 1 , een wetsontwerp 
in voor een voorlopige regeling: vanaf 1921-1922 zouden te Gent Nederlandse 
kolleges worden gegeven in de fakulteit van Letteren en Wijsbegeerte en in die van 
de Wetenschappen. De nieuwe Kamers zouden dan later een beslissing moeten nemen. 
De Katolieke Vlaamse Kamergroep besprak dit ontwerp en besliste zich in de 
kamerafdelingen te onthouden. Van de Vyvere had te vergeefs voor het ontwerp 
gepleit. Hij aanvaardde wel dat er gevaren in verscholen zaten, maar vond het even 
gevaarlijk het te verwerpen: het was de laatste kans die men had om hoger onderwijs 
in het Nederlands te bekomen in Gent en men mocht niet vergeten er rekening mede 
te houden, dat men niet op de liberalen en socialisten mocht vertrouwen om een 
universiteit te Antwerpen te verwerpen. Van de Vyvere kon zijn standpunt niet 
doorzetten en Poullet was het die de vergadering won voor een onthouding. Van 
Cauwelaert kwam in deze bespreking aan het woord: een vrij zwakke tussenkomst 
waarbij het verslag over de vergadering ons er niet toe in staat stelt uit te maken welk 
standpunt hij juist heeft ingenomen' 81 ' Het ontwerp Destrée werd verworpen door de 
Kamerafdelingen en door de middenafdeling. Het was voor goed van de baan. Intussen 
was in Antwerpen in 1920 een franstalige Hogere Koloniale School opgericht die in 
1923 hervormd werd tot Koloniale Hogeschool. Het zou duren tot na 1935, vooraleer 
onder het ministerschap van Edm. Rubbens, een Nederlandse afdeling ervan tot stand 
kwam. 

Met alleen een kreupele, door iedereen als onvoldoende afgewezen taalwet op de 
besturen, kwamen aldus de Vlaamse katolieken, in november 1921, even berooid 
voor de Vlaamse kiezer te staan als het Vlaamse Front, dat scheen te moeten vechten 
voor zijn leven... Daarbij kwam nog, voor de Vlaamse katolieken, dat er én te Brussel 
én te Antwerpen een franskiljonse konservatieve lijst stond tegenover een 
Vlaams-demokratische. Wat zouden onder deze omstandigheden de verkiezingen 
geven? 



(81) Papieren Van hacker. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



59 



5. De verkiezingen van 20 november 1921 

Ze werden een verrassing. In de Kamer behaalden de katolieken 80 zetels (winst 7), 
de socialisten 68 (verlies 2) en de liberalen, die nochtans hun uur hadden uitgekozen, 
33 (verlies 1) (82> . Voor het Vlaamse land was de uitslag: katolieken 47 (winst 2), 
socialisten 24 (status quo), voor de liberalen 14 (verlies 1). Het Vlaamse Front kwam 
schijnbaar zwaar gehavend uit de strijd: vier volksvertegenwoordigers, waarvan geen 
enkele in Oost- Vlaanderen en in Limburg. De nederlaag was echter meer schijn als 
werkelijkheid. Het verlies van drie zetels in Oost- Vlaanderen (twee Vlaamse Front 
en een Daensist) was het gevolg van de mislukking van het kartel. De nationalisten 
behaalden in Gent 6.091 stemmen (1919: 9.436), in Aalst 1.314 (in 1919 behaalde 
het kartel 1 1 .559 stemmen, de Daensisten thans 7.226) <83) , in St. Niklaas 2.044 (in 
1919: 4.463), in Dendermonde 599 (in 1919: 765) en in Oudenaarde-Ronse 905 (in 
1919: 1.437). Er waren voldoende stemmen voor één zetel, maar het moest er een 
zijn door apparentering en men kon hiervoor niet in aanmerking komen omdat Gent 
het kworum niet bereikte. We kunnen, voor deze provincie, bezwaarlijk uitrekenen 
hoeveel verlies er in werkelijkheid was, aangezien men in 1919 nergens als Vlaamse 
Front alleen was opgekomen. In West- Vlaanderen waren daarentegen twee 
volksvertegenwoordigers. In het arr. leper behaalde E. Butaye 22,68% van de stemmen 
en meteen het 'kworum' , zodat, door het spel van de apparentering, ook Van Severen 
gekozen werd in Roeselare-Tielt waar het Vlaamse Front in 1919 niet opgekomen 
was. In de arrondissementen Oostende en Brugge noteerde men nochtans 
achteruitgang. In Brabant voerde Staf De Clercq zijn aantal stemmen op van 6.390 
tot 8.655, een aangroei die zowel uit de Brusselse agglomeratie kwam als van het 
platteland. In Limburg behaalde het Vlaamse Front voor heel de provincie slechts 
2.039 stemmen (niet opgekomen in 1919). In het arr. Antwerpen was er een merkelijke 
vooruitgang van 7.836 naar 9.047 stemmen. Mechelen steeg van 2.346 naar 3.443, 
maar Turnhout viel van 3.013 terug op 2.748 (de nationalistisch gezinde Thomas De 
Backer stond er op de vierde plaats van de katolieke lijst, maar werd niet gekozen). 



(82) De Liberale Vlaamse Volksbond te Brussel was hier afzonderlijk opgekomen. De lijst behaalde 
3.479 stemmen. 

(83) De kristen-demokraten (Daensisten) hadden recht op een zetel. Als gevolg van het bestaande 
kiesstelsel viel deze zetel in het arr. St. -Niklaas, maar de apparenteringslijst werd ongeldig 
verklaard en aldus ging de zetel verloren ten voordele van een andere partij. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



60 



Indien wij bij de berekening van deze uitslagen van het Vlaamse Front langer zijn 
blijven stilstaan is het om erop te wijzen dat, bij uitschakeling van de 
propagandistische cijfers over de uitslagen van 1919, men twee feiten moet vaststellen: 
ten eerste, dat de Vlaamse nationalisten in alle arrondissementen waren opgekomen 
als zelfstandige groep; ten tweede, dat hun stemmenaantal gestegen was van 45.863 
tot 58.790. Onder deze omstandigheden waren er niet meer redenen om thans de 
partij te ontbinden als na de verkiezingen van 1919. Toch was het een nederlaag en 
het zoeken naar de oorzaken ervan zou een pijnlijk experiment worden voor het 
Vlaamse Front, dat over een uiterst zwakke parlementaire vertegenwoordiging 
beschikte tijdens de legislatuur 1921-1925. 

Voor het overige brachten deze verkiezingen met de overwinning van de katolieken 
en een schijnbaar gebroken opgang van de socialisten, een stabilizatie die aan de 
basis bleef liggen van het politieke leven in België, in de eerstvolgende jaren althans 
en tot bij de verkiezingen van 1936. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



61 



Hoofdstuk II I Jaren van politieke onmacht en 
verwarring (20 november 1921-9 dec. 1928) 

1. De scheiding van de geesten 

Het zal de lezer opvallen, bij de hiernavolgende geschiedenis van de politieke 
ontwikkeling der Vlaamse Beweging, dat in de periode die gaat van de verkiezingen 
van november 1921 tot aan de Bormsverkiezing in december 1928, het Vlaamse 
vraagstuk wel zwaar heeft gewogen op de Belgische politiek maar nochtans heel 
weinig heeft bereikt op het parlementaire vlak. Toch is deze periode van zeer grote 
betekenis geweest voor de verdere evolutie van de Vlaamse politiek. In de eerste 
plaats door de onmiskenbare scheiding van de geesten in het flamingantische kamp. 
De breuk tussen Vlaams nationalisme en Vlaams Belgicisme wordt in deze jaren 
volledig bevestigd door een uitgebreide literatuur die zeer scherp de klemtoon legt 
op de principiële tegenstellingen tussen beide groepen, al blijven nog vele katolieke 
flaminganten vasthouden aan de fiktie dat het alleen maar ging over een vraagstuk 
van taktiek en opportuniteit, zodat men verder moest blijven streven naar een herstel 
van de katolieke Vlaamse eenheid. In de tweede plaats is deze periode van grote 
betekenis geweest omdat de klaarblijkelijke onmacht van de Vlaamse Belgicisten 
om hun minimumprogramma te verwezenlijken, in vrij snel tempo de geesten 
voortgedreven heeft in de richting van meer radikalisme. Opvallend is daarbij, dat 
de jeugd in Vlaanderen, en ook grotendeels de intellektuelen, in deze jaren 
uitgesproken nationalistisch denken en ook niet aarzelen dit openlijk te bevestigen. 
Niettegenstaande de grote verwarring die er heerst in het nationalistische kamp over 
vormen en doelstelling van de beweging, slaagt het Vlaams Belgicisme er niet in de 
aankomende generatie voor zijn politieke opvattingen te winnen. Om de scheiding 
in de geesten, die zich in deze jaren voltrekt, duidelijk te maken, willen wij vooreerst 
een kort overzicht geven van deze gedachtenstrijd tussen nationalisme en Vlaams 
Belgicisme, waarbij wij er nogmaals de klemtoon op leggen, dat elke pejoratieve of 
smalende betekenis bij het gebruik van deze laatste uitdrukking ons vreemd is. Voor 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



62 



ons is het een technische benaming die heel wat duidelijker de werkelijkheid weergeeft 
dan die van minimalisten en extremisten of maximalisten. 

Het Vlaams Belgicisme. 

De grote voorman van het katoliek Vlaams Belgicisme - het socialistische onder 
Huysmans is minder sterk - was, zonder enige twijfel, Frans Van Cauwelaert. Wij 
hebben, in onze Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, een poging gedaan om zijn 
opvattingen over de Vlaamse Beweging te ordenen en samen te vatten. Aan deze 
uiteenzetting is voor de periode na 1914 niet veel meer toe te voegen. Hij is van zijn 
opvatting over de Vlaamse Beweging als een zuivere kuituurbeweging niet meer 
afgeweken en we zouden bijna kunnen de stelling verdedigen, dat het enig nieuwe 
dat hij er nog aan toegevoegd heeft, zijn onafgebroken strijd was tegen het Vlaams 
nationalisme en tegen de gedachte van elke vorm van politieke zelfstandigheid voor 
Vlaanderen. In een reeks artikelen in Vrij België (22 okt.-26 nov. 1915) had Van 
Cauwelaert, voor nu en voor de toekomst, de eis tot bestuurlijke scheiding verworpen. 
Hij beschouwde deze 'op dit ogenblik' als ontijdig, onnuttig en verderfelijk. Hij 
verklaarde verder, dat de bestuurlijke scheiding onnodig was om 'aan de Vlaamse 
bevolking, in een vrij en grondwettelijk België... de volheid van hare levensrechten 
en van haar geestelijke en ekonomische ontwikkeling mogelijk te maken'. Al de 
hervormingen die hiertoe nodig waren, konden bereikt worden door een 'bestuurlijke 
aanpassing' . Dit laatste was geen scheiding, omdat de Waalse en de Vlaamse 
provincies in dit stelsel geen afzonderlijke eenheid zouden vormen met een eigen 
vertegenwoordiging. De Belgische staat dient zich te wennen aan zijn taalgrens: ten 
noorden ervan zal alles uiterlijk en innerlijk Vlaams zijn en ten zuiden alles Frans, 
zonder dat men de franssprekende bewoners van het Vlaamse land zou beroven van 
hun persoonlijk recht om het Frans te gebruiken. Na de oorlog begint de strijd 
opnieuw. Het zwaartepunt ligt hier niet zozeer in de Kamers als daarbuiten, bij het 
volk zelf en in het partikulier initiatief: wij moeten ons gedragen als Vlamingen. 

Uit deze opvatting over de Vlaamse Beweging en over de noodzakelijke 
'bestuurlijke aanpassing' is dan het minimumprogramma ontstaan, waarvan echter 
geen enkel punt in de periode 1918-1928 kon omgezet worden in een taalwet. De 
wet van 1921 op het gebruik der talen in de besturen ontgoochelde zo dat Van 
Cauwelaert niet verder meer de klemtoon legde op 'bestuurlijke aan- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



63 



passing'. In 1923, op het kongres van de Katolieke Vlaamse Landsbond, wees hij 
daarentegen op de mogelijkheden die besloten lagen in het grondwettelijk zelfbestuur. 
Hij bedoelde hierdoor de autonome lichamen die onze gemeenten en provincies zijn 
en de mogelijkheden die hier voorhanden zijn tot een provinciale en gemeentelijke 
werking; hij wees op de mogelijkheden die besloten lagen in de interprovinciale en 
interkommunale aktie; hij onderstreepte de noodzakelijkheid van een Verbond van 
Vlaamse Gemeenten. Een nadere uiteenzetting van de hervormingen die nodig waren 
om de Vlaamse Beweging op te lossen langs de weg van het grondwettelijk zelfbestuur 
heeft Van Cauwelaert nooit gegeven. Wij zijn er trouwens van overtuigd dat men 
hem verkeerd begrepen heeft in zover men hierin een oplossing heeft gezocht: voor 
Van Cauwelaert was het, in de noodsituatie van zijn politiek, slechts een middel om 
de aandacht af te leiden omdat hij toch bezwaarlijk kon verwijzen naar parlementaire 
verworvenheden. Het was, m.a.w., een tijdelijke afleiding van wat hijzelf dan toch 
als noodzakelijk beschouwde, nl. taalwetten gegrondvest op het principe van de 
eentaligheid van het Vlaamse land. 

We kunnen bezwaarlijk Van Cauwelaert na 1 9 1 8 nog als een teoreticus beschouwen 
van de Vlaamse gedachte of de Vlaamse strijd. De man die zich werkelijk opwierp 
als de teoreticus van het Vlaams Belgicisme was Edmond Rubbens U) Hij was de zoon 
van een geneesheer en werd geboren te Zele in 1894. Hij studeerde aan het 
St.-Barbarakollege in Gent (1903-1911) en daarna aan het H. -Maagdkollege in 
Dendermonde (1911-1912). In 1912 werd hij te Leuven student in de geneeskunde. 
Hij stond bijzonder aktief in het A.K.V.S. en in de Vlaamse aktie te Leuven. Afkomstig 
uit een van de droevigste streken van 'Arm Vlaanderen', voelde hij sterk sociaal en 
kwam hij onder invloed van de demokratische opvattingen van Mare Sangnier (Le 
Sillon). Als lid van het Leuvens studentengenootschap Amicitia was hij bij de stichting 
van een studiekring van Oost- Vlamingen die het nationalisme hier en elders wilde 
bestuderen. De leus van de kring was 'zelfbestuur voor Vlaanderen'. Tijdens de 
oorlog bleef hij afzijdig van het aktivisme, al schijnt hij wel sterk getwijfeld te hebben 
of hij niet naar Gent zou gaan studeren, aan de Vlaamse hogeschool. Hij heeft tijdens 
de bezetting ook niet gebroken met de bevriende Dosfel. Toen hij in 1919 weer naar 
Leuven ging, gaf hij de studie van de geneeskunde op om te doctoreren in de politieke 
en de sociale weten- 



(1) Voor wat volgt, uitvoerig, M. CORDEMANS. Edm. Rubbens, o.c. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



64 



schappen. In 1921 verkozen tot volksvertegenwoordiger, werd hij in 1927 ook doctor 
in de rechten. Hij werd in 1934 minister en stierf vroegtijdig op 27 april 1938. 
Rubbens was een polemist met een stevige akademische vorming. Hij bleef in zijn 
polemieken steeds hoffelijk en op een hoger vlak: hij geloofde in de kracht van de 
dialoog, op elk gebied, met de tegenstanders. Vandaar zijn lust tot schrijven en ook 
tot het opnemen van een debat. In het Vlaams-Belgicistische kamp was hij de 
voornaamste bestrijder van het nationalisme' 2 '. 

Het hoofdargument van Rubbens tegen het Vlaams nationalisme was dat het te 
laat kwam. Volgens hem was het nationalisme een kracht geweest in het verleden 
maar waarvan thans de kansen met de dag geringer werden. Een tijdelijke 
wederopflakkering kan hieraan niets veranderen. De Belgische binnenlandse 
verhoudingen scheppen thans wel een gunstig klimaat voor het nationalisme in 
Vlaanderen, maar dit nationalisme kan geen voedsel vinden in de geest van de tijd. 
Wel zijn de gevoelens nog nationalistisch maar uiteindelijk zegevieren toch de 
gedachten. Deze stelling, reeds in een paar artikelen uiteengezet in De Standaard 
(28 sept. en 5 okt. 1922) werd door hem uitvoeriger opnieuw opgenomen in zijn 
debat te Leuven met Borginon (maart 1 923) en uitgewerkt in de brochure Het gevaar 
van het nationalisme. Hij argumenteerde toen verder: het Vlaams nationalisme zuigt 
zijn levenssap niet uit Vlaamse bodem maar uit vreemde voorbeelden; het is sterk 
geïnspireerd door een overblijvende romantiek. Het is zonder geschiedkundige 
grondslag: wie weerlegde tot hiertoe de stellingen van Pirenne en van Colenbrander? 
Zelfbestuur is niet alleen onvoorbereid en onbestudeerd, maar ook ondoelmatig voor 
onze idealen en nadelig voor de Vlamingen zelf. Wij beschikken trouwens in ruime 
mate over zelfbestuur in onze provincies en gemeenten. Waarom daarenboven het 
voordeel van ons geboortencijfer beperken? En wat dan met Brussel, dat niet onder 
een Vlaams zelfbestuur te brengen is? 

De oplossing lag voor Rubbens in de decentralizering. Hij ziet deze in ruimer 
verband dan het Vlaamse vraagstuk als de verwezenlijking van een politieke idee, 
waarbij hij zelfs verwijst naar mogelijke korporatieve instellingen. Praktisch pleit 
hij voor een ruimer bevoegdheid van de provincies, voor een verbond van de 



(2) Zijn voornaamste publikaties zijn Het gevaar van het nationalisme. Eene kritiek van het 
nationalisme en van het Vlaamsch nationalisme (1923); Een kritiek der Vlaams che Beweging 
(1927). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



65 



Vlaamse provincies en voorziet zelfs nog grotere hervormingen in de toekomst, zoals 
bijv. de splitsing van zekere diensten van het ministerie van kunsten en 
wetenschappen. Dit alles zou kunnen geschieden zonder wijziging van de Grondwet. 

In zijn Kritiek van 1927 loopt Rubbens met dezelfde argumenten opnieuw storm 
tegen het Vlaams nationalisme. De oorlog (1914-1918) bracht - zo betoogt hij - de 
genadeslag toe aan liberalisme en socialisme, aan romantiek en nationalisme. Dit 
laatste heeft in Europa geen toekomst meer. Indien de Vlaamse Beweging in 1900 
reeds zo sterk geweest was als thans, zou ze in 1914-1918 de autonomie (al of niet 
voordelig voor Vlaanderen) bereikt hebben. Nu is de tijd voorbij. Er is daarenboven 
in het nationalisme sterke eensgezindheid, noch klare doelstelling: twee voorwaarden 
om te zegevieren. Alle hoop op positieve verwezenlijkingen is voor het Vlaams 
nationalisme verdwenen; het nationalisme is onbruikbaar geworden als drijfveer van 
de Vlaamse Beweging. Hier gaat Rubbens echter een stap verder door ook het Vlaams 
Belgicisme kritisch te bekijken. Dit laatste dient op zijn beurt herzien. De 
minimumeisen mogen niet berusten op een teorie van gelijkheid in rechte en in feite. 
Wij hebben een sterkere bevolking als Wallonië en wij moeten een 
veroveringsmentaliteit ontwikkelen. Wij moeten 'niet langer naar een 
gelijkheidstoestand, maar naar een machtspositie streven'. Somberheid en frondegeest 
leiden tot onvruchtbaarheid: zie het Vlaams nationalisme. Het 'minimalisme' 
versterkte de Vlaamse posities. De Vlamingen zijn thans verdeeld in nationalisten 
en Vlaamse Belgicisten. Zij denken dat een afgrond hen scheidt. Dat is niet waar. 
Wat hen scheidt is de politiek en het is juist een vergissing te geloven dat dit van 
overwegend belang is. Wij verwachten te veel van de Staat. Wij willen allen 
zelfstandigheid maar het moet in de eerste plaats geestelijke zelfstandigheid zijn en 
de Staat kan deze niet geven. Ze moet ons eigen werk zijn. Ik zie in het nationalisme 
geen jonge krachten; het verloopt in dit opzicht zoals het Daensisme. Er moet een 
verandering van geest komen en een koerswijziging. Wij moeten offensief en positief 
werken. Wij dienen in Vlaanderen alles te veroveren wat te veroveren valt en moeten 
in België de grootste, de beste en de ruimste plaats innemen. Realisme, optimisme 
en veroveringsgeest: daar komt het op aan! 

De opvattingen vooruitgezet in deze Kritiek - de titel herinnert wel al te sterk aan 
het befaamde stuk van de jonge Aug. Vermeylen, waarvan het dan toch in geen enkel 
opzicht afhankelijk is - schenen wel overmoedig in 1927, een jaar van diepe 
verwarring 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



66 



weliswaar in de nationalistische rangen, maar van even grote onmacht van het Vlaams 
Belgicisme. Ze doen zeer sterk denken aan het retorisch optimisme van Van 
Cauwelaert, in de euforie van zijn burgemeesterschap en zijn financiële opgang. 
Toch bevat het stuk verscheidene opvattingen en gedachten die het Vlaams 
nationalisme zelf innerlijk zullen aantasten. In menig opzicht zal Van Severen later, 
in zijn Boergondische en Belgische koerswendingen, erbij aansluiten. Dit was 
voorlopig voor hem nog niet het geval, maar Rubbens kon dan toch reeds op een 
bondgenoot wijzen uit het oude aktivistische kamp, nl. op de reeds sedert 1915 naar 
Nederland uitgeweken Leo Picard (3> . We kunnen deze laatste bezwaarlijk een teoreticus 
noemen van het nationalisme of van het Vlaams Belgicisme. Hij is eerder te 
beschouwen als een breed ontwikkeld publicist die zijn opvattingen voortdurend 
aanpast aan de omstandigheden en daarbij van natuur uit zeer versatiel van geest 
was. Wij hebben gezien hoe de aktivisten van De Vlaamsche Post dit reeds na weinige 
maanden ondervonden. Pas in Nederland aangekomen schreef hij een brochure 
Vlaanderen na den oorlog ('s Gravenhage, 1915, 40 blz.) waarin hij zijn nieuw 
standpunt uiteenzette. De flaminganten moesten, volgens hem, ernaar streven een 
centralistische Belgische regering voor goed onmogelijk te maken; Vlaanderen 
onttrekken aan te grote Franse invloed, maar ook zijn individualiteit handhaven 
tegenover Duitsland; de bestuurlijke scheiding veroveren die nodig was om het eigen 
volksleven tot bloei te kunnen brengen; de offers die de volksklas in deze oorlog 
bracht niet vergeten: aan de volksmens moest een behoorlijk bestaan verschaft worden 
alsmede aandeel in de weldaden van de kuituur. Dit was alles tamelijk vaag en vond 
dan ook geen weerklank. Pas tien jaar later zou zijn woord in Vlaanderen weer 
gehoord worden. Zijn opvattingen werden toen door de oud-aktivisten aan de kaak 
gesteld als de verdere evolutie van Picard naar de verloochening van zijn aktivistisch 
en nationalistisch verleden. Dit laatste was beslist onjuist. Picard heeft, terecht, 
staande gehouden dat hij nooit nationalist geweest is. En wat het aktivisme betreft: 
dit was een episode die achter de rug lag, dood en begraven, doordat ook de 
omstandigheden volledig veranderd waren. 

Welke was nu de nieuwe visie van Leo Picard op de Vlaamse Be- 



(3) Vgl. de biografische inleiding tot zijn verzamelde opstellen Van Vlaamse Beweging naar 
sociale revolutie. Verspreide geschriften, z.j. (1961) waarinde meeste van de hiernavermelde 
opstellen opgenomen werden. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



67 



weging? Wij vinden ze weer in een reeks van tien stellingen, verdedigd in een debat 
met Rob. Van Genechten, in het voorjaar van 1925 in Den Haag. Wij kunnen ze 
samenvatten als volgt: België bestaat, zijn internationale positie is sterker als in 1914 
en zowel de overgrote meerderheid van de Vlaamse bevolking als de meerderheid 
van de flaminganten wensen, dat het zou blijven bestaan. De nationalistische 
minderheid van de flaminganten beschikt niet over de nodige kracht om haar ideaal 
te verwezenlijken en een nieuwe wereldoorlog is onwaarschijnlijk; een onvolledige 
verwezenlijking van dit ideaal (wat Picard noemt 'een streepautonomie') voert ons 
naar het provincialisme. Wij dienen, als Vlamingen, het algemeen Belgisch leven 
mee te leven om volledigheid van kuituur te verkrijgen en wij staan ver genoeg om 
aan dit Belgisch leven deel te nemen zonder gevaar voor ons Vlaams ideaal. De 
nationale staat is ten andere geen postulaat, maar een historisch verschijnsel: een 
nieuwe evolutie is reeds aan de gang naar minder nationale staten die meer vrijheid 
laten aan de kultuurorganizaties. De Frontpartij moet het centrale instrument worden 
van de Vlaamse Beweging en slechts bij uitzondering op parlementair politiek terrein 
optreden' 4 '. 

Aan het Vlaamse publiek werden deze gedachten voorgesteld in het tijdschrift 
Vlaamsche Arbeid onder de titel Voor het herstel van de Vlaamsche Beweging^. 
Hierin sprak hij van het afwerpen van 'het dwangbuis der nationaliteitenteorie', 
verwierp een Vlaamse autonomie die een getto zou zijn en sprak hij van een 
'pariteitsstaat op nationaal gebied'. Hij vond het best, dat de Frontpartij nog een tijdje 
de wacht zou houden om dan later de kern te worden van een sociaal - kulturele, 
Vlaamse organizatie. In het postscriptum van de separatimuitgave, gedateerd 1 0 nov. 
1925, verwierp hij het verwijt dat hij van mening zou veranderd zijn tegenover 
vroeger: zijn gedachte had zich alleen maar verder ontwikkeld. Dit was een antwoord 
aan het weekblad Vlaanderen, evenals de opmerking dat hij er geen bezwaar tegen 
had 'Belgicist' genoemd te worden, maar - voegde hij eraan toe - indien men daardoor 
bedoelt 'dat ik op politiek gebied niet in de eerste plaats het Vlaams belang wil 
verdedigen, dan is die bewering leugenachtig of dom'. 



(4) Volgens het weekblad Vlaanderen, 21 maart 1925. 

(5) Voor het herstel van de Vlaamsche Beweging. Een overdruk uit Vlaamsche Arbeid met een 
nabeschouwing. Antwerpen, z.j., gedateerd 10 nov. 1925. Vgl. hierover E. RUBBENS in De 
Standaard, 19 jan. 1926. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



68 



Het Vlaams nationalisme 

Tegenover de zeer grote armoede van de teoretische geschriften tot verdediging van 
het Vlaams Belgicisme, staat een vloed van Vlaams nationalistische publikaties. Wij 
kunnen hier alleen bij de voornaamste ervan blijven stilstaan. Er is onder deze 
geschriften - dit zij vooraf gezegd - geen enkele publikatie die nog enige aktuele 
waarde bezit en de moeite van het overlezen waard is. Er is ook geen enkele studie 
bij die als een ernstige bijdrage tot de teorie van de nationaliteiten zou kunnen 
beschouwd worden. Als een uitzonderlijke prestatie kunnen wij daarbij alleen 
verwijzen naar het werk van Dr. G. Schamelhout over de strijd van de nationaliteiten 
in Europa' 6 '. Voor de historische ontwikkeling zijn deze publikaties echter van groot 
belang, omdat zij de grondslag gelegd hebben van een nationalistische overtuiging 
die onwankelbaar is gebleven tussen de twee oorlogen. Onder deze schrijvers - velen 
anoniem of onder schuilnaam - komen een aantal tomistisch gevormde geestelijken 
voor. Onder hun invloed werd de rechtvaardiging van het Vlaams nationalisme in 
het teken gesteld van het tomistisch natuurrecht. De veroordeling van het Vlaams 
nationalisme van kerkelijke zijde legt tevens uit dat een zeer breed debat werd gevoerd 
over de bevoegdheid van de kerkelijke overheden in zuiver politieke aangelegenheden. 
De Vlaams-nationalistische polemieken hebben in dat opzicht zeer sterk de 
anti-klerikale geest in Vlaanderen versterkt en ongetwijfeld veel bijgedragen tot een 
geestelijke ontvoogding. 

De eerste en meest vooraanstaande van deze polemisten - teoretici was Lodewijk 
DosteP. Reeds in 1919 nam hij het, onder de schuilnaam Thomas Van der Schelden, 
op tegen de Belgische belijdenis van A. Fierens die hij punt voor punt weerlegde' 8 '. 
Hij verwierp hier met kracht de teorie van de 'ame beige' en van de 
gemeenschappelijke beschaving van Walen en Vlamingen die voor hem niets anders 
was als 'een hersenprodukt'. Tegenover het unitarisme van Fierens stelde hij zijn 
vaste overtuiging dat zonder verlening van politieke zelfstandigheid aan Vlaanderen 
en Wallonië de Vlaams- Waalse kwestie niet kon opgelost worden. Hij 



(6) G. SCHAMELHOUT. De volkeren van Europa en de strijd der nationaliteiten, 3 dia, 1925-1930. 
Vgl. contra de inleiding, Pater VAN MIERLO in De Standaard, 19 en 20 april 1926 die spreekt 
over 'het fiasko van het nationaliteitsbeginsel.' 

(7) Vgl., zeer uitvoerig, a. DE BRUYNE. L. Dosfel, o.c. Verder ELIAS, IV, 395. 

(8) TH. VAN DER SCHELDEN. Over het Belgische Vaderland van A. Fierens. Eene bijdrage tot de 
wijsbegeerte der Vlaamsche Beweging. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



69 



verklaarde zich daarbij voorstander van een bondsstaat om te besluiten: 'eens wonen 
wij in Vlaanderen, met den broederstaat Wallonië in België verbonden, zolang dat 
met de redelijke wensen en behoeften der twee staten overeenkomt ' (9) . 

Dosfel beschouwde de gedachte van de politieke zelfstandigheid als de grote 
verworvenheid van het aktivisme. Hij kreeg de gelegenheid vanaf 1921 zijn 
nationalistische overtuiging te verdedigen in het weekblad Het Vlaamsche Land. Hij 
heeft dit gedaan tot aan zijn vroegtijdige dood op 27 dec. 1925. Zoals hij het boek 
van Fierens weerlegd had, behandelde hij volgens dezelfde metode de brochure van 
Edm. Rubbens over het gevaar van het nationalisme' 10 '. Hij viel ook scherp Van 
Severen aan toen deze in 1924 zijn nieuwe opvattingen over de Vlaamse Beweging 
formuleerde. Dit gaf aanleiding tot een incident: Van Severen diende een beroep te 
doen op de wet om zijn recht op antwoord - een scherp ironisch stuk, op de rand af 
van een geestige scheldpartij - in het blad te doen opnemen. Over 't algemeen was 
Dosfel in zijn polemieken nochtans zeer bezadigd. Hij wist het standpunt van de 
tegenstrever te waarderen. Dit was een gevolg van zijn eigen twijfel, van zijn 
voortdurend wikken en wegen, van zijn eigen onzekerheid in menig opzicht. 'Wij 
moeten - schreef hij aan een jonge vriend op 21 jan. 1921 - naar waarheid trachten, 
naar waardering. Wijsheid leert ons toch dat op weinige punten na, zo'n schaars getal 
zaken volkomen zeker zijn. Wij kunnen ons vergissen, zowel als de andere. Dit mogen 
wij niet uit het oog verliezen. Wij zijn gene pauzen, mogen niet verketteren'* 10 . Zeer 
treffend werd deze aarzelende geest getypeerd in het weekblad De Ploeg 
(hoofdredakteur Herm. Vos): 'Thomas Van der Schelden, weegt, aarzelt, kontroleert, 
twijfelt, wacht, ontkent, draait en keert, vindt, bevestigt en twijfelt weer'. 

Bij al dit twijfelen bleef Dosfel nochtans onwrikbaar vasthouden aan twee vaste 
geloofspunten: zijn Vlaams nationalisme en zijn katolicisme. Wij kennen zijn eigen 
voorkeur voor een bondsstaat 



(9) Zijn federalistisch ontwerp (Het Vlaamsche Land, 14 en 28 jan., 1 1 febr. 1922), niet 
opgenomen in zijn Verzameld Werk (7 delen), bij W. HOUTMAN Vlaamse en Waalse 
documenten, o.c, 69. 

(10) Het vraagstuk van het Vlaamsche nationalisme. Antwoord op Dr. Rubbens ' boekje Het gevaar 
van het nationalisme. Ook dit was een overdruk van artikelen verschenen in Het Vlaamsche 
Land. 

(11) Dosfel aan Alb. Van de Poel, 21 jan. 1921 . Papieren Frans Van der Eist. Wij danken Mr. 
Van der Eist, volksvertegenwoordiger, om de vriendelijke mededeling van deze bundel 
brieven. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



70 



als oplossing van het nationaliteitenkonflikt in België. Daarbij mogen we echter niet 
over het hoofd zien dat hij, in zijn antwoord op een Enquête van M. Vaussard in het 
Franse tijdschrift Les Lettres aan zijn eigen opvatting toevoegde, dat hij weigerde 
de opvattingen van zijn vrienden, die de soevereinde staat Vlaanderen of 
Groot-Nederland nastreefden, als utopieën te bestempelen: wij weten niet wat de 
toekomst ons brengt. 

De diepe katolieke opvatting van Dosfel, in wat wij zouden noemen de oude 
Vlaamse, ultramontaanse tradities van het katoliek onderwijs in Vlaanderen, heeft 
daarbij zowel zijn principiële als praktische Vlaams-nationale houding bepaald, al 
is dit laatste soms gebeurd met grote gewetensstrijd. Hoe zijn nationalistisch denken 
bepaald werd door zijn katolieke visie menen wij het best te kunnen aantonen door 
een samenvatting van de Beginselverklaring van de R.K. Vlaams -nationale Vereniging 
die door Dosfel in 1924 werd opgesteld. De Vereniging - aldus deze verklaring - 
staat op het standpunt van de kristelijke zedenleer. Ze gaat uit van de r.k. staatsleer. 
Deze leert dat de staat in funktie is van het algemeen welzijn. Indien wij deze leer 
toepassen op de toestanden in ons land, zien wij dat de Belgische staat het Recht 
krenkt, doordat hij aan de Vlaming eigen natuurlijke, gezonde, integrale ontwikkeling 
onthoudt. Er is een Vlaamse nationaliteit, van de Waalse onderscheiden. De Belgische 
staat verdringt deze en stelt zichzelf in de plaats ervan. De Vlaamse nationaliteit 
wordt niet alleen verdrukt op kultureel gebied, ze lijdt ook blijvend en belangrijk 
onrecht op stoffelijk, politiek-ekonomisch gebied. Zonder Vlaams staatswezen, 
zonder politieke zelfstandigheid kan de Vlaamse nationaliteit haar doel niet bereiken. 
Onze vereniging is kristelijk-nationalistisch. Haar beginselen op internationaal gebied 
zowel als op nationaal gebied zijn geen andere als die van de Roomse Kerk. Ze streeft 
naar rechtspolitiek in plaats van naar geweldpolitiek, naar ontwapening, naar vrede 
in de geesten en in de harten. Haar nationalisme, haar internationalisme wortelen in 
haar katolicisme: ze zijn daarvan maar een onderdeel, een uiting. 

De teoretische affirmatie stelde Dosfel in de praktijk voor heel wat vraagstukken 
waarvoor hij uiteindelijk een oplossing aanbood die door de katolieke Vlaamse 
nationalisten niet werd aanvaard. In haar hoofdtrekken was de politieke houding van 
Dosfel deze van de meeste katolieke flaminganten van vóór de oorlog: geen neutrale 
organizaties en in gesloten gelid in de katolieke partij. Het werd een zoeken naar de 
oplossing van het vraagstuk van de kwadratuur van de cirkel: Vlaams-nationalist 
zijn en als dusdanig 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



71 



ijveren in de schoot van een partij die in feite onvoorwaardelijk Belgisch-unitaristisch 
was. Dosfel stond, politiek, niet bij het Vlaamse Front, al had hij zijn medewerking 
verleend aan het opstellen van het programma van de partij. Hij schreef reeds op 25 
dec. 1920: op kultureel gebied is onzijdigheid, versmelting onmogelijk. 
Kristen-katolieken en niet gelovend (sic) moeten 'getrennt marschiereri' al kunnen 
zij soms wel 'vereinigt schlagen ,(l2 '. Hij bouwde daarbij een 'rangorde der liefde' uit 
waarin het minder goede moest wijken voor het hogere goed. Hij liet geen twijfel 
over zijn standpunt: het levensrecht van Vlaanderen achtte hij het hoogste recht in 
nationaal opzicht, doch boven de nationale belangen van Vlaanderen stelde hij het 
Rooms-Katoliek belang. Bij toepassing van dit principe moest het katoliek onderwijs 
in Vlaanderen gesteund worden, al was het Frans, tegenover onkatoliek onderwijs, 
al was dit Nederlands. In de praktijk werd deze stelling door de meeste katolieke 
Vlamingen toegepast voor de opvoeding van hun kinderen, maar zij weigerden Dosfel 
te volgen op politiek gebied waar hij niet alleen pleitte tegen een neutrale 
partijvorming, maar ook voor aansluiting bij de katolieke staatspartij. Hij stelde 
daarbij evenwel voorwaarden die elke verwezenlijking uitsloten. De katolieke Vlaamse 
nationalisten - aldus betoogde hij in Het Vlaamsche Land van 9 febr. 1924 - moeten 
hun plaats zoeken in de katolieke partij die op haar beurt alles dient te schrappen wat 
in haar programma tegen het Vlaams nationalisme gericht is. Een sterke katolieke 
partij is thans onmisbaar in België en men moet stemmen voor deze partij, omdat de 
belangen van het katolicisme verbonden zijn met de zege van de katolieke partij. 
Indien de leiding van de katolieke partij halsstarrig de Vlaamse nationalisten blijft 
afwijzen, dan zal bij tijd en wijle en volgens de omstandigheden toch moeten nagegaan 
worden wat er te doen valt, doch men verlieze daarbij het voorbeeld niet uit het oog 
van het Daensisme waarvan Dosfel, bij alle waardering voor het programma, het 
optreden veroordeelde. 

Dit betoog was zo sterk in strijd met de politieke werkelijkheid, dat Dosfel er geen 
bijval kon voor vinden. Wel heeft hij, zonder enige twijfel sterk bijgedragen tot het 
uiteenvallen van het Vlaamse Front in uitgesproken katoliek-nationalistische 
partij groeperingen of tot de oprichting van dergelijke groeperingen tegenover het 
Vlaamse Front, maar de éne, sterke katolieke partij in Vlaanderen behoorde tot het 
verleden voor de Vlaamse nationalisten. 



(12) Dosfel aan Alb. Van de Poel, 25 dec. 1920. Ibid. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



72 



Wij mogen deze uiteenzetting van zijn opvattingen niet besluiten zonder nog even 
de aandacht te vestigen op zijn houding in verband met de jongstudentenbeweging. 
In zijn Brieven aan een doode (van 5 juli tot 9 aug. 1924 in Het Vlaamsche Land) (13) 
hield hij hardnekkig vast aan het principe van de zelfstandigheid van het A.K.V.S. De 
dode aan wie de brieven gericht waren, was priester Edw. Poppe. Deze was de apostel 
geweest van de hiërarchie en wenste de studentenbeweging onder rechtstreekse 
leiding te zien van de geestelijke overheid. Dosfel kon dit niet aanvaarden: de 
studentenbeweging had een eigen taak die niet paste in de opvatting van een 
organizatie die gericht was op zuiver katolieke doeleinden. Liever ten onder gaan 
als de zelfstandigheid op te geven! Het onderwerp was voor Dosfel een gelegenheid 
zowel voor een teoretische beschouwing over de aard en uitgestrektheid van het 
geestelijk gezag als voor het aanhalen van een reeks voorbeelden uit de houding van 
het kerkelijk gezag in Vlaanderen vanaf Rodenbach tot aan het konflikt van de 
Leuvense studenten met de bisschoppen in 1924. 

Op het ogenblik dat Dosfel zijn opvattingen formuleerde over de rangorde der 
liefde en over de katolieke eenheid in het partijwezen, werd het vraagstuk van een 
helemaal andere zijde benaderd door Georges (later Joris!) Van Severen <14) . Deze trad 
in januari 1921 op de intellektuele voorgrond in Vlaanderen door de uitgave van het 
tijdschrift Ter Waarheid en weldra op de politieke voorgrond door zijn verkiezing 
in nov. 1 92 1 tot volksvertegenwoordiger voor het Vlaamse Front in het arrondissement 
Roeselare-Tielt. Hij was toen zevenentwintig jaar oud. Wat hij in de eerste jaargang 
van Ter Waarheid schreef lag voor een deel volledig in de lijn van de tijd, maar 
vertoonde anderzijds toch reeds ernstige afwijkingen van de traditie in de katolieke 
Westvlaamse kringen. In het manifest had de oproep geklonken: 'ieder volk heeft 
niet alleen het recht maar den duren plicht zichzelf te zijn... Er leeft een Vlaamse 
volk. Dat Vlaamse volk moet kost wat kost staatszelfstandigheid bezitten' . Reeds in 
het eerste nummer wordt met waardering gesproken over Pro Flandria, het tijdschrift 
van de aktivisten in Nederland, en wordt hieruit de stelling overgenomen van het 
wezenlijk onderscheid tussen Vlaams nationalisme en Vlaams Belgicisme; het gaat 
hier niet om twee vleugels van één beweging, maar om twee verschillende beginselen 
waarvan men 



(13) Ook separatim. Wij zagen L. DOSFEL. Brieven aan een doode (ed. 1939). 

(14) Vgl., uitvoerig, A. DE BRUYNE. Joris Van Severen. Droom en Daad, z.j. (1961). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



73 



uitgaat: de Vlaamse nationaliteit of de Belgische nationaliteit, zij het ook meerledig. 
Het Vlaams nationalisme is de doodsvijand van het Vlaams Belgicisme en moet het 
in zichzelf volledig vernietigen. Aldus de stelling van Pro Flandria, zonder 
voorbehoud overgenomen door Van Severen. Deze gaat trouwens heftig te keer tegen 
'den Belgiek en zijn canaljeuze knechten'. Hij ziet voor Vlaanderen maar één 
oplossing, de machtsoplossing 'en al wie, Vlaming, de volledige autonomie voor 
Vlaanderen niet wil is een dwazerik of een volksverrader'. Anderzijds sluit hij aan 
bij V.J. Brunclair die in het Clarté-tijdschrift Opstanding een artikel geschreven had 
tegen de Blauwvoeterij. Van Severen viel hem bij en verklaarde dat de blauwvoeterij 
haar dienst gedaan had en thans niets anders meer was als 'zielloos en onvruchtbaar 
romantisme'. Hij wilde trouwens de strijd voeren tegen die romantiek die 'de 
karikatuur is van de echte mystiek die alle grote volksbewegingen doorvlamt'. In 
een kritiek over het toen opzienbarende boek van P. Colin La Belgique après la 
guerre verdedigde hij het standpunt van de frontpartij en haar federalistische opvatting 
over de staat. Hij voegde er echter aan toe (aug.-sept. 1921 !) dat de overgrote 
meerderheid van de fronters dit slechts beschouwden als een eerste stap, want 'in 't 
diepste van hun hart ligt de droom: reële unie met Noord-Nederland, in klaren gloed 
reeds te gloren'. 

In het eerste nummer van de derde jaargang (1923) verklaarde Ter Waarheid 
voortaan een uitgesproken katoliek tijdschrift te willen zijn 'dat in al zijn aktiviteiten... 
de rooms-katolieke leer zal affirmeren en verdedigen'. Het verklaarde tevens 
Vlaams-nationalistisch te blijven en verder te ijveren voor de verwezenlijking van 
de Vlaams-nationale staat. In dezelfde jaargang schreef Van Severen een artikel over 
Vlaams -nationalistische buitenlandse politiek. Hij betreurde erin dat de politiek van 
het Vlaamse Front niet berustte op een wereldbeschouwing. Wat hij hierdoor bedoelde, 
werd dan duidelijk gemaakt in een reeks van drie artikelen in de eerste drie 
afleveringen van de laatste jaargang (1924) onder de titel Vlaams Nationalisme. Een 
Essay. Van Severen wilde hierin het nationalisme benaderen van het standpunt van 
het tomisme, waarbij de meeste fragmenten die hier betrekking op hebben ontleend 
zijn aan de toen in Vlaanderen zeer bekende Wijsgeerige Staatsleer van de 
Noordnederlandse neo-tomist J.T. Beysens. De nadruk werd hier sterk gelegd op de 
katolieke staats- en zedenleer, maar we kunnen ook vaststellen dat Van Severen reeds 
diep doordrongen is van de geest van J. Maritain, Ch. Maurras, G. Valois, H. Vaugeois 
en Maur. Barrès. Hij heeft de Franse meesters gevonden die 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



74 



verder zijn gedachte zullen beheersen zoals wij die later ( 1 93 1 ) uiteindelijk uitgedrukt 
vinden in het Verdinaso. Uit het hier besproken essay onthouden wij: het geloof in 
Europa, in de klassieke beschaving, in de kristenheid en in het solidarisme op katolieke 
grondslag. Verder de bevestiging dat Vlaanderen niet louter Germaans is maar 
Germaans en Latijns, dat het Vlaamse volk een werkelijkheid is maar in drieën werd 
gesplitst: het Vlaams-geblevene, het verbelgischte en Frans- Vlaanderen. Hij aanvaardt 
de Grootnederlandse staat als ideaal op voorwaarde dat Vlaanderen er zijn 
zelfstandigheid in bewaart. Wij moeten daarenboven de schijn vernietigen alsof het 
flamingantisme een beweging zou zijn van plebejers en van het intellektuele 
proletariaat. Het Vlaams nationalisme moet een 'stroom van verfijnde beschaving 
weten te verwekken, die door voornaamheid en "courtoisie", bevalligheid en charme 
een fel magnetische kracht wordt'. Men zal daarbij het Frans als homeopatisch middel 
kunnen gebruiken, want uiteindelijk zal toch taalhomogeniteit op deze disharmonie 
volgen. 

Veel hiervan klonk de Vlamingen vreemd in de oren en bij vele leidende 
intellektuelen ontstond een latent wantrouwen tegen Van Severen. Dit werd voor het 
toen nog sterk demokratisch gezind Vlaanderen vergroot door zijn groeiende 
fascistische neigingen, wat zelfs voor de radikaalsten onder hen niet werd 
gekompenseerd door zijn sterker wordende Grootnederlandse opvattingen. Deze 
dubbele evolutie kwam zeer sterk tot uiting in zijn spreekbeurt op het Grootnederlands 
studentenkongres van 29 maart 1926. Hij verklaarde vooraf dat hij sprak uit 
persoonlijke naam. Het natuurlijk doel van de Vlaamse Beweging was, volgens hem, 
de vereniging van alle Nederlandse volken van Friesland tot Kales, een ideaal dat te 
verwezenlijken zal zijn, zodra wij het maar heldhaftig willen. De parlementaire 
metode is in verval. Waar wij een doctrine en een metode nodig hebben zullen dat 
zijn: als doctrine die van de korporatieve staatsinrichting, als metode het vormen van 
legioenen geschoeid op militaire leest (15> . In een artikel kort daarna gepubliceerd in 
het weekblad Ons Vaderland (16 mei 1926) aanvaardde hij de parlementaire aktie 
nog als één van de strijdmiddelen en onder bepaalde voorwaarden. Hij pleitte er 
verder in voor de oprichting van legioenen (milities) en van een Raad van Vlaanderen. 
Het doel hiervan zou zijn de omverwerping van de gecentralizeerde Belgische staat 
en de vestiging van de 



(15) Verslag Vlaanderen, 17 april 1926, met de vermelding 'hartstochtelijk toegejuicht'. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



75 



Vlaams-nationale staat. Er zou daarbij een overgangsperiode zijn waarin de legioenen 
de diktatuur zouden uitoefenen: 'Raad van Vlaanderen en Legioenen vormen de kern 
van de Vlaamse staat in wording' 06 '. Met deze opvattingen is het dat Van Severen 
de hand zal trachten te leggen op de politieke organizatie van de Vlaamse nationalisten 
in West- Vlaanderen en van daaruit de andere gewesten zal pogen te veroveren. Hoe 
deze politieke strijd verliep, zullen wij in een volgende hoofdstuk verhalen. 

Van een bezwaarlijk te overschatten betekenis voor zijn invloed op de ontwikkeling 
van het Vlaams nationaal bewustzijn en ook op de politieke evolutie van de 
Vlaams-nationale beweging, was het weekblad Vlaanderen waarvan het eerste 
nummer verscheen op 14 mei 1922 en dat bleef bestaan tot in 1934. Het plan om dit 
blad uit te geven zou teruggaan op een initiatief van Jef Goossenaerts met het doel 
naar buiten de officieuze spreekbuis te zijn van Het Veem lek wyck niet af. Het blad 
kwam vrij spoedig in handen van Joz. De Decker, ons reeds bekend als 
Gevolmachtigde van de Raad van Vlaanderen en van priester Robr. De Smet, een 
hartstochtelijke volgeling van Rodenbach waarvan hij de opvolger meende ontdekt 
te hebben in Cyr. Verschaeve Uit een brief van De Smet d.d. 6 jan. 1927 blijkt dat 
deze, in ieder geval toen, volledig alleen instond voor de redaktie en het sekretariaat 
van het weekblad. Rob. De Smet was geboren in Oostende op 20 april 1875 <17) . Hij 
kreeg zijn vorming in het kollege aldaar, het klein seminarie te Roeselare en het 
grootseminarie te Brugge. In 1 896 werd hij ingeschreven als student in de Germaanse 
filologie aan de universiteit te Leuven, waar hij slechts het eerste kandidaatseksamen 
schijnt afgelegd te hebben. Hij was vanaf 1898 leraar achtereenvolgens in Kortrijk 
en in Tielt (1898-1906), daarna kapelaan in Knokke, Assebroek, Poperinge en 
Westkerke. In juli 1924 kreeg hij zijn officiële excardinatie uit het bisdom Brugge 
om ter beschikking gesteld te worden van de Skandinaafse missie. Hij verkreeg 
daarbij een zeer lovend certifikaat van het bisdom waarin evenwel werd 
gewaarschuwd dat hij diende beschouwd te 



(16) Ook in Vlaanderen, 22 mei 1926. 

(17) Voor al wat betreft Vlaanderen en Rob. De Smet, zie thans het verzamelwerk Huldeboek 
Robrecht H. De Smet 1875-1937. Z.j. (Tielt, 1968) met uitvoerige bibliografie. Wij vestigen 
de aandacht op het artikel van LUDO SIMONS. 'Eer Vlaanderen vergaaf, in Wetenschappelijke 
Tijdingen, XXV (1966), 241-246. In verband met het weekblad Vlaanderen is ook te 
raadplegen. A. DE BRUYNE. Prof. Josué De Decker (1878-1953) in het efemere tijdschrift 
Het Spoor, 1 (1954), 98-109. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



76 



worden als neurastenicus. Vanaf 1924 verbleef hij in Nederlands Limburg, waar hij 
overleed te Meersen, op 1 mei 1937. In zijn eerste nummer lichtte het weekblad 
Vlaanderen zijn standpunt toe als volgt: er zijn twee richtingen gegroeid in de Vlaamse 
Beweging, principieel verschillend door hun geestelijke inhoud: het Vlaams 
Belgicisme en het Vlaams nationalisme die zich ontwikkelden tot een zich steeds 
verder uitdiepende antitese. Wij willen bijdragen tot het uitdiepen en verhelderen 
van deze antitese. Zonder het orgaan te zijn van het Verbond der Vlaamse 
nationalisten De Blauwvoet willen wij ervoor ijveren. Wij staan buiten alle politieke 
partijen, maar verwerpen elke gedachte van konfessionele neutraliteit en zullen niets 
dulden dat aan de katolieke beginselen en overtuiging van onze lezers enige aanstoot 
zou geven. Terwijl het van dit standpunt uitging, is Vlaanderen steeds scherper 
geworden in zijn oordeel over de afwijkingen die het steeds opnieuw ontdekte in de 
Vlaamse Beweging, zodat er uiteindelijk zeer weinigen zijn, in Nederland of in 
Vlaanderen in de Dietse of de Vlaamse strijd, die niet door de molen van Vlaanderen 
zijn gedraaid. Het weekblad wilde aan geen praktische politiek doen. Het stelde zich 
tot doel 'een Vlaams-nationale ideologie op te bouwen en deze te verbreiden onder 
de Vlaamse intellektuelen, ten einde aldus de stevige geestelijke basis te leggen 
waarop het materiële gebouw van het Vlaams-nationalisme eenmaal zal dienen 
opgetrokken te worden' . Dit doel sloot echter in, dat alle konkrete feiten aan de eisen 
van de ideologie van het blad zouden worden getoetst en dat alles zou worden 
bestreden dat eraan afbreuk deed (18> . In de praktijk streefde Vlaanderen naar de 
oprichting van een algemeen Vlaams-nationale organizatie die een andere weg zou 
gaan als deze van het Vlaamse Front, dat beschouwd werd als een overblijfsel van 
de oorlog. De reddende idee was, volgens het weekblad, een stevig verbond van 
Vlaamse nationalisten met een stevig Vlaams-nationaal sekretariaat, een weekblad 
en, zo mogelijk, een dagblad. De brede uiting hiervan zou dan een Raad zijn, eerste 
grondslag tot de vorming van een Vlaams parlement' 19 '. Zoals reeds gezegd was de 
positie van het weekblad bij de oorsprong niet zo scherp: bij de uitzuivering van de 
Vlaamse Beweging heeft het blad zichzelf uitgepuurd. Een wending had in dit opzicht 
plaats in het begin van het jaar 1924. Onder de titel De nieuwe gedachte nam het 
toen een kort artikel over 



(18) Vlaanderen, 3 febr. 1923. 

(19) Ibid., 31 mei en 16 aug. 1924. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



77 



uit De Residentiebode (Den Haag) waarin o.a. vastgesteld werd dat het aantal Vlaamse 
nationalisten die dachten dat Holland en Vlaanderen samenhoren, met de dag groter 
werd. Vlaanderen merkte hierbij op dat het een heel natuurlijk verschijnsel was dat 
een verdrukt volk steeds scherpere eisen stelde. Wijzelf hebben geschreven - voegde 
het blad eraan toe - dat er meer als één weg was om Vlaanderen te redden van de 
ondergang en wij hebben de federalistische oplossing met politieke autonomie voor 
Vlaanderen en Wallonië nooit stelselmatig bestreden. De voorstanders van een 
volledig uiteenvallen van België zijn nog niet legio, maar de gedachte wint veld dat 
Vlaanderen bij Nederland dient aan te sluiten, al dan niet in federatief verband <20) . 
Reeds op 28 juni daaropvolgend kwam de redaktie tot de slotsom dat als men even 
wilde nadenken, men moest konkluderen dat 'de federalistische oplossing wel zou 
kunnen neerkomen op een nieuw Belgisch bedrog'. 

Vanaf deze koerswending verloor het weekblad veel van zijn vormende waarde 
om, door zijn invloed, in Vlaanderen veel verwarring en ruzie te stichten door zijn 
voortdurende aanvallen tegen wie niet 'integraal' Grootnederlander wenste te zijn 
en van alle praktische werking in de Belgische politiek uitgesloten. Het blad werd 
met de week scherper in zijn aanvallen tegen de afwijkingen van de zuivere nieuwe 
lijn. Het had die vroeger getrokken tussen Vlaams-nationalisme en 
Vlaams-Belgicisme. Het waarschuwde thans tegen 'Het neo-Belgicisme' waartoe 
het blad de oud-aktivisten Leo Picard, Herman Vos, Spectator (=Hugo Van den 
Broeck) en Rob. Van Genechten rekende' 20 . Het vond het Belgisch federalisme 
schadelijk voor Vlaanderen 'én als politieke teorie én als eventuele verwezenlijking'' 22 '. 
De Tien geboden van de Vlaamse nationalist kregen thans ook hun definitieve vorm: 
elke oprechte nationalist moest alle Belgicisten, ook de Vlaamse, als vijanden 
beschouwen en het werd niet meer 'met België als het moet, zonder België als het 
kan', maar een onverbiddelijk: 'gij zult België verzaken met al zijn pomperijen'' 23 '. 
Vlaanderen was rechtlijnig, onverbiddelijk teoretisch. In de wandel werd het blad 
wel eens onder nationalisten genoemd 'de moniteur van de Vlaamse Jakobijnen'. In 
zijn propaganda voor de werving van nieuwe 



(20) Ib id., 22 maart 1924. 

(21) Ibid., 23 mei 1925. 

(22) Ibid., 30 mei 1925. 

(23) Ibid, 13 febr. 1926 (vgl. met 23 mei 1925). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



78 



lezers, stelde het zelf zijn politiek voor als volgt: alleen de onversaagde waarheid 
wint. 'Die waarheid is: dat België Vlaanderen dood wil; derhalve moet de 
Vlaams-nationale idee, klaar uitgesproken anti-Belgisch zijn en kan geen beweging, 
geen aktie, geen partij, geen groep, hoe goed hunne bedoelingen ook zijn mogen, 
zuiver Vlaams-nationaal genoemd worden indien zij niet, klaaruitgesproken, elke 
Belgische afhankelijkheid, onder welken vorm ook, hebben afgezworen ' <24> . Het blad 
bepleitte de oprichting van een Raad van Vlaanderen en van Vlaamse 'sokols', 
turnverenigingen met pre-militaire opleiding naar het voorbeeld van de Tsjechische 
nationalisten vóór 1914. Voor enig begrip van praktische politiek, aangepast aan de 
bestaande verhoudingen, was hier geen plaats meer. Alles wat niet volledig samenviel 
met de lijn van Vlaanderen werd in het blad ongenadig afgebroken, zowel in de 
schaarse Dietse aktie in Noord-Nederland als in de dagelijkse, onafgebroken strijd 
in Vlaanderen zelf. Dit gebeurde uiteindelijk niet langer zonder diepe ontstemming 
te verwekken in het nationalistische kamp en er reakties te verwekken die schadelijk 
konden worden voor de invloed van het blad zelf. Onder de eigen medewerkers 
heerste er onbehagen. Wij vinden hiervan het bewijs in een brief van Rob. De Smet 
d.d. 8 jan. 1927 aan Alb. Van de Poel, een zeer aktief medewerker. De Smet schreef: 
Tk deel u mede dat beslist is'... Vos, Van Puymbroeck c.s. voortaan niet meer 
stelselmatig neo-Belgicisten te noemen, maar, telkens iets van deze zijde komt, zullen 
wij het in ons blad kommentariëren als volgt: dit is geen Vlaams nationalisme, maar 
neo-Belgicisme. 'De bedoeling is, dat de heren zich wel vanzelf als neo-Belgicisten 
zullen ontpoppen'. Uw artikel tegen De Nederlander werd wat gewijzigd. Ons ideaal 
is: niet Vlaanderen als zelfstandige staat met Holland als bondgenoot, maar 
'Vlaanderen en Holland herenigd in één staat (zij het ook federatief, in het eerste 
stadium) ' (25) 

Toen Van de Poel hem zijn vreugde mededeelde over de genomen beslissing, was 
De Smet er als de kippen bij om te waarschuwen. Hij was - zo schreef hij reeds op 
16 jan. - verrast over de vreugde waarmede Van de Poel de beslissing, Vos, c.s. niet 
meer neo-Belgicisten te noemen, had begroet. Hij vond dit 'bedenkelijk' en vreesde 
dat deze beslissing verkeerd begrepen was. 'De bedoeling is, dat wij alleen bepaalde 
personen (H. Vos) voorlopig niet meer zo noemen - hoewel zij het zijn - maar dat 
hunne teo- 



(24) Ibid., 12dec. 1925. 

(25) De Smet aan Alb. Van de Poel, 8 jan. 1927. Papieren Van der Eist. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



79 



rieën, zodra zij de kop opsteken, neo-Belgicistisch genoemd worden'. Wat Leo Picard 
betreft, deze moest verder een Belgicist genoemd worden want hij was dit ook 
werkelijk. Dit zijn geen scheldwoorden, maar benamingen die aan de werkelijkheid 
beantwoorden' 26 *. De redaktie van Vlaanderen was er zich van bewust dat er, met de 
stellingen die het blad vooruitzette, op geen praktische resultaten te rekenen viel in 
de politiek. Uit het hoofdartikel De Ure van Vlaanderen (16 juli 1927) blijkt dat ze 
rekende op een onafwendbaar komende oorlog om een kans te zien tot oplossing van 
het Vlaamse vraagstuk naar haar opvattingen. Om resultaten ging het dus voorlopig 
niet: men diende alleen maar de geesten voor te bereiden, zo fanatisch en zo 
principieel als maar mogelijk was. Het blad werd, zo mogelijk, nog stroever in zijn 
opvattingen en dogmatisme. Het pleitte voor 'integraal Grootnederlandisme' (12 
nov. 1927) en in zijn oproep tot werving voor het blad werd dit voorgesteld als 'het 
blad der integrale Vlaams-nationale gedachte... het blad der integrale Grootnederlandse 
gedachte'. Toen de Frontpartij in november 1928 de kandidatuur van Borms 
voordroeg, was er in het blad weinig geestdrift voor deze politiek te bespeuren. Wel 
nam het de oproep over om krachtig propaganda te maken voor de kandidatuur van 
Borms, maar het vond het blijkbaar nodig deze oproep te laten voorafgaan door de 
opmerking: 'over de opportuniteit der kandidatuur Borms zullen wij op dit ogenblik 
niet verder uitweiden. Het feit is daar' (27> . De redaktie vreesde blijkbaar, dat de 
frontpartij van Antwerpen erin zou slagen Borms voor haar eigen politieke opvattingen 
te winnen' 28 '. 

Een kritische lezer kan zich, veertig jaar later, moeilijk voorstellen dat het weekblad 
Vlaanderen, met deze politiek, vat heeft gekregen op de Vlaams-nationale opinie. 
Wij kunnen alleen vaststellen - en als getuige bevestigen - dat deze invloed 
werkelijkheid is geweest. Dat dit mogelijk was in deze periode van politieke 
machteloosheid, van verbittering en van verwaaring, wordt ons anderzijds bevestigd 
door de invloed die Verschaeve en gedeeltelijk in zijn spoor het weekblad Jong 
Dietschland, tolk van een jongere generatie, op dezelfde openbare mening hebben 
gehad. Cyr. Verschaeve was zeer verbitterd over de Vlaamse machteloosheid na 
1918. We 



(26) De Smet aan Van de Poel, 1 6 jan. 1 927. Ibid. 

(27) Vlaanderen, 24 nov. 1928. 

(28) Zie, na de verkiezing, het nr. van 29 dec. 1928, blz. 412. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



80 



vinden de weerklank van deze stemming in de artikelenreeks die in het dagblad Ons 
Vaderland verscheen en gebundeld werd onder de titel Stem der Vlaamsche Dooden 
aan den Uzer. Het is romantiek in zijn zuiverste expressie en niet steeds van de beste 
soort. We dienen bij Verschaeve geen doctrine te zoeken, geen historische 
beschouwingen die werkelijk geschiedenis zijn, geen wijsgerige bespiegelingen 
opgebouwd tot een systeem. Hij is gevoel, hartstocht, instinkt, een vlam die zijn 
toehoorders tracht te ontbranden, een stroom die ze wil meeslepen. Zijn 
welsprekendheid wordt vaak samengebald in aforismen waarvan de zin niet steeds 
zeer duidelijk is. Hij staat mijlen ver, in dit opzicht, van zijn boezemvriend, de 
weifelende en wikkende Dosfel, de eeuwig twijfelende en zoekende Thomas Van 
der Schelden. Hij schreef het hem zeer duidelijk, op 25 dec. 1923, na hem eerst lof 
toegezwaaid te hebben voor zijn polemische arbeid: Tk ben dus niet domweg tegen 
gebruik van redenering in gevoelszaken gelijk nationalisme enz. zijn, maar tegen het 
gestadig en overwegend en tijdrovend, ook krachtslopend beredeneren van elk deel 
en onderdeel van zijn houding daartegenover. Men moet weten dat die zaak eenvoudig 
is en niet denken dat ze ingewikkeld is: dan leeft men er goed voor; dan wordt men 
geen zeer edele, zeer verstandige enz.... maar op zijn minst ook steeds maar aarzelend, 
en zijn tijd verspillende Hamlet. Die hebben wij niet van doen' (29) ... 

Over zijn eigen opvattingen liet hij bij zijn vriend geen twijfel over. Op 5 jan. 
1921 reeds schreef hij over Van Cauwelaert, dat deze 'noch min noch meer een 
verrader is om deze of gene of andere redenen maar feitelijk verrader'. Over het 
dagblad De Standaard luidt het even ongenadig: 'als ik eenmaal een braakmiddel 
behoef, dan zal ik De Standaard lezen' en op de teorie van Dosfel over de plicht van 
de katolieke nationalisten bij de verkiezingen, antwoordde hij met een eenvoudig; 
'ik zal uit gewetensdrang stemmen voor het Front' 00 ' Zo blijft hij verder staan, steeds 
geweldig en extreem. In een brief aan D.V (Dirk Vansina?) schreef hij in 1925: 
'Voor mijn gevoel bestaat België eenvoudigweg niet... Ik zal ervoor zorgen dat België 
mij ook na mijn dood verafschuwe' <31) ; in 1926 gaat hij in op de gedachte van Van 
Severen: 'verweerkorpsen, gewapende, dat moeten de Vlamingen 



(29) A. DE BRUYNE. Dosfel en Verschaeve. Kroniek van een vriendschap, in Gudrun, jan.-febr. 
1955. Overdruk, 20. 

(30) Ibid., 21-22. 

(31) D. VANSINA. Verschaeve getuigt, o.c, 434. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



81 



stichten. Al de rest is prul' <32) Hij beschouwde ten andere Van Severen, in de dagen 
die de stichting van het Verdinaso (6 okt. 1931) voorafgingen, als 'de beste degen 
van Vlaanderen' 03 '. Met deze gevoelens in het hart heeft Verschaeve onvermoeid 
geschreven en gesproken. Hij was medewerker aan Ons Vaderland, De Vlaamsche 
Vlagge, Vlaanderen, Jong Dietschland. Hij werd overal gevraagd als spreker bij de 
jonge generatie en de tekst van zijn toespraken werd gretig in de 
Vlaams-nationalistische weekbladen of tijdschriften opgenomen. Door vele jongeren 
zal hij, na 1924, toen het hoogtij aanzette van het Grootnederlandisme, als één van 
de fakkeldragers dezer gedachte beschouwd worden. Dit was wellicht een vergissing. 
Hij had over 'Dietsland' een volledig verschillende opvatting als bijv. Rob. De Smet 
of Wies Moens. Hij vond het wel wenselijk, maar helemaal, helemaal in de verte. 
Opmerkelijk is het hoe hij het woord Dietsland zelf vermijdt. Waar zijn biograaf D. 
Vansina naar de oorzaak hiervan zoekt, vindt hij die misschien wel in zijn gekrenkte 
trots. Noord-Nederland wilde hem niet aanvaarden en 'hij negeert wie hem negeert'* 34 '. 
Zo was inderdaad Verschaeve, in de beslotenheid van zijn karakter en hierin hebben 
velen zelfoverschatting en hoogmoed gezien. 

Verschaeve is het die, einde 1926, bij het Vlaamse publiek het nieuwe weekblad 
Jong Dietschland, onder redaktie van een nog schier onbekend, jong onderwijzer uit 
Stekene, Victor Leemans, inleidde. In het prospektusnummer, 25 dec. 1926 (het 
eerste nummer draagt als datum 5 jan. 1927) werd de inleiding, uit naam van 'de 
redaktie', geschreven door Verschaeve onder de titel Aan hem, wiens geesteskind 
Jong Dietschland wil zijn. Het is een hulde aan de nagedachtenis van Lod. Dosfel, 
een jaar na zijn overlijden, met de uiteenzetting van zijn geestelijk worstelen met al 
de problemen die zijn tijd stelde en met de konklusie: 'zijn voorbeeld is gans ons 
programma. Een ander hebben wij niet'. In de loop van de maanden mei-juni 1927 
schreef Verschaeve een reeks van vijf artikelen Vlaanderens Beroep waarin zijn 
biograaf 'de gewetensvolle verantwoording van de levenshouding die de katolieke 
nationalisten tot de hunne hebben gemaakt' meent te vinden' 35 '. Het stuk is typisch 
Verschaeves denken en zijn stijl. Het is een onmogelijk samen te vatten uiteenzetting 
die hijzelf op het einde samenbalde in de zin 'België bestaat, maar is niet'. Het is 
een reeks opstellen 



(32) Uit een brief van 2 april 1926. Ibid., 608. 

(33) Ibid., 610. 

(34) Ibid, 672-674. 

(35) Ibid, 422. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



82 



waarvan wij de lektuur kunnen aanbevelen aan wie Verschaeve als politiek polemist 
wil leren kennen <36) . Het oordeel zal onvermijdelijk zijn: - ofwel een vermoeid en 
geïrriteerd afwijzen van een met veel uitroeptekens onderstreepte teorie, - ofwel een 
gevoel van diepe verwondering over en van diepe bewondering voor deze diepzinnige 
en zo hartstochtelijk uitgedrukte beschouwingen. Zo staat men tegenover Verschaeve: 
het is moeilijk een tussenweg te vinden. 

Jong Dietschland groepeerde een aantal oudere en jongere krachten. Het wilde de 
kulturele en nationale werking van het weekblad Het Vlaamsche Land voortzetten, 
ditmaal echter in uitgesproken nationalistische zin (37> . De hoofdredakteur was, zoals 

gezegd, de jonge onderwijzer Victor Leemans (°1901) van wie de studies gericht 
waren op sociologische vraagstukken en die, door dit weekblad, vooral aan de nieuwe 
Duitse sociologie een ruimere bekendheid gaf in Vlaanderen. Redaktiesekretaresse 
was Mevrouw Dosfel en het beheer lag bij Dr. med. Alb. Catry, oud-voorzitter van 
het A.K.v.s. Het weekblad kende veel bijval. Het was weldra ruim verspreid bij de 
Vlaamse intellektuelen en vond een brede medewerking in Vlaanderen. In 
Jong-Dietschland kwamen de Westvlaamse priesters Verschaeve, Od. Spruytte, Leo 
Dumoulin en Maur. Geerardijn geregeld aan het woord. Opvallend is ook hoe in de 
eerste jaargangen de zeer populaire publicist en agitator Ward Hermans een 
regelmatige medewerker was. De voornaamste en degelijkst gevormde was hier 
zonder twijfel Od. Spruytte. Als proost van de kristelijke werkliedenorganizatie in 
Izegem, kwam hij in konflikt met de politieke leiders van de partij en was hij in 1925 
bij het bisdom in ongenade gevallen. Hij deelde toen het lot van zo menig 
Vlaams-nationalistische priester: hij werd a.h.w. een zwervend kapelaan, van 
Zwevegem naar Wervik om te belanden in het dorpje Slijpe (1.170 inwoners) bij 
Oostende. Hij overleed vroegtijdig op 23 nov. 1940, pas negenenveertig jaar oud. 
Hij was aanhanger geworden van de korporatieve gedachte, in het spoor van de 
Oostenrijkse socioloog en wijsgeer Othmar Spann en van zijn boek Der wahre Staat 
(1921). Hij knoopte zelfs betrekkingen aan met het Institut für politische Ökonomie 
und Gesellschaftslehre van de Universiteit te Wenen, waaraan Spann hoogleraar 
was <38) . Spruytte had een zeer grote invloed op de 



(36) Verzameld Werk, VII, 207-246. 

(37) Verklaring van Ernest Van der Hallen aan Dirk Vansina. Ibid., 1 (Verschaeve getuigt), 421, 
n. 1. 

(38) Wij zijn in het bezit van het antwoord van dit Institut, 14 juli 1932. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



83 



ontwikkeling van de nieuwe zgn. techtse stromingen in het Vlaams nationalisme. 
Leo Dumoulin had, onder de schuilnaam L. Deman, in 1 924 een klein Handboek der 
Vlaamsch nationale geschiedenis geschreven, hoofdzakelijk bestemd als 
Vlaams-nationalistische vorming voor de katolieke scholieren uit het middelbaar 
onderwijs. Wij vermoeden dat hij ook de schrijver is van de brochure Waarom 
nationalist zij nl (Tielt, z.j. - vermoedelijk 1924 - 46 blz.) onder het pseudoniem M. 
Dalen (mogelijk anagram van L. Deman) <39) . In deze brochure sprak de schrijver zijn 
persoonlijke voorkeur uit voor een federalistische oplossing van het 
nationaliteitenkonflikt in België en de oprichting van zuiver katolieke 
Vlaams-nationalistische politieke groeperingen. Maur. Geerardijn, oud-strijder en 
gewezen houthakker, was, bij de oprichting van Jong Dietschland, kapelaan te 
Rollegem, een ambt waaruit hij door de bisschop zal ontzet worden in mei 1929 om 
zich verplicht te zien naar Nederland uit te wijken. Hij schreef in Jong Dietschland 
een reeks artikelen (vanaf 18 febr. 1927) over de grondslagen van het nationalisme. 
Deze werd uitgegeven onder de titel Het Roomsch Katholiek Vlaamsch nationalisme 
(St.-Kruis-Brugge, 68 blz., reeks brochuren Bran ding, nr. 1.). Die werd geestdriftig 
ingeleid door V. Leemans die erover schreef: 'Wat moet, kan! Onverbiddelijke 
konsekwentie wordt geëist: 't is beter eerlijk te sterven dan laf te leven! De jeugd 
van Vlaanderen die de daad gezien heeft van de Vlaamse IJzerjongens, van Borms, 
Dep la en Dosfel zal de geëiste konsekwentie begrijpen'. Laten wij daarbij aanstippen 
dat Geerardijn wel zeer scherp stelling genomen had tegen de Belgische staat doch, 
bij zijn konklusie dat de eenheidsstaat en al wat ermede samenhing diende bevochten 
en een eigen staat voor Vlaanderen veroverd, nog geen Grootnederlandse politieke 
stelling naar voren bracht en ook geen plannen ontwierp tot nieuwe organizatie van 
de Vlaams-nationale krachten, wat een paar jaar later wel het geval was, toen hij 
ijverde voor de Jong vlaamse (weldra Jongnederlandse) Gemeenschap en Het Kompas 
van den Vlaming schreef (1929) waarop wij later zullen terugkomen. Aan radikalisme 
ontbrak het de redaktie van Jong Dietschland niet. Dit werd zeer vlug duidelijk uit 
haar houding tegenover het week- 



(39) De brochure schijnt ons de bewerking te zijn van een reeks artikelen verschenen in het 

weekblad Vlaanderen, van 17 febr. 1923 tot 20 okt. 1923, getekent D.M. (Deman). Vlaanderen 
vermeldde de publikatie van de brochure in zijn nummer van 22 nov. 1924: 'een interessant 
boekje' zonder evenwel iets over de oorsprong te zeggen. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



84 



blad Vlaanderen. Waar men een tegenstelling had willen zien tussen de twee 
weekbladen en daarbij vooropgezet had dat Jong Dietschland de politiek van 
Vlaanderen niet goedkeurde, publiceerde Jong Dietschland op 16 sept. 1927 volgende 
verklaring: 'Wij zijn de mening en zelfs de overtuiging toegedaan, dat Vlaanderen 
allerminst ultraradikaal is, maar integendeel het elementair Vlaams nationaal 
programma voorstaat en verdedigt, dat ieder fier, volkstrouw Vlaming zou hoeven 
te verdedigen' . Ieder Vlaming zou hartgrondig blij moeten zijn 'dat de Vlaamse strijd 
beschikt over zo een kranig, verdienstelijk, niets en niemand ontziende strijdblad, 
dat onmisbaar was en is en blijft om den beslissenden invloed dien het uitoefent, 
uitsluitend Vlaanderen ten goede'. Met dat alles verschilde de houding van Jong 
Dietschland toch volledig van die van Vlaanderen. Het was een vormingsblad waarin 
zeer weinig aandacht werd besteed aan de Vlaamse en de Belgische politiek, zodat 
het, wat deze zaak betreft, bijna volledig kan verwaarloosd worden. Een groot gedeelte 
van de bijdragen handelde daarbij in de eerste jaren over het vraagstuk van het 
geestelijk gezag in politieke vraagstukken en vooral over de Katolieke Aktie in 
Vlaanderen en de strijd van de geestelijke overheid tegen het A.K.v.s. die het gevolg 
was van het inzetten dezer aktie. Weldra zal de aandacht van het weekblad sterk gaan 
naar de problemen die samenhingen in Europa met de ontwikkeling eerst van het 
fascisme, later van het nationaal-socialisme. Van 16 nov. 1928 tot 18 jan. 1929 
schreef Dr. Cl. Daenen, onder de schuilnaam Dr. J. Pulinx een reeks artikelen over 
Het Vlaams nationalisme in verband met de hedendaagse gedachtenstromingen 
waarin gehandeld werd over kommunisme, demokratie en fascisme, met een 
uitgesproken voorkeur voor het laatstgenoemde dat voorgesteld werd als 'een nieuwe 
orde, waarin een groot deel van onze katolieke idealen verwezenlijkt wordt en een 
nieuwe en glansrijke vorm van nationalisme, die ons, Vlaamse nationalisten, 
interesseren moef . De redaktie had deze bijdragen gepubliceerd zonder ze te 
aanvaarden als haar standpunt, in de hoop op een gedachtenwisseling. In dezelfde 
weken (7 en 14 dec. 1928) schreef ikzelf, naar aanleiding van een bespreking door 
Herm. Oosterwijk (2 nov. 1928) van het werk van Wouter Lutkie Van Toorop naar 
Mussolini twee artikelen om te waarschuwen tegen de onbezonnen overneming in 
Vlaanderen van vreemde stelsels en om op te roepen tot de studie van de politieke 
vraagstukken in verband met eigen toestanden en behoeften. Het opwerpen van deze 
vraagstukken was de aankondiging van een nieuw strijdobjekt in de Vlaams-nationale 
diskussies over de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



85 



grondslagen, de vormen en de politiek van het Vlaams nationalisme. 

Naast Dosfel, Verschaeve, Van Severen, Vlaanderen en Jong Dietschland die de 
toon aangaven in de uitbouw van de Vlaamsnationale gedachte tot een zelfstandig 
politiek begrip, onderscheiden van een Vlaams-Belgische gedachte, zijn nog enkele 
publicisten te vermelden die waardevolle bijdragen in deze literatuur hebben geleverd. 
Een ervan was Rob. Van Genechten, ex-gandavensis, uitgeweken naar Nederland 
waar hij zich specializeerde in de ekonomische wetenschappen. Nadat hij, in 1925, 
voor het Noordnederlands publiek een flinke samenvatting gegeven had van de 
Vlaamse Beweging, onder de titel Wat willen de Vlamingen (1925) gaf hij het jaar 
daarop een brochure uit waarvan de titel reeds dadelijk bij het publiek sterk insloeg: 
De slechte oneindigheid van het Vlaams Belgicisme (Brugge, z.j. - 1926 - 95 blz.). 
Het is, in het kader van zijn tijd, een flink doordacht en geschreven boekje waarvan 
echter op het huidige ogenblik bijna niets meer bruikbaar is in de Vlaamse strijd, 
omdat de gegevens fundamenteel veranderd zijn. Daarbij is het echter ook een 
brochure die boven het petje ging van de gewone propagandist of zelfs van de 
intellektuele flamingant, omdat ze in haar argumentatie een zeer stevige juridische 
vorming veronderstelt en een meer als gewone kennis van ekonomische vraagstukken. 
Ze maakte echter indruk omdat ze argumenteerde op een vlak waar de tegenpartij 
niet kon of niet wilde argumenteren en aldus bij de nationalist de indruk naliet dat 
ook op dit gebied de stellingen van Van Genechten onweerlegbaar waren. Deze 
kunnen als volgt samengevat worden: bij gebrek aan administratieve rechtspraak in 
België kan het Vlaams Belgicisme tot geen toepassing komen van de taalwetten en 
anderzijds is ook de hele Belgische ekonomische politiek gericht op de bevoordeling 
van de Waalse nijverheid, dan wanneer de mogelijkheden voor de ekonomische 
zelfstandigheid van Vlaanderen van maand tot maand groter worden. Het thema van 
de plaats van Vlaanderen in de ekonomische ontwikkeling van België werd door 
Van Genechten nog nader onderzocht in een brochure die in 1928 verscheen: 
Vlaanderens economische ontwikkeling na de oorlog (Brugge, 62 blz.). Dit was het 
beste dat van Vlaams-nationale zijde op dit gebied in deze jaren verscheen. 

Een eigen plaats in de Vlaams-nationale strijdliteratuur wordt ingenomen door 
Spectator, schuilnaam van de uitgeweken aktivist Hugo Van den Broeck, met zijn 
lijvig werk Proeve van een politiek program voor katholieke nationalisten in 
Vlaanderen (Brussel, 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



86 



1924, 591 blz.). Het boek is, in zijn stellingen, uitgesproken katoliek, zoals de titel 
zelf reeds laat vermoeden. Het is een zeer breed uitgesponnen betoog, met zeer vele 
en zeer lange digressies (bijv. over de gelijkstelling van openbaar en van vrij onderwijs 
in Nederland; het vraagstuk van de bedrijfsraden; de verhoudingen in Zwitserland, 
enz....). Zijn beginselverklaring kunnen we samenvatten in vierpunten: het Vlaamse 
gemenebest moet naar de geest van het kristendom worden ingericht, bestuurd en 
geregeerd; het einddoel van het Vlaams nationalisme is een afzonderlijk nationaal 
bestaan en de vrije ontwikkeling van het Vlaamse volk; politieke zelfstandigheid, 
d.i. eigen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht is hiertoe een noodzakelijk 
middel; in de organizatie van de politieke krachten kan voor de katolieke nationalisten 
samenwerking geboden zijn met niet katolieken voor de verwezenlijking van 
praktische programmapunten, maar geen samensmelting: koöperatie dus maar geen 
fusie. Spectator wilde 'een program voor een beginselvaste reaal-politiek' uitbouwen. 
Hij is geen partijganger van de verwerping van een stuksgewijze oplossing in 
afwachting van de oplossing in haar geheel: wie niets wil, omdat hij niet alles krijgt, 
is tot machteloosheid gedoemd. Zo is hij bijv. tegenstander van de boycot van de 
Nolf-universiteit. Een groot deel van zijn Proeve is overigens gewijd aan het vraagstuk 
van het zelfbestuur door decentralizering, waardoor Edm. Rubbens terecht op 
Spectator kon wijzen als een bondgenoot voor zijn eigen teorie van decentralizering 
en grondwettelijk zelfbestuur' 40 '. Bij toepassing van deze teorie komt Spectator bijv. 
ertoe de zorg voor onderwijs, kunst en wetenschappen over te dragen aan de provincies 
en de gemeenten, waarbij de rijkswetgeving alleen de algemene regels zou vaststellen. 
In zake universiteit werd natuurlijk de afschaffing voorgeschreven van de franstalige 
universiteit in Gent, maar werd de zorg voor de oprichting van een Nederlandse 
universiteit overgedragen op een samenwerking van de Vlaamse provincies en 
gemeenten. De studie van Spectator is alomvattend: ze eindigt niet alleen met een 
samenvatting van beginselverklaring, doelstelling en werkprogramma, maar zelfs 
met een ontwerp van verkiezingsmanifest voor de komende verkiezingen van 1925. 
Zijn boek gaf wel aanleiding tot perspolemieken (hij werd een van de zwarte beesten 
van het weekblad Vlaanderen), 



(40) EDM. RUBBENS. Het vraagstuk der decentralisatie en onze provinciale zelfstandigheid. Zesde 
Kongres van de Katolieke Vlaamse Landsbond, (25-27 juli 1925). Volledig verslag, 34-59. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



87 



maar het komt ons voor dat zijn opvattingen zonder invloed gebleven zijn op de 
ontwikkeling van de Vlaams-nationale politiek. Tussen de drie stromingen die het 
nationalisme verdeelden (federalisme, soevereine staat Vlaanderen en 
Groot-Nederland) wilde hij ten andere geen keus doen bij een gebeurlijke politieke 
organizatie van de Vlaamse krachten; hij dacht alles te kunnen samenbrengen op één 
noemer: de formule van de politieke zelfstandigheid. 

Bij de vele kortere en langere uiteenzettingen van de filosofische grondslagen van 
het katoliek Vlaams nationalisme, menen wij de studie van Albert Van de Poel, 
ex-gandavensis, uitgeweken naar Noord-Nederland, waar hij bedrijvig was in de 
journalistiek (zoals Leo Picard en Hugo van den Broeck) over Nationaliteit en Staat. 
Academisch proefschrift (Nijmegen, 30 okt. 1928, uitg. Maastricht, 119 blz.) als een 
hekkensluiter te mogen beschouwen. Het is, aan de hand van de leer van Thomas 
van Aquino, een studie om het goed recht van de nationaliteiten te bewijzen. Het is 
een degelijk akademisch proefschrift op het zuiver teoretische vlak, met alleen, voor 
de praktijk, een verwijzing naar het federalistisch beginsel in de gevallen waar het 
niet zou mogelijk zijn de nationaliteit binnen het kader van een eigen staatsordening 
te laten uitgroeien. Edm. Rubbens, in een waarderende bespreking in De Standaard 
(17 nov. 1928) deed terecht opmerken dat men het Vlaams nationalisme evengoed 
kon bevechten als verdedigen met de argumenten die Van de Poel ontleende aan 
Thomas van Aquino. Verschaeve had wellicht gelijk, toen hij schreef over Thomas 
van Aquino en het recht der nationaliteiten: 'wie 't wil, kan daar het recht van de 
natie nevens den staat vinden, 't ligt er wezenlijk in; wie 't niet wil, kan 't loochenen'* 41 '. 
De moderne nationaliteiten waren immers nog niet geboren toen Thomas van Aquino 
zijn Summa schreef... 

Op uitzondering na van Joz. De Decker en van Rob. Van Genechten, zijn al de 
auteurs die wij tot hiertoe in het nationalistische kamp behandelden, rooms-katolieke 
schrijvers, meestal zeer streng ortodoks en vrij van elk progressisme. In het vrijzinnige 
kamp is er slechts één polemist die op de voorgrond trad als teoreticus van het Vlaams 
nationalisme, nl. Herman Vos (42) . Geboren in 



(41) Jong Dietschland, 27 mei 1927. Verzameld Werk, VII, 218. 

(42) Vgl. P. GEYL. Herman Vos en zijn betekenis voor de Vlaamse Beweging, in zijn Noord en 
Zuid. Eenheid en Tweeheid in de Lage Landen (1960-Aula-Boeken) 46-59, uit Nieuw Vlaams 
Tijdschrift, 1952, reeds opgenomen in zijn Historicus in de tijd (1954); L. PICARD. Herman 
Vos, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1953-1955, 
127-135; het Herman- Vosnummer van het tijdschrift Mens en Taak. Tijdschrift voor het 

geestesleven, ll de jaargang, afi. 1. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



88 



1889, was hij een van de jongste leden van de tweede Raad van Vlaanderen. 
Veroordeeld na de oorlog, maar einde 1920 reeds in vrijheid, kreeg hij dadelijk te 
Antwerpen de gelegenheid om er een leidende rol te spelen in de frontpartij: hij werd 
hoofdredakteur van het orgaan van de partij De Ploeg waarin uitvoerig werd 
geteoretiseerd en gepolemiseerd over nationalisme en politieke taktiek. De katolieke 
teorieën in het nationalisme lieten hem volledig koud: hij vond de natuurrechtelijke 
teorie van het nationalisme zuiver onzin (43> . Vos was geen dogmaticus. Hij was een 
man van historische en sociologische gegevens, aanhanger van het socialisme, van 
een politiek der mogelijkheden, zij het ook in het kader van wat door de tegenstrevers 
'het Vlaams extremisme' werd genoemd. Vos heeft, tot bij zijn afscheid van de 
frontpartij in 1933, een grote rol gespeeld in de nationalistische politiek. Zeer vroeg 
reeds werd hij daarbij het mikpunt van de aanvallen, zowel van de wanhoopspolitici 
van het 'delenda Belgica' (Vlaanderen c.s.) als van hen die weldra in Vos een 
'marxist' zagen (wat hij niet was) en hem uit de Vlaams-nationale gelederen wilden 
dringen. Daarom is het nodig ietwat langer bij zijn figuur te blijven stilstaan, omdat 
Vos zelf, door een langzame evolutie in zijn opvattingen, het zijn tegenstanders wel 
makkelijker heeft gemaakt als bijv. een H. Borginon, die, wat het essentiële betreft 
van de Vlaams-nationale strijd, toch op hetzelfde standpunt stond als Vos. Wij kunnen 
niet nalaten in dit verband - en ook met het oog op de verdere evolutie van Vos na 
1933 - de woorden aan te halen van hemzelf, in zijn debat met Blavier in 1924: 'van 
18 tot 25 jaren is het de beslissende tijd van onze geestelijke vorming; de plooi die 
ons geestelijk wezen dan neemt blijft er voor altijd ingestreken en indien wij ons 
later in kompromissen met onze gedachten inlaten, dan is dit te wijten aan 
tekortkomingen van het karakter' . Herman Vos was, toen hij deze woorden uitsprak, 
vijfendertig jaar. Toen hij uit de gevangenis kwam, werd hij te Antwerpen de leider 
van de extreme vleugel in de partij die de erfenis van het aktivisme opeiste als de 
traditie van de Beweging. Vos was een flink journalist, een zeer goed redenaar, een 
geducht debater. Hij toonde dit laatste te Leuven, in zijn debat met Em. 



(43) P. GEYL, in Noord en Zuid, o.c, 54. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



89 



Blavier (maart 1924) later gevolgd door een debat met Edm. Rubbens (april 1924). 
Bij de nieuwe lezing van de uiteenzetting van Vos in het debat met Blavier, krijgen 
we de indruk van een schitterende uiteenzetting van het nationalisme, waarbij op de 
praktische bezwaren van de Vlaams-belgicistische volksvertegenwoordiger, die de 
politiek van de Vlaamse Kamergroep verdedigde, door Vos niet verder werd 
gereageerd als met algemene principes. Het onderwerp van het debat was 
geformuleerd geworden in de vraag 'kan het minimumprogramma de Vlaamse 
Beweging oplossen?' De stelling van Vos was daarbij de volgende. De Vlaamse 
Beweging is een nationaliteitenbeweging die staatsvormende kracht moet scheppen. 
Het minimumprogramma kan deze nooit bezorgen: het doet impliciet afstand van 
deze politieke zelfbepaling. Vos ontleedt dan verder het begrip natie, de historische 
ontwikkeling van de Vlaamse Beweging, de grote betekenis van de staat als 
kultuurfaktor. Hij onderzoekt en verwerpt de Belgische stelling van Pirenne: 
Vlaanderen is volgens hem een kultureel Nederlands grensland, waarin de kulturele 
differentiatie met het Franse taalgebied een feit is. Deze tweeledigheid van België 
is evident op alle gebied. Daarbij komt nu in Vlaanderen het rechtsbewustzijn dat 
vreemde d.w.z. Waalse inmenging in eigen aangelegenheden afwijst. Het minimalisme 
kan hieraan niet voldoen door het stelsel van de politieke eenheid. In het eigenlijke 
debat oefende Vos dan wel rechtstreeks kritiek uit, zowel op wat door de minimalisten 
was verwezenlijkt en waardoor de anti- Vlaamse macht niet kon gefnuikt worden, 
als op het beginsel zelf: de grondslag van de centralistische staat dient verlegd en 
dat kan de volmaaktste taalwet niet. Ook Brussel is in dit stelsel verloren. Hij oefent 
eindelijk scherpe kritiek uit op de mogelijkheden van een bond van Vlaamse 
gemeenten en provincies (grondwettelijk zelfbestuur) en stelt ook de vraag wat 
bestuurlijke aanpassing is, aangezien ze gesteld werd tegen bestuurlijke scheiding. 

Tegenover het vraagstuk Groot-Nederland omschreef Vos zijn houding als volgt. 
Hij verklaarde persoonlijk voorstander te zijn van een pragmatisch federalisme dat, 
als een eerste stap tot verwezenlijking van het beginsel, ook zou aanvaarden elke 
erkenning van specifiek Vlaamse belangen waarover uitsluitende medezeggenschap 
aan de Vlamingen zou toekomen. Hij wilde andere mogelijkheden niet uitsluiten. 
Hij herinnerde aan het woord van Parnell dat niemand het recht heeft te zeggen tot 
waar de grenzen van de nationale zelfstandigheid van een volk reiken. 
'Groot-Nederland een utopie, zegt men. Maar men vergeet dat utopieën door 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



90 



iets tot werkelijkheid kunnen gemaakt worden, en dat is door de utopisten, die met 
fanatieken moed belijden wat de meerderheid voor utopieën uitmaakt, maar dat niet 
anders is dan de anticipatie van een evolutie'. 

Deze houding van Vos tegenover het Grootnederlands streven dat in deze jaren 
plotseling sterk aan kracht won in Vlaanderen, kreeg dan toch een zeer teoretisch 
karakter toen hij, bij de bespreking van het eerste deel van P. Geyls De 
groot-nederlandsche gedachte zich uitsprak voor federalisme en verklaarde slechts 
bij mislukking ervan verder te willen gaan. Hij was van nu af aan de grote zondebok 
van het weekblad Vlaanderen m , waarvan hij de opinievormende kracht en de invloed 
bij de Vlaamse nationalisten sterk heeft onderschat. Herman Vos zelf is, in de jaren 
1930-1931, steeds verder afgeweken van elk principieel nationalisme. Aldus in de 
stellingen die hij in januari 1930 poneerde voor de Vlaamse Club te Brussel; aldus 
in zijn polemieken met Leo Picard die het federalisme scherp aanviel; aldus in zijn 
antwoord aan Rich. Declerck die begin 1931 openlijk gebroken had met de 
Vlaams-nationalistische partij <45) ; aldus in zijn tweede debat met Rubbens te Leuven 
op 12 nov. 193 1 . Dit gebeurde echter buiten de tijdgrens die wij ons in dit hoofdstuk 
hebben gesteld en behoort tot de periode van de diepste verwarring (1929-1931) in 
de Vlaams-nationalistische rangen waarover wij het later zullen hebben. 

Naast deze teoretici van het Vlaams nationalisme zijn in de propaganda tientallen 
brochures aan te tekenen die, bij elk Vlaams incident, de openbare mening in de zin 
van het nationalisme bewerkten. Een paar schrijvers treden hierbij op de voorgrond. 
In de eerste plaats Ward Hermans. Wij vonden, op de omslag van een zijner 
publikaties uit mei 1926, een opsomming van niet minder als twintig nummers. In 
1935 geeft een gelijkaardige lijst vierendertig nummers en wij konden ondervinden 
dat ze onvolledig was. Ward Hermans schreef over alle onderwerpen, maar werd 
vooral befaamd en berucht door zijn strijd tegen het Frans-Belgisch militair akkoord. 
In de gematigde kringen van de leidende elementen in de beweging werd hij reeds 
in deze jaren wantrouwig bekeken door zijn zucht naar demagogie, zijn egocentrisme 
en zijn bezorgdheid om steeds maar de extreemste positie in te nemen <46) . Bij de 
gewone militant was hij buitengewoon populair, al 



(44) Vgl. het hoofdartikel van 9 mei 1925. 

(45) Uitvoeriger WILLEMSEN, 280 n. 1 en 291-293. 

(46) Vgl. bijv. zijn brochure De europeesche oriënteering van het Vlaamsch nationalisme (1928). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



91 



heeft hijzelf in later jaren zijn invloed buiten het arrondissement Mechelen fel 
overschat. Zijn stem is daarom niet te versmaden ook indien men van oordeel is dat 
hij, bij gebrek aan degelijke vorming, bij alle geleerde frazeologie alleen een 
geestelijke chaos schept en in zijn demagogie en heftigheid alleen tot doel heeft 
zichzelf op de voorgrond en in het licht van de schijnwerpers te brengen <47) . Hij was 
inderdaad een onvermoeibare propagandist, spreker en pamflettist, voortdurend op 
de weg. 

Naast Ward Hermans kwam gedurende enkele jaren de oud-aktivist Raf Verhulst, 
die naar Duitsland uitgeweken was, op de voorgrond door zijn pamfletten die onder 
eigen naam of onder de meest verschillende schuilnamen werden uitgegeven (o.a. 
Antorf en S.T. Rijder) <48) . Hij had reeds in oktober 1924 gepoogd een eigen blad uit 
te geven, De Klare Daad doch het overleefde zijn tweede nummer niet, dat verscheen 
in febr. 1925. In juni 1928 door Leo Augusteyns, stichter en uitgever sedert 1926 
van De Noorderklok gevraagd om een elfde-julibijdrage te schrijven, werd Verhulst 
een regelmatig medewerker tot hij, als gevolg van een geweigerd opstel over de 
noodzakelijke eendracht in de Vlaamse rangen, in oktober 1932 het blad de rug 
toekeerde. Raf Verhulst was een vinnig polemist en De Noorderklok stond in de 
contramine. Verhulst behoorde echter niet tot de Grootnederlandse strekking. 

Naast deze pamflettisten willen wij alleen nog de aandacht vestigen op een brochure 
van R. Speleers Is de Vlaamsche Beweging een nationale beweging, ja of neen? 
(Brugge, z.j. - 1924 - 61 blz.), een degelijk antwoord op een voordracht te Utrecht 
(30 jan. 1924) van Frans Van Cauwelaert die het politiek karakter van de Vlaamse 
Beweging had betwist en op een brochure van Zentra (H. Tanrez) Een nieuwe 
catechismus voor den Vlaamschen nationalist (z.j. - 1925 - 39 blz.) uitgegeven door 
hei Landelijk Verbond van de Vlaamsch nationalistische Wachten. Deze brochure 
heeft haar belang om aan te tonen hoe snel de evolutie in de geesten geweest was. 
In 1919 had Tanrez, op de vooravond van de verkiezingen, een zeer gematigde 
brochure geschreven. Thans predikte hij een zelfstandig Vlaanderen. Hij verwierp 
de teorie van de bondsstaat België om alleen nog maar een statenbond te aanvaarden 
indien men de meer ideale oplossing niet kon verkrijgen. Tanrez was geen uit- 



(47) Aldus WILLEMSEN, 286. 

(48) Vgl. L. DELFOS. Raf Verhulst, 1866-1941. Een dichter in dienst van zijn volk (1966). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



92 



zondering in deze evolutie. Zij was een gevolg van de diepe ontgoocheling die in 
Vlaanderen volgde op de onmacht van de Vlaamse Belgicisten om van het parlement 
enige hervorming van betekenis af te dwingen op het gebied van de taalwetten. De 
geschiedenis van deze mislukking maakt het onderwerp uit van ons volgende 
hoofdstuk. 



2. De parlementaire onmacht van het Vlaams Belgicisme 

In de periode die gaat van de verkiezingen van 20 nov. 1921 tot aan de 
Bormsverkiezing van 9 dec. 1928, zijn vijf ministeries aan het bewind geweest. Het 
eerste was het katoliek-liberaal ministerie Theunis (16 dec. 1921-5 april 1925) dat 
aldus de hele legislatuur 1921-1925 aan de macht bleef. In de legislatuur 1925-1929 
kwam, na het ééndaagse ministerie Van de Vyvere (13 mei 1925), de 
katoliek-socialistische bewindsploeg Poullet-Vandervelde (17 juni 1925-19 mei 
1926) die op haar beurt opgevolgd werd door het drieledig ministerie onder leiding 
van Henri Jaspar (20 mei 1926-21 nov. 1927) om uiteindelijk afgelost te worden 
door een tweede ministerie Jaspar, ditmaal in een katoliek-liberale koalitie (22 nov. 
1927 over de verkiezingen van 1929 heen tot 21 mei 1931). De socialisten stonden 
voortdurend in de oppositie, met uitzondering van het ministerie Poullet-Vandervelde 
en de eerste regering Jaspar. De liberalen stonden in de oppositie alleen onder het 
ministerie Poullet-Vandervelde. De katolieken waren de hele tijd door aan het bewind 
en, met uitzondering van het drieledig ministerie Jaspar, aangewezen op de steun 
van de Katolieke Vlaamse Kamergroep. Niettegenstaande deze schijnbare 
machtspositie werd in deze twee legislaturen door bewuste groep slechts weinig 
bereikt op het gebied van de 'gelijkheid in rechte en in feite'. De balans van haar 
parlementair werk was beslist negatief. 

De legislatuur 1921-1925 is gekenmerkt door de aanneming van de zgn. Nolf-wet 
die aan de universiteit te Gent een verplicht tweetalig regime invoerde of, indien 
men het optimistischer wil formuleren, de gedeeltelijke vernederlandsing bracht van 
de universiteit. Daarnaast zijn er in het parlement geen grote Vlaamse vraagstukken 
behandeld, tenzij, maar dan meer achter de schermen, het probleem van de 
vernederlandsing van het leger. De regering Theunis, waarin men als vlaamsgezinden 
alleen L. Franck en Al. Van de Vyvere kan ontdekken, had geen eigen standpunt in 
zake Gent. In haar regeringsverklaring (21 dec. 1921) deelde ze, onder liberale druk, 
mee dat de Kamers zelf hier te beslissen hadden. Van Cauwelaert van zijn kant 
verklaarde dat de houding van de kato- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



93 



lieke Vlamingen tegenover deze regering zou bepaald worden door de oplossing van 
het vraagstuk der vernederlandsing van Gent. De vraag kon gesteld worden: welke 
taktiek zouden de Vlaamse katolieken toepassen om hun doel te bereiken? Buiten 
het antwoord, ons gegeven door de verwikkelingen van de politiek zelf, beschikken 
wij hier over twee merkwaardige dokumenten om de geesteshouding in de Katolieke 
Vlaamse Kamergroep te begrijpen. Het eerste stuk is een brief van P. Poullet aan Dr. 
Van de Perre (dec. 1921) (1) . Volgens hem waren het de parlementsleden en niet de 
propagandisten of de intellektuelen die de parlementaire taktiek dienden te bepalen. 
In parlementaire aangelegenheden mocht aldus geen positie gekozen worden, vóór 
de parlementariërs zelf dit hadden gedaan. De taktiek moest hier berusten op een do 
ut des, zonder de vraag en het aanbod vooraf te bepalen. De toestand was volgens 
hem nooit zo gunstig geweest als thans: de regering kan ons niet missen. Wij 
verwachten van het ministerie dat de Vlaamse zaak zal opgelost worden in deze en 
de volgende legislatuur' 2 ': wij kunnen druk uitoefenen door de vrees voor een 
samenspannen van de Vlamingen met de socialisten. Zo zag Poullet de toestand bij 
het begin van de legislatuur 1921-1925. Het tweede stuk dateert van het einde bijna 
van de tweede legislatuur 1925-1929. Het is het verslag voorgedragen door 
volksvertegenwoordiger Van Caenegem op het kongres van de Katolieke Vlaamse 
Landsbond op 4 aug. 1928. Naast een principiële bevestiging van het 
Belgisch-nationaal standpunt van de Katolieke Vlaamse Kamergroep, werd het 
beginsel vooropgesteld dat, zolang de parlementaire noodzakelijkheid 
partij -kombinaties zou nodig maken, men de medewerking van de meest biedende 
zou aanvaarden. Daarbij werd dan zeer sterk de klemtoon gelegd op het feit dat men 
niet alleen Vlaamsgezind was, maar ook katoliek. Het zou voor een katoliek een 
onverantwoordelijke daad zijn in te gaan tegen de wens in van het bisschoppelijk 
gezag om alles te vermijden wat de katolieke eendracht kon ondermijnen: naast de 
Vlaamse belangen zijn er tal van specifiek katolieke belangen waarvoor de hulp van 
al de katolieken van het land nodig is <3> . Deze 



(1) De Standaard, 22 dec. 1937; L. MOYERSOEN, o.c, 393-396. 

(2) Het woord 'legislatuur' is in het Nederlands ingeburgerd onder Franse invloed in de betekenis 
van 'parlementszitting' of 'wetgevende zitting'. Men verstaat door het woord 
'parlementszitting' of 'wetgevende zitting' zowel een jaarlijkse zittijd van het parlement als 
de termijn tussen twee verkiezingen d.w.z., normaal, vier jaar. 

(3) Volledig Verslag, 141-142. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



94 



twee standpunten schijnen ons kenschetsend toe voor de politiek gevolgd door de 
Katolieke Vlaamse Kamergroep en voor het weinige dat ermede bereikt werd. Laten 
wij er nog aan toe voegen dat de opvatting van Poullet - een neofiet in de Beweging 
- over de rol van de intellektuelen in de partij wel schijnt ingegeven door een volslagen 
onwetendheid over de betekenis van de katolieke Vlaamse oud-studentenbonden in 
de vooroorlogse geschiedenis van de partij in Vlaanderen. 

De inzet van de Vlaamse strijd, in de legislatuur 1921-1925, liet geen twijfel over: 
het was het vraagstuk van de vernederlandsing der Universiteit in Gent <4> . Bij het 
begin van de zittijd 1921-1922 werd door Frans Van Cauwelaert een wetsvoorstel 
ingediend strekkende tot de trapsgewijze vernederlandsing van de Gentse universiteit, 
vanaf het akademiejaar 1922-1923. Ook de oprichting van een mijnschool, een hogere 
land- en tuinbouwschool alsmede van een veeartsenijschool werd bepaald. Ruime 
tegemoetkomingen werden gedaan aan de franstalige hoogleraren en docenten: zij 
zouden verder aanblijven en doceren terwijl de studenten op het eksamen de vrije 
keus zouden hebben tussen de franstalige en de nederlandstalige professoren. Dit 
wetsontwerp werd pas op 19 okt. 1922 in de Kamer behandeld. Er was intussen heel 
wat gebeurd. De temperatuur in de diskussies pro en contra begon te stijgen. Hoe 
teergevoelig de openbare mening in Vlaanderen was, werd bewezen door het incident 
Van de Perre. Deze, voorzitter van de hogeschoolkommissie had, in een persgesprek, 
de mogelijkheid laten doorschemeren van de oprichting der Vlaamse hogeschool te 
Antwerpen. Vanwege Dr. Van de Perre was het een taktische zet geweest, maar de 
reaktie in Vlaanderen was zo scherp dat hijzelf het wenselijk oordeelde zijn ontslag 
te geven als voorzitter van de Hogeschoolkommissie waar hij dan opgevolgd werd 
door Prof. Daels. Zelfs de Katolieke Vlaamse Kamergroep, bij alle solidariteit met 
Van de Perre en hulde brengend aan zijn goede bedoelingen, wenste de schijn niet 
op zich te nemen zijn taktiek goed te keuren <5) . Het parool werd door de studenten 
(motie 



(4) Vgl. voor het geheel, basse, II, 154-195. Vele dokumenten en gegevens verzameld bij fr. 
DAELS. Voor mijn volk in nood, o.c, dl. II. Vgl. ook Hoofdmomenten uit de ontwikkeling van 
de Gentse Rijksuniversiteit, speciaal nummer van het tijdschrift De Brug, 1 967 en vooral TH. 
LUYKX. Veertig jaar geleden kreeg Gent zijn zgn. Nolf-Universiteit, ïbid., 1963, 147-170. 

(5) Papieren Van hacker, 17 mei 1922. Aldaar ook de brief d.d. 18 mei aan Van de Perre. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



95 



A.V.H.V., 21 mei 1922) doorgegeven en door Vlaanderen aanvaard: Gent of niets! In 
de bijzondere Kamerkommissie kwam een lichte meerderheid tot stand over een 
tekst die het essentiële van het voorstel Van Cauwelaert behield. De verslaggever, 
P. Poullet, legde zijn rapport neer op 23 mei. Het debat in de Kamer begon op 19 
okt. 1922. 

De Katolieke Vlaamse Kamergroep had er de voorkeur aan gegeven het vraagstuk 
pas na het parlementair reces op de dagorde te brengen om een brede diskussie 
mogelijk te maken. De stemming in de groep tegenover de regering was intussen 
niet al te best. Aanleiding hiertoe gaf het legerprobleem. In de vergadering van de 
groep, op 28 maart, had Van Cauwelaert een diskussie over dit onderwerp besloten 
met de verklaring, dat er geen wet zou goedgekeurd worden die militaire lasten 
oplegde, vóór dat de Vlamingen voldoening hadden bekomen. Bij een nieuwe 
bespreking, op 14 juni, viel vooral H. Marck heftig uit tegen de bestaande toestanden 
in het leger en gaf als zijn mening te kennen dat men minister Devèze niet langer 
kon steunen. Helleputte, Poullet en Van de Vyvere wierpen hun gezag in de 
weegschaal om elke houding te bestrijden, die een ministeriële krisis kon tot gevolg 
hebben. Van Cauwelaert deed opmerken, dat de Vlaamse groep herhaaldelijk de 
regering gesteund had in belangrijke vraagstukken, maar niets in ruil had gekregen. 
De bespreking werd verdaagd tot de volgende week (21 juni). Marck volhardde in 
zijn verzet, Van Cauwelaert was blijkbaar bewerkt geworden en bleef zeer passief. 
Het standpunt Helleputte-Poullet-Van de Vyvere had gezegevierd' 6 '. De stemming 
in de Katolieke Vlaamse Kamergroep kan aldus niet als onvoorwaardelijk gunstig 
voor de regering worden beschouwd. Het land werd intussen een prooi van heftige 
politieke diskussies en betogingen over het vraagstuk van de Vlaamse universiteit. 
In de pers stond het probleem Gent op de voorgrond en van alle kanten regende het 
moties. Wij vinden hieronder reeds op 8 nov. een van het A.V.H.V. en van het A.K.V.S. 
om een stelselmatige boycot aan te kondigen van een verminkte Vlaamse universiteit. 
De franskiljons in Vlaanderen lieten zich niet onbetuigd. Zij slaagden erin te Gent, 
op 19 nov, een betoging op touw te zetten, wat dan toch een bewijs was van hun 
macht, zowel op het platteland als in de steden. De flaminganten manifesteerden 
tegen, met moeite in toom gehouden door een sterke rijkswacht. Hoe het alles verliep 
kunnen we gissen uit de scheldwoorden van La 



(6) Ibid., 28 maart, 14 en 21 juni 1922. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



96 



Flandre Libérale die de tegenmanifestanten uitmaakte voor 'lamas cracheurs' en uit 
de benaming voor de betoging in de Vlaamse kringen waar hij berucht bleef als 'de 
paardevijgenstoet', waarbij het nodige materiaal om de manifestanten te bekogelen 
geleverd was door de bereden gendarmerie. In de loop van de dag werden ook 
verschillende Belgische vlaggen door de tegenmanifestanten van de gevels der 
franskiljonse sympatisanten neergehaald en aan flarden gescheurd. 

Toen in de Kamer, na de algemene bespreking, de behandeling van de artikels 
werd aangevat, was de toestand zo verward dat het hele ontwerp weer naar de speciale 
kommissie verwezen werd (6 dec. 1922). De verslaggever Poullet ging hiermee 
akkoord omdat hij hoopte een resultaat te bereiken, indien de Vlamingen toegaven 
op enkele punten van ondergeschikt belang Op 12 dec. reeds was hij klaar met zijn 
rapport. Er waren aan de oppositie ernstige toegevingen gedaan, wat Carton de Wiart 
niet belette, in de loop van het debat, dat op 14 dec. werd hervat, uit te roepen dat 
de afschaffing van de franstalige universiteit te Gent 'un crime contre 1'esprit' was 
(zitting van 21 dec. 1922). De bespreking en de stemmingen waren zeer verward 
maar leidden uiteindelijk toch tot een tekst die voor de meeste Vlamingen 
aanvaardbaar scheen. Dit bleek uit stappen die Prof. Daels, vergezeld van vier andere 
heren, deed bij de vier nationalistische volksvertegenwoordigers. Het was duidelijk 
geworden in de loop van de besprekingen dat, indien er een meerderheid te halen 
viel, deze zeer klein zou zijn en het op enkele stemmen zou aankomen. Daels kwam 
naar Brussel om aan de afgevaardigden van het Vlaamse Front te vragen niet tegen 
te stemmen doch zich te onthouden, aangezien de delegatie wel begreep dat zij ook 
niet voor konden stemmen. Bij de stemming over het geheel in tweede lezing 
(definitieve tekst) op 22 dec. 1922, werd deze tekst aangenomen met 89 stemmen 
voor, 85 tegen bij 7 onthoudingen. Van de vier Vlaamse nationalisten hadden er zich 
drie onthouden, terwijl Van Severen kordaat tegen stemde' 7 '. Men was juist met de 
hakken over de sloot: vier stemmen meerderheid! Vlaanderen had het opgenomen 
tegen Brussel en Wallonië. Van de 88 Vlaamse volksvertegenwoordigers hadden er 
80 de wet goedgekeurd. 

De franskiljons en de Walen gaven de strijd niet op. Al hun hoop berustte op de 
Senaat en er werd gezorgd voor een grootscheepse campagne tegen het ontwerp 
aangenomen door de Kamer. Op 



(7) Over zijn houding, A. DE BRUYNE. J. Van Severen, o.c, 56-58. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



97 



28 jan. 1923 had te Brussel een 'monsterbetoging' plaats. Een poging van de 
flaminganten om de stoet te doorbreken mislukte. De bespreking in de Senaat begon 
op 6 maart. Reeds veertien dagen later, op 20 maart, werd art. I van de tekst der 
Kamer, dat het principe poneerde van de vervlaamsing, verworpen met 76 stemmen 
tegen 58 bij zes onthoudingen. De kwestie was hiermede niet van de baan. De tekst 
werd teruggestuurd naar een speciale kommissie belast met de opstelling van een 
aanvaardbare nieuwe tekst. De ontevredenheid in Vlaanderen was groot. Zelfs de 
zeer gematigde Poullet scheen zijn geduld en zijn gewone bezadigdheid verloren te 
hebben. Hij schreef in de Revue catholique des idéés et des faits (6 april) een artikel 
dat heel wat stof deed opwaaien en Poullet bij de franstaligen definitief klasseerde 
in de kategorie van de 'neo-aktivisten'. Hij had in zijn artikel verklaard dat de 
Vlamingen niet meer zouden toegeven en voegde er aan toe: Theure est venue pour 
les Flamands, den découdre avec les Wallons'. Kende Poullet de juiste betekenis 
niet van de uitdrukking 'en découdre'? Deze betekent in het Frans 'en venir aux 
mains'. De Standaard, die de vertaling van het artikel had gebracht (7 april), 
omschreef het als 'onze zaken met de Walen in het reine te brengen'. Dit zal wel 
meer beantwoord hebben aan de bedoeling van Poullet, maar het neemt niet weg dat 
er stond 'en découdre' en dat hij ook aan het slot van het artikel geschreven had: 
'Les Flamands ne sont pas des Sénégalais que 1'on colonise de Liège ou de Paris' (8) . 

De bespreking van de vernederlandsing van Gent, in de Senaat hervat op 7 juni, 
op grond van een voorstel tot vernederlandsing dat in de praktijk de universiteit voor 
de helft zou Frans gehouden hebben, liep na enkele dagen vast. Op 14 juni werd de 
nieuwe tekst, twee dagen tevoren in eerste lezing aangenomen, in tweede lezing 
verworpen. Men zat klem. Eerste minister Theunis bood de Koning het ontslag aan 
van het ministerie. In schijn was hij gevallen op het vraagstuk van de universiteit te 
Gent, in werkelijkheid waren de moeilijkheden met de nieuwe legerwet en de duur 
van de dienstplicht, gevolgen van de Ruhrbezetting (jan. 1923), de oorzaak van zijn 
ontslag. Toen Theunis een kompromis gevonden had, zowel voor Gent als voor de 
militaire vraagstukken, trok hij zijn ontslag in en verscheen voor de Kamer (3 juli) 
met een nieuwe regeringsverklaring. Hij kondigde, inzake Gent, het indienen aan 
van een wetsontwerp op basis van tweetaligheid. Reeds op 4 juli bracht minister Nolf 
zijn transaktievoorstel voor 



(8) Vgl. over het incident L. moyersoen, o. c. , 4 1 1 . 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



98 



de Senaat. In principe werd de universiteit Nederlands, met een derde Franse 
kursussen; de fransgezinden konden deze proportie omkeren en het Nederlands tot 
een derde terugbrengen. In de Katolieke Vlaamse Kamergroep (4 juli) verdedigden 
Poullet en Van de Vyvere met klem de nieuwe formule. Er was - volgens hen - een 
ernstige stap vooruit gezet en men kon nu verder gaan. Een volledige Franse 
universiteit bestond er niet meer. De voorzitter, Frans Van Cauwelaert, stelde vast 
dat de groep akkoord ging om het vertrouwen in de regering aan te nemen (9) . Het 
debat over de zgn. Nolf-wet had een kleurloos verloop. Reeds op 18 juli werd het 
wetsontwerp goedgekeurd in de Senaat, met 74 stemmen voor en 55 tegen bij 7 
onthoudingen. 

In de Katolieke Vlaamse Kamergroep had de volgende dag een ernstig incident 
plaats, niet naar aanleiding van de Nolf-wet, maar van het taalvraagstuk in het leger. 
Theunis had hier een kompromis gesloten over de verlenging van de dienstplicht 
met twee maanden in plaats van de vier gevraagde. Een nieuwe taalregeling in het 
leger was hierbij niet voorgeschreven. Op 19 juli kwam het probleem ter tafel in de 
Katolieke Vlaamse Kamergroep. De voorzitter stelde de vraag of men de nieuwe 
wet zou goedkeuren zonder waarborgen in taaiopzicht, aangezien men besloten had 
de taalkwestie te verdagen tot oktober. Eerste minister Theunis had reeds 
aangekondigd dat hij geen Vlaamse kompagnieën kon aanvaarden en hierover de 
vertrouwenskwestie zou stellen. Van Cauwelaert was persoonlijk de mening toegedaan 
dat een amendement moest ingediend worden om Vlaamse kompagnieën te eisen. 
Helleputte verzette zich dadelijk tegen dit voorstel. Er mocht volgens hem geen 
ministeriële krisis veroorzaakt worden. Wij zouden zelfs in dat geval - betoogde hij 
- Gent kunnen verliezen. Wij hebben Vlaamse pelotons en dat is reeds iets. Van 
Cauwelaert aanvaardde deze argumentatie niet. Hij wees erop dat de Vlaamse 
Beweging in een nieuwe faze getreden was: er zou ditmaal een geest van verbittering 
komen. H. Marck viel Van Cauwelaert bij, alleen nog maar heftiger. Hij voorspelde 
dat er door de vooraanstaande flaminganten in het land een echte oorlog zou gevoerd 
worden tegen de groep, indien deze kapituleerde. Er zou zich een nieuw feit voordoen 
dat een echte ramp zou zijn. Al de intellektuelen verlaten ons. Wij hebben ons 
verbonden op Vlaamse en Waalse eenheden en dienen ons woord te houden. Bij de 
stemming die hierop volgde werd het voorstel Van Cauwelaert verworpen 



(9) Papieren Van hacker, 4 juli 1923. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



99 



met 17 tegen 10 stemmen. Hierop verklaarde Van Cauwelaert om ontslag als voorzitter 
te verzoeken, al zou hij lid blijven van de groep <10) . 

Twee dagen later had het jaarlijks kongres plaats van de Katolieke Vlaamse 
Landsbond. Hier ging het om de Nolf-wet. Prof. Daels voerde er het woord om te 
waarschuwen voor de politiek van Van Cauwelaert, Poullet en Carnoy (deze was 
rapporteur geweest voor de Nolf-wet) en het grote gevaar dat erin besloten lag voor 
de toekomst van de Beweging: hij vroeg dringend aan de Vlaamse 
volksvertegenwoordigers het voorstel, aangenomen door de Senaat, te verwerpen. 
Een grote ovatie viel hem ten deel (11) . Poullet en Van Cauwelaert verdedigden de 
politiek van de Katolieke Vlaamse Kamergroep. Poullet wees erop dat de Kamer er 
nog was om de tekst van de Senaat te verbeteren en dat er daarenboven nog andere 
belangen bestonden waarmee men, als katoliek, moest rekening houden. Hij verwees 
hierbij naar het oplevend anti-klerikalisme. Van Cauwelaert begon met te wijzen op 
de zedelijke overwinning die men bij de aanvang in de Kamer behaald had door 
vooraanstaande Walen te bekeren tot het Vlaamse standpunt. Na de stemming in de 
Kamer kwam er echter een franskiljonse reaktie in het land, terwijl er van de zijde 
van het Vlaamse volk te weinig steun opdaagde voor de Vlaamsgezinde senatoren 
en volksvertegenwoordigers. Men had daarbij de grote fout begaan vooraf aan te 
kondigen dat er geen andere regeringskombinatie mogelijk was als de huidige. Men 
moest verder rekening houden met het feit dat de internationale toestand niet toeliet 
een regeringskrisis uit te lokken. Daarbij kwam uiteindelijk, ook bij de Vlamingen, 
de overtuiging dat de frank niet zou vallen, zolang Theunis aan het bewind was (12> . 

Deze toespraak van Van Cauwelaert doet wel verrassend aan, indien men bedenkt 
welke houding hijzelf aangenomen had in de Katolieke Vlaamse Kamergroep met 
betrekking tot het legervraagstuk. De Standaard bracht (21 juli) over zijn ontslag 
een artikel waarin het voorgesteld werd alsof de Katolieke Vlaamse Kamergroep 
ontbonden was. Ten gevolge hiervan nam Van de Vyvere het initiatief om de groep 
samen te roepen (24 juli). Van Cauwelaert verklaarde dat de groep moest blijven 
bestaan maar dat hij zijn verzoek tot ontslag als voorzitter niet wilde intrekken. 



(10) Ibid., 19 juli 1923. 

(11) De tekst bij fr. daels, o.c, n, 117-122. 

(12) Vgl. MOYERSOEN, o.c, 417-419. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



100 



Hij wees op de lastige taak die de groep op zich zou dienen te nemen: de houding 
die ze moest aannemen was regelrecht in strijd met de wensen van alle 
vlaamsgezinden en men zal in Vlaanderen heel het vertoon van het kongres te Brugge 
beschouwen als een komedie. Hierop stelde Fr. Brusselmans zeer duidelijk de vraag 
of iedereen het eens was over de formule Nolf. Helleputte deed opmerken dat de 
verwerping ervan gelijk stond met een sprong in het onbekende' 13 '. 

Onder deze omstandigheden was het geen verrassing toen, na een kleurloos debat, 
op 27 juli 1923 het ontwerp Nolf in de Kamer werd aangenomen met 87 stemmen 
tegen 75 bij 8 onthoudingen (Wet van 3 1 juli - Staatsblad van 14 okt. 1923). Nu brak 
echter in Vlaanderen van alle kanten, bij de jonge generatie en bij de meer 
radikaalgezinden, verzet los tegen 'de Nolf-barak'. Het aktiekomitee, dat reeds meer 
als een jaar bestond, riep de boycot uit, dadelijk bijgevallen door het A.K.v.s. en het 
A.v.H.v. <14) . Deze was, het eerste jaar, een volledig succes. Maur. Basse, een 
tegenstander ervan, die alle statistieken in het licht van zijn eigen overtuiging 
ontleedde, komt tot de slotsom dat er voor het eerste akademiejaar slechts 61 studenten 
in de verschillende Vlaamse afdelingen waren ingeschreven. Van franskiljonse zijde 
gaven ze het echter niet op: de machthebbers in de universiteit maakten van de 
vernederlandsing een karikatuur en er werd de Ecole des Hautes Etudes opgericht 
om in het Frans alle leergangen te doceren die aan de universiteit verplicht in het 
Nederlands waren. Op 16 okt. 1923 had de opening plaats van het nieuwe 
akademiejaar aan de Universiteit. Ze gebeurde bij kaarslicht. 'Toevallig' was op dat 
ogenblik de elektrische stroom onderbroken in dat gedeelte van de stad. Op 25 nov. 
opende de Ecole des Hautes Etudes haar deuren. Intussen was te Antwerpen de Ecole 
coloniale supérieure (K.B. 1 1 jan. 1920) een Université coloniale geworden (K.B. 21 
nov. 1923: het statuut werd later nog gewijzigd bij het K.B. van 4 dec. 1926). 

De verbittering in Vlaanderen was zeer groot. Dr. Van de Perre schreef een 
aanklacht in De Standaard die hier letterlijk dient aangehaald: 'Wordt de Vlaamse 
Kamergroep van laksheid beschuldigd, 



(13) Papieren Van hacker, 24 juli 1923. 

(14) Over deze boycot-aktie vgl. De Wet-Nolf en de vervlaamsching der Universiteit te Gent 
(1924); Boycott? Een ernstig woord tot de Vlaamsche Studenten aan de Universiteit te Gent 
(okt. 1925); SCHERPEHAND. Wat zullen onze vlaamschgezinde studenten te Gent doen, z.pl.z.j. 
(1923), 16 blz. Gedrukt te Lokeren. Vermoedelijk van de hand van Tony Herbert. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



101 



maar dan ligt de schuld bij de groep zelf. Telkens er een verklaring van uitging, was 
het de kranige taal: de laatste toegeving is gedaan. En 's anderendaags volgde op die 
verklaring een andere toegeving. Vandaar dat de katolieke Vlamingen buiten het 
parlement de Vlaamse groep niet steunden, omdat zij geen toegevingen steunen 
wilden. Trouwens de Vlaamse Kamergroep zocht dien steun niet: zij ging haar gang 
tegen heel Vlaanderen in. De leidende Vlaamse Kamergroep keek niet eens naar haar 
volgelingen om. Die hebben maar te volgen, te gehoorzamen, blindelings. Wij zijn 
de leiders, gij zijt de kudde'. Van Cauwelaert schreef een repliek om de politiek van 
de Katolieke Vlaamse Kamergroep te verdedigen, zonder er in te slagen zijn radikaler 
wordend publiek te overtuigen' 15 '. 

Intussen liep de tweede regering Theunis op haar laatste benen. Toen op 27 febr. 

1924 een Frans-Belgisch handelsakkoord, aan de goedkeuring waarvan de eerste 
minister het bestaan van zijn regering had verbonden, verworpen werd, nam Theunis 
ontslag. De ontevredenheid over de Ruhr-politiek en, bij de katolieke Vlamingen, 
de ontevredenheid over de Nolf-wet waren er ook niet vreemd aan. Theunis kwam 
terug met een gewijzigde ploeg waarin alleen Poullet (binnenlandse zaken) als 
Vlaamsgezinde kon beschouwd worden. Al. Van de Vyvere ruimde de plaats voor 
R. Moyersoen. Deze nieuwe regering zou nog geen jaar meer aanblijven. Op 5 april 

1925 hadden nieuwe verkiezingen plaats. 

3. De verkiezingen van 5 april 1925 

Het voornaamste kenmerk van deze verkiezingen is de grote sprong vooruit van de 
socialistische partij: van 672.445 stemmen in 1921 naar 820.116 en een aanwinst 
van 10 zetels, 78 tegenover 68, terwijl het aantal volksvertegenwoordigers slechts 
met één eenheid was gestegen (187 tegenover 1 86). Hun percentage van de stemmen 
bereikte 39,43, het hoogste cijfer dat zij ooit behaalden en sedertdien ook nooit meer 
bereikten. De katolieken verloren twee zetels (totaal 78), de liberalen 10 (totaal 23). 
In het Vlaamse land (met uitsluiting van Brussel) waren de verhoudingen 47 
katolieken, 27 socialisten en 9 liberalen. De Vlaamse nationalisten verhoogden hun 
stemmen (Brussel inbegrepen) van 58.790 tot 80.407 en wonnen twee zetels. Zij 
hadden thans zes volksvertegenwoordigers in het geheel, waarvan twee in 
West- Vlaanderen, een in Oost-Vlaanderen, twee in Antwerpen en één Brabant. De 



(15) De Standaard, 28 dec. 1923; 1 jan. 1924. Verder 3, 4 en 6 januari. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



102 



diepe ontevredenheid in de katolieke Vlaamse rangen had zonder twijfel een ernstige 
stemmenverschuiving ten voordele van de nationalisten tot gevolg gehad, maar 
overrompelend kon die toch niet genoemd worden. 

Er ging van de nationalistische partijen - van één partij kan bezwaarlijk gesproken 
worden - geen voldoende aantrekkingskracht uit. De grote oorzaak hiervan lag 
voorzeker in de innerlijke twisten waarover wij in een volgend hoofdstuk uitvoerig 
zullen handelen. In West- Vlaanderen bleven in bepaalde arrondissementen de posities 
van de nationalisten zeer zwak. In Oostende -Veurne-Diksmuide behaalde de 
onvermoeibare propagandist Jer. Leuridan toch 4.751 stemmen tegenover 3.070 in 
het jaar 1921. Ook in Kortrijk en te Brugge stond men alles behalve sterk. Men had 
het uiterst moeilijk gehad om op te komen voor de Senaat, dit bij gebrek aan 
kandidaten! Een tegenslag voor de nationalisten was daarbij dat er geen akkoord kon 
bereikt worden met de kristelijke werklieden die afzonderlijk opkwamen in het 
arrondissement Kortrijk, leper en Roeselare. Vele stemmen gingen hier waarschijnlijk 
voor de nationalisten verloren. Alleen te Izegem stond de leider van de kristelijke 
werklieden op de nationalistische lijst. De vlag moest in West- Vlaanderen nog steeds 
hoog gehouden worden door 'Meestere' in het Ieperse: E. Butaye behaalde hier 8.359 
stemmen, wat 29% van het kiezerkorps vertegenwoordigde en het vereiste kworum 
verzekerde om te apparenteren. Ook Van Severen was opnieuw gekozen met 5.357 
stemmen tegen 5.730 in 1921. In Oost- Vlaanderen was er slechts één gekozene: de 
kristendemokraat Van Opdenbosch te Aalst. Het kartel met de kristendemokraten 
was hersteld. In Gent echter vond B. Maes een nieuwe partij tegenover zich: de 
Katolieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen die rekende zowel op de katolieke 
Vlaamse nationalisten als op de kristelijke werklieden. Iedereen wist dat achter deze 
partij Prof. Daels en Dr. J. Goossenaerts stonden, al werden naar buiten Aug. De 
Wilde en Edm. Van der Meulen naar voren geschoven. Er kon geen elektoraal akkoord 
bereikt worden tussen B. Maes en de nieuwe partij. Het kartel van Aalst had vooraf 
zijn woord gegeven te apparenteren met Maes. Het resultaat was een katastrofe te 
Gent. Maes behaalde slechts 2.894 stemmen; de 'partij Daels' 4.450. Samen gaf dat 
wel 7.344 stemmen, d.i. een winst van 1 .253 stemmen, maar dat was zuiver teoretisch 
en volkomen vals op praktisch-elektoraal gebied. Te Antwerpen was er een kartel 
gesloten tussen het Vlaamse Front en de Kristelijke Vlaamse Volkspartij met Leo 
Scheere. Herm. Vos had het in de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



103 



partij gewonnen van H. Picard en was hoofd van de lijst. In Turnhout had Thomas 
De Backer de katolieke partij verlaten om een eigen partij op te richten. Hij 
apparenteerde met de Vlaamse nationalisten en nam ook plaats in de nationalistische 
banken in de Kamer. Hij zou, elektoraal, in de Kempen stand houden. In Brussel 
bleef Staf De Clercq vooruitgaan: 9.703 stemmen, in deze verfranste agglomeratie 
evenwel met het laagste percent (1,43 tegen 10,78 in Halle- Vilvoorde). In Limburg 
bleef het Vlaams nationalisme zonder grote vat op de kiezer: Hasselt gaf 2.173 
stemmen (tegen 463 in 1921) en Tongeren 2.768 (tegen 1.576). Noteren wij, in het 
voorbijgaan, dat op de liberale lijst in Brussel Herm. Teirlinck de achtste plaats had 
ingenomen. Hij behaalde 3.325 voorkeurstemmen (de liberalen hadden in het 
arrondissement Brussel zeven gekozenen, doch de volgorde van de lijst werd 
gewijzigd door voorkeurstemmen). 

Bij de oorzaken van de betrekkelijke mislukking van de Vlaamse nationalisten 
dienen we waarschijnlijk ook rekening te houden met hun zeer zwakke parlementaire 
vertegenwoordiging en aktiviteit tijdens de legislatuur 1921-1925. De katolieken 
hebben er dankbaar gebruik van gemaakt om het gevaar, dat zij voelden komen, af 
te weren (la) . Zij vonden voedsel genoeg voor een dergelijke campagne in het werkelijk 
overdreven absenteïsme van de gekozenen van het Vlaamse Front. Ph. Van Isacker 
nam het op zich de inventaris op te maken. Het werd het naamloos pamflet: Het 
parlementair werk der Frontpartij. Woorden en Daden, 23 blz. Het heeft de 
nationalisten voorzeker geen goed gedaan. De verkiezing van Herm. Vos was in dat 
opzicht een gunstig voorteken voor een degelijker werking in het parlement. 

4. De legislatuur 1925-1929 tot aan de Bormsverkiezing 

Tijdens deze legislatuur werd door de Vlaamse Belgicisten in het parlement nog 
minder bereikt als in de voorgaande. Het enige dat we kunnen vermelden is het werk 
dat C. Huysmans presteerde als minister van Kunsten en Wetenschappen (17 juni 
1925-21 nov. 1927) en de wet van 7 nov. 1928 over het taalgebruik in het leger. Er 
was nog wel een ander, zich steeds weer opdringend vraagstuk dat de openbare 
mening in beroering bracht, nl. dat van de amnestie, maar dat heeft zijn eigen 
problematiek en ook, door de verkiezing van Borms op 9 dec. 1928 zulke verdragende 
gevolgen dat het een hoofdstuk op zichzelf in beslag neemt. 



(la) PH. VAN ISACKER. Tussen staat en volk, o.c, 75. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



104 



Slechts na 73 dagen van verwarde politieke kombinaties en intriges kwam op 17 juni 
1925 een ministerie Poullet-Vandervelde tot stand dat berustte op een koalitie van 
socialisten en kristendemokraten. Potentieel gezien kon dit voor de vlaamsgezinden 
een beste oplossing worden, indien zij er in slaagden de Waalse socialisten voor hun 
standpunt te winnen. De konservatieve franskiljonse katolieke en liberale macht 
scheen uitgeschakeld. De werkelijkheid werd anders. Deze regering werd machteloos 
als gevolg van de financiële krisis waarin het land dreigde ten onder te gaan. Het 
werd, tussen beide oorlogen, het eerste maar dan ook het laatste experiment van een 
zuiver demokratische regering. 

In de regeringsverklaring (23 juni) kwam een uitbreiding van de 
amnestiemaatregelen voor. Enkele maanden later ondertekende België het 
Rijn-Locarnopakt (16 okt. geparafeerd in Locarno, definitief ondertekend in Londen 
op 1 dec). Door de ondertekening van dat pakt werd opnieuw zeer sterk door de 
openbare mening de vraag gesteld naar de betekenis van het Frans-Belgisch militair 
akkoord. De Belgische regering beschouwde het als niet strijdig met het pakt van 
Locarno, doch eerder als een aanvulling ervan voor één bepaalde modaliteit van het 
verdrag. Toch was het probleem gesteld, mede door de verplichtingen die België op 
zich nam als gevolg van het nieuwe verdrag (lb) . 

Begin 1926 zat de regering Poullet volop in de moeilijkheden. In het kader van 
de bezuinigingspolitiek en ook wel van de veranderde internationale verhoudingen, 
werd de getalsterkte van het leger verminderd en de duur van de militaire diensttijd 
teruggebracht op 10 maanden. Generaal P. Kestens, minister van landsverdediging, 
nam ontslag en eerste minister Poullet, die niet dadelijk een opvolger kon vinden, 
werd ook minister van landsverdediging ad interim. Enkele regimenten werden 
ontbonden en toen op 9 febr. de vaandels ervan zeer plechtig werden overgebracht 
naar het Legermuseum, werd door de vijanden van het ministerie van de gelegenheid 
gebruik gemaakt om heftig en beledigend de eerste minister uit te jouwen. Een van 
de voornaamste leiders van de agitatie was P. Nothomb. Korte tijd daarna mislukte 
de poging van de minister van financiën Alb. Janssen om de frank te stabilizeren op 
basis van 107 fr. voor één pond sterling. Een financiële paniek dreigde het land te 
overrompelen. Op 1 1 mei 1926 diende de regering haar ontslag in. Ze had in Vlaams 
opzicht niets kunnen tot stand brengen buiten de hervormingen van C. Huysmans. 



(lb) Vgl. de raymaeker, o.c, (algemene bibliografie), 181 en volg. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



105 



Er is, rondom deze hervormingen van C. Huysmans, een bijzonder handige 
propaganda gevoerd, in de eerste plaats door zijn kabinetschef Julien Kuypers <2> . De 
indruk van wat Huysmans definitief kon tot stand brengen is daardoor misschien wel 
enigszins te optimistisch gekleurd. Toch was zijn aktie van betekenis, vooral op het 
gebied van het onderwijs. Er zijn geen nieuwe teksten door de Kamers aangenomen 
maar, in het kader van de bestaande tradities, heeft Huysmans zeer degelijk werk 
geleverd en kan zelfs de vraag gesteld worden of hij zijn ministeriële bevoegdheid 
niet te buiten ging. Op het gebied van het hoger onderwijs gaf hij de franskiljons 
aanstoot door zijn benoemingspolitiek aan de universiteit te Gent waar hij het 
aandurfde de adviezen van de universiteit eenvoudig naast zich te leggen om ook 
jonge, Vlaamsgezinde professoren te benoemen. Toen hij in de Kamer hierover werd 
geïnterpelleerd door Rod. De Saegher en P. Hymans kon hij hun verwijten naast zich 
leggen met de bewering dat de akademische overheden en zekere professoren 
eenvoudigweg de Vlaamse afdeling van de Nolf-universiteit saboteerden (1,2, 16 
en 17 dec. 1926). 

In het middelbaar onderwijs was het gebruik van de Nederlandse taal voor het 
laatst geregeld geweest bij K.B. van 20 sept. 1924 (3) . In het regime van de ateneums 
werd toen niets veranderd; in de middelbare scholen was het onderwijs van het 
Nederlands uitgebreid, maar in feite was het Frans er nog steeds behouden als eerste 
taal. C. Huysmans maakte een einde aan deze toestand. Bij ministeriële circulaire 
van 26 febr. 1926 werd voor de eerste maal het principe moedertaal-voertaal toegepast 
op het middelbaar onderwijs. Tegelijkertijd werden echter Franse repetitielessen 
ingevoerd, zodat het aantal uren Frans nog opgedreven werd. In het lager onderwijs 
slaagde Huysmans er niet in de weerspannige Brusselse agglomeratie te dwingen 
art. 20 van de wet op het lager onderwijs te doen toepassen. Reeds op 16 nov. 1925 
had de minister de nodige onderrichtingen gegeven om een onderzoek in te stellen 
naar de denationalizering van de Vlaamse kinderen in de kleuterscholen en in het 
lager onderwijs in Brussel. Deze circulaire had een interpellatie van Huysman-Van 
den Nest tot gevolg in de Senaat. Het bleek duidelijk welke moeilijkheden hier voor 



(2) [J. KUYPERS] Het werk van K. Huysmans, o.c. 

(3) Zie over de toestanden in het middelbaar onderwijs J. VISKENS. Het Nederlandsch in de 
officieele scholen voor middelbaar onderwijs, 1924, 23 blz., ed. O.M.O.; De vervlaamsching 
van het onderwijs, o.c., ed. Vlaamsch Studie-comité. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



106 



de toekomst nog te wachten stonden: de liberalen wilden het principe 
moedertaal-voertaal te Brussel niet aanvaarden om hardnekkig vast te houden aan 
de vrijheid van de huisvader. In de loop van deze interpellatie vestigde Aug. 
Vermeylen de aandacht op het gevaar van de denationalizering van Brussel in verband 
met de eenheid en de toekomst van het land. Op 13 april volgde dan een circulaire 
over de toepassing van art. 20. Er mocht geen tweede taal voorkomen in het verplicht 
programma in Vlaanderen voor de eerste en de tweede graad. In Wallonië mocht in 
het lager onderwijs geen tweede taal onderwezen worden maar moest het onderwijs 
van het Nederlands versterkt worden in het middelbaar onderwijs. Ten gevolge 
hiervan werden ook nieuwe onderrichtingen gegeven aan de normaalscholen; al de 
vakken die de onderwijzers en regenten later in het Nederlands moesten geven, 
zouden in de kweekscholen in dezelfde taal onderwezen worden. Eén ogenblik scheen 
het werk van Huysmans in de val van het ministerie Poullet te zullen worden 
medegesleept. In de nieuwe, drieledige kombinatie, zagen de socialisten zich verplicht 
een ministerzetel af te staan. Eerste minister Jaspar wilde Huysmans weg. De 
socialisten wilden hem niet loslaten. Toen wilde Jaspar van Huysmans verkrijgen, 
dat hij zijn Vlaamse politiek zou opgeven. Van Cauwelaert, hiervan op de hoogte 
gebracht, liet Jaspar weten dat hij in dergelijk geval de regering zijn vertrouwen zou 
weigeren. Jaspar moest toegeven' 4 '. Huysmans zette zijn aktie verder door. Vanaf 
september 1926 werd in het middelbaar onderwijs een nieuw lesrooster ingevoerd, 
wat tot gevolg had dat ongeveer tweederde van het onderwijs in het Nederlands werd 
gegeven. In september 1 927 werd hetzelfde stelsel toegepast in de atenea. Hier bleven 
de zgn. Waalse afdelingen bestaan, maar de toegang ernaar werd in grote mate 
afgesneden door in twijfelachtige gevallen de beslissing over de toelating aan de 
minister zelf over te laten. In zijn strijd tot toepassing van art. 20 der wet op het Lager 
Onderwijs, zette Huysmans zijn inspanningen voort. Op 21 nov. 1927 ging hij zelfs 
over tot het schrappen van onderwijzend personeel op de betaalstaten ten laste van 
de staat als sanktie voor de niet toepassing van de wet. Het was alles zonder twijfel 
nuttig werk en betekende een flinke vooruitgang - zonder hier te spreken van de 
andere initiatieven van de minister - maar het verwezenlijkte de opvattingen van 
Huysmans over de noodzakelijke tweetaligheid van het onderwijs in Vlaanderen 
en... wat een minister op deze 



(4) M. van haegendoren (dissertatie), 133. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



107 



administratieve wijze opbouwde, kon zijn opvolger afbreken. Dat is voor een deel 
het geval geweest met het werk van C. Huysmans. Na de val van het ministerie 
Poullet-Vandervelde kwam een drieledige regering tot stand onder Henri Jaspar (20 
mei 1926-21 nov. 1927). De eerste-minister deelde mede, in zijn regeringsverklaring, 
dat hij alleen maar de financiële toestand wilde saneren en daarna ontslag zou nemen. 
Op 16 juli verkreeg de regering volmachten voor de duur van zes maanden. Einde 
oktober werd de frank gestabilizeerd op basis van 175 fr. voor één pond sterling. 
Deze maatregel bleef het voorwerp van scherpe kritiek - van Vlaamse zijde werd 
deze al te lage stabilizatie voorgesteld als een bewuste bevoordeling van de Waalse 
nijverheid' 5 ' - maar het gevolg ervan was een vlugge ekonomische opleving, waarvan 
men echter de broosheid onderschatte. 

Na de stabilizatie van de frank, kwamen alweer de oude twistpunten, ook de 
Vlaamse, op de voorgrond. De Katolieke Vlaamse Kamergroep, die bij het tot stand 
komen van de regering Poullet was gereorganizeerd en waarvan Van Cauwelaert 
opnieuw het voorzitterschap waarnam (16 juni 1925), kwam op 30 nov. 1926 bijeen 
om de toestand te bespreken. Van Cauwelaert stelde de vraag welke de houding van 
de groep diende te zijn tegenover een mogelijke wijziging van de regering of van 
het programma ervan. Wij hebben - aldus zijn inleidend betoog - bij de samenstelling 
van de regering geen voorwaarden aan onze steun verbonden. Dit geschiedde om 
redenen van hoger belang die thans niet meer bestaan. Wij moeten opnieuw de kwestie 
Gent stellen: de vier fakulteiten moeten volledig vernederlandst worden; de splitsing 
van de speciale scholen dient onderzocht en er kunnen ook Franse repetitielessen in 
het leerplan opgenomen worden. Dan is er nog het ontwerp Van Isacker over de 
vernederlandsing van het gerecht en H. Marck zal een projekt uitwerken over het 
taalgebruik in het leger. Bij de bespreking van deze voorstellen wilde Poullet ook 
nog een ontwerp uitgewerkt zien over het gebruik van de talen bij officiële 
plechtigheden. Men kwam tot het besluit het amendement Gelders op de huishuurwet 
te steunen (6) . Van dit alles kwam voorlopig niet veel terecht en door zijn trouwste 
aanhangers werd de Katolieke Vlaamse Kamergroep als onmachtig beschouwd bij 
gebrek aan een degelijke organizatie (7) . 



(5) BOB VAN GENECHTEN, in het verzamelwerk Vóór - 1830 - Na, o.c, 48. 

(6) Papieren Van Isacker, 16 juni en 30 nov. 1925. 

(7) Ibid., Verslag van een onderhoud op 3 febr. 1927. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



108 



Tegen het einde van het jaar 1927 viel de regering Jaspar uiteen. De socialistische 
eisen tot inkrimping van de diensttijd in het leger brachten de regering ten val. De 
socialisten verkozen de oppositie en een tweede regering Jaspar (katoliek-liberaal) 
kwam tot stand (22 nov. 1927-21 mei 1931). De regeringsverklaring bevatte niets 
over de verdere vernederlandsing van Gent of over een amnestiewet. Van Cauwelaert 
c.s. maakten nochtans hun steun aan de regering hier afhankelijk van. Het jaar 1928 
brengt ons hier echter de verrassing: naast de wet van 7 nov. op het taalgebruik in 
het leger, de aanneming door de Kamer van een nieuwe amnestiewet (6 dec. 1928), 
drie dagen later echter gevolgd door wat beschouwd werd als een politieke aardbeving: 
de verkiezing van Borms in Antwerpen. Zoals wij hierboven reeds schreven vormt 
dit laatste een probleem op zichzelf. 

De wet van 7 nov. 1928 op het gebruik der talen in het leger heeft een lange 
voorgeschiedenis en hangt trouwens nauw samen met de organizatie van het leger 
en de duur van de legerdienst. Wij zagen hoe de Katolieke Vlaamse Kamergroep 
herhaaldelijk het vraagstuk besprak tijdens de legislatuur 1921-1925 en hoe het zelfs 
leidde, op de vergadering van 19 juni 1923, tot het ontslag van Van Cauwelaert als 
voorzitter van de groep. Na de reorganizatie ervan werd, op 23 febr. 1926, het 
probleem door Van Cauwelaert opnieuw te berde gebracht. Het was volgens hem 
wel niet aktueel en kon op het ogenblik niet gesteld worden, maar de groep moest 
klaar staan. Er werd beslist een voorstel op te stellen voor de regering maar tevens 
ook een eigen ontwerp voor te bereiden' 8 '. De Katolieke Vlaamse Landsbond bereidde 
zich op zijn beurt voor op de strijd. Hij gaf de brochure uit van T.V.W., die een reeks 
artikelen geschreven had in De Standaard, onder de titel Het militair vraagstuk 
(Brussel, z.j. - 1926 - 43 blz.). Hierin werd gepleit voor gewestelijke indeling met 
eentalige opleiding en voor de legerafdeling als de aangewezen eentalige eenheid. 
De Landsbond vroeg zelfs aan de Katolieke Vlaamse Kamergroep ervoor te zorgen, 
indien minister Poullet kwam af te treden als minister van landsverdediging, dat hij 
zou worden vervangen door een burger 'een demokratisch Vlaams politiek man'. 
Indien toch een generaal 



(8) Ibid., 23 febr. 1926. Vgl. over het taalvraagstuk in het leger R. PEETERS. Het naoorlogsche 
vervlaamschingsproces bij het Belgisch leger, in De Vlaamsche Gids, juli 1932. Ook 
separatim. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



109 



diende op te volgen, dan vroegen zij de opneming van T.V.W. in het kabinet van de 
minister' 9 '. 

Het probleem werd aktueel na de instelling van een Gemengde Legerkommissie 
op 29 dec. 1927. Men werd aktief in Vlaanderen, ofschoon de bredere lagen van de 
bevolking niet in beroering kwamen. Een nieuw tij dschriü Het Legervraagstuk werd 
uitgegeven door een voor de gelegenheid te Antwerpen gestichte Vlaamse 
Legerkommissie. Een van de medestichters was Jef Rombouts, een bekende figuur 
in de katolieke Vlaamse wereld. De Vlaamse Oud-Strijdersbond (v.o.S. en B.v.o.S.) 
gaf een heftig anti-militaristisch pamflet uit De Vlaamsche Oud-Strijders en de 
Legerhervorming. Ons standpunt (Brussel, 79 blz.) waarin hij ook zijn Vlaamse eisen 
radikaal formuleerde met o.a. de eis van Vlaamse legerdivisies met het Nederlands 
als kommandotaal, met een volledig Nederlandse administratie en Vlaamse 
legerscholen van hoog tot laag. Op 21 febr. 1928 kreeg J. Rombouts de gelegenheid 
om, namens de Vlaamse Legerkommissie, zijn standpunt uiteen te zetten voor de 
Gemengde Legerkommissie' 10 '. In mei vergaderde de hoofdraad van de Katolieke 
Vlaamse Landsbond en kwam tot het besluit dat het voorstel van de regering, in zijn 
huidige vorm, ontoereikend was' U) . 

Op 29 mei vergaderde de Katolieke Vlaamse Kamergroep. Van Cauwelaert gaf 
als zijn opinie te kennen dat, indien de groep voldoening kreeg op het punt van het 
taalgebruik van de officieren in hun onderlinge betrekkingen, het voorstel van de 
regering aanneembaar was. Poullet verdedigde het ontwerp: het was een grote stap 
vooruit. Ook de zeer Vlaamsgezinde oorlogsinvalide Van Hoeck was deze mening 
toegedaan. Eveneens Vergels, de kristendemokratisch gekozene voor Brussel. Het 
besluit van Van Cauwelaert was: in de afdelingen van de Kamer ja stemmen om de 
wet niet in gevaar te brengen, maar dan onder voorbehoud van aan te brengen 
verbeteringen' 12 '. 

Hiermede was over de eisen van de Vlaamse legerkommissie en 



(9) Papieren van hacker, brief van 26 april 1926. De identiteit van T.V.W. is ons bekend. Het 
was een jonge luitenant in aktieve dienst. Wij achten het niet gepast deze identiteit hier 
bekend te maken. 

(10) J. ROMBOUTS. Het militair vraagstuk. Vertoog gehouden voor de vergadering der Gemengde 
Legercommissie op 21 febr. 1928, ed. Vlaamsche Legercommissie, 31 blz. 

(11) De Standaard, 25 mei 1928. 

(12) Papieren Van hacker, 29 mei 1928. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



110 



van de Landsbond beslist. De hoofdraad van de Landsbond protesteerde tevergeefs 
(17 juni) dat de regeringsontwerpen absoluut geen voldoening gaven en dat men 
Vlaamse legerafdelingen eiste naast de splitsing van heel het militair onderwijs 03 '. 
Wel heerste er een sterk onbehagen. Op de vergadering van de Katolieke Vlaamse 
Kamergroep van 4 juli, deed H. Marcke en heftige aanval tegen wat men maar bereikt 
had en verklaarde hij dat men het niet kon houden in het Vlaamse land met dergelijke 
politiek, maar Van Cauwelaert en Poullet verdedigden het ontwerp. Laatstgenoemde 
wees er op, dat men veel bekomen had, dat er geen mogelijkheid bestond om verder 
te gaan, omdat men het risico liep in dit geval te verliezen wat men gewonnen had. 
Volgens hem was het gevaarlijk in de Kamer amendementen in te dienen, zoals 
Marck van zins was dit te doen. Van Cauwelaert op zijn beurt deed opmerken dat er 
met de socialisten amnestie noch een taalregeling in het leger te bereiken viel. Een 
ministeriële krisis kon onder deze omstandigheden niets geven. Daarbij was Marck 
veel te pessimistisch in zijn oordeel. Na nog wat tegengesputterd te hebben, verklaarde 
laatstgenoemde uiteindelijk de tucht van de groep te aanvaarden' 14 '. In Vlaanderen 
gaf het vraagstuk nog aanleiding tot een hevig incident op het kongres van de 
Katolieke Vlaamse Landsbond te Gent (4 augustus). In zijn jaarverslag had de 
rapporteur, Pater Val. Claes, zeer uitvoerig gewezen op de tekortkomingen van het 
nieuwe ontwerp, maar ook op de positieve kanten ervan. Het was meer positief als 
negatief, aangezien hij tot besluit de overtuiging uitsprak, dat de aanneming en de 
uitvoering van de wet grote veranderingen zou tot gevolg hebben in de geest van het 
leger. Daarbij zouden de tekortkomingen bij de toepassing van de wet zo schril 
uitkomen dat ze een spoedige herziening zouden nodig en mogelijk maken. Dit was 
wel een zeer subtiele redenering! In ieder geval waren J. Rombouts en Prof. Daels 
hier niet voor te vinden. Eerstgenoemde leidde de aanval. Hij vroeg aan de Katolieke 
Vlaamse volksvertegenwoordigers het wetsontwerp te verwerpen: het was slecht! 
Prof. Daels viel zeer scherp Van Cauwelaert aan die zich echter schitterend 
verdedigde. Naar aanleiding van de legerkwestie verklaarde Van Cauwelaert, dat hij 
zich nooit uitgesproken had voor Vlaamse legerafdelingen, al vreesde hij ze niet. 
Ook de Landsbond had het volgens hem nooit gedaan: hij had zich wel uitgesproken 
voor Vlaamse eenheden 



(13) De Standaard, 18 juni 1928. Zie ook ibid., reeds 8 en 13 juni. 

(14) Papieren Van hacker, 4 juli 1928. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



111 



doch had steeds de vraag opengelaten hoe groot deze moesten zijn (15) . 

Het wetsontwerp over het taalgebruik werd, samen met dat op het wervingsstelsel, 
door de Kamer aangenomen op 14 september. Vóór de stemming over de wet op het 
wervingsstelsel verlieten de socialisten en de Vlaamse nationalisten de zaal. Bij de 
stemming over de wet op het taalgebruik kwamen de Vlaamse nationalisten terug 
om tegen te stemmen. De socialisten - zij stonden in de oppositie! - verweten aan de 
katolieke Vlamingen een koopje gesloten te hebben met de liberale en katolieke 
konservatieven door de koppeling van de taalwet aan het wervingsstelsel en de duur 
van de legerdienst 06 '. 

De bespreking van beide wetsontwerpen in de Senaat verdient onze aandacht niet, 
buiten het feit dat Aug. Vermeylen verklaarde dat de splitsing tot de kompagnie niet 
ver genoeg ging; het zou, volgens hem, veel beter geweest zijn Vlaamse en Waalse 
regimenten of zelfs Vlaamse of Waalse divisies op te richten. Nog geen tien jaar 
later zou het vraagstuk van de taalregeling in het leger opnieuw aan de orde van de 
dag zijn. Men verweet toen, van Vlaamse zijde, aan de wet van 7 nov. 1928 dat in 
het Belgisch leger het Nederlands bestond voor de minderen, voor de soldaten en de 
onderofficieren, het Frans voor de officieren en de leiding; dat de franskiljons in 
Vlaanderen een franstalige eenheid mochten kiezen, zodat de volksverbondenheid 
werd opgeofferd aan de vrijheid van de huisvader en, eindelijk, dat in feite de zgn. 
Vlaamse eenheden tweetalig waren nl. Vlaams voor de soldaten en Frans voor de 
officieren' 17 '. 

Wat wij, buiten de uiteenzetting van de grote vraagstukken, nog kunnen samenbrengen 
als Vlaamse verworvenheden, zijn enkel snippers. In de kolonie valt er niets aan te 
tekenen. Op 9 april 1930 antwoordde in dat verband minister Jaspar aan senator Van 
Dieren dat in de kolonie de taalkwestie tot ieders voldoening geregeld 



(15) Katholieke Vlaamsche Landsbond, 4 aug. 1928 Volledig Verslag, 64. Zie in De Standaard, 
3 aug. 1928, het artikel van E.B. [Em. Blavier?] over de parlementaire taktiek. 

(16) M. van haegendoren (dissertatie), 157. Vgl. F. maes in De Gids, l.c, 1963, 243. 

(17) Vlaamsen Standpunt nopens militaire ontwerpen, 1936, 3 1 blz., ed. Studie-Comité. Afdeeling 
Militaire en Buitenlandsche aangelegenheden van het K.V.O.H.V. (Katholiek Vlaamsch 
Oud-Hoogstudenten Verbond). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



112 



was, doordat er evenveel Vlamingen als Walen in de openbare diensten stonden. 

Op het gebied van het rechtswezen is er evenmin veel aan te stippen. Bij K.B. van 
18 sept. 1923 werd een kommissie aangesteld belast met de vertaling van de wetten 
en wetboeken waarvan geen officiële Nederlandse tekst bestond (dus alles vóór 
1898). Zij kwam in december 1923 reeds klaar met de vertaling van het Wetboek 
van Strafrecht en ging sedertdien haar slakkengangetje voort. Men stond in Vlaanderen 
zelf nog niet zeer ver! Op 25 mei 1924 werd te Brussel, in het Paleis van Justitie, het 
vijfentwintigjarig bestaan gevierd van de Bond der Vlaamse Rechtsgeleerden. 
Voorzitter L. Franck, hield er voor de vernederlandsing van het gerecht een pleidooi 
dat neerkwam op de bestendiging en de historische rechtvaardiging van de 
tweetaligheid voor de rechtbanken' 18 '. Daartegenover stond dan toch H. Borginon, in 
het februarinummer 1 925 van het Rechtskundig Tijdschrift, met een radikaal voorstel 
tot vernederlandsing. Het vraagstuk werd behandeld op het 7de kongres van de 
Katolieke Vlaamse Landsbond in 1926. De keus van de referenten - Henry De Coster 
en Edm. Van Dieren - was niet erg gelukkig. Men bleef bij algemeenheden. Het 
volgende jaar hoorde het kongres een verslag van Ph. Van Isacker die een 
samenvatting gaf van het voorstel dat uit naam van de Katolieke Vlaamse Kamergroep 
zou neergelegd worden. Ook hier was de voorzichtigheid zeer groot. Toen het 
wetsvoorstel op 8 maart 1928 werd neergelegd, kon men vaststellen hoe gematigd 
de eisen van de Vlamingen nog waren. Er was geen enkele verplichting 
voorgeschreven voor de taal van de pleidooien en aan de rechtbanken werd de vrijheid 
toegestaan om, op verzoek van één der partijen, een andere taal op te leggen als deze 
van de aanleggende partij . Toch brak tegen dit ontwerp een fel verzet los in de wereld 
van de francofone advokaten in Antwerpen en in Gent 09 '. Het is haast onbegrijpelijk 
hoe ver men hier nog stond van de wet van 15 juni 1935 ! 

Andere kleine Vlaamse 'overwinningen' waren: in 1922 de instelling van een 
Kommissie voor Taaltoezicht, met het oog op de toepassing van de bestuurstaalwet 
van 1921; in 1926, bij de reorganizatie van de Nationale Bank, de opneming van de 
bepaling (art. 26) dat de bestuurstaalwet van 1921 toepasselijk was op de 



(18) R. VICTOR. Schets ener geschiedenis van de Vlaamse Conferentie der Balie van Antwerpen 
1885-1960. Antwerpen, 1960, 289-291; ID. Een eeuw Vlaamsch rechtsleven (1935). 

(19) Vgl. R. VICTOR. Schets, o.c, 317-322. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



113 



Nationale Bank; de verplichting, voorgeschreven in de wet van 9 juli 1926 op de 
werkrechtersraden, voor de rechtskundige bijzitters, de griffiers, adjunkt-griffiers en 
klerken in de Vlaamse gemeenten om de Nederlandse taal machtig te zijn; de 
toepassing van de bestuurstaalwet van 1921 op de nieuw opgerichte Nationale 
Maatschappij van Belgische Spoorwegen (wet van 23 juli 1926); het amendement 
Gelders, opgenomen in de wet op de huurcelen, waardoor voorgeschreven werd dat 
in de Vlaamse gemeenten het inleidend exploot van dagvaarding in het Nederlands 
diende opgesteld te worden, op straf van nietigheid' 20 '. Deze laatste bepaling wijst in 
een nieuwe richting: het stelsel van nietigheden voorgeschreven door de wet van 
1935 om de toepassing ervan te waarborgen. 

5. De uiteenbrokkeling van 'Het Vlaamse Front' 

Een uitvoerige behandeling in een algemene geschiedenis van de Vlaamse Beweging, 
van het Vlaamse Front en van de verwarring in de Vlaams-nationale gelederen, kan 
op het eerste gezicht de indruk wekken van een gebrek aan proporties. Het 
Vlaams-nationalisme bleef toch maar een splinterpartij die op het parlementaire vlak 
een zeer kleine rol speelde! Wij geloven evenwel dat een dergelijk oordeel verkeerd 
is bij de behandeling van de Vlaamse Beweging. In de jaren 1918-1939 waren de 
Vlaamse nationalisten, vrij vaak buiten elk partijverband, de drijvende kracht van 
de Vlaamse Beweging. Zij hebben, in tal van kulturele verenigingen, een 
veelbetekenende rol gespeeld. Daarbij komt dat de geest van de tijd vanaf 1918 de 
Vlaamse Beweging steeds sterker en sterker heeft medegevoerd op de stroom van 
het nationalisme, zodat het wel van algemeen belang is de innerlijke geschiedenis 
van dit nationalisme op het politieke vlak te volgen. En ten slotte: omdat het Vlaams 
nationalisme een gedeeltelijk geslaagde poging was om een politieke partij te 
grondvesten op het streven van de Vlaamse Beweging zelf, is het van groot belang 
na te gaan met welke moeilijkheden de partij te worstelen had en welke de oplossingen 
waren die ze getracht heeft te vinden' 1 '. 



(20) Vgl. de wet op de huurcelen van 28 dec. 1926, art. 35. 
(1) Voor de ontwikkeling die volgt zijn de werken van willemsen, a. de bruyne over Van 
Severen, en H.J. DEMOEN over Leuridan onmisbaar en in menig opzicht uitvoeriger dan onze 
uiteenzetting. Onze dokumentatie berust in hoofdzaak op de kronologisch gerangschikte 
briefwisseling in de Papieren Borginon. Voor zover de data van de briefwisseling en de 
bestemmeling blijken uit de tekst, worden deze niet verder aangehaald in deze voetnoten. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



114 



Ondanks de zegebulletins en het vaste voornemen van de meerderheid in de 
partijleiding om, na de verkiezingen van 1921, de strijd voor de 
zelfstandigheidsgedachte voort te zetten in een eigen, politieke formatie, was het 
toch voor velen zeer twijfelachtig of de 'frontpartij' wel een eigen taak en een eigen 
toekomst had in de politieke konstellatie van het land. De partij bestond nu driejaar 
en ze had tweemaal aan de wetgevende verkiezingen deel genomen. Het werd geen 
doorbraak van de generatie van de IJzer, zoals men die, in de kringen van de 
frontbeweging tijdens de oorlog, verwacht had. Het prestige van de oud-strijder, als 
drager van een nieuwe politieke toekomst, was een illusie. Dit was niet alleen het 
geval in de Vlaamse rangen; ook te Brussel, in de patriottische kringen, vonden de 
lijsten van oud-strijders, in tijden van verkiezing, geen bijval. Vele radikale Vlamingen 
geloofden niet aan de mogelijkheid of de wenselijkheid van een zelfstandige 
Vlaams-nationale partij. Men geloofde aan de onafwendbaarheid van de oude 
formaties. Wij hebben gezien hoe Dosfel dacht over de plicht van de katolieke 
Vlaamse nationalisten tegenover de traditionele katolieke partij, al was hij wellicht, 
helemaal op het einde van zijn leven, tot een ander inzicht gekomen. Wij hebben 
gemerkt wat Borginon dacht over het tijdelijk karakter van de partij en hoe voor 
niemand de godsvredeteorie een doorbreken betekende van de oude politieke 
verzuiling. 

Wat zou het nu voortaan worden bij de schrale oogst van deze tweede verkiezing? 
Een leidende figuur, van wie het gezag algemeen werd aanvaard, was nog niet op 
de voorgrond getreden. De leiders van de frontpartij waren jonge mannen wier naam 
nog moest bekendheid krijgen en die zich nog een gezag dienden te veroveren. Daarbij 
moesten zeer heterogene elementen worden samengebracht. De langzame fusie tussen 
frontbeweging en aktivisme is een van de cruciale vraagstukken geweest van de 
nationalistische partij, evenzeer als het zeer spoedig omstreden begrip van de 
godsvrede. Wij zullen hierop uitvoeriger moeten terugkomen. Ad. Debeuckelaere 
heeft het verworven gezag als 'ruwaard' van de frontbeweging niet kunnen 
konsolideren in de nieuwe formatie. F. De Pillecijn stond buiten de partij en H. 
Borginon verliet voor enkele jaren de aktieve politiek. Reeds op 23 mei 1922 schreef 
H. Van Puymbrouck, die op aandringen van Borginon waarnemend partijvoorzitter 
geworden was, om hem te vragen wat er misgelopen was, omdat hij de indruk had 
dat Borginon 'aan 't mopperen' was. Hij veronderstelde dat het wel verband kon 
houden met een preadvies van Herman Vos over ak- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



115 



tivisme en amnestie dat deze zou voordragen op het volgende partijkongres. Vos 
was bereid - schreef Van Puymbrouck - dat preadvies in te trekken, indien Borginon 
er niet mede akkoord ging. Deze laatste antwoordde dat hij inderdaad met dat 
preadvies niet akkoord ging, maar dat Vos het daarom niet moest laten vallen: 
aanvankelijk, zo voegde hij er aan toe, dacht hij ontslag te nemen uit de partij, indien 
Vos het haalde, maar hij had zich bedacht en zou het voorlopig niet doen, maar, zo 
voegde hij er aan toe, 'mijn aanblijven als lid betekent echter niets meer dan een 
principiële toetreding tot de zelfstandigheidsgedachte'. Hij deelde tevens mee dat 
hij vast besloten was zich te onthouden van alle deelneming aan de leiding en zelfs 
aan de partijorganizatie. Hij legde er nogmaals de klemtoon op dat dit besluit geen 
verband hield met het referaat Vos. Borginon liet zich ompraten om voorlopig toch 
te blijven, maar op 24 okt. 1922 liet hij aan de w.n. sekretaris van de partij P. Finné, 
naar aanleiding van een uitnodiging om de partijraad bij te wonen, weten dat hij van 
zijn recht om, als oud-parlementair met raadgevende stem de vergaderingen bij te 
wonen, geen gebruik wenste te maken. Voor zover dit nodig mocht zijn, verklaarde 
hij ontslag te nemen. Hij verklaarde nadrukkelijk dat dit geen verband hield met de 
politieke toestand of met de geruchten die hierover de ronde deden: zijn besluit 
berustte op gans persoonlijke gronden. Hij trok dan dit besluit weer in op verzoek 
van Van Puymbrouck, wegens de besprekingen die zouden plaats hebben over de 
oriëntatie van de partij, maar op 7 juni 1923 vroeg hij dan toch definitief ontslag uit 
de partijraad: hij vond dat het geen zin had dat iemand die volledig buiten het politieke 
leven was geraakt en er ook wenste uit te blijven, lid zou zijn van een partijraad. Of 
Borginon hier wel uitsluitend handelde uit persoonlijke en niet uit politieke gronden, 
valt sterk te betwijfelen. In een brief aan P. Geyl (22 okt. 1928) herinnerde hij zijn 
vriend eraan, dat hij nooit enige oppositie had gevoerd en, liever dan de leiding haar 
taak te bemoeilijken, uit de partijraad gebleven was 'omdat ik dacht op den ingeslagen 
weg niet te kunnen medewerken'. Pas in 1927 is het dat wij Borginon weer aktief in 
de politiek vinden, bij de pogingen om de verspreide Vlaams-nationale krachten te 
groeperen onder leiding van een Directorium. 

Het ging met het Vlaamse Front niet al te best in de jaren die volgden op de 
verkiezingen van 20 nov. 1921. Maandenlang drukte op de partij de gevangenschap 
van Ad. Debeuckelaere en het proces tegen de frontbeweging dat in het verschiet 
lag, als gevolg 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



116 



van de dokumenten gepubliceerd door Rudiger. De partij 'Het Vlaamse Front' was 
de politiek ingegaan in het teken van de frontbeweging. Ze had de erfenis ervan 
aanvaard o.a. door de voornaamste sluikschriften die aan het front in het geheim 
verspreid waren, opnieuw uit te geven, met inbegrip van de Catechismus van den 
Vlaamschen nationalist van de hand van Cyr. Verschaeve. Met de arrestatie van 
Debeuckelaere en het daarop volgende proces, was het ogenblik gekomen om in het 
openbaar te getuigen. Men scheen slechts de keus te hebben tussen twee oplossingen: 
ofwel de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor wat de frontpartij werkelijk 
geweest was en gedaan had (met inbegrip van de zending Charpentier) en haar 
revolutionaire aktie te rechtvaardigen door een aanklacht tegen de Belgische staat, 
ofwel het verleden eenvoudig te verloochenen en alles te ontkennen. Men heeft de 
tweede weg gekozen met een zekere variante: men loochende alles zonder in 
werkelijkheid iets te verloochenen, omdat men een unisono van op elkaar afgestemde 
getuigen kon naar voren brengen die beweerden niets gehoord of gezien te hebben, 
buiten het ten hemel schreeuwend onrecht dat de Vlaamse soldaten in het Belgisch 
leger aan de IJzer werd aangedaan. Debeuckelaere werd vrijgesproken (25 aug. 1922). 
De gewone militant jubelde: hij wist wel beter en juichte om het handige bedrog van 
getuigen en advokaten die de krijgsauditeur en met hem de gehate Belgische 
Veiligheid een nederlaag hadden toegebracht. Bij enkele doktrinairen en fanatici, 
vooral in de kringen van uitgeweken aktivisten, waarin men zo luidop de 
revolutionaire daad van het aktivisme bleef verheerlijken, was men diep ontstemd 
over de houding van de leiders van de frontpartij die hun eigen revolutionair verleden 
verloochenden. Cyr. Verschaeve heeft later zijn eigen houding en die van de leiders 
van de frontbeweging verdedigd in een opstel over Willem van Oranje: 'men mag - 
zo schreef hij - men moet zwijgen en wel met duizend woorden, als men den 
verdrukker ontwapenen, afleiden, 't spoor bijster maken moet, als men zijn slag van 
boven dierbare en nodige hoofden afwenden moet, als men de domme pietmacht 
nevens haar doel moet doen vallen: kortom, men moet de waarheid die zeker en ten 
dode misbruikt zal worden niet leveren, want waarheid dient het leven... Verduiken, 
verzwijgen is de leus, zolang het leven priemt en schiet' <2) . Het is een feit dat 
Vlaanderen, buiten de 



(2) Aangehaald VANSINA. Verschaeve getuigt, o. c. , 402. Aldaar blz. 400 over de houding in deze 
aangelegenheid van Verschaeve. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



117 



kern van de militanten uit de frontbeweging en het aktivisme, niet voldoende nationaal 
bewust genoeg was om zijn oud-strijders, die de Vlaamse Beweging moesten dragen, 
voor vele jaren te zien uitschakelen onder de beschuldiging van landverraad. Wij 
hebben hierboven getracht deze frontbeweging in haar werkelijke gestalte te zien. 
Wij weten dat ze in deze werkelijkheid ook niet was wat men er in de 
Vlaams-nationalistische legende wilde van maken, nl. een revolutionaire strijd op 
hetzelfde plan als die van Ieren, Polen en Tsjechoslovaken. 

Debeuckelaere heeft, na zijn vrijspraak, geen rol van betekenis meer gespeeld in 
de ontwikkeling van het Vlaams nationalisme. Dit houdt geen verband met zijn 
houding tijdens het proces, al is het mogelijk dat hij het zelf als een zware handicap 
is blijven voelen. De uitleg van zijn gebrek aan invloed dient gezocht in het gebrek 
aan leidersgaven van Debeuckelaere die daarenboven geen volkstribuun was en, toen 
hij uit de gevangenis kwam, een burgerlijk bestaan moest veroveren. Hij was te 
nuchter van geest en te realistisch van temperament om in Vlaanderen de weg op te 
gaan van een revolutionair agitator. De frontpartij stond er, in deze tweede helft van 
1922, niet schitterend voor. Er was in werkelijkheid geen landelijke organizatie. Het 
enige spoor van algemene samenwerking was het bestaan van een partijraad waarvan 
de werkelijke invloed ons niet bekend is en het jaarlijks bijeenroepen van een 
partijkongres. Op het derde kongres (in Brugge, 4 juni 1922), werd aldus beslist dat 
de naam zou behouden blijven, als Vlaamse Front. Partij der Vlaamse nationalisten. 
Er werd o.a. een beginselverklaring aangenomen over zelfbestuur en godsvrede. Een 
referaat over amnestie werd voorgedragen door Herman Vos. De partijraad kreeg 
opdracht om het standpunt van de partij over deze laatste aangelegenheid definitief 
te formuleren in het licht van de Vlaams-nationale beginselen' 3 '. Intussen was, in 
februari 1922, het dagblad Ons Vaderland gevallen. De partij had geen eigen orgaan 
meer, al vond zij een spreekbuis in de sterk Antwerpse krant De Schelde. Het kon 
niet anders of de zo los gebundelde krachten moesten met elkaar in botsing komen 
en vechten om de richting en het doel van de beweging te bepalen. Het onderling 
gekibbel doet even, van zeer ver, denken aan de geschiedenis van de kommunistische 
partij vóór 1914. Misschien is er 



(3) Een fragment van het preadvies Vos in De Ploeg, 1 juli 1922. De essentie van het betoog 
Vos kan samengevat worden in zijn uitspraak: 'Het Vlaams nationalisme heeft een verleden 
en tot dat verleden behoort het aktivisme.' 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



118 



wel aan gedacht. De teoretici vonden die twist niet zo erg. M. Geerardijn, gepatroneerd 
door V. Leemans en de redaktie van Jong Dietschland, schreef in 1927 in zijn 
brochure over Het R.-Katholiek Vlaamsch nationalisme dat de gedachtenkrisis die 
Vlaanderen verdeelde niet mocht betreurd worden als een droevig schouwspel. Het 
was veeleer een hoopvol verschijnsel omdat men, volgens hem, hierin al de 
bestanddelen kon vinden van een zuiveringsproces waaruit een beginselvaste, dus 
scherper en doelmatiger strijd zou groeien. 

In zekere zin hadden zij misschien gelijk. De elementen die in het Vlaamse Front 
samenstroomden waren zo verschillend van oorsprong en opvatting, dat er zonder 
twijfel een zuiveringsproces nodig was in de partij om hiervan een vast gesloten, 
vechtend blok te maken. Indien we zoeken naar stromingen van krachten, naar wat 
een zekere groepering van krachten in deze verbrokkeling dan toch enigszins bepaalde, 
dan zien wij drie grote groepen. De eerste, schijnbaar drager van de beweging naar 
buiten, is die van de oud-strijders uit de frontbeweging, levend in de traditie van deze 
beweging. Ook hier is geen sprake van een homogeen blok. De sterkste aanleiding 
tot meningsverschil gaf hier de houding tegenover het aktivisme. Wij hebben hierop 
reeds de aandacht gevestigd voor de eerste jaren in het bestaan van de frontpartij. Er 
waren reeds vrij vroeg, eerst in Vlaanderen, daarna in Nederland, kontakten tot stand 
gekomen met de aktivisten. Het vraagstuk werd echter principieel gesteld door 
Herman Vos, in zijn referaat op het kongres in Brugge (4 juni 1922). Wij hebben 
gezien hoe hij hierdoor in botsing kwam met Borginon die niet bereid was kritiekloos 
en zonder onderscheid de erfenis van het aktivisme te aanvaarden. De partijraad nam, 
op 17 juni, als gevolg van het kongres, een motie aan die brede toegevingen deed 
aan het standpunt van Borginon. De motie van de partijraad luidde o.m.: 'Er kan 
geen zedelijke schuld zijn in de daad van de Vlamingen die eerlijk en onbaatzuchtig 
ijverden voor de bevordering der Vlaamse zelfstandigheidsgedachte. De Vlaamse 
nationalisten zien in de vervolgingen door de Belgische regering ingesteld tegen 
Vlamingen, die gehandeld hebben uit liefde voor Vlaanderen, een ongeoorloofden 
aanslag op de vrijheid der Vlaamse gedachte. Diensvolgens kunnen zij zich slechts 
tevreden verklaren met zulke algemene amnestie die betekent volledig rechtsherstel'* 4 '. 
Met de jaren worden de kontakten met de ak- 



(4) Vlaanderen, 1 juli 1922. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



119 



tivisten menigvuldiger en ook de invloed van de oud-aktivisten op de beweging 
neemt toe met de dag. H. Vos had hier aanleiding toe gegeven door het weekblad 
De Ploeg voor hen open te stellen. Het weekblad Vlaanderen speelde dan verder een 
beslissende rol. Deze toenadering gebeurde op een ogenblik dat Debeuckelaere en 
Borginon praktisch het politieke veld geruimd hadden. De gevolgen hiervan zijn zeer 
groot geweest voor de verdere ontwikkeling van het Vlaams nationalisme. 

In deze jaren is het niet de geest van de frontbeweging die de inhoud bepaald heeft 
van het Vlaams nationalisme, doch die van het aktivisme. Op het eerste gezicht is 
dit niet zo ver dragend in zijn gevolgen. Zowel frontisme als aktivisme waren de 
manifestatie in Vlaanderen van een algemeen Europees verschijnsel: de drang van 
de volksnationaliteiten naar politieke zelfstandigheid. De betekenis van deze 
verschuiving lag elders. Van de twee grote stromingen in het aktivisme - de 
Jong- Vlamingen en de Unionisten - waren het niet de Unionisten, met hun 
bondgenoten de federalisten in het Vlaamse Front, die de geest van de Beweging in 
de volgende jaren bepaalden, maar wel de Jong- Vlamingen die een werkelijke 
unionistenj acht op touw hebben gezet en de Vlaams-nationale beweging in het spoor 
hebben gebracht van een dogmatisch nationalisme dat geen werkelijkheid wilde 
aanvaarden, omdat de leiders ervan in de grond ideologen of dwepers waren die 
alleen maar rekenen konden op een katastrofenpolitiek. Herman Vos, bondgenoot 
van de aktivistische unionisten en de eerste principiële verdediger van het aktivisme 
in het Vlaamse Front, werd er op den duur het slachtoffer van. Eerst omstreeks 1936 
hebben de federalistische elementen in de partij opnieuw het roer in handen gekregen. 

Naast deze twee groepen, frontsoldaten en oud-aktivisten, kwam een grote aanvoer 
van jongere mannen de rangen van het Vlaams nationalisme versterken. Kenschetsend 
is dat voor hen, die gedeeltelijk kwamen uit het aktivisme, en gedeeltelijk uit de 
generatie die vanaf 1918 werd gevormd, de heroïsche episode uit de Vlaamse 
Beweging niet de frontbeweging was aan de IJzer, maar wel het aktivisme. Ze vonden 
in dit laatste politieke vergezichten die ze in het bloedoffer aan de IJzer niet konden 
ontdekken. De anti-Belgische stemming was daarbij in deze jaren zo sterk, dat men 
hier de aktivistische revolte in haar meest extreme vormen ging bewonderen, waarbij 
de onzekerheid en de onbetrouwbaarheid van de Duitse alliantie volledig werden 
vergeten. De proklamatie van Vlaanderens zelfstandigheid door de Raad van Vlaan- 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



120 



deren werd als een mythos voor deze jongeren. Daarbij kwam dat deze jeugd 
overwegend gevormd werd door de katolieke onderwijsinstellingen waarin de 
ultramontaanse geest zeer sterk was. Deze jeugd wilde nationalist zijn, maar in 
strijdende katolieke levensbeschouwing. Zij onderging in dit opzicht vrij krachtig 
de invloed van L. Dosfel. 

Als we rekening houden met deze drie grote stromingen en verder zoeken naar de 
kern van de talrijke konflikten in de Vlaams-nationale rangen, vinden wij twee 
kernpunten waaromheen deze betwistingen draaien: de zelfstandigheidsgedachte en 
het godsvredestandpunt. Ze hebben het Vlaamse Front in de jaren 1921-1924 hopeloos 
doen uiteenvallen. Wij zien de ontwikkeling, in haar grote trekken, als volgt. 

Reeds zeer vroeg zijn, buiten de partij, sporen zichtbaar van groeperingen van 
krachten die zich ten doel stellen de Vlaams-nationale beweging in handen te krijgen 
en te leiden. Het eerste teken hiervan is, de stichting, vermoedelijk door Jef 
Goossenaerts, reeds in 1920 van Het Veem lek wyck niet af, dat de kern van de 
beweging wilde beveiligen en leiding geven. Voor West- Vlaanderen worden hier de 
namen genoemd van de priesters O. Spruytte, K. Van der Espt en Cyriel Verschaeve, 
naast Joris Van Severen en Jeroom Leuridan. Buiten deze provincie worden als lid 
vermeld Osc. De Gruyter en Rob. Standaert (industrieel te Eeklo). De vereniging 
was geheim, in de traditie van de Westvlaamse 'Swigenden Eede' en van een 'Veem' 
dat ook vóór 1914 was opgericht. De betekenis ervan dient alleen gezien in de 
afwijzing van de partijleiding en in het feit dat men hier niet te doen heeft met 'wilde 
krachten' of jonge mensen zonder levenservaring, doch met mannen van wie de naam 
toen in de strijd reeds wat betekende. Of dit 'Veem' ooit iets tot stand bracht, kan 
betwijfeld worden. Een gelijkaardige poging werd, op bredere basis, op 4 dec. 1921 
in Nederland ondernomen met de stichting van het Verbond der Vlaamse nationalisten, 
De Blauwvoet. Op de stichtingsvergadering worden uit Vlaanderen vermeld priester 
Rob. De Smet, Alb. Pil, Staf De Clercq en Rob. Standaert' 5 '. De doelstelling en de 
werkingsmiddelen werden in de 'Wet' van het verbond zeer vaag gehouden. Het 
lidmaatschap van het verbond sloot dat niet uit van politieke en andere verenigingen, 
maar de leden gingen de verbintenis aan 'de leiding van 



(5) Van aktivistische zijde Dr. A. Depla, Joz. De Decker, W. De Vreese, R. Speleers, H. 

Mommaerts, J. Van den Broeck, Jr. E. Van den Berghe. J. BRANS in Vóór - 1830 - Na, o.c, 
113. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



121 



het Verbond getrouwelijk op te volgen'. Het weekblad Vlaanderen zal jarenlang 
voor dit Verbond ijveren en allerlei initiatieven in deze richting steunen, maar tot 
een werkelijke organizatie is men nooit gekomen. Er bleef over dit alles een waas 
van geheimzinnigheid hangen, zo dierbaar aan de hoofdredakteuren van Vlaanderen {6) \ 
Toen, in dezelfde lijn, begin 1924, de stichting aangekondigd werd in Gent van een 
Vlaams -nationaal Sekretariaat kon men onder deze mededeling de namen lezen o.a. 
van Dr. Depla, Jer. Leuridan, Alb. Pil, Rob. Standaert, J.O. De Gruyter, Piet Finné 
en Dries Devos <7) . Ook dit stond weer buiten de organizatie van de partijleiding. De 
uitleg hiervan moet gezocht worden in de betwistingen die intussen gerezen waren 
in de partij rondom het vraagstuk van de godsvrede. 

Reeds op 12 dec. 1921 vinden wij een brief van Leuridan aan Geerardijn, waaruit 
wij vernemen dat Leuridan bijeen gekomen was met Rob. De Smet, Alb. Pil en Rob. 
Standaert en dat zij allen ervan overtuigd waren dat de tijd gekomen was om het 
parlementarisme wat meer links te laten liggen, om de Vlaams-nationale gedachte 
te prediken, blootweg, demagogisch als het moest en om dwarsdoor de katolieke leer 
aan te nemen. Het jaarlijks kongres van de Frontpartij in Brugge (4 juni 1922) bracht 
het bewijs dat er van de partijraad geen sterke leiding uitging en dat de eenheid in 
de Vlaams-nationalistische rangen ver te zoeken was. Een eerste poging om deze 
laatste tot stand te brengen door de partijmensen er rechtstreeks in te betrekken ging 
uit - hier zien wij alweer de aktivistische invloeden - van de Dietse Bond die met het 
oog op de eenheid van organizatie en aktie tegen 7 okt. 1922 te Utrecht een 
vergadering bijeenriep waarop de leiders van de Antwerpse frontpartij H. Picard, 
Herm. Van Puymbrouck en Herm. Vos uitgenodigd waren en die op hun beurt 
Borginon en Staf De Clercq vroegen. Borginon weigerde te gaan. Het is ons niet 
bekend of De Clercq gevolg gaf aan de uitnodiging' 8 '. De vergadering, indien ze 
doorging, leverde niets op. Wij zien ze alleen, naast de werking van De Blauwvoet, 
als een poging van de aktivisten om hun rol te spelen in de Vlaamse Beweging. Laten 
wij terloops opmerken 



(6) Vgl. over dit Verbond een eerste artikel in Vlaanderen, 28 mei 1922. De publikatie van de 
Wet van het Verbond ibid., 4 juni 1922. Deze laatste werd ook separatim uitgegeven: Wet 
van het Verbond der Vlaamsche Nationalisten 'De Blauwvoet'. Brugge z.j., 16 blz. 

(7) Vlaanderen, 12 jan. 1924. 

(8) Van Puymbrouck aan Borginon, 22 sept. 1922. Papieren Borginon. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



122 



dat, op een meer sentimenteel vlak, vanaf 12 aug. 1923 te Hansweert, er elk jaar, tot 
bij de amnestiewet van 1929, een begroetingsdag plaats had in Nederland, ergens 
dichtbij de Belgische grens, waarop Vlaamse nationalisten en uitgeweken aktivisten 
elkaar konden ontmoeten. 

Van grote betekenis was, einde 1922, de positie die ingenomen werd door Van 
Severen. Bij een kommentaar op zijn neen-stemming in de Kamer in het debat over 
de vernederlandsing van Gent, schreef hij in het weekblad De Vlaming van 
Roeselare-Tielt dat het doel van de nationalistische beweging was de vrijstaat 
Vlaanderen op te richten in het kader van de federale staat Vlaanderen - Wallonië 
en, indien deze oplossing niet voldeed, de onafhankelijke staat Vlaanderen te 
stichten (9) . Ter Waarheid, zijn tijdschrift, werd begin 1923 uitgesproken katoliek en 
bij de uiteenzetting van de grondslagen van de Beweging, naar zijn opvatting, merkte 
men zeer duidelijk de invloed van de Action Franqaise en van de school van Ch. 
Maurras. Tegelijkertijd met deze nieuwe geloofsbelijdenis, diende Van Severen bij 
het partijbestuur van het Vlaamse Front een voorstel in tot reorganizatie van de partij . 
Hij stelde in zijn nota vast dat het aantal Vlaamse nationalisten met de dag aangroeide, 
maar dat het Vlaamse Front deze volgelingen niet kon assimileren. De partij bezat 
geen energie, de organizatie vorderde niet en in sommige gewesten was de godsvrede 
een hinderpaal. Hij stelde daarom voor de partij te decentralizeren door ze om te 
vormen tot een federatie waarin elke groep een grotere speelruimte zou vinden voor 
zijn godsdienstige, filosofische en sociaal-ekonomische opvattingen. Elke groep zou 
autonoom worden. De samenwerking zou alleen blijven bestaan op Vlaams-nationaal 
gebied. Dit laatste zou de verplichting omvatten 1 de omvorming van België tot een 
federale staat in zijn programma op te nemen; 2 de leiding van het Verbond te 
aanvaarden op nationaal gebied; 3 op de vergaderingen van het federaal bestuur 
verslag uit te brengen over de werking van de groep; 4 met geen enkele partij samen 
te werken die niet de federale omvorming van de Belgische staat in haar programma 
opnam <10) . 

Deze voorstellen van Van Severen waren zeer gematigd. Ze sloten zo dicht aan 
bij de bestaande werkelijke toestanden dat ze op geen hevig verzet zijn gestuit. Ten 
gevolge ervan werd tot een reorga- 



(9) Volgens Vlaanderen, 6 jan. 1923. 
(10) Papieren Borginon, met aldaar ook de tegenvoorstellen van Van Puymbrouck, naar aanleiding 
van een vergadering op 25 maart 1923. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



123 



nizatie van de partij overgegaan waardoor het godsvredestandpunt opgegeven werd 
in West-Vlaanderen en Limburg. Dit gebeurde verder ook in Aalst, met het oog op 
de alliantie aldaar van het Vlaamse Front met de overblijfselen van de Kristelijke 
Volkspartij van priester Daens. In de andere gewesten werd de godsvrede behouden. 
Van Severen had zijn eerste zet gedaan op het politieke schaakbord van het Vlaams 
nationalisme. Het was een meesterlijke zet, omdat hij verkreeg wat zijn hoofddoel 
was: West-Vlaanderen losmaken van een voor hem nog te knellend partijverband 
ten einde er zijn eigen weg te gaan in een richting die van nu afaan voor hem reeds 
vaststond en waarvan hij goed wist dat de grote meerderheid der Vlaamse nationalisten 
hem daar niet zou in volgen. Hij zal nu trachten West-Vlaanderen tot een sterke 
burcht uit te bouwen. Het weekblad De Vlaming van Roeselare-Tielt veranderde met 
nieuwjaar 1923 zijn naam in De West Vlaming, met als ondertitel, begin 1924, 
'Rooms-Katoliek weekblad ter verspreiding van de Vlaams-nationale gedachte' en, 
begin 1925, 'Orgaan van het Katoliek Vlaams Nationaal Verbond, tak 
West-Vlaanderen'. Het was het begin van een nieuwe evolutie in West-Vlaanderen. 
Voor Limburg was de reorganizatie op katolieke grondslag voorlopig zonder 
betekenis. Het Vlaams nationalisme stond er nog zeer zwak. Toen op 5 okt. 1924 te 
Hasselt de vlag plechtig overhandigd werd aan de frontersafdeling der 
Rooms-Katolieke Vlaamse Nationalisten, werd in de oproep tot de bijeenkomst 
vermeld dat voor de eerste maal in Limburg een zuiver Vlaams-nationalistische 
betoging werd ingericht (11> . 

Intussen was, naast de godsvredegedachte, ook het begrip zelfbestuur het voorwerp 
van heel wat diskussie en kritiek. Wij hebben hierboven vermeld dat de Dietse Bond 
een vergadering had belegd te Utrecht op 7 okt. 1922 om het vraagstuk van de eenheid 
van organizatie en aktie te bespreken. Vermoedelijk met het oog hierop stelde Hugo 
Van den Broeck (= Spectator) een formule voor die door Van Puymbrouck, voorzitter 
van het Vlaamse Front, die Borginon niet wilde loslaten, aan deze laatste werd 
gestuurd op 3 juni 1923 (de beginselverklaring zelf is gedateerd 18 okt. 1922). De 
kern ervan werd gevormd door de gedachte van de politieke zelfstandigheid. Hierdoor 
zouden, volgens Van Puymbrouck, de drie stromingen die er in het Vlaams 
nationalisme bestonden, kunnen opgevangen worden. Deze drie opvattingen waren: 
de federale staat België, de zelfstandige staat Vlaande- 



(11) Zie de oproep in Vlaanderen, 6 sept. 1924. 

H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



124 



ren en de Grootnederlandse staat, al dan niet federaal opgevat. Volgens M. Dalen 
(=Leo Dumoulin), die deze opsomming geeft in zijn brochure van 1924, hadden de 
twee laatste oplossingen geen talrijke aanhangers. Dit was en bleef waar voor de 
opvatting van een zelfstandig Vlaanderen, maar het zou weldra helemaal anders 
worden voor de Grootnederlandse gedachte. Deze laatste vaststelling dwingt ons een 
ogenblik terug te gaan naar de evolutie en de betekenis van de Grootnederlandse 
idee sedert augustus 1914. 

Wij menen met stellige zekerheid te mogen vooruitzetten dat de politieke 
Grootnederlandse gedachte in het aktivisme geen rol van betekenis heeft gespeeld' 12 '. 
Ze was er niet volledig afwezig, ze duikt van tijd tot tijd wel op, men ziet haar hier 
of daar op de achtergrond, maar een stroming van belang is er niet geweest en een 
strijd is rondom deze gedachte niet gevoerd. In de Duitse politiek zien wij er slechts 
een schaduw van. Het is mogelijk dat men daar in de eerste weken wel gedacht heeft 
aan een oplossing van het Westeuropese vraagstuk in deze zin, maar de afwijzing 
van een dergelijke politiek was in Nederland zo groot dat men zeer spoedig elk plan 
in deze richting verwierp' 13 '. Laten wij dan toch in dit verband de opvattingen 
vermelden van kroonprins Ruprecht van Beieren: annexatie van Wallonië door Pruisen 
en vorming van een Grootnederlandse staat die in het Duitse Rijk een der pijlers zou 
vormen van de driehoek Pruisen-Beieren-Groot-Nederland 14 '. Het is zuiver fantasie. 

In Vlaanderen werd het vraagstuk reeds aangeraakt in de eerste maanden van de 
bezetting. Te Antwerpen vergaderden, in oktober 1914, vooraanstaande leiders en 
bestuursleden van het Algemeen Nederlands Verbond om de werkmogelijkheden te 
bespreken. Een motie die aan de afdelingen moest worden voorgelegd, schreef een 
loyale houding voor tegenover België zolang het staatkundig bleef bestaan, maar 
drukte tevens de overtuiging uit dat, indien België zou verdwijnen, Vlaanderen naar 
het kernland moest terugkeren 05 '. Op een eerste vergadering van Jong- Vlaanderen 
in Gent (24 okt. 1914) werd het probleem insgelijks behandeld. Toen er gesproken 
werd over de medewerking met de Duitsers, deed M. Minnaert opmerken, dat het 
doel toch Groot- 



(12) Vgl. in dezelfde zin R. speleers, in De Nieuwe Gids, juni 1939, 753. 

(13) FR. PETRI in Festschrift von Raumer, o.c., 533. 

(14) F. FISCHER, in Sentiment national, o.c, 39-40. 

(15) Volgens speleers, o.c., 753. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



125 



Nederland diende te blijven. Hij vond steun bij Leo Picard, doch legde zich neer bij 
de beslissing van de meerderheid' 16 '. Toen hij op een latere vergadering (7 dec. 1914) 
nogmaals hierop terugkwam, antwoordde Domela Nieuwenhuis dat men er in 
Nederland niet van wilde weten en dat Vlaanderen eerst zijn zelfstandigheid moest 
veroveren vooraleer vruchtbaar werk in de richting van een nauwer verband met 
Nederland kon verricht worden <l7) . Toen Leo Picard in het najaar van 1915 in 
Nederland zijn brochure Vlaanderen na den oorlog ('s Gravenhage, 40 blz.) uitgaf, 
nam hij uitdrukkelijk positie tegen politiek Groot-Nederland. De motivering van zijn 
standpunt luidde als volgt: de stroming van de Nederlandse geest wordt slechts door 
de Hollandse staat hoog gehouden. Alle flaminganten wensen deze staat in kracht te 
zien toenemen. Aansluiting van Noord en Zuid zou geen versterking ervan, maar 
een verzwakking zijn. Holland dient te blijven wat het is, onveranderd en onvergroot. 
De toevoeging van 4,5 miljoen Vlamingen aan de 6 miljoen Nederlanders zou het 
doen opgaan in een nieuwe staat. Wat moet komen is de uiting van Nederlandse geest 
in een herboren Vlaanderen waarin men veel in het Noorden zal te leren hebben. 

In de zeer bezadigde en Belgisch-loyale brochure van H. De Wachter (=Hugo Van 
den Broeck), Het herstel van België, wordt even de vereniging van Nederland en 
Vlaanderen in het vooruitzicht gesteld als een eventuele noodoplossing: indien 
Vlaanderen binnen de Belgische staat tot zijn volledige ontwikkeling niet zou kunnen 
komen, dan zouden alle Vlamingen dienen te streven naar aansluiting bij Nederland 
of naar een zelfstandig Vlaanderen, maar - voegde de schrijver er dadelijk aan toe - 
dat was gelukkig niet het geval! Toch werd, zowel in Noord-Nederland als in 
Vlaanderen, blijkbaar het vraagstuk door kleine groepjes nog opgeworpen' 18 '. In Gent 
was A. Van Roy een openlijk voorstander van politiek Groot-Nederland. Op een 
zitting van de Raad van Vlaanderen (2 okt. 1917), waar het toekomstig statuut van 
Vlaanderen besproken werd, verklaarde hij dat men Groot-Nederland moest 
verwezenlijken. Het verslag over de zitting vermeldt dat zijn uiteenzetting op 
toejuichingen onthaald werd. Op 28 maart 1918, kwam hij in de tweede Raad van 
Vlaanderen hier- 



(16) M. VAN DE VELDE. Geschiedenis van de Jong-Vlaamsche Beweging, o.c., 15-16. 

(17) Ibid, 25. 

(18) LEO VAN PUYVELDE. Voor mijn land in oorlogsnood, o.c., 144-145 {Nieuwe Rotterdams che 
Courant, 25 sept. 1917). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



126 



op terug en verklaarde hij opnieuw dat zijn ideaal Groot-Nederland was en dat de 
zelfstandigheid van Vlaanderen maar een weg mocht zijn naar dit doel 09 '. In de 
kringen van Jong- Vlaanderen schijnt er in de laatste maanden van de oorlog - en dit 
is van belang voor de toekomst - een versterking te komen van de Grootnederlandse 
gedachte. Op een voordracht in Gent (18 mei 1918) verklaarde Domela Nieuwenhuis 
dat eenmaal in de toekomst Grootnederland verwezenlijkt zou worden maar dat dit 
thans nog maar toekomstmuziek was. In de herziene beginselverklaring van de groep, 
juni 1918, wordt geschreven over 'de hoop en de verwachting, dat de 
Grootnederlandse gemeenschap te eniger tijde nog moge tot stand komen' <20) en op 
de zitting van de Raad van Vlaanderen van 25 juli 1918 verklaarde Rich. De Cneudt 
dat Jong- Vlaanderen thans een nieuw ideaal had: Groot-Nederland <21) . Wij zien aldus 
hier en daar de gedachte doorpriemen tijdens de oorlog, maar dat verandert niets aan 
wat wij voor het aktivisme in zijn geheel hebben vooruitgezet: de politieke 
Grootnederlandse gedachte bleef er zonder betekenis. De evolutie van 
Jong- Vlaanderen was een gevolg van het verlies van vertrouwen in Duitsland en van 
de vaste wil toch België te vernietigen' 22 '. In november 1918 vertegenwoordigde de 
Grootnederlandse gedachte geen politieke kracht. Deze toestand bleef voortduren 
tot einde 1924, begin 1925. Wij vinden inderdaad, in de eerste jaren na de oorlog, 
niets dat wijst op een politieke Grootnederlandse gedachte waarover geredetwist of 
waarvoor gepropageerd wordt. Twee onverdachte getuigen uit het jaar 1924, Leo 
Dumoulin (=M. Dalen) en het weekblad Vlaanderen, stellen vast dat de aanhangers 
van een politiek Groot-Nederland niet talrijk zijn. Van Severen had wel in Ter 
Waarheid, in aug.-sept. 1921, geschreven over de droom van een reële unie met 
Noord-Nederland, maar einde 1922 sprak hij alleen van een federale staat of een 
zelfstandig Vlaanderen en begin 1923 dan weer van een Groot-Nederland op 
voorwaarde dat Vlaanderen er zijn zelfstandigheid zou kunnen in bewaren. Wij zijn 
bij hem nog ver van een onvoorwaardelijke 



(19) Archives du Conseil de Flandre, o.c, 25 en 51. 

(20) M. van de velde, o.c, 228 en 267. 

(21) Archives, 63. 

(22) Voor de aktie in Nederland, vgl. WILLEMSEN, 46-48. Wij laten deze aktie hier buiten 
beschouwing en vermelden alleen de publikatie van het tijdschrift Dietsche Stemmen (1 nov. 
1915) en van het weekblad De Toorts (10 juni 1916) alsmede de stichting van De Dietsche 
Bond (23 juni 1917). 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



127 



Grootnederlandse belijdenis als inzet van de strijd. Dat komt pas in 1926. In de loop 
van het jaar 1924 zien wij plots de Grootnederlandse politieke gedachte doorbreken, 
ook bij mensen van wie we dit niet zouden verwacht hebben. Wij zagen reeds H. 
Vos, in maart 1924 in de loop van het debat met Blavier, weigeren de politieke 
Grootnederlandse gedachte als een utopie te aanvaarden of voor de toekomst uit te 
sluiten. Wij stelden, in die zelfde maand, de ommekeer vast in de politiek van het 
weekblad Vlaanderen. Wij horen H. Borginon spreken op het Grootnederlands 
kongres te Leuven (12-14 april 1924) en er verklaren dat de Vlaamse gedachte alleen 
haar doel kan nastreven indien een Grootnederlandse idee wordt beleden en ook de 
konsekwenties ervan aanvaard worden. Hij stelde de vraag of in een federaal omvormd 
België de Walen niet de aansluiting zouden verkiezen bij Frankrijk en welke dan de 
houding diende te zijn van Nederland tegenover Vlaanderen. Zijn eigen antwoord 
op de vraag was kordaat: als 't nodig wordt, moet men de volle konsekwenties van 
de Grootnederlandse stamgemeenschap aanvaarden' 23 '. P. Geyl verzette zich wel 
tegen de politieke konsekwenties die men wilde trekken uit zijn wetenschappelijke 
publikaties over de geschiedenis van de beide Nederlanden; hij stelde vast, in 1924, 
dat er in het Noorden weinig belangstelling was voor de Vlaamse Beweging en nog 
minder kennis van het wezen en de betekenis ervan, maar dat belette hem niet - 
evenals Borginon dat gedaan had - op de vraag dat er zou gebeuren, als de Walen de 
vereniging met Frankrijk zouden verkiezen de dag dat hun heerschappij over 
Vlaanderen gebroken werd, te antwoorden dat indien deze scheuring - die hij niet 
wenste en als een gevaar beschouwde voor Europa en ook voor Nederland - 'zich 
moest voordoen als het enig alternatief van volledige opslorping van het Vlaamse 
element door de verfransende werking van de Belgische staat - zij te verkiezen zou 
zijn' (24) . Zeer zwaar was hier voor de toekomst de boodschap van Dr. Depla op zijn 
sterfbed (f 14 okt. 1924) aan zijn vrienden uit Vlaanderen: 'meer en meer ben ik tot 
de overtuiging gekomen, dat Vlaanderen slechts te redden is door een federatief 
verbond met Nederland. Van België moet ik niets weten' (25) . 
We moeten ons terecht afvragen hoe deze vrij plotselinge 'ont- 



(23) Ons Leven, juni 1924, 184-185. Vgl. ook BORGINON in Het Vlaamsche Land, 2 aug. 1924. 

(24) P. GEYL. Noord en Zuid, o.c, 26 en 39. 

(25) Vgl. J.A. SPINCEMAILLE in het verzamelwerk Over Dr. Depla, o.c., 28. 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



128 



ploffing' van de politieke Grootnederlandse gedachte, die een bron van twist en 
tweedracht zou worden in de nationalistische rangen, kan uitgelegd worden. Wij 
geloven niet dat hier een overwegend belang dient gehecht aan de invloed van de 
Grootnederlandse studentenkongressen of aan de stichting van het Diets 
Studentenverbond (1 juli 1922) dat de plaats innam van het vroegere Algemeen 
Nederlands Studentenverbond. De aanleiding tot de doorbraak van de 
Grootnederlandse gedachte, op politiek vlak, moet gezocht worden in de konjunktuur 
van twee faktoren: enerzijds de innerlijke logika van het Vlaams-nationalistisch 
denken, anderzijds de hoogoplaaiende haat, in het Vlaams-nationalisme in deze jaren, 
tegen al wat Belgisch was. We vinden deze innerlijke logika weer in de uitspraken 
van Borginon en Geyl, beiden tegenstanders van een uitgesproken Grootnederlandse 
politiek. Aangezien de partijgangers van een volledig zelfstandig Vlaanderen een te 
verwaarlozen element vormden in de politiek, moest noodzakelijk de vraag oprijzen 
- en die werd ook door de Belgicistische tegenstanders van een federale oplossing 
opgeworpen - wat er zou gebeuren indien de Walen de voorkeur gaven aan een 
annexatie bij Frankrijk, boven een uitsluiting uit Vlaanderen en een machtsommekeer 
in België ten nadele van Wallonië. Hoe verleidelijk was de stap niet voor de zuivere 
teoretici en de hanteerders van het natuurrecht die onverschillig bleven voor het 
verwijt van utopie en onpraktische politiek! Deze Grootnederlandse propaganda 
vond geen enkele rem in welk Belgisch nationaal gevoel ook bij de Vlaamse 
nationalisten, bewuste en onbewuste. Alleen het verstandelijke, niet het 
gevoelselement, heeft menig Vlaams nationalist ervan weerhouden voorstander te 
worden van een rechtstreekse Grootnederlandse politiek. Men kan zich daarbij, in 
onze dagen, moeilijk voorstellen hoe hartstochtelijk 'den Belgiek' toen gehaat werd 
in Vlaams-nationale kringen, gevolg enerzijds van de aktivistenvervolgingen, 
anderzijds van het uitblijven van amnestie en van enig ernstig rechtsherstel of 
gelijkheid 'in rechte en in feite'. Bij Vlaams-nationalistische betogingen was de kreet 
'Voor 't Belgiekske - Niekske' haast niet van de lucht. Bij Belgische tegenbetogingen 
werden de Belgische vlaggen van de gevels neergehaald, verscheurd en zelfs verbrand. 
In meer als één Vlaams Huis kocht men de vaderlandse kitsch van dweilen met een 
Belgisch-driekleurige band in geweven, om aan de bezoekers de gelegenheid te geven 
hun voeten schoon te vegen aan de nationale driekleur. Op alle betogingen weerklonk 
het lied 'Weg met die vod! ' De Brabanconne werd uitgejouwd. De invloed van de 



H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 



129 



Jong- Vlamingen op de nationalistische beweging is hier onmiskenbaar: de haat tegen 
België was het hoogste gebod. Men denke aan wat Cyr. Verschaeve nog in 1940 
schreef: 'Delenda Belgica! is de enige leus des levens' (26) . 

Wij mogen veronderstellen dat de heftige campagne die door het Comité de 
Politique Nationale gevoerd was tegen Nederland, niet zonder invloed gebleven is 
op deze Grootnederlandse reaktie. Deze had in Vlaanderen de idee van solidariteit 
met Nederland ontwikkeld. Ze sloeg, mede door de omstandigheden hierboven 
uiteengezet, in Vlaams-nationalistische kringen, over tot een nieuwe politieke positie: 
de oplossing van het Vlaamse vraagstuk door de verwezenlijking van 
Groot-Nederland. Wij zullen, in de jaren die volgen, gelegenheid te over hebben om 
te wijzen op de gevolgen hiervan voor de nationalistische politiek. 

Omstreeks de tijd dat Van Severen zijn plan kon doorzetten om in West-Vlaanderen 
tot een zelfstandige organizatie te komen, deed zich in de Vlaams-nationale 
partij groeperingen een feit voor dat van de grootste betekenis werd voor de toekomst 
van de nationalistische beweging. Te Aalst, waar het kartel van de Daensisten met 
de Vlaamse nationalisten bij de verkiezingen van 20 nov. 1921 niet kon vernieuwd 
worden, kwam in de zomer van het jaar 1923, een versmelting tot stand van het 
Vlaamse Front en van de Kristene Volkspartij die het zelfbestuurprogramma van het 
Vlaamse Front overnam. De naam van de partij werd Kristene Volkspartij 'Vlaamse 
Front'. Op 9 september werd dit akkoord bezegeld tijdens een groot 
verbroederingsfeest. Het was het begin van een langzame evolutie waar uiteindelijk 
het Daensisme opgeslorpt werd door het nationalisme. Van kristendemokratische 
zijde speelde hierin de oud-aktivist V. Bocqué een doorslaggevende rol. De 
nationalistische elementen kregen weldra de bovenhand. Op de voorgrond traden 
hierbij twee oud-aktivisten, Alb. D'Haese, exgandavensis, en Ernest Van den Berghe. 
Vooral de aktie en de aktiviteit van